← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.135

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 oktober 2019 ECLI nr

de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens

betreffende het vrije verkeer van die gegevens

tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG » (Algemene verordening gegevens - AVG) », in samenhang gelezen met artikel 2, lid 2, d), van die verordening, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van toepassing is op een nationale wetgeving zoals de wet van 25 december 2016 « betreffende de verwerking van passagiersgegevens », die niet

kel de richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement

de Raad van 27 april 2016 « over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken

vervolgen van terroristische misdrijven

ernstige criminaliteit » omzet, alsook de richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 « betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven »

de richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement

de Raad van 20 oktober 2010 « betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in

/of vertrekken uit havens van de lidstaten

tot intrekking van Richtlijn 2002/6/EG » ? 2. Is bijlage I van de richtlijn (EU) 2016/681 bestaanbaar met de artikelen 7, 8

52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in die zin dat de erin opgesomde gegevens zeer ruim zijn - onder meer de gegevens die worden beoogd in punt 18 van bijlage I van de richtlijn (EU) 2016/681, die verder gaan dan de gegevens beoogd in artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2004/82/EG -

doordat die gegevens, in hun geheel beschouwd, gevoelige gegevens zouden kunnen onthullen,

aldus de grenzen van het « strikt noodzakelijke » zou kunnen overschrijden ? 3. Zijn de punten 12

18 van bijlage I bij de richtlijn (EU) 2016/681 bestaanbaar met de artikelen 7, 8

52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre, rekening houdend met de bewoordingen « onder meer »

« met inbegrip van », de erin beoogde gegevens bij wijze van voorbeeld

niet exhaustief worden vermeld, zodat de vereiste van nauwkeurigheid

duidelijkheid van de regels die leiden tot een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven

in het recht op bescherming van de persoonsgegevens niet in acht zou zijn genomen ? 4. Zijn artikel 3, punt 4, van de richtlijn 2016/681/EU

bijlage I bij dezelfde richtlijn bestaanbaar met de artikelen 7, 8

52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre het systeem van het algemeen verzamelen, doorgeven

verwerken van passagiersgegevens dat die bepalingen instellen, iedere persoon beoogt die het desbetreffende vervoersmiddel gebruikt, los van elk objectief element dat het mogelijk maakt ervan uit te gaan dat die persoon een risico voor de openbare veiligheid kan vormen ? 5. Dient artikel 6 van de richtlijn (EU) 2016/681, in samenhang gelezen met de artikelen 7, 8

52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wetgeving zoals de bestreden wet, die, als doel van de « PNR-gegevensverwerking », het toezien op door de inlichtingen-

veiligheidsdiensten beoogde activiteiten aanvaardt, waarbij het dat doel aldus opneemt in het voorkomen, het opsporen, het onderzoeken

het vervolgen van terroristische misdrijven

ernstige criminaliteit ? 6. Is artikel 6 van de richtlijn (EU) 2016/681 bestaanbaar met de artikelen 7, 8

52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre de voorafgaande beoordeling die daarin wordt geregeld, door een correlatie met de gegevensbanken

de vooraf bepaalde criteria, stelselmatig

op algemene wijze van toepassing is op de passagiersgegevens, los van elk objectief element dat toelaat ervan uit te gaan dat die passagiers een risico kunnen vormen voor de openbare veiligheid ? UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH

FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Luchtvervoer PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 25 december 2016 « betreffende de verwerking van passagiersgegevens », ingesteld door de vzw « Ligue des Droits de l'Homme ». Verwerking van passagiersgegevens - Omzetting van de richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verplichting voor vervoerders [luchtvervoerders] om passagiersgegevens door te geven

van de richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement

de Raad van 27 april 2016 over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken

vervolgen van terroristische misdrijven

ernstige criminaliteit. Tekst van de beslissing Rolnummer 6713 Arrest nr. 135/2019 van 17 oktober 2019 In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 25 december 2016 « betreffende de verwerking van passagiersgegevens », ingesteld door de vzw « Ligue des Droits de l’Homme ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût

A. Alen,

de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman

M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep

rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 juli 2017 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 26 juli 2017, heeft de vzw « Ligue des Droits de l’Homme » (thans « Ligue des droits humains »), bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. C. Forget, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot gehele of gedeeltelijke (de artikelen 3, § 1,

8, § 2,

hoofdstuk 11) vernietiging ingesteld van de wet van 25 december 2016 « betreffende de verwerking van passagiersgegevens » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 januari 2017). De Ministerraad, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz

Mr. C. Caillet, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend

de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 26 juni 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet

R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord,

dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 juli 2019

de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen

kel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 juli 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte –A– A.1. De verzoekende partij zegt te doen blijken van een belang om in rechte te treden door het feit dat haar doel erin bestaat onrechtvaardigheid

elke willekeurige aantasting van de rechten van een individu te bestrijden

elk initiatief te bevorderen dat strekt tot de totstandkoming

de bevordering van de rechten

vrijheden. Het aanklagen van een wet die bepaalde grondrechten lijkt aan te tasten, maakt deel uit van haar opdrachten. Het Hof heeft overigens haar belang om in rechte te treden reeds erkend, onder meer bij het arrest nr. 84/2015, waarin zij de wet van 30 juli 2013 « betreffende de elektronische communicatie » aanvocht. Eerste middel A.2. Het eerste middel, in hoofdorde geformuleerd, is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna : de « AVG »), met de artikelen 7, 8

52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 3 A.3.1. De verzoekende partij stelt vast dat het doel van de bestreden wet van 25 december 2016 « betreffende de verwerking van passagiersgegevens » (hierna : de « PNR-wet ») dubbel is :

erzijds, de « PNR-gegevens » van passagiers beschermen, waardoor dit doel gelinkt is aan artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU)

, anderzijds, terroristische misdrijven

ernstige grensoverschrijdende criminaliteit bestrijden, waardoor dit doel gelinkt is aan artikel 87 van het VWEU dat betrekking heeft op justitiële samenwerking in strafzaken

op politiële samenwerking. Gelet op die dubbele doelstelling, zoals zij onder meer blijkt uit het advies van het Hof van Justitie nr. 1/15 van 26 juli 2017 betreffende het ontwerp van « PNR-overeenkomst » tussen de Europese Unie

Canada, valt de « PNR-wet » onder de toepassing van zowel de « AVG » als die van de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement

de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing

de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen,

betreffende het vrije verkeer van die gegevens

tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad » (hierna : de richtlijn (EU) 2016/680/EU). A.3.2. De verzoekende partij herinnert eraan dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een ruime interpretatie geeft aan het begrip « privéleven » in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, gelezen in het licht van het Verdrag nr. 108 van 28 januari 1981 van de Raad van Europa « tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens », het

ige dwingende instrument op dat gebied dat de inachtneming vereist van de beginselen van loyauteit, rechtmatigheid, doelmatigheid, kwaliteit

evenredigheid bij de verwerking van persoonsgegevens. Het Hof van Justitie onderzoekt de verenigbaarheid van een inmenging in de artikelen 7

8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, rekening houdend met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Te dezen impliceert de « PNR-wet » een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven

in het recht op bescherming van de persoonsgegevens, in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

de artikelen 7

8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De verzoekende partij verwijst in dat verband naar de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi die voorafging aan het advies van het Hof van Justitie nr. 1/15. Opdat die inmenging in overeenstemming zou zijn met artikel 52, lid 1, van dat Handvest, moet zij beantwoorden aan de criteria van wettigheid, noodzakelijkheid in het licht van het nagestreefde doel

evenredigheid, wat te dezen niet het geval is volgens de verzoekende partij. A.4. De « PNR-wet » verleent een ruime beoordelingsmarge aan de uitvoerende macht, die zij ermee belast om bij koninklijk besluit bepaalde essentiële elementen vast te leggen - waaronder de gegevens die moeten worden verzameld of de nadere regels voor het doorsturen ervan per vervoerssector

voor elke operator (artikelen 3, § 2,

7, § 3, in fine) -, wat in strijd is met het wettigheidsbeginsel, dat vereist dat de inmenging bij wet wordt vastgelegd of, in geval van delegatie aan de Koning, dat de essentiële elementen voldoende nauwkeurig

gedetailleerd door de wet worden vastgelegd. De afdeling wetgeving van de Raad van State gaf overigens aan, in haar advies over het ontwerp van wet dat de « PNR-wet » is geworden, dat zij onmogelijk de evenredigheid van de maatregel kon toetsen, gezien de ruime beoordelingsmarge die aan de uitvoerende macht werd gelaten. A.5.1. Volgens de verzoekende partij streeft de bestreden wet geen legitiem doel na. Zij voorziet immers in een demarche van « pre-screening », die erin bestaat het risico dat passagiers vormen te beoordelen vóór de aankomst, de doorreis of het vertrek op het nationaal grondgebied. Die pre-screening bestaat uit twee sporen :

erzijds, het zoeken naar positieve overeenstemmingen in de gegevensbanken die door de bevoegde diensten worden beheerd

, anderzijds, het uitfilteren van risicovolle passagiersprofielen, op basis van « dreigingsindicatoren ». De « Passagiersinformatie-eenheid » (hierna : de PIE), opgericht binnen de FOD Binnenlandse Zaken, is belast met het bewaren

het verwerken van de gegevens die door de vervoerders

reisoperatoren zijn doorgestuurd,

moet de positieve overeenstemming « hit », die vervolgens zal worden omgezet in een « match », valideren. De tekst bevat geen opsomming van de gegevensbanken die moeten worden gekruist, noch van de exacte gegevens die in de gegevensbank van de PIE moeten worden opgenomen. 4 De « PNR-wet » past dus in het proactief perspectief om « risicoprofielen » te bepalen, wat geen « legitiem » doel is in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.5.

  1. De keuze van de verschillende onderzoeksmethoden behoort weliswaar tot de beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten, maar die bevoegdheid is niet onbegrensd. Hoe dan ook is het doel van « voorkoming » van strafbare feiten, in de zin van artikel 23 van de « AVG », te dezen niet pertinent omdat de « PNR-wet » precies tot doel heeft risicoprofielen vast te stellen, los van het feit of er eventueel of in de toekomst een strafrechtelijk misdrijf wordt gepleegd. A.6.
  2. De verzoekende partij doet vooraf gelden dat de bestreden maatregelen niet noodzakelijk zijn om het beoogde doel te bereiken

dat zij dus moeten worden vernietigd. In zijn advies nr. 1/15 vermeldde het Hof van Justitie het nut van de regeling, zonder ze evenwel te koppelen aan de bestrijding van terrorisme

van zware grensoverschrijdende criminaliteit. Het ontbreken van een verantwoording voor die maatregelen was nochtans herhaaldelijk bekritiseerd door de « Werkgroep Artikel 29 betreffende gegevensbescherming » - een onafhankelijk Europees adviesorgaan belast met de inachtneming van het recht op bescherming van de gegevens

van het privéleven -, door het Europees Comité voor gegevensbescherming

de Adviescomissie van het Verdrag nr. 108 van de Raad van Europa « tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens »

door het Europees Parlement. A.6.2. In haar memorie van antwoord geeft de verzoekende partij aan dat het in ieder geval betreurenswaardig is dat het Hof van Justitie, naar aanleiding van zijn advies nr. 1/15, niet heeft herinnerd aan het belang van een voorafgaande effectbeoordeling op basis van een studie die gegrond is op bewijskrachtige elementen, die zou hebben toegelaten de noodzakelijkheid van de maatregel aan te tonen. De « AVG » legt overigens de uitvoering van een effectbeoordeling op in geval van een grootschalige verwerking van persoonsgegevens of een verwerking met het oog op een profilering. Bovendien bepaalt de ingevoerde regeling dat de gegevens, op algemene wijze

zonder

ig onderscheid te maken, door de operatoren worden verzameld

aan de bevoegde autoriteiten worden doorgegeven om te worden bewaard gedurende vijf jaar, zonder onderscheid, differentiatie, beperking of uitzondering naar gelang van het nagestreefde doel, hetgeen klaarblijkelijk onevenredig is omdat de gegevens van reizigers worden verwerkt los van

ige link met een terroristische activiteit of met een strafrechtelijk misdrijf. Ook al bleek uit de arresten Digital Rights, Tele2

Schrems dat het Hof van Justitie het « algemene

ongedifferentieerde » karakter van een verwerking van persoonsgegevens veroordeelde, toch stond het niettemin toe, in zijn advies nr. 1/15, dat gegevens systematisch

ongedifferentieerd worden verzameld, met een beperking tot hetgeen strikt noodzakelijk is, zonder evenwel een algemene bewaring van gegevens toe te staan. A.6.3. De verzoekende partij is van mening dat het systematische, dat wil zeggen « niet-doelgerichte » karakter van de maatregel problematisch blijft

dat, gelet op de recente rechtspraak van het Hof van Justitie over de in het middel beoogde bepalingen, het Hof van Justitie dienaangaande zou moeten worden ondervraagd. A.7.1. Meer specifiek neemt de bestreden wet het evenredigheidsbeginsel niet in acht wanneer men haar bekijkt in het licht van (a) haar toepassingsgebied

de beoogde categorieën van gegevens, (

  1. b)de gegevensverwerkingen die zij invoert, (
  2. c)haar doelstellingen

(d) de bewaartermijn van de gegevens. A.7.2.1. In de eerste plaats geeft artikel 4, 10°, van de bestreden wet een zeer ruime omschrijving van de verzamelde gegevens. Artikel 9 van de bestreden wet maakt vervolgens een onderscheid tussen,

erzijds, de « API-gegevens » (Advance Passenger Information), namelijk de gegevens van de check-in-status

het instappen

, anderzijds, de « PNR-gegevens » (Passenger Name Record), te weten de reservatiegegevens. De « PNR-gegevens » bevatten meer informatie dan de « API-gegevens »; het gaat onder meer om de volledige reisroute van de passagier, de naam van het reisbureau, het zitplaatsnummer, de bagage-informatie, de gegevens van de check-in-status

het instappen, de wijze van betaling

het factuuradres

z. Met die gegevens kan, dankzij de methode van pre-screening, worden bepaald welke passagiers een risico kunnen inhouden voor de veiligheid. 5 Bovendien kunnen « PNR-gegevens » indirect gevoelige gegevens bevatten die onder meer het lidmaatschap van een vakorganisatie, de persoonlijke affiniteit

de persoonlijke of professionele relaties (naar gelang van de zitplaats in het vliegtuig) kunnen onthullen, zoals wordt onderstreept door het Adviescomissie van het Verdrag nr. 108 van de Raad van Europa « tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens ». Men zou op zijn minst de categorie van de gegevens bedoeld in artikel 9, 12°, van de bestreden wet moeten beperken. Die gegevens gaan duidelijk verder dan hetgeen strikt noodzakelijk is, zoals werd onderstreept door advocaat-generaal Mengozzi in zijn conclusie voorafgaand aan het advies van het Hof van Justitie nr. 1/

  1. In dat advies nr. 1/15 bekritiseert het Hof van Justitie eveneens de ontstentenis van een precisering van die gegevens. Die categorieën van gegevens zouden bijgevolg nader moeten worden omschreven. A.7.2.
  2. In ieder geval is het toepassingsgebied van de bestreden wet ruimer dan hetgeen de « PNR- richtlijn » bepaalt, wat door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer werd onderstreept in haar advies nr. 55/
  3. Gelet op dat ruime toepassingsgebied, dat indirect de verwerking van gevoelige gegevens impliceert,

rekening houdend met het gebrek aan nauwkeurigheid

duidelijkheid wat betreft de beoogde gegevens, overschrijdt de bestreden wet in het licht van het wettigheidsbeginsel duidelijk de grenzen van het strikt noodzakelijke, wat een voorwaarde is voor het toestaan van een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven. A.7.3. De « PNR-wet » geeft aanleiding tot verschillende verwerkingen

stromen van persoonsgegevens : (1°) de verplichtingen van de vervoerders

reisoperatoren; (2°) de oprichting van een « passagiersgegevensbank », (3°) de correlatie tussen gegevensbanken

(4°) de gerichte opzoekingen. Primo, wat de verplichtingen van de vervoerders

de reisoperatoren betreft (artikel 3, § 2), verwijst de verzoekende partij naar de kritiek betreffende het wettigheidsbeginsel, te meer daar de begrippen « identiteitsdocument »

« reisdocumenten » niet zijn gedefinieerd in artikel 7, §§ 1

2. Secundo, wat de oprichting van een « passagiersgegevensbank » betreft (artikelen 12 tot 15), wordt die gegevensbank beheerd door de PIE die is opgericht binnen de FOD Binnenlandse Zaken,

die eveneens belast is met de uitwisseling van die gegevens met de buitenlandse PIE’s

met Europol. De wetgever legt niet uit waarom het noodzakelijk is om een « passagiersgegevensbank » op te richten, terwijl een koppeling van de gegevens - die duidelijk minder sterk in de persoonlijke levenssfeer zou ingrijpen dan de oprichting van een gegevensbank - eveneens zou toelaten om het nagestreefde doel te bereiken. In zijn advies nr. 1/15 preciseert het Hof van Justitie overigens dat de bewaring van gegevens verband moet houden met het nagestreefde doel. Tertio, wat de correlatie tussen de gegevensbanken betreft (artikel 24), stelt de verzoekende partij vast dat het erop lijkt - maar de wet is niet duidelijk - dat de pre-screening zou moeten worden uitgevoerd in de gegevensbank die gecentraliseerd is bij de PIE, aan de hand van vooraf bepaalde criteria die dienen als indicatoren van dreiging. De « PNR-wet » definieert echter noch de precieze aard van de gegevensbanken die voor de correlatie worden gebruikt, noch de modaliteiten van die laatste, waaronder de « dreigingsindicatoren », wat werd bekritiseerd door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in haar advies nr. 55/2015. De « PNR-wet » bepaalt evenmin dat die correlatie beperkt is tot de gegevensbanken die worden beheerd met betrekking tot de bestrijding van terrorisme

van ernstige criminaliteit. Doordat zij niet voorzienbaar is, biedt de « PNR-wet » geen bescherming tegen willekeurige aantastingen, door de overheid, van het recht op eerbiediging van het privéleven. Quarto, wat de gerichte opzoekingen betreft, bepaalt artikel 27 van de « PNR-wet » dat, op grond van een individueel verzoek, de bevoegde diensten toegang kunnen hebben tot de gegevensbank binnen de grenzen van hun opdrachten

van de doelen waarin de wet voorziet (artikel 51). Artikel 46septies van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 50 van de « PNR-wet », bevestigt echter dat het onduidelijk is welke gegevens toegankelijk zijn. Bovendien zijn de personen die uit de bevoegde diensten gedetacheerd zijn bij de PIE zowel rechter als partij, omdat zij belast zijn met de behandeling van de vorderingen tot toegang

met het toezicht op de naleving van de toegangsvoorwaarden. A.7.4. De « PNR-richtlijn » heeft « specifieke doeleinden »

haar toepassingebied is beperkt tot terroristische misdrijven

ernstige vormen van criminaliteit, zodat de lidstaten niet gemachtigd zijn om doelstellingen na te streven die niet door de richtlijn zijn vastgelegd. 6 Artikel 8 van de « PNR-wet » streeft echter verwerkingsdoelen na die duidelijk ruimer zijn dan die waarin de « PNR-richtlijn » voorziet, zoals de bestrijding van illegale immigratie, van activiteiten die bedreigend kunnen zijn voor de fundamentele belangen van de Staat of nog de bestrijding van « gewelddadige radicalisering », die

kel in een omzendbrief wordt omschreven. Die doelstelling van bestrijding van gewelddadige radicalisering is overigens uitermate ruim

overschrijdt de grenzen van het strikt noodzakelijke die zijn opgelegd krachtens het advies van het Hof van Justitie nr. 1/

  1. A.7.
  2. Artikel 18 van de « PNR-wet » voorziet in een bewaartermijn van vijf jaar voor de gegevens, hetgeen overeenstemt met de maximumtermijn waarin artikel 12 van de « PNR-richtlijn » voorziet. De wetgever heeft echter geenszins verantwoord waarom hij de door de « PNR-richtlijn » toegestane maximumtermijn heeft gekozen, die bekritiseerd werd door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in haar advies nr. 55/2015,

die het onevenredige karakter van de maatregel aantoont. A.8. De Ministerraad werpt in hoofdorde de onontvankelijkheid van het eerste middel op in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de « AVG », aangezien duidelijk blijkt, zowel uit overweging 19 van de « AVG » als uit artikel 1 van de « PNR-richtlijn », dat de verwerking van « PNR-gegevens » niet onder de « AVG » valt maar wel onder de justitiële

politiële samenwerking tussen de lidstaten

onder de richtlijn (EU) 2016/

  1. Overweging 5 van de « PNR-richtlijn » voorziet overigens op zich in een kader voor de bescherming van « PNR-gegevens ». Ten slotte is de « AVG » pas in werking getreden op 25 mei 2018; een akte van de Unie die vóór die inwerkingtreding is aangenomen, moet als zodanig niet ongeldig worden verklaard, maar moet, zo nodig, worden gewijzigd. Zelfs indien de « AVG » te dezen van toepassing zou zijn, zou zij niet in tegenspraak kunnen zijn met de « PNR-wet », aangezien de verzoekende partij, voor het overige, niet de schending van de richtlijn (EU) 2016/680 heeft aangevoerd ter ondersteuning van haar middel. A.
  2. De Ministerraad herinnert eraan dat de in het middel aangevoerde bepalingen niet absoluut zijn

is van mening dat is voldaan aan het wettigheidsbeginsel. Te dezen zijn de gegevens die maximaal door de Koning kunnen worden geëist krachtens de delegatie die Hem is verleend bij artikel 3, § 2, van de « PNR-wet », omschreven in artikel 9 van de bestreden wet. Wat betreft de tegen het bestreden artikel 7, § 3, gerichte kritiek, zijn de verplichtingen die voor de vervoerders

de reisoperatoren zullen gelden, precies vastgelegd in de eerste twee paragrafen van artikel 7, waarbij alleen de nadere regels voor het doorsturen van de gegevens

voor de controle door de Koning kunnen worden bepaald. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt overigens dat de reisoperatoren aan een middelenverbintenis worden onderworpen, die betrekking heeft op de controle van de overeenstemming van de identiteitsdocumenten met de reisdocumenten. Zoals aangegeven in de parlementaire voorbereiding, kunnen die delegaties worden verantwoord door de noodzaak om de nadere regels voor de uitvoering van die verplichtingen aan te passen aan de eigen specificiteit van de vervoerders

de reisoperatoren. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft overigens niet het beginsel op zich van die delegaties bekritiseerd, maar heeft

kel opgemerkt dat zij de evenredigheid van de uitvoeringsmaatregelen pas zou kunnen toetsen op het ogenblik dat de ontwerpen van koninklijke besluiten zullen zijn uitgewerkt. De uitvoering, door de Koning, van een bij wet verleende delegatie dient te gebeuren met inachtneming van het privéleven, maar behoort niet tot de bevoegdheid van het Hof. Het wettigheidsbeginsel is niet geschonden omdat de wet de essentiële elementen bevat van de maatregelen waarin ze voorziet

omdat de machtiging aan de Koning voldoende nauwkeurig is. De verzoekende partij toont overigens niet aan dat de delegaties aan de Koning onduidelijk zouden zijn. Voor het overige dient de wettigheidsvereiste te worden begrepen in materiële zin volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zodat reglementaire akten voldoen aan het begrip « wet » in de zin van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 7 A.10. De Ministerraad is van mening dat het gebruik van « PNR-gegevens » niet alleen een nuttig maar ook een essentieel instrument is in het kader van, onder meer, de bestrijding van terrorisme

van ernstige criminaliteit, hetgeen overigens uitdrukkelijk werd erkend door het Hof van Justitie in zijn advies nr. 1/15,

door advocaat-generaal Mengozzi in de conclusie die aan dat advies voorafging. Dankzij de « PNR-wet » konden overigens reeds meermaals grote hoeveelheden drugs

sigaretten in beslag worden genomen, mensensmokkelaars worden geïdentificeerd, personen worden gearresteerd wegens moord of ontvoering,

konden personen die voordien onbekend waren maar ten aanzien van wie een interventie vereist was op het ogenblik van vertrek of van aankomst worden opgespoord. Voor het overige komt de invoering van een PIE

van een passagiersgegevensbank erop neer dat uitvoering wordt gegeven aan de verplichting tot omzetting van de « PNR-richtlijn ». De verzoekster probeert aldus de pertinentie van die richtlijn, waarover is gestemd binnen de Europese instellingen

waartegen geen

kel beroep werd ingesteld, ter discussie te stellen. A.11.1. De Ministerraad geeft aan dat een niet-doelgerichte inzameling van « PNR-gegevens » noodzakelijk

pertinent is in het licht van de doelstellingen die door de bestreden wet worden nagestreefd, hetgeen wordt bevestigd zowel in het advies van het Hof van Justitie nr. 1/15 als in de conclusie die aan dat advies voorafgaat. Dat advies

die conclusie hebben weliswaar betrekking op de voorgenomen overeenkomst tussen de Europese Unie

Canada, maar kunnen worden overgenomen voor de « PNR-wet »,

tonen de evenredigheid ervan aan. Zowel het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als het Hof van Justitie kennen Staten overigens een ruime beoordelingsmarge toe voor de keuze van de nadere regels voor toezicht, doordat democratische samenlevingen thans worden bedreigd door ernstige vormen van terrorisme. De « PNR-wet » heeft tot doel de openbare veiligheid te verzekeren door niet alleen de vervolging van terroristische misdrijven of van bepaalde ernstige vormen van criminaliteit mogelijk te maken, maar ook om, via een voorafgaande analyse van verzamelde gegevens, die misdrijven te voorkomen. Het Hof van Justitie heeft erkend dat die doelstellingen legitiem zijn in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zowel bij zijn arrest Digital Rights als in zijn advies nr. 1/15. Het doel van voorkoming van misdrijven vormt overigens een van de legitieme doelstellingen bedoeld in artikel 23 van de « AVG », voor zover zij te dezen van toepassing is, quod non. Ten slotte bekritiseert het middel

kel de legitimiteit van de voorafgaande beoordelingen, die echter niet los kunnen worden gezien van de rest van de wet, omdat zij bijdragen tot het verwezenlijken van de legitieme doelstellingen die door de « PNR-wet » in haar geheel worden nagestreefd. De identificatie van risicoprofielen maakt het precies mogelijk om te voorkomen dat terroristische misdrijven worden gepleegd of dat vormen van ernstige criminaliteit opduiken. A.11.2. Wat betreft de kritiek op de beoordeling van het effect van de maatregel, die door de verzoekende partij in haar memorie van antwoord wordt opgeworpen, is de Ministerraad van mening, in hoofdorde, dat het gaat om een middel dat is afgeleid uit de schending van artikel 35 van de « AVG », dat dit middel nieuw is

bijgevolg niet ontvankelijk. In ondergeschikte orde kan die bepaling de geldigheid van de « PRN-richtlijn » noch die van de wet die haar omzet niet ter discussie stellen, aangezien die beide zijn aangenomen vóór de inwerkingtreding ervan. Ten slotte werd een effectbeoordeling, op grond van de adviezen van de voornaamste betrokkenen,

waarbij de noodzaak van de betrokken maatregelen

de geschiktheid ervan werden aangetoond teneinde de nagestreefde doelstellingen te bereiken, uitgevoerd in 2011. De Ministerraad is ook van mening dat de grief moet worden beperkt tot het systematisch verzamelen van de gegevens,

niet tot de bewaartermijn ervan, die niet werd bekritiseerd in het verzoekschrift

dat de grief dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard. In ondergeschikte orde is die bewaartermijn noodzakelijk om het doel van de bestreden wet te bereiken. A.11.

  1. Ten slotte zou, zoals het Hof van Justitie heeft aangenomen, de uitsluiting van bepaalde personen of bepaalde gebieden van herkomst, of nog de beperking van het « PNR-systeem » tot bepaalde vluchten in de weg staan aan de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling. 8 A.12.
  2. De gegevens die maximaal kunnen worden gevraagd, zijn vastgelegd in artikel 9 van de bestreden wet, het begrip « passagier » is gedefinieerd in artikel 4, 10°, van de bestreden wet; die artikelen beogen grotendeels dezelfde gegevens

personen als die welke in de « PNR-richtlijn » worden beoogd. Zoals reeds eerder is vermeld, is er geen schending van het wettigheidsbeginsel, doordat de verzoekende partij niet aantoont welke gegevens niet voldoende nauwkeurig zouden zijn. Een eventuele schending van de in het middel beoogde bepalingen zou dus

kel kunnen voortvloeien uit koninklijke besluiten, die niet tot de bevoegdheid van het Hof behoren. Indien overigens gevoelige gegevens zouden moeten worden doorgegeven door de vervoerders of de reisoperatoren, zou de PIE ze, overeenkomstig de artikelen 10

11 van de bestreden wet, definitief moeten verwijderen bij ontvangst ervan. Dat principiële verbod op het gebruik van gevoelige gegevens gaat zelfs verder dan hetgeen werd aanbevolen door het advies van het Adviescomissie van het Verdrag nr. 108 van de Raad van Europa « tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens ». Ten slotte voorziet artikel 6 van de bestreden wet in de verplichting om passagiers te informeren over het feit dat hun gegevens worden doorgestuurd naar de PIE

achteraf kunnen worden verwerkt in het kader van de in artikel 8 van de bestreden wet beoogde doelen. A.12.2. De Ministerraad is van mening dat de bestreden maatregelen evenredig zijn. Primo, wat de identificatie van de verwerkingen betreft, verwijst de Ministerraad naar zijn argumentatie in verband met het wettigheidsbeginsel, waarbij de wet voor het overige wordt geïnterpreteerd in het licht van de parlementaire voorbereiding ervan. Secundo, wat de oprichting van een passagiersgegevensbank betreft, werpt de Ministerraad in hoofdorde op dat de verzoekende partij alleen maar beweert, zonder het aan te tonen, dat een matching van gegevens zou hebben toegelaten het nagestreefde doel te bereiken

dat zij minder afbreuk zou hebben gedaan aan het recht op eerbiediging van het privéleven. Het middel is bijgevolg niet ontvankelijk, in zoverre het niet aantoont in welk opzicht de aangevoerde bepalingen zouden zijn geschonden. In ondergeschikte orde herinnert de Ministerraad eraan dat het Hof zijn beoordeling niet in de plaats kan stellen van die van de wetgever. In uiterst ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat het middel niet gegrond is. De « PNR- richtlijn » beoogt zelf de oprichting van een « PNR-gegevensbank » binnen de PIE’s van de verschillende lidstaten. Vervolgens zou een gewone matching van gegevens niet volstaan om de voorafgaande beoordelingen ter identificatie van de veiligheidsrisico’s uit te voeren. Ongeacht of die voorafgaande beoordelingen als profilering worden omschreven, veronderstellen zij het bestaan van een gegevensbank, in welke vorm ook. De oprichting van een gegevensbank laat overigens toe tegemoet te komen aan overweging 25 van de « PNR- richtlijn », waarbij wordt gevraagd de gegevens zolang te bewaren als noodzakelijk is voor de nagestreefde doelstellingen. Ten slotte zullen de bevoegde diensten nooit toegang hebben tot alle gegevens, maar

kel tot bepaalde ervan, wanneer zij een zoekopdracht voorleggen op basis van precieze criteria of via een correlatie met diverse gegevensbanken. Voor het overige gaat de oprichting van die gegevensbank gepaard met talrijke waarborgen ter bescherming van het privéleven, zoals de aanwijzing van een functionaris voor de gegevensbescherming of het optreden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Tertio, wat de correlatie tussen de verschillende gegevensbanken betreft, herinnert de Ministerraad eraan dat de artikelen 24

25 van de « PNR-wet » artikel 6 van de « PNR-richtlijn » omzetten. De vooraf bepaalde criteria kunnen worden bijgesteld door de PIE

moeten doelgericht, evenredig, specifiek

niet- discriminerend zijn,

de overeenstemming moet worden gevalideerd door de PIE. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt overigens dat de wetgever geen correlatie wil doorvoeren tussen de « passagiersgegevensbank »

het geheel van de gegevensbanken waartoe de bevoegde autoriteiten toegang hebben, maar alleen tussen de « passagiersgegevensbank »

de gegevensbanken die beantwoorden aan de doeleinden van de bestreden wet. Die maatregelen zijn in overeenstemming met de leringen van het advies van het Hof van Justitie nr. 1/15, aangezien artikel 6, lid 3, van de « PNR-richtlijn » evenmin verduidelijkt welke gegevensbanken aan elkaar kunnen worden gekoppeld. Een beoordelingsbevoegdheid is evenmin onverenigbaar met het wettigheidsbeginsel, zoals het wordt geïnterpreteerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. 9 Het doel van de wet zou overigens niet kunnen worden bereikt indien de reizigers op voorhand de criteria zouden kennen die tot een positieve overeenstemming leiden, want dan zouden zij hun gedrag kunnen aanpassen. Artikel 16 van de bestreden wet geeft bovendien duidelijk aan dat de pre-screening moet worden uitgevoerd binnen de « passagiersgegevensbank », wat dus in overeenstemming is met het wettigheidsbeginsel. Quarto, wat de gerichte opzoekingen betreft, is de Ministerraad in hoofdorde van mening dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het aanvoert dat de wet verder gaat dan « hetgeen strikt noodzakelijk is », zonder de geschonden regel te identificeren, noch in welk opzicht die regel zou zijn geschonden. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat de kritiek niet gegrond is. De bestreden artikelen 27, 50

51 beogen, als « gegevens die kunnen worden gevraagd », de « passagiersgegevens », die zelf zijn gedefinieerd in artikel 4, 17°, van de « PNR-wet », dat verwijst naar artikel 9 van dezelfde wet. Die gegevens worden dus wel degelijk geïdentificeerd in de « PNR-wet ». Er bestaan overigens verschillende vormen van controle voorafgaand aan een verzoek tot het verkrijgen van de inlichtingen van een bepaald « PNR-dossier » om over te gaan tot gerichte opzoekingen, die hetzij een schriftelijk

met redenen omkleed verzoek vanwege de procureur des Konings vereisen - behalve in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid waarin een mondelinge toestemming van de procureur des Konings volstaat -, hetzij een schriftelijke

met redenen omklede beslissing van de leidende ambtenaar van een van de twee inlichtingen-

veiligheidsdiensten van het Rijk. Tijdens de periode van hun detachering worden de gedetacheerde leden van de bevoegde diensten onder het functioneel toezicht geplaatst van de leidende ambtenaar van de PIE, die verantwoordelijk is voor de naleving van de wettigheid

de regelmatigheid van de verwerkingen, zodat de verzoeken die door de PIE worden ontvangen, door onafhankelijke personen worden behandeld. Er kan niet staande worden gehouden dat de gedetacheerden van de bevoegde diensten zowel rechter als partij zouden zijn. Ten slotte heeft de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer die verschillende waarborgen rond gerichte opzoekingen toegejuicht. A.12.3. Wat het doel van de verwerkingen betreft, is de Ministerraad van mening dat de bestreden wet de bestrijding van illegale immigratie mocht beogen. Hij onderstreept dat het niet de « PNR-gegevens » zullen zijn die worden overgedragen in het kader van hoofdstuk 11 van de bestreden wet, maar uitsluitend de « API- gegevens ». Zoals de richtlijn 2004/82/EG, definieert de « PNR-wet » het begrip « buitengrenzen » als de « buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie met derde landen ». Alleen de « API-gegevens » die betrekking hebben op passagiers die de buitengrenzen van België oversteken, moeten dus worden doorgestuurd naar de politiediensten die belast zijn met de grenscontroles

, zo nodig, naar de Dienst Vreemdelingenzaken. Wat betreft het doel van toezicht op de activiteiten die worden beoogd in de wet van 30 november 1998 « houdende regeling van de inlichtingen-

veiligheidsdiensten », herinnert de Ministerraad eraan dat dit doel werd opgenomen in de « PNR-wet » als antwoord op een opmerking vanwege de afdeling wetgeving van de Raad van State. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer onderstreepte overigens de waarborgen waarmee dat doel gepaard gaat, dat erin bestaat de fundamentele belangen van de Staat te beschermen tegen terroristische activiteiten of handelingen van criminele organisaties. Ten slotte wordt de preventie van ernstige inbreuken op de openbare veiligheid die gelinkt zijn aan de gewelddadige radicalisering concreet ten uitvoer gelegd door toe te zien op fenomenen

groeperingen bedoeld in artikel 44/5, § 2, van de wet van 5 augustus 1992 « op het politieambt ». De vermelde omzendbrief is te dezen niet pertinent, omdat de parlementaire voorbereiding aangeeft dat alleen het fenomeen van de gewelddadige radicalisering

de eraan verbonden groeperingen wordt beoogd. De verwijzing naar die bepaling maakt het dus mogelijk het te dezen nagestreefde doel voldoende nauwkeurig te bepalen, dat

kel de « API-gegevens »,

niet de « PNR-gegevens », toegankelijk maakt. A.12.4. Wat de bewaartermijn van de gegevens betreft, preciseert de Ministerraad dat die niet alleen wordt geregeld door artikel 18 van de bestreden wet, maar ook door hoofdstuk 9 van diezelfde wet in zijn geheel. 10 De personeelsleden van de PIE beschikken overigens niet over een rechtstreekse toegang tot alle gegevens van de « passagiersgegevensbank ». Bovendien worden die gegevens, na een periode van zes maanden, gedepersonaliseerd

zijn zij

kel toegankelijk in de gevallen

onder de strikte voorwaarden bepaald in artikel 27 van de bestreden wet, die hoofdzakelijk betrekking hebben op het opsporen

vervolgen van diverse misdrijven. Het is niet onredelijk te voorzien in een bewaartermijn van vijf jaar, hetgeen overigens overeenstemt met de minimumduur voor verjaring van een strafvordering, wat misdrijven

gecorrectionaliseerde misdaden betreft. De PIE zal bovendien worden belast met de « oplijsting » van alle behandelsystemen

-procedures onder haar verantwoordelijkheid, teneinde die documentaire sporen ter beschikking te houden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De functionaris voor de gegevensbescherming zal eveneens instaan voor diverse opdrachten van toezicht op de uitgevoerde verwerkingen van gegevens. De bewaartermijn van die gegevens, die overeenstemt met de termijn bepaald in de « PNR-richtlijn », gekoppeld aan de waarborgen vervat in hoofdstuk 9 van de bestreden wet, is dus geenszins onevenredig. Tweede middel A.13. Het tweede middel, dat in ondergeschikte orde is geformuleerd, is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

met artikel 45 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De artikelen 3, § 1,

8, § 2, alsook hoofdstuk 11 van de bestreden wet zijn in strijd met het vrije verkeer van personen, dat is erkend als een van de vier grote vrijheden van verkeer, in zoverre zij niet alleen het vervoer binnen de EU, maar ook het vervoer buiten de EU (met inbegrip van tussenlandingen) beogen. Terwijl het Akkoord van Schengen de binnengrenzen tussen de lidstaten opheft, zullen de Belgische grenzen niet meer kunnen worden overgestoken zonder dat de personen in kwestie worden gecontroleerd, omdat, zodra iemand zich op het Belgische grondgebied bevindt - bij zijn aankomst, zijn vertrek of voor een tussenlanding -, zijn gegevens automatisch worden verzameld. In haar memorie van antwoord geeft de verzoekende partij aan dat het vaste rechtspraak is dat een grenscontrole een inmenging kan inhouden in het recht van de betrokken personen op eerbiediging van hun privé-

gezinsleven. Het vrije verkeer van personen impliceert dat controles door Staten

kel plaatsvinden aan de buitengrenzen van Europa

niet aan de binnengrenzen van België, terwijl dat nochtans is wat de « PNR-wet » indirect invoert, met schending van het beginsel van vrij verkeer van personen, zoals werd onderstreept door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in haar advies nr. 55/2015. De « PNR- richtlijn » verbiedt controles aan de grenzen. De verzoekende partij vraagt dan ook dat daaromtrent een prejudiciële vraag zou worden gesteld aan het Hof van Justitie. Voor het overige kan de uitzondering die wordt toegestaan door de verordening (EU) nr. 1051/2013 van het Europees Parlement

de Raad van 22 oktober 2013 « tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 teneinde te voorzien in gemeenschappelijke regels inzake de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen in uitzonderlijke omstandigheden » niet worden aangevoerd ter verantwoording van het opnieuw invoeren van een grenscontrole, aangezien die maatregel slechts tijdelijk mag zijn

kel kan worden verklaard door een ernstige bedreiging voor de openbare orde

voor de nationale veiligheid. A.14. In hoofdorde werpt de Ministerraad op dat het middel niet ontvankelijk is. Ook al beroept zij zich formeel op artikel 22 van de Grondwet, toch geeft de verzoekende partij te dezen geenszins aan in welk opzicht haar grief op die grondwetsbepaling steunt; het middel is dus niet ontvankelijk in zoverre het die bepaling aanvoert. Het feit dat de verzoekende partij, in haar memorie van antwoord, een verbinding tracht te maken met artikel 22 van de Grondwet, is niet voldoende omdat zij, in haar verzoekschrift, geenszins aangaf in welk opzicht artikel 22 van de Grondwet had kunnen zijn geschonden. De Ministerraad betwist overigens dat er een verband is tussen grenscontroles

het recht op eerbiediging van het privéleven. Er dient immers een onderscheid te worden gemaakt tussen een grenscontrole als zodanig

de gevolgen van die controle die, in bepaalde gevallen, kunnen leiden tot een vaststelling van schending van het recht op eerbiediging van het privéleven. Het oversteken van een grens wordt echter niet steeds verantwoord door een gezinshereniging. 11 De verzoekende partij vraagt het Hof in werkelijkheid om de bestreden wet rechtstreeks te toetsen aan het Europese recht, hetgeen niet tot zijn bevoegdheid behoort. A.15. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat de bestreden wet geenszins neerkomt op de herinvoering van een controle aan de grenzen

geenszins ingaat tegen de vrijheid van verkeer van personen. De « PNR-richtlijn » is niet van toepassing op illegale immigratie

de bestreden wet zet niet alleen de « PNR- richtlijn », maar ook de « API-richtlijn » om. Het middel, zoals het is geformuleerd, beoogt

kel de artikelen 3, § 1,

8, § 2, alsook hoofdstuk 11 van de bestreden wet. Uit de definitie van het begrip « buitengrenzen » blijkt echter dat de « PNR-wet » alleen de controles aan de buitengrenzen van de EU beoogt. Bovendien zet de « PNR-wet » de richtlijn 2004/82/EG om, zodat zij niet kan worden geïnterpreteerd in die zin dat zij opnieuw een controle invoert aan de grenzen van de Schengenruimte. In uiterst ondergeschikte orde voorziet overweging 10 van de « PNR-richtlijn » uitdrukkelijk in de mogelijkheid om het gebruik van « PNR-gegevens » uit te breiden tot de vluchten binnen de Unie, wat aantoont dat die maatregel op zich niet strijdig is met de vrijheid van verkeer, noch met de verordening (EG) nr. 562/2006. Verzoek tot prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie A.16. Aangezien de « PNR-wet » hoofdzakelijk een omzetting is van de « PNR-richtlijn », stelt zij het recht van de Europese Unie in werking

dient zij de in het voormelde Handvest erkende grondrechten in acht te nemen. Aangezien het Hof, overeenkomstig artikel 267 van het Verdrag betreffende de Europese Unie [lees : van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie], een nationale rechterlijke instantie is waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is de verzoekende partij van mening dat aan het Hof van Justitie de twee prejudiciële vragen die in het kader van de twee middelen zijn opgeworpen, dienen te worden gesteld. A.

  1. Met verwijzing naar de rechtspraak Cilfit, verzoekt de Ministerraad het Hof om het Hof van Justitie niet te ondervragen. Wat de door de verzoekende partij voorgestelde eerste prejudiciële vraag betreft, heeft het Hof van Justitie reeds erop geantwoord in zijn advies nr. 1/
  2. Wat de voorgestelde tweede prejudiciële vraag betreft, is de Ministerraad van mening dat er geen redelijke twijfel over bestaat dat het Europese recht correct werd toegepast in de artikelen 3, § 1, 8, § 2,

in hoofdstuk 11 van de « PNR-wet ». –B– Ten aanzien van de bestreden wet

de context ervan B.1. Het beroep tot vernietiging, ingesteld door de vzw « Ligue des Droits de l’Homme » (thans « Ligue des droits humains »), is gericht tegen de wet van 25 december 2016 « betreffende de verwerking van passagiersgegevens » (hierna : de wet van 25 december 2016), de vervoerders

reisoperatoren de verplichting oplegt om de passagiersgegevens, de zogenoemde « PNR-gegevens » (Passenger Name Record) door te geven. 12 B.2.

  1. Overeenkomstig artikel 2 ervan, zet de wet van 25 december 2016 drie Europese richtlijnen om. B.2.
  2. De wet van 25 december 2016 zet vooreerst de richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement

de Raad van 27 april 2016 « over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (« PNR-gegevens ») voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken

vervolgen van terroristische misdrijven

ernstige criminaliteit » (hierna : de « PNR- richtlijn ») om. De « PNR-richtlijn » voorziet in het verzamelen

doorgeven, door de luchtvaartmaatschappijen, van de persoonsgegevens van passagiers naar of vanuit derde landen om terroristische misdrijven

ernstige criminaliteit te voorkomen, op te sporen alsook te onderzoeken

te vervolgen. Die richtlijn is van toepassing op de verwerking van de « PNR-gegevens » betreffende de luchtvaart maar, overeenkomstig overweging 33 ervan, sluit zij voor de lidstaten niet de mogelijkheid uit om, krachtens hun nationaal recht, het « PNR-mechanisme » waarin zij voorziet uit te breiden tot andere vervoermiddelen of tot marktdeelnemers die geen luchtvaartmaatschappij zijn. Bovendien kan de « PNR-richtlijn », overeenkomstig artikel 2 ervan, ook worden toegepast op vluchten binnen de EU. B.2.

  1. De wet van 25 december 2016 zet eveneens de richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 « betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven » (hierna : de « API-richtlijn ») om. Zij regelt dus het gebruik van passagiersgegevens voor de doelstellingen waarin de richtlijn 2004/82/EG voorziet, waarbij de inhoud van het koninklijk besluit van 11 december 2006 « betreffende de verplichting voor luchtvervoerders om passagiersgegevens door te geven » (hierna : het koninklijk besluit van 11 december 2006) wordt overgenomen. 13 B.2.
  2. De wet van 25 december 2016 zet ten slotte, gedeeltelijk, de richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement

de Raad van 20 oktober 2010 « betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in

/of vertrekken uit havens van de lidstaten

tot intrekking van Richtlijn 2002/6/EG » om. Die richtlijn heeft tot doel de administratieve procedures die van toepassing zijn op het zeevervoer te vereenvoudigen

te harmoniseren door de algemene invoering van de elektronische overdracht van gegevens

door rationalisering van de meldingsformaliteiten (artikel 1, lid 1). B.3.1. De wet van 25 december 2016 beoogt « een wettelijk kader te scheppen om de vervoerders van passagiers in verschillende internationale transportsectoren (luchtvervoer, treinverkeer, internationaal wegvervoer

maritiem transport), alsook reisoperatoren, te verplichten de gegevens van hun passagiers door te sturen naar een gegevensbank, beheerd door de FOD Binnenlandse Zaken » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-2069/001, p. 6) : « De verwerking van de passagiersgegevens, het vergelijken ervan met databanken

het aftoetsen ervan aan vooraf bepaalde criteria zijn noodzakelijk om deze modi operandi te ontdekken, om nieuwe trends

fenomenen in kaart te brengen, maar ook om te bepalen welke passagiers aan een nader onderzoek dienen onderworpen te worden, aangezien zij, op basis van het resultaat van de verwerking, kunnen betrokken zijn bij een terroristisch misdrijf, bij vormen van ernstige criminaliteit, bij inbreuken op de openbare orde in het kader van gewelddadige radicalisering

bij activiteiten die de fundamentele belangen van de Staat kunnen bedreigen […] Als omzetting van de Europese Richtlijn over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken

vervolgen van terroristische misdrijven

ernstige misdrijven, houdt dit voorontwerp van wet maximaal rekening met alle vastgelegde bepalingen op Europees niveau. Dit is essentieel om een doeltreffende mechanisme voor de verwerking van passagiersgegevens op te zetten dat streeft naar een maximale interoperabiliteit met de passagiers informatie eenheden van de andere lidstaten. […] De analyse van de passagiersgegevens zal uitsluitend worden toevertrouwd aan een Passagiersinformatie-eenheid (PIE), die wordt opgericht binnen de FOD Binnenlandse Zaken

onder meer, onder het functioneel toezicht van een leidend ambtenaar van de PIE zal worden samengesteld uit gedetacheerden van de politiediensten, de Veiligheid van de Staat, de Algemene Directie Inlichtingen

Veiligheid

de Douane (wat betreft de Douane is de verwerking van de passagiersgegevens noodzakelijk met het oog op het opsporen

vervolgen van fraude zoals voorzien in bijlage 2, punt 7 van Richtlijn 2016/681) » (ibid., pp. 5-6). 14 B.3.2. Het door de « PNR-richtlijn » ingevoerde systeem voor het verzamelen van gegevens vult het systeem voor het verzamelen van gegevens aan dat door de « API- richtlijn » werd gecreëerd, doordat « PNR-gegevens » ruimer zijn dan « API-gegevens » : « De API-gegevens (Advanced Passenger Information), zijn authentieke gegevens. Ze zijn afkomstig uit authentieke documenten (o.a. uit de identiteitskaarten)

zijn voldoende accuraat om een persoon te identificeren. Dit betreffen de gegevens die doorgegeven worden in het kader van de check-in

het instappen. Bij de bestrijding van terrorisme

ernstige criminaliteit is de informatie in de API-gegevens voldoende om bekende terroristen

criminelen met behulp van waarschuwingssystemen te identificeren. De PNR-gegevens, zijnde de reservatiegegevens, bevatten meer gegevenselementen

zijn sneller beschikbaar dan API-gegevens. Deze gegevenselementen vormen een zeer belangrijk instrument voor het uitvoeren van risicobeoordelingen van personen

het leggen van verbanden tussen bekende

onbekende personen. Ook voor de gerichte opzoekingen bieden de PNR gegevens een zeer belangrijke meerwaarde » (ibid., p. 6-7). B.3.3. De verplichting om passagiersgegevens door te sturen geldt « voor internationale vluchten, internationale hogesnelheidstreinen, geregeld internationaal busvervoer

maritiem transport zowel naar

vanuit de Europese Unie, als inkomend

uitgaand binnen de Europese Unie » (ibid., p. 7), krachtens de mogelijkheid waarin artikel 2 van de « PNR- richtlijn » voorziet. De wettelijke verplichting om passagiersgegevens door te sturen geldt overigens niet alleen voor de door de « PNR-richtlijn » beoogde luchtvaartmaatschappijen, maar ook voor de touroperators, krachtens de door de « PNR-richtlijn » geboden mogelijkheid om die verplichting op te leggen aan marktdeelnemers die geen luchtvaartmaatschappij zijn (ibid., p. 8). Ten aanzien van de omvang van het beroep B.4.1. Het Hof dient de omvang van het beroep tot vernietiging te bepalen door zich te baseren op de inhoud van het verzoekschrift. 15 Het Hof kan slechts uitdrukkelijk bestreden wetskrachtige bepalingen vernietigen waartegen middelen worden aangevoerd

, in voorkomend geval, bepalingen die niet worden bestreden maar die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd. B.4.2. Hoewel de verzoekende partij, met haar eerste middel, de vernietiging vordert van de volledige wet van 25 december 2016, blijkt uit de uiteenzetting van het middel dat de grieven

kel gericht zijn tegen de artikelen 3, § 2, 4, 9°

10°, 7 tot 9, 12 tot 16, 18, 24 tot 27, 50

51 van de wet van 25 december 2016. Bijgevolg is het beroep tot vernietiging slechts in die mate ontvankelijk. Het tweede middel, dat in ondergeschikte orde wordt geformuleerd, is gericht tegen de artikelen 3, § 1, 8, § 2,

tegen hoofdstuk 11, dat de artikelen 28 tot 31, van de wet van 25 december 2016 bevat. B.4.3. Wanneer evenwel uit het nader onderzoek van de middelen zou blijken dat

kel bepaalde onderdelen van de bestreden bepalingen worden bekritiseerd, zal het onderzoek in voorkomend geval tot die onderdelen worden beperkt. B.

  1. De bestreden artikelen bepalen : « HOOFDSTUK
  2. - Toepassingsgebied Art.
  3. §
  4. Deze wet bepaalt de verplichtingen van de vervoerders

de reisoperatoren inzake de doorgifte van gegevens van passagiers van, naar

op doorreis over het nationaal grondgebied. § 2. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, per vervoerssector

voor de reisoperatoren, de passagiersgegevens die moeten worden doorgestuurd

de nadere regels voor het doorsturen, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. HOOFDSTUK 3. - Definities Art. 4. Voor de toepassing van deze wet

de uitvoeringsbesluiten ervan wordt verstaan onder : […] 16 9° ‘ PNR ’ : het bestand met de reisgegevens van iedere passagier, dat de in artikel 9 bedoelde informatie bevat, die de boekende

de deelnemende vervoerders

reisoperatoren nodig hebben om reserveringen te kunnen verwerken

controleren bij elke reis die door of namens iemand wordt geboekt; dit bestand kan zich bevinden in een reserveringssysteem, een vertrekcontrolesysteem (voor de controle van vertrekkende passagiers) of een soortgelijk systeem dat dezelfde functies vervult; 10° ‘ passagier ’ : iedere persoon, met inbegrip van de transferpassagiers

transitpassagiers

met uitsluiting van de bemanningsleden, die wordt vervoerd of moet worden vervoerd door een vervoerder, met de toestemming van deze laatste, wat zich vertaalt door de inschrijving van deze persoon op de passagierslijst; […] HOOFDSTUK 4. - Verplichtingen van de vervoerders

reisoperatoren […] Art.

  1. §
  2. De vervoerders sturen de passagiersgegevens bedoeld in artikel 9, § 1, waarover zij beschikken, door

verzekeren zich ervan dat de passagiersgegevens bedoeld in artikel 9, § 1, 18°, waarover zij beschikken, volledig, juist

actueel zijn. Hiervoor controleren zij de overeenstemming tussen de reisdocumenten

de identiteit van de betrokken passagier. § 2. De reisoperatoren sturen de passagiersgegevens bedoeld in artikel 9, § 1, waarover zij beschikken, door

verzekeren zich ervan dat de passagiersgegevens bedoeld in artikel 9, § 1, 18°, waarover zij beschikken, volledig, juist

actueel zijn. Hiervoor nemen ze alle noodzakelijke maatregelen om de overeenstemming tussen de reisdocumenten

de identiteit van de betrokken passagier te controleren. § 3. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, per vervoerssector

voor de reisoperatoren, de nadere regels met betrekking tot de verplichting bepaald in §§ 1

  1. HOOFDSTUK
  2. - Doelen van de gegevensverwerking Art.
  3. §
  4. De passagiersgegevens worden verwerkt met het oog op : 1° het opsporen

vervolgen, met inbegrip van de uitvoering van straffen of vrijheidsbeperkende maatregelen, met betrekking tot misdrijven bedoeld in artikel 90ter, § 2, 1°bis, 1°ter, 1°quater, 1°quinquies, 1°octies, 4°, 5°, 6°, 7°, 7°bis, 7°ter, 8°, 9°, 10°, 10°bis, 10°ter, 11°, 13°, 13° bis, 14°, 16°, 17°, 18°, 19°

§ 3

, van het Wetboek van Strafvordering; 2° het opsporen

vervolgen, met inbegrip van de uitvoering van straffen of vrijheidsbeperkende maatregelen, met betrekking tot misdrijven bedoeld in de artikelen 196, voor wat betreft valsheid in authentieke

openbare geschriften, 198, 199, 199bis, 207, 213, 375

505 van het Strafwetboek; 17 3° de preventie van ernstige inbreuken op de openbare veiligheid in het kader van gewelddadige radicalisering door het toezien op fenomenen

groeperingen overeenkomstig artikel 44/5, § 1, 2°

§ 2

, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt; 4° het toezien op activiteiten bedoeld in de artikelen 7, 1°

3°/1,

11, § 1, 1° tot 3°

5°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-

veiligheidsdienst; 5° het opsporen

vervolgen met betrekking tot de misdrijven bedoeld in artikel 220, § 2, van de algemene wet van van 18 juli 1977 inzake douane

accijnzen

artikel 45, derde lid, van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen. § 2. Onder de voorwaarden bepaald in hoofdstuk 11, worden de passagiersgegevens eveneens verwerkt ter verbetering van de controles van personen aan de buitengrenzen

ter bestrijding van illegale immigratie. HOOFDSTUK

  1. - Passagiersgegevens Art.
  2. §
  3. Wat de reservatiegegevens betreft, bevatten de passagiersgegevens maximaal : 1° de PNR-bestandslocatiecode; 2° de datum van reservering

afgifte van het biljet; 3° de geplande reisdata; 4° de namen, voornamen

geboortedatum; 5° het adres

de contactgegevens (telefoonnummer, e-mailadres); 6° de betalingsinformatie, met inbegrip van het factureringsadres; 7° de volledige reisroute voor de betrokken passagier; 8° de informatie over de ‘ geregistreerde reizigers ’, met name de reizigers die gebruikmaken van een loyauteitsprogramma voor frequent reizen; 9° het reisbureau of de reisagent; 10° de status van de reiziger, met inbegrip van de bevestigingen, check-in-status, no- show- of go-show-informatie; 11° de aanwijzingen over de opgesplitste of opgedeelde PNR-informatie; 18 12° de algemene opmerkingen, met inbegrip van alle beschikbare informatie over de niet-begeleide minderjarigen onder 18 jaar, zoals de naam

het geslacht van de minderjarige, zijn leeftijd, de taal/talen die hij spreekt, de naam

de contactgegevens van de voogd die de minderjarige begeleidt bij het vertrek

de aard van zijn relatie met de minderjarige, de naam

de contactgegevens van de voogd aanwezig bij de aankomst

de aard van zijn relatie met de minderjarige, de ambtenaar die bij het vertrek

de aankomst aanwezig is; 13° de informatie betreffende de biljetuitgifte, waaronder het biljetnummer, de uitgiftedatum, de biljetten voor

kele reizen

de geautomatiseerde prijsnotering van de biljetten; 14° het zitplaatsnummer

andere informatie over de zitplaats; 15° de informatie over gezamenlijke vluchtnummers; 16° alle bagage-informatie; 17° het aantal

de namen van de andere reizigers in het PNR; 18° alle voorafgaande passagiersgegevens (API-gegevens) die werden verzameld

worden opgesomd in § 2; 19° alle vroegere wijzigingen van de onder 1° tot 18° opgesomde gegevens; § 2. Wat de gegevens van de check-in-status

het instappen betreft, zijn de voorafgaande gegevens bedoeld in § 1, 18°, de volgende : 1° soort reisdocument; 2° nummer van het document; 3° nationaliteit; 4° land van afgifte van het document; 5° vervaldatum van het document; 6° familienaam, voornaam, geslacht, geboortedatum; 7° vervoerder / reisoperator; 8° nummer van het vervoer; 9° datum van vertrek, datum van aankomst; 10° plaats van vertrek, plaats van aankomst; 11° tijdstip van vertrek, tijdstip van aankomst; 19 12° totaal aantal vervoerde personen; 13° zitplaatsnummer; 14° PNR-bestandslocatiecode; 15° aantal, gewicht

identificatie van de bagagestukken; 16° grensdoorlaatpost van binnenkomst op het nationaal grondgebied. […] HOOFDSTUK

  1. - De Passagiersinformatie-eenheid Art.
  2. Binnen de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken wordt een Passagiersinformatie-eenheid opgericht. Art.
  3. §
  4. De PIE is belast met : 1° het verzamelen, het bewaren

het verwerken van de passagiersgegevens die door de vervoerders

reisoperatoren zijn doorgestuurd, evenals met het beheer van de passagiersgegevensbank; 2° de uitwisseling met de PIE’s van andere lidstaten van de Europese Unie, met Europol,

met derde landen van zowel de passagiersgegevens als de resultaten van hun verwerking, overeenkomstig hoofdstuk

  1. §
  2. Onverminderd andere wettelijke bepalingen, mag de PIE de gegevens die krachtens hoofdstuk 9 zijn bewaard, niet voor andere dan de in artikel 8 bedoelde doelen gebruiken. Art.
  3. §
  4. De PIE is samengesteld uit : 1° een leidend ambtenaar, bijgestaan door een ondersteunende dienst. Deze is verantwoordelijk voor : a) de organisatie

de werking van de PIE; b) het toezicht op de naleving door de vervoerders

de reisoperatoren van hun verplichtingen bepaald in hoofdstuk 4; c) het beheer

het gebruik van de passagiersgegevensbank;

  1. d)de verwerking van de passagiersgegevens;
  2. e)de naleving van de wettigheid

de regelmatigheid van de in hoofdstuk 10 bedoelde verwerkingen;

  1. f)de ondersteuning van de bevoegde diensten voor de uitoefening van hun bevoegdheden binnen de PIE. 20 2° uit de volgende bevoegde diensten gedetacheerde leden :
  2. a)de politiediensten, bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;
  3. b)de Veiligheid van de Staat, bedoeld in de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-

veiligheidsdienst; c) de Algemene Inlichtingen-

Veiligheidsdienst, bedoeld in de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-

veiligheidsdienst; d) de Administratie Onderzoek

Opsporing

de Administratie Toezicht, Controle

Vaststelling van de Algemene Administratie van de Douane

Accijnzen, bedoeld in het besluit van de Voorzitter van het Directiecomité van 16 oktober 2014 tot oprichting van de nieuwe diensten van de Algemene Administratie van de Douane

Accijnzen. De leden van de bevoegde diensten worden gedurende de periode van hun detachering onder het functioneel

hiërarchisch toezicht geplaatst van de leidend ambtenaar van de PIE. Zij behouden evenwel het statuut van hun oorspronkelijke dienst. § 2. Na overleg met de functionaris voor de gegevensbescherming

na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, sluiten de leidend ambtenaar van de PIE

de bevoegde diensten het protocolakkoord bedoeld in artikel 17, teneinde de nadere regels te bepalen met betrekking tot de doorgifte van de gegevens. Het protocol vermeldt minstens de volgende garanties : - de nadere regels met betrekking tot de uitwisseling van de gegevens; - de door de wet bepaalde maximumtermijnen voor de verwerking van de gegevens; - het informeren van de PIE door de bevoegde diensten over het gevolg gegeven aan de gevalideerde positieve overeenstemmingen. § 3. Overeenkomstig de wettelijke verplichtingen van iedere bevoegde dienst homologeert de Nationale Veiligheidsoverheid een beveiligd

gecodeerd communicatie-

informatiesysteem voor het automatisch versturen van de positieve overeenstemmingen. § 4. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit

na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de nadere regels voor de samenstelling

de organisatie van de PIE, het statuut van de leidend ambtenaar

de leden van de PIE, evenals de directies of afdelingen die binnen de bevoegde diensten instaan voor de verwerking van de passagiersgegevens. HOOFDSTUK

  1. - De passagiersgegevensbank Art.
  2. §
  3. Er wordt een passagiersgegevensbank opgericht die door de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken wordt beheerd

waarin de passagiersgegevens worden geregistreerd. 21 §

  1. De leidend ambtenaar van de PIE is de verantwoordelijke voor de verwerking van de passagiersgegevensbank in de zin van artikel 1, § 4, van de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. §
  2. Het recht op toegang

rechtzetting inzake de passagiersgegevens, bepaald in respectievelijk de artikelen 10

12 van de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, wordt rechtstreeks uitgeoefend bij de functionaris voor de gegevensbescherming. In afwijking van het eerste lid worden deze rechten uitgeoefend bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor de positieve overeenstemmingen

de resultaten van de gerichte opzoekingen bedoeld in de artikelen 24 tot

  1. §
  2. De verwerkingen van de passagiersgegevens uitgevoerd volgens deze wet worden onderworpen aan de wet bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de verwerking van gegevens met een persoonlijk karakter. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer oefent haar bevoegdheden uit die de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer bepaalt. Art.
  3. In het kader van de doelen beoogd in artikel 8, § 1, is de passagiersgegevensbank rechtstreeks toegankelijk door de PIE voor de verwerkingen bedoeld in de artikelen 24 tot 27 volgens de in hoofdstuk 9 voorziene regels. […] HOOFDSTUK
  4. - Bewaartermijnen Art.
  5. De passagiersgegevens worden in de passagiersgegevensbank bewaard gedurende een maximale termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de registratie ervan. Aan het eind van deze termijn worden ze vernietigd. […] HOOFDSTUK
  6. - De gegevensverwerking Afdeling
  7. - De verwerking van passagiersgegevens in het kader van de voorafgaande beoordeling van de passagiers Art.
  8. §
  9. De passagiersgegevens worden verwerkt met het oog op het uitvoeren van een voorafgaande beoordeling van de passagiers vóór hun geplande aankomst in, vertrek uit of doorreis over het nationaal grondgebied om te bepalen welke personen moeten worden onderworpen aan een nader onderzoek. §
  10. In het kader van de doelen beoogd in artikel 8, § 1, 1°, 4°

5°, of met betrekking tot de bedreigingen vermeld in de artikelen 8, 1°, a), b), c), d), f), g)

11, § 2, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-

veiligheidsdienst, berust de voorafgaande beoordeling van de passagiers op een positieve overeenstemming, voortvloeiende uit een correlatie van de passagiersgegevens met : 22 1° de gegevensbanken die door de bevoegde diensten worden beheerd of die voor hen rechtstreeks beschikbaar of toegankelijk zijn in het kader van hun opdrachten of met lijsten van personen die worden opgesteld door de bevoegde diensten in het kader van hun opdrachten. 2° de door de PIE vooraf bepaalde beoordelingscriteria, bedoeld in artikel

  1. §
  2. In het kader van de doeleinden beoogd in artikel 8, § 1, 3°, berust de voorafgaande beoordeling van de passagiers op een positieve overeenstemming, voortvloeiende uit een correlatie van de passagiersgegevens met de gegevensbanken bedoeld in § 2, 1°. §
  3. De positieve overeenstemming wordt gevalideerd door de PIE binnen de vierentwintig uur na ontvangst van het geautomatiseerd bericht van de positieve overeenstemming. §
  4. Vanaf het moment van validatie geeft de bevoegde dienst die aan de basis ligt van de positieve overeenstemming een nuttig gevolg binnen de kortst mogelijke termijn. Art.
  5. §
  6. De passagiersgegevens kunnen door de PIE worden gebruikt voor het bijstellen van bestaande criteria of het formuleren van nieuwe criteria die bestemd zijn om zich te richten op individuen bij de voorafgaande beoordelingen van de passagiers, bedoeld in artikel 24, § 2, 2°. §
  7. Het beoordelen van de passagiers voor hun geplande aankomst, doorreis of vertrek op grond van vooraf bepaalde criteria wordt op niet-discriminerende wijze verricht. Deze criteria mogen niet gericht zijn op de identificatie van een individu

moeten doelgericht, evenredig

specifiek zijn. §

  1. Deze criteria mogen niet gebaseerd zijn op gegevens die de raciale of etnische oorsprong van een persoon, zijn religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, zijn politieke opvattingen, zijn vakbondslidmaatschap, zijn gezondheidstoestand, zijn seksleven of zijn seksuele geaardheid onthullen. Art.
  2. §
  3. Voor het in artikel 8, § 1, 3°, bedoelde doel zullen

kel de passagiersgegevens bedoeld in artikel 9, § 1, 18° met betrekking tot de persoon of personen voor wie een positieve overeenstemming werd gegenereerd, toegankelijk zijn. § 2. Voor het doel beoogd in artikel 8, § 1, 1°, 4°

5°, of met betrekking tot de bedreigingen vermeld in de artikelen 8, 1°, a), b), c), d), f), g),

11, § 2, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-

veiligheidsdienst, zijn alle passagiersgegevens bedoeld in artikel 9 toegankelijk. Afdeling

  1. - De verwerking van gegevens in het kader van gerichte opzoekingen Art.
  2. De passagiersgegevens worden gebruikt om gerichte opzoekingen te verrichten voor de doelen beoogd in artikel 8, § 1, 1°, 2°, 4°

5°,

onder de voorwaarden bepaald in artikel 46septies van het Wetboek van Strafvordering of in artikel 16/3 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-

veiligheidsdienst. 23 HOOFDSTUK 11. - De verwerking van de passagiersgegevens ter verbetering van de grenscontroles

ter bestrijding van de illegale immigratie Art.

  1. §
  2. Dit hoofdstuk is van toepassing op de verwerking van de passagiersgegevens door de politiediensten belast met de grenscontroles

door de Dienst Vreemdelingenzaken, met het oog op de verbetering van de controles van personen aan de buitengrenzen

met het oog op de bestrijding van de illegale immigratie. § 2. Dit hoofdstuk is van toepassing onverminderd de verplichtingen van de politiediensten belast met de grenscontroles

van de Dienst Vreemdelingenzaken om persoonsgegevens of inlichtingen door te geven krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen. Art.

  1. §
  2. Met het oog op de in artikel 28, § 1, beoogde doelen worden de passagiersgegevens doorgegeven aan de politiediensten belast met de grenscontroles

aan de Dienst Vreemdelingenzaken, om hen in staat te stellen hun wettelijke opdrachten te vervullen, binnen de in dit artikel bepaalde grenzen. § 2.

kel de passagiersgegevens bedoeld in artikel 9, § 1, 18°, worden doorgegeven voor de volgende categorieën van passagiers : 1° de passagiers die van plan zijn om het grondgebied via de buitengrenzen van België te betreden of het grondgebied via de buitengrenzen van België betreden hebben; 2° de passagiers die van plan zijn om het grondgebied via de buitengrenzen van België te verlaten of het grondgebied via de buitengrenzen van België verlaten hebben; 3° de passagiers die van plan zijn om via een in België gelegen internationale transitzone te passeren, die zich in een in België gelegen internationale transitzone bevinden of die via een in België gelegen transitzone gepasseerd zijn. § 3. De passagiersgegevens bedoeld in § 2 worden onmiddellijk na hun registratie in de passagiersgegevensbank doorgestuurd naar de politiediensten die belast zijn met de controle aan de buitengrenzen van België. Deze bewaren de gegevens in een tijdelijk bestand

vernietigen ze binnen de vierentwintig uur na doorsturing. § 4. Wanneer de Dienst Vreemdelingenzaken de gegevens nodig heeft voor de vervulling van zijn wettelijke opdrachten, worden de passagiersgegevens bedoeld in § 2 onmiddellijk na hun registratie in de passagiersgegevensbank doorgestuurd. De Dienst Vreemdelingenzaken bewaart deze gegevens in een tijdelijk bestand

vernietigt ze binnen de vierentwintig uur na doorsturing. Indien, na het verstrijken van deze termijn, de toegang tot de passagiersgegevens bedoeld in § 2 voor de Dienst Vreemdelingenzaken noodzakelijk is in het kader van de uitvoering van zijn wettelijke opdrachten, richt hij hiertoe een afdoende gemotiveerde aanvraag tot de PIE. De Dienst Vreemdelingenzaken stuurt maandelijks een verslag naar de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer betreffende de toepassing van het tweede lid. 24 De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit

na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de toegangsvoorwaarden bedoeld in het tweede lid. Art. 30. § 1. De technische beveiligings-

toegangsregels, alsook de nadere regels voor de doorgifte van de passagiersgegevens aan de politiediensten belast met de grenscontroles

aan de Dienst Vreemdelingenzaken, worden gepreciseerd in een protocol dat afgesloten wordt, in overleg met de functionaris voor de gegevensbescherming

na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tussen,

erzijds, de leidend ambtenaar van de PIE

, anderzijds, de Commissaris-generaal van de federale politie

de leidend ambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken. §

  1. Deze nadere regels hebben tenminste betrekking op : 1° de behoefte van de Dienst Vreemdelingenzaken om op de hoogte te zijn van de gegevens; 2° de categorieën van personeelsleden die op basis van de uitvoering van hun opdrachten over een rechtstreekse toegang beschikken tot de doorgestuurde gegevens; 3° de verplichting voor alle personen die rechtstreeks of onrechtstreeks kennis nemen van de passagiersgegevens om het beroepsgeheim te respecteren; 4° de veiligheidsmaatregelen in verband met hun doorgifte. Art.
  2. De vervoerders

de reisoperatoren vernietigen, binnen de vierentwintig uur na het einde van het in artikel 4, 3° tot 6° bedoelde vervoer, alle in artikel 9, § 2, bedoelde passagiersgegevens, die ze overeenkomstig artikel 7 doorsturen. […] HOOFDSTUK

  1. - Wijzigingsbepalingen Afdeling
  2. - Wijziging van het Wetboek van Strafvordering Art.
  3. In het Wetboek van Strafvordering wordt een artikel 46septies ingevoegd, luidende : ‘ Art. 46septies. Bij het opsporen van de misdaden

wanbedrijven bedoeld in artikel 8, § 1, 1°, 2°

5°, van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens, kan de procureur des Konings, bij een schriftelijke

met redenen omklede beslissing, de officier van gerechtelijke politie opdragen om de PIE te vorderen tot het meedelen van de passagiersgegevens overeenkomstig artikel 27 van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens. De motivering weerspiegelt de proportionaliteit met inachtneming van de persoonlijke levenssfeer

de subsidiariteit ten opzichte van elke andere onderzoeksdaad. 25 De maatregel kan betrekking hebben op een geheel van gegevens die betrekking hebben op een specifiek onderzoek. In dit geval preciseert de procureur des Konings de duur van de maatregel die niet langer kan zijn dan een maand, te rekenen vanaf de beslissing, onverminderd hernieuwing. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan iedere officier van gerechtelijke politie, na mondelinge

voorafgaande instemming van de procureur des Konings,

bij een gemotiveerde

schriftelijke beslissing, de leidend ambtenaar van de PIE vorderen tot het meedelen van de passagiersgegevens. De officier van de gerechtelijke politie deelt deze gemotiveerde

schriftelijke beslissing

de verkregen informatie binnen vierentwintig uur mee aan de procureur des Konings

motiveert tevens de uiterst dringende noodzakelijkheid. ’ Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-

veiligheidsdienst Art. 51. In hoofdstuk III, afdeling 1, onderafdeling 2, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-

veiligheidsdienst, wordt een artikel 16/3 ingevoegd, luidende : ‘ Art. 16/3. § 1. De inlichtingen-

veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, mits afdoende motivering, beslissen om toegang te hebben tot de passagiersgegevens bedoeld in artikel 27 van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens. § 2. De in § 1 bedoelde beslissing, wordt door een diensthoofd genomen

schriftelijk overgemaakt aan de Passagiersinformatie-eenheid bedoeld in hoofdstuk 7 van voormelde wet. De beslissing wordt met de motivering van deze beslissing aan het Vast Comité I betekend. Het Vast Comité I verbiedt de inlichtingen-

veiligheidsdiensten om gebruik te maken van de gegevens die verzameld werden in omstandigheden die niet aan de wettelijke voorwaarden voldoen. De beslissing kan betrekking hebben op een geheel van gegevens die betrekking hebben op een specifiek inlichtingenonderzoek. In dit geval wordt de lijst van de raadplegingen van de passagiersgegevens een keer per maand aan het Vast Comité I doorgegeven. ’ ». Ten aanzien van de inwerkingtreding

het toepassingsgebied van de wet van 25 december 2016 B.6. Krachtens artikel 54 van de wet van 25 december 2016 bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, per vervoerssector

voor de reisoperatoren, de datum van inwerkingtreding van deze wet. 26 B.7. Het koninklijk besluit van 18 juli 2017 « ter uitvoering van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van de passagiersgegevens, houdende de verplichtingen opgelegd aan de luchtvaartmaatschappijen » (hierna : het koninklijk besluit van 18 juli 2017) bepaalt met name de verplichtingen van de luchtvaartmaatschappijen

de nadere regels inzake doorgifte van de passagiersgegevens. Krachtens artikel 12 van het koninklijk besluit van 18 juli 2017, is de wet van 25 december 2016 ten aanzien van de luchtvaartmaatschappijen, in werking getreden op dezelfde dag als dat koninklijk besluit, namelijk op 7 augustus

  1. B.
  2. Op dezelfde wijze bepaalt het koninklijk besluit van 3 februari 2019 « ter uitvoering van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens, houdende de verplichtingen opgelegd aan de HST-vervoerders

de HST-ticketverdelers » de verplichtingen van de HST-vervoerders (internationale dienst van reizigersvervoer over het spoor)

van de HST-ticketverdelers, alsook de nadere regels inzake doorgifte van de passagiersgegevens. Krachtens artikel 10 van het voormelde koninklijk besluit van 3 februari 2019, is de wet van 25 december 2016, wat de HST-vervoerders

de HST-ticketverdelers betreft, in werking getreden op dezelfde dag als dat koninklijk besluit, namelijk op 22 februari

  1. B.
  2. Ten slotte bepaalt het koninklijk besluit van 3 februari 2019 « ter uitvoering van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens, houdende de verplichtingen opgelegd aan de busvervoerders » de verplichtingen van de busvervoerders alsook de nadere regels inzake doorgifte van de passagiersgegevens. Krachtens artikel 10 van het voormelde koninklijk besluit van 3 februari 2019, is de wet van 25 december 2016, wat de busvervoerders betreft, in werking getreden op dezelfde dag als dat koninklijk besluit, namelijk op 22 februari
  3. B.
  4. Uit het voorgaande volgt dat de wet van 25 december 2016 van kracht is met betrekking tot

(1)de luchtvaartmaatschappijen,
(2)de HST-vervoerders

de HST- ticketverdelers

(3)de busvervoerders. 27 Ten aanzien van de wijzigingen aangebracht in de wet van 25 december 2016 B.11.
  1. Artikel 280, vierde lid, van de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens » (hierna : de wet van 30 juli 2018) heeft artikel 15, § 3, van de wet van 25 december 2016 opgeheven. Overeenkomstig artikel 281, eerste lid, van de wet van 30 juli 2018, is die opheffing in werking getreden de dag waarop de wet van 30 juli 2018 in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, namelijk op 5 september
  2. B.11.
  3. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 juli 2018 wordt, wat betreft de opheffing van artikel 15, § 3, van de wet van 25 december 2016, uiteengezet : « In het laatste lid wordt het systeem van rechtstreekse

onrechtstreekse toegang voor de betrokkenen tot hun gegevens voorzien in artikel 15 van de PNR-wet afgeschaft. Dit systeem paste niet bij het vertrouwelijk karakter van de verwerkte gegevens. Het binaire karakter van het systeem zou namelijk een passagier, in functie van de

titeit bij wie hij de toegang tot zijn gegevens zou kunnen uitoefenen, in staat hebben kunnen stellen te weten of zijn gegevens een positieve overeenstemming hadden opgeleverd of het resultaat vormden van een gerichte opzoeking

dus te weten of hij al dan niet door de bevoegde diensten werd onderzocht. Door het afschaffen van voormeld systeem zijn de bepalingen in de wet betreffende de bescherming met betrekking tot persoonsgegevens, die een rechtstreekse of onrechtstreekse toegang voorzien in functie van de toepasselijke Titel van huidige wet, van toepassing. Deze laat eveneens toe om te beantwoorden aan punt 247 van het advies van de Privacycommissie, die zich afvraagt of zulk systeem conform is met de bepalingen van huidige wet » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3126/001, pp. 254-255). B.11.

  1. Er werd geen beroep tot vernietiging ingesteld tegen artikel 280, vierde lid, van de wet van 30 juli
  2. Daaruit volgt dat het voorliggende beroep tot vernietiging, in zoverre het betrekking heeft op artikel 15, § 3, van de wet van 25 december 2016, definitief zonder voorwerp is geworden. B.11.
  3. De wet van 30 juli 2018 omlijnt overigens de verwerkingen van persoonsgegevens, meer bepaald wat betreft de doelstellingen die zijn opgesomd in artikel 8 van de wet van 25 december
  4. 28 B.11.
  5. De parlementaire voorbereiding van de wet van 30 juli 2018 zet in dat verband uiteen : « De verwerkingen ter verbetering van de grenscontroles

bestrijding van de illegale immigratie, bedoeld in artikel 8, § 2, van voornoemde wet van 25 december 2016, die een omzetting betreft van de API-Richtlijn, worden ingedeeld onder titel 1 van deze wet. De verwerkingen in het kader van de finaliteiten opgenomen in artikel 8, § 1, 1°, 2°, 3°

5°, van voornoemde wet van 25 december 2016 worden ingedeeld onder titel 2 aangezien dit verwerkingen betreffen van persoonsgegevens (passagiersgegevens) door de bevoegde overheden met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen

de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid. De verwerkingen in het kader van de finaliteit bedoeld in artikel 8, § 1, 4°, van voornoemde wet van 25 december 2016 worden ingedeeld onder titel 3 daar dit verwerkingen [betreft] van persoonsgegevens (passagiersgegevens), uitgevoerd in het kader van de opdrachten van de inlichtingen-

veiligheidsdiensten als bedoeld in artikelen 7

11 van de wet van 30 november

  1. Voornoemde wet van 25 december 2016 bevat reeds verscheidene bepalingen inzake gegevensbescherming zoals het aanstellen van een functionaris voor gegevensbescherming, het voorzien van een manuele validatie of het verbod om gevoelige gegevens te verwerken. Bepaalde punten die reeds opgenomen zijn in de wet van 25 december 2016 dienen bijgevolg niet opgenomen worden in de huidige wet » (ibid., pp. 188-189). B.11.
  2. Daaruit volgt dat, om de draagwijdte van het bestreden artikel 8 van de wet van 25 december 2016 te beoordelen, het Hof rekening dient te houden met de wet van 30 juli
  3. B.12.
  4. De artikelen 62 tot 70 van de wet van 15 juli 2018 « houdende diverse bepalingen Binnenlandse Zaken » (hierna : de wet van 15 juli 2018), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 25 september 2018, hebben eveneens de wet van 25 december 2016 gewijzigd. De artikelen 62 tot 68 wijzigen meerdere bestreden artikelen van de wet van 25 december 2016 als volgt : « Art.
  5. In artikel 8 van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt : 29 ‘ 1° het opsporen

vervolgen, met inbegrip van de uitvoering van straffen of vrijheidsbeperkende maatregelen, met betrekking tot misdrijven bedoeld in artikel 90ter, § 2, 2°, 3°, 7°, 8°, 11°, 14°, 17° tot 20°, 22°, 24° tot 28°, 30°, 32°, 33°, 34°, 36° tot 39°, 43° tot 45°

§ 3

, van het Wetboek van strafvordering; ’ 2° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 5° vervangen als volgt : ‘ 5° het opsporen

vervolgen van de misdrijven bedoeld in artikel 220, § 2, van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane

accijnzen, in artikel 45, derde lid, van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, in artikel 5 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak

piraterij van intellectuele eigendomsrechten, in artikel 26 van het decreet van de Duitstalige gemeenschap van 20 februari 2017 ter bescherming van roerende cultuurgoederen van uitzonderlijk belang alsook in artikel 24 van het decreet van de Vlaamse gemeenschap van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, het ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 7 februari 2012 waarbij de invoer van goederen van oorsprong of van herkomst uit Syrië, aan een vergunning onderworpen wordt, zoals gewijzigd bij het ministerieel besluit van 1 juli 2014, het ministerieel besluit van 23 maart 2004 tot opheffing van het ministerieel besluit van 17 januari 2003 waarbij de in-, uit-

doorvoer van goederen van oorsprong of van herkomst uit of met bestemming Irak, aan een voorafgaande machtiging onderworpen wordt

waarbij de in-, uit-

doorvoer van zekere goederen van oorsprong, van herkomst uit of met bestemming Irak aan een vergunning onderworpen wordt alsook het opsporen van misdrijven bedoeld in artikel 5 van de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier-

plantensoorten,

van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de Wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni

  1. ’. Art.
  2. In artikel 14 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, 2°, wordt de bepaling onder d) vervangen als volgt : ‘ d) De onderzoeksdiensten, opsporingsdiensten

diensten belast met toezicht, controle

vaststelling van de Algemene Administratie van de Douane

Accijnzen. ’; 2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt : ‘ § 4. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad

na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens, de nadere regels voor de samenstelling

de organisatie van de PIE alsook het statuut van de leidend ambtenaar

de leden van de PIE. ’. Art.

  1. In artikel 15, § 2, van dezelfde wet wordt het woord ‘ passagiersgegevensbank ’ vervangen door het woord ‘ passagiersgegevens ’. Art.
  2. Artikel 17 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : 30 ‘ Art.
  3. Na overleg met de functionaris voor de gegevensbescherming

na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens, sluiten de leidend ambtenaar van de PIE

de bevoegde diensten een protocol af dat de technische beveiligings-

toegangsregels uitwerkt. Dit protocol : 1° garandeert dat de verwerkte gegevens aan dezelfde beveiligings-

beschermingsvereisten worden onderworpen; 2° zorgt ervoor dat de noodzakelijke beveiligingsmaatregelen genomen worden teneinde : - te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de regels betreffende de in deze wet bepaalde termijnen, de bewaring

de vernietiging van de gegevens die in de passagiersgegevensbank zijn bewaard; - de gegevens ontoegankelijk te maken voor elke persoon die niet gemachtigd is om hiertoe toegang te hebben; - te verzekeren dat de verwerkingen uitgevoerd door de leden van de PIE, gebeuren overeenkomstig de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie

de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten

veiligheidsadviezen; 3° bepaalt dat machtigingen om toegang tot de passagiersgegevens

gemeenschappelijke gebruikersprofielen worden toegekend aan elke persoon die toegang zou kunnen hebben tot de passagiersgegevens; 4° garandeert dat de gegevens op het grondgebied van de Europese Unie worden bewaard. ’. Art. 66. In artikel 24, § 2, van dezelfde wet, wordt de inleidende zin van het eerste lid vervangen als volgt : ‘ In het kader van de doelen beoogd in artikel 8, § 1, 1°, 2°, 4°

5°, of met betrekking tot de bedreigingen vermeld in de artikelen 8, 1°, a), b), c), d), f), g),

11, § 2, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-

veiligheidsdienst, berust de voorafgaande beoordeling van de passagiers op een positieve overeenstemming, voortvloeiende uit een correlatie van de passagiersgegevens met : ’. Art.

  1. In artikel 26 van dezelfde wet wordt paragraaf 2 vervangen als volgt : ‘ §
  2. Voor het doel beoogd in artikel 8, § 1, 1°, 2°, 4°

5°, of met betrekking tot de bedreigingen vermeld in de artikelen 8, 1°, a), b), c), d), f), g),

11, § 2, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-

veiligheidsdienst, zijn alle passagiersgegevens bedoeld in artikel 9 toegankelijk. ’. Art.

  1. In artikel 31 van dezelfde wet worden de woorden ‘ in artikel 9, § 2 ’ vervangen door de woorden ‘ in artikel 9, § 1, 18° ’. ». 31 B.12.
  2. Die wijzigingen zijn in werking getreden op 5 oktober
  3. B.12.
  4. Het Hof dient te onderzoeken in welke mate die wijzigingen een weerslag hebben op het voorwerp van het beroep. B.12.4.
  5. Artikel 62 van de wet van 15 juli 2018 vervangt artikel 8, § 1, 1°

5°, van de wet van 25 december 2016. Artikel 63 van de wet van 15 juli 2018 vervangt artikel 14, § 1, 2°, d),

§ 4, van de wet van 25 december 2016.

Artikel 65 van de wet van 15 juli 2018 vervangt artikel 17 van de wet van 25 december

  1. Artikel 66 van de wet van 15 juli 2018 vervangt artikel 24, § 2, eerste lid, inleidende zin, van de wet van 25 december
  2. Artikel 67 van de wet van 15 juli 2018 vervangt artikel 26, § 2, van de wet van 25 december
  3. B.12.4.
  4. Door die wijzigingen wordt het beroep in principe zonder voorwerp in zoverre het gericht is tegen de artikelen 8, § 1, 1°

5°, 14, § 1, 2°, d),

§ 4

, 17, 24, § 2, eerste lid, inleidende zin,

26, § 2, van de wet van 25 december

  1. B.12.4.
  2. Er werd geen beroep tot vernietiging ingesteld tegen de voormelde artikelen van de wet van 15 juli 2018, die de wet van 25 december 2016 wijzigen. 32 B.12.4.
  3. Het voorliggende beroep tot vernietiging is gericht tegen de wet van 25 december 2016 in haar oorspronkelijke versie. Ook al zijn de artikelen 8, § 1, 1°

5°, 14, § 1, 2°, d),

§ 4

, 17, 24, § 2, eerste lid, inleidende zin,

26, § 2, van de wet van 25 december 2016 vervangen bij de voormelde artikelen van de wet van 15 juli 2018, toch behoudt het beroep tot vernietiging, in zoverre het gericht is tegen de artikelen 8, § 1, 1°

5°, 14, § 1, 2°, d),

§ 4

, 17, 24, § 2, eerste lid, inleidende zin,

26, § 2, van de wet van 25 december 2016, een voorwerp in zoverre de wet van 15 juli 2018 die bestreden artikelen van de wet van 25 december 2016 niet wezenlijk wijzigt. Het Hof onderzoekt bijgevolg, voor elk van die bepalingen

voor elke grief, in welke mate het beroep tot vernietiging al dan niet een voorwerp heeft behouden. B.12.5.

  1. Artikel 64 van de wet van 15 juli 2018 vervangt, in artikel 15, § 2, van de wet van 25 december 2016, het woord « passagiersgegevensbank » door het woord « passagiersgegevens ». Artikel 68 van de wet van 15 juli 2018 vervangt, in artikel 31 van de wet van 25 december 2016, de woorden « in artikel 9, § 2 » door de woorden « in artikel 9, § 1, 18° ». B.12.5.
  2. Die wijzigingen vormen slechts technische correcties van de artikelen 15, § 2,

31 van de wet van 25 december 2016, zonder dat zij die bepalingen vervangen, zodat zij niet kunnen worden geacht een weerslag te hebben op het voorwerp van het voorliggende beroep. B.12.

  1. Voor het overige houdt het Hof rekening met de voormelde wijzigingen teneinde meer bepaald de draagwijdte van de bestreden bepalingen vast te stellen. B.13.
  2. De artikelen 2 tot 11 van de wet van 2 mei 2019 « tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de verwerking van passagiersgegevens » (hierna : de wet van 2 mei 2019), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 mei 2019, hebben eveneens de wet van 25 december 2016 gewijzigd. De artikelen 2

4 tot 7 van de wet van 2 mei 2019 wijzigen verscheidene bestreden artikelen van de wet van 25 december 2016 als volgt : 33 « Art. 2. In de artikelen 3, § 2, 14, § 2, 15, § 4, 23, § 2, tweede lid, 29, § 4, 30, § 1, 44, § 2, 7°

§ 4

, van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens, worden de woorden ‘ de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ’ telkens vervangen door de woorden ‘ de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens ’ ». « Art. 4. In artikel 15 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 15 juli 2018

30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In paragrafen 2

4, worden de woorden ‘ wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ’ telkens vervangen door de woorden ‘ wet gegevensbescherming ’. 2° In paragraaf 2, worden de woorden ‘ artikel 1, § 4 ’ vervangen door de woorden ‘ artikel 26, 8°. ’ Art. 5. Artikel 24, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 juli 2018 wordt aangevuld met een lid, luidende : ‘ In het kader van het in het eerste lid beoogde doel waarvoor de positieve overeenstemming werd verkregen, berust het gebruik van passagiersgegevens in het kader van de voorafgaande beoordeling gedurende een periode van vierentwintig uur vanaf de validatie bedoeld in paragraaf 4 op : 1° de relevante passagiersgegevens van hetzelfde vervoer als dit waaruit de positieve overeenstemming voortvloeit voor zover deze gegevens verband houden met de gegevens opgenomen in de positieve overeenstemming. 2° de andere in de passagiersgegevensbank geregistreerde passagiersgegevens van de persoon die het voorwerp heeft uitgemaakt van de positieve overeenstemming, onverminderd de toepassing van artikelen 19

20 ’. Art.

  1. Artikel 27 van dezelfde wet wordt vervangen door : ‘ Art.
  2. De passagiersgegevens worden gebruikt om gerichte opzoekingen te verrichten voor de doelen beoogd in artikel 8, § 1, 1°, 2°, 4°

5°,

onder de voorwaarden bepaald in artikel 46septies van het Wetboek van strafvordering, in artikel 16/3 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-

veiligheidsdienst of in artikel 281, § 4 van de algemene wet inzake douane

accijnzen gecoördineerd op 18 juli 1977 ’. Art. 7. In artikel 29 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, worden de woorden ‘ belast met de grenscontroles ’ vervangen door de woorden ‘ bedoeld in artikel 14, § 1, 2°,

  1. a)’; 2° in paragraaf 36, worden de woorden ‘ die belast zijn met de controle aan de buitengrenzen van België ’ vervangen door de woorden ‘ zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 2°,
  2. a)’ ». 34 B.13.2. Die wijzigingen zijn in werking getreden op 3 juni 2019. B.13.3. Zoals in B.12.5.2 is vermeld, vormen de artikelen 2, 4

7 van de wet van 2 mei 2019

kel technische correcties van de artikelen 3, § 2, 14, § 2, 15, § 4, 29

30, § 1, van de wet van 25 december 2016, zodat die wijzigingen geen weerslag hebben op het onderwerp van het thans voorliggende beroep. B.13.

  1. Ook al vervangt artikel 6 van de wet van 2 mei 2019 het bestreden artikel 27 van de wet van 25 december 2016, behoudt, zoals in B.12.4.4 is vermeld, het beroep tot vernietiging, in zoverre het tegen die bepaling is gericht, een voorwerp, doordat de inhoud van artikel 6 van de wet van 2 mei 2019 identiek is aan de oorspronkelijke versie van dat artikel
  2. B.13.
  3. Voor het overige houdt het Hof rekening met de wijziging die bij artikel 5 van de wet van 2 mei 2019 is aangebracht in artikel 24, § 2, van de wet van 25 december 2016 teneinde inzonderheid de draagwijdte van de bestreden bepaling te bepalen. Ten gronde Ten aanzien van het eerste middel B.
  4. Het eerste middel, dat in hoofdorde wordt geformuleerd, is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement

de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens

betreffende het vrije verkeer van die gegevens

tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG » (algemene verordening gegevensbescherming - hierna : de « AVG »), met de artikelen 7, 8

52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 35 Volgens de verzoekende partij zou de wet van 25 december 2016 afbreuk doen aan het recht op eerbiediging van het privéleven

het recht op bescherming van persoonsgegevens, die door die bepalingen worden gewaarborgd. De wet van 25 december 2016 zou het wettigheidsbeginsel niet in acht nemen. Het systematisch

ongedifferentieerd verzamelen, doorgeven

verwerken van « PNR-gegevens » volgens een methode van « pre-screening » zou niet noodzakelijk zijn, noch verantwoord door een doel van algemeen belang

verscheidene doorgevoerde maatregelen zouden onevenredig zijn. Wat de referentienormen betreft B.15.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven

zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen

onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». B.15.

  1. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
  2. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis

zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van

ig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien

in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde

het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten

vrijheden van anderen ». B.15.3. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet

artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. 36 B.16.1. Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd in de voormelde grondwets-

verdragsbepalingen, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven. Dat recht heeft een ruime draagwijdte

omvat, onder meer, de bescherming van persoonsgegevens

van persoonlijke informatie. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens doet ervan blijken dat, onder meer, de volgende gegevens

informatie betreffende personen vallen onder de bescherming van dat recht : de naam, het adres, de professionele activiteiten, de persoonlijke relaties, digitale vingerafdrukken, camerabeelden, foto’s, communicatiegegevens, DNA-gegevens, gerechtelijke gegevens (veroordeling of verdenking), financiële gegevens

informatie over bezittingen (zie onder meer EHRM, 26 maart 1987, Leander t. Zweden, §§ 47-48; grote kamer, 4 december 2008, S.

Marper t. Verenigd Koninkrijk, §§ 66-68; 17 december 2009, B.B. t. Frankrijk, § 57; 10 februari 2011, Dimitrov-Kazakov t. Bulgarije, §§ 29-31; 18 oktober 2011, Khelili t. Zwitserland, §§ 55-57; 9 oktober 2012, Alkaya t. Turkije, § 29; 18 april 2013, M.K. t. Frankrijk, § 26; 18 september 2014, Brunet t. Frankrijk, § 31). Het Hof van Justitie oordeelt eveneens dat de eerbiediging van het recht op persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens gelijk welke informatie betreft aangaande een geïdentificeerde of identificeerbare persoon (HvJ, grote kamer, 9 november 2010, C-92/09

C-93/09, Volker und Markus Schecke

Eifert, punt 52; 16 januari 2019, C-496/17, Deutsche Post AG, punt 54). B.16.2. De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet

bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden gewaarborgd, zijn evenwel niet absoluut. Zij sluiten een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereisen dat zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving

dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven verzekeren, ook in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; grote kamer, 12 november 2013, Söderman t. Zweden, § 78). 37 B.17.1. Artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt : « Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie-

gezinsleven, zijn woning

zijn communicatie ». B.17.

  1. Artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt : «
  2. Eenieder heeft recht op bescherming van zijn persoonsgegevens.
  3. Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden

met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht van inzage in de over hem verzamelde gegevens

op rectificatie daarvan.

  1. Een onafhankelijke autoriteit ziet erop toe dat deze regels worden nageleefd ». B.17.
  2. Artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt : « Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten

vrijheden moeten bij wet worden gesteld

de wezenlijke inhoud van die rechten

vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn

daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten

vrijheden van anderen ». B.17.4.1. Artikel 52, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt : « Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens

de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud

reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt ». 38 B.17.4.2. Wanneer het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gewaarborgd door het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, « zijn de inhoud

reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend ». Die bepaling stemt de inhoud

reikwijdte van de door het Handvest gewaarborgde rechten af op de corresponderende rechten die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In de toelichtingen bij het Handvest (2007/C 303/02), bekendgemaakt in het Publicatieblad van 14 december 2007, wordt aangegeven dat, onder de artikelen « met dezelfde inhoud

reikwijdte als de daarmee corresponderende artikelen van het EVRM », artikel 7 van het Handvest correspondeert met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het Hof van Justitie herinnert in dat verband eraan dat « artikel 7 van het Handvest, inzake de eerbiediging van het privéleven

van het familie-

gezinsleven, rechten bevat die corresponderen met de […] rechten [die worden gegarandeerd door artikel 8, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna : het EVRM),]

dat, overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest, aan dat artikel 7 dus dezelfde inhoud

reikwijdte moeten worden toegekend als die welke aan artikel 8, lid 1, van het EVRM worden toegekend, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens » (HvJ, 17 december 2015, C-419/14, WebMindLicenses, punt 70; 14 februari 2019, C-345/17, Buivids, punt 65). B.17.4.3. Wat artikel 8 van het Handvest betreft, oordeelt het Hof van Justitie dat « zoals in artikel 52, lid 3, tweede zin, daarvan uitdrukkelijk wordt bepaald, [artikel 52, lid 3, eerste zin, van het Handvest] niet [verhindert] dat het Unierecht een ruimere bescherming biedt dan het EVRM »,

dat « artikel 8 van het Handvest betrekking heeft op een ander grondrecht dan het in artikel 7 van het Handvest geformuleerde grondrecht, dat geen equivalent heeft in het EVRM » (HvJ, grote kamer, 21 december 2016, C-203/15

C-698/15, Tele2 Sverige, punt 129). 39 B.17.4.4. Zoals is vermeld in B.16.1, oordeelt het Hof van Justitie eveneens dat de eerbiediging van het recht op persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens gelijk welke informatie betreft aangaande een geïdentificeerde of identificeerbare persoon (HvJ, grote kamer, 9 november 2010, C-92/09

C-93/09, Volker und Markus Schecke

Eifert, punt 52; 16 januari 2019, C-496/17, Deutsche Post AG, punt 54). In zijn advies 1/15 van 26 juli 2017 « betreffende het ontwerp van overeenkomst tussen Canada

de Europese Unie over de doorgifte

verwerking van persoonsgegevens van luchtreizigers », stelt het Hof van Justitie vast dat « PNR-gegevens » informatie bevatten over geïdentificeerde of identificeerbare personen, waardoor het verzamelen

verwerken ervan alsook de toegang tot die gegevens kunnen raken aan het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven,

aan het door artikel 8 van het Handvest gewaarborgde recht op bescherming van persoonsgegevens (HvJ, grote kamer, 26 juli 2017, advies 1/15, Overeenkomst PNR EU-Canada, punten 122-126). Met betrekking tot de beperkingen die kunnen worden gesteld aan de artikelen 7

8 van het Handvest, oordeelt het Hof van Justitie dat « de in de artikelen 7

8 van het Handvest verankerde rechten […] geen absolute gelding [hebben], maar […] in relatie tot hun sociale functie [moeten] worden beschouwd » (ibid., punt 136) : « 137. In dit verband moet tevens worden opgemerkt dat persoonsgegevens luidens artikel 8, lid 2, van het Handvest met name moeten worden verwerkt ‘ voor bepaalde doeleinden

met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet ’. 138. Overeenkomstig artikel 52, lid 1, eerste volzin, van het Handvest moeten beperkingen op de uitoefening van de daarin erkende rechten

vrijheden bij wet worden gesteld

moeten zij de wezenlijke inhoud van die rechten

vrijheden eerbiedigen. Volgens artikel 52, lid 1, tweede volzin, van het Handvest kunnen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, slechts beperkingen aan deze rechten

vrijheden worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn

daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten

vrijheden van anderen » (ibid.). 40 B.

  1. Artikel 23 van de « AVG » bepaalt : «
  2. De reikwijdte van de verplichtingen

rechten als bedoeld in de artikelen 12 tot

met 22

artikel 34, alsmede in artikel 5 kan, voor zover de bepalingen van die artikelen overeenstemmen met de rechten

verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot

met 20, worden beperkt door middel van Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die op de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker van toepassing zijn, op voorwaarde dat die beperking de wezenlijke inhoud van de grondrechten

fundamentele vrijheden onverlet laat

in een democratische samenleving een noodzakelijke

evenredige maatregel is ter waarborging van :

  1. a)de nationale veiligheid;
  2. b)landsverdediging;
  3. c)de openbare veiligheid;
  4. d)de voorkoming, het onderzoek, de opsporing

de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen

de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid; e) andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Unie of van een lidstaat, met name een belangrijk economisch of financieel belang van de Unie of van een lidstaat, met inbegrip van monetaire, budgettaire

fiscale aangelegenheden, volksgezondheid

sociale zekerheid; f) de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter

gerechtelijke procedures; g) de voorkoming, het onderzoek, de opsporing

de vervolging van schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen; h) een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt, al is het incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in de in de punten a), tot

met e)

punt

  1. g)bedoelde gevallen;
  2. i)de bescherming van de betrokkene of van de rechten

vrijheden van anderen;

  1. j)de inning van civielrechtelijke vorderingen. 2. De in lid 1 bedoelde wettelijke maatregelen bevatten met name specifieke bepalingen met betrekking tot, in voorkomend geval, ten minste :
  2. a)de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking,
  3. b)de categorieën van persoonsgegevens,
  4. c)het toepassingsgebied van de ingevoerde beperkingen,
  5. d)de waarborgen ter voorkoming van misbruik of onrechtmatige toegang of doorgifte, 41
  6. e)de specificatie van de verwerkingsverantwoordelijke of de categorieën van verwerkingsverantwoordelijken,
  7. f)de opslagperiodes

de toepasselijke waarborgen, rekening houdend met de aard, de omvang

de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking, g) de risico’s voor de rechten

vrijheden van de betrokkenen,

  1. h)het recht van betrokkenen om van de beperking op de hoogte te worden gesteld, tenzij dit afbreuk kan doen aan het doel van de beperking ». B.19.1. De Ministerraad werpt in hoofdorde een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het eerste middel op, in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de « AVG », dat niet van toepassing zou zijn op de wet van 25 december 2016. B.19.2.1. Artikel 2 van de « AVG » bepaalt : « 1. Deze verordening is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking, alsmede op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen. 2. Deze verordening is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens: […]
  2. d)door de bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing

de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen

de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid. […] ». B.19.2.2. Overweging 12 van de « AVG » vermeldt : « Artikel 16, lid 2, VWEU machtigt het Europees Parlement

de Raad om de regels vast te stellen betreffende de bescherming van natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens, alsmede de regels betreffende het vrije verkeer van die gegevens ». De door de « AVG » geboden bescherming is gegrond op artikel 16, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU). 42 B.19.2.3. Overweging 19 van de « AVG » bepaalt : « De bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen

de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid,

het vrije verkeer van die gegevens wordt geregeld in een specifieke rechtshandeling van de Unie. Deze verordening mag derhalve niet van toepassing zijn op de met die doeleinden verrichte verwerkingsactiviteiten. Overeenkomstig deze verordening door overheidsinstanties verwerkte persoonsgegevens die voor die doeleinden worden gebruikt, moeten vallen onder een meer specifieke rechtshandeling van de Unie, namelijk Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement

de Raad. De lidstaten kunnen bevoegde autoriteiten in de zin van Richtlijn (EU) 2016/680 taken opdragen die niet noodzakelijk worden verricht met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen

de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid, zodat de verwerking van persoonsgegevens voor die andere doeleinden binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt, voor zover zij binnen het toepassingsgebied van de Uniewetgeving valt. Aangaande de verwerking van persoonsgegevens door die bevoegde instanties voor doeleinden die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, moeten de lidstaten meer specifieke bepalingen kunnen handhaven of invoeren om de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen. In die bepalingen kunnen meer bepaald specifieke voorschriften voor de verwerking van persoonsgegevens door die bevoegde instanties voor de genoemde andere doeleinden worden vastgesteld, rekening houdend met de grondwettelijke, organisatorische

bestuurlijke structuur van de lidstaat in kwestie. Wanneer de verwerking van persoonsgegevens door privaatrechtelijke organen onder de onderhavige verordening valt, moet deze verordening voorzien in de mogelijkheid dat de lidstaten onder specifieke voorwaarden bij wet vastgestelde verplichtingen

rechten beperken, indien een dergelijke beperking in een democratische samenleving een noodzakelijke

evenredige maatregel vormt ter bescherming van specifieke belangen van betekenis, waaronder de openbare veiligheid

de voorkoming, het onderzoek, de opsporing

de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen

de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid. Dit is bijvoorbeeld van belang in het kader van de bestrijding van witwassen of de werkzaamheden van forensische laboratoria ». 43 Zoals uit die overweging blijkt, valt de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde instanties met het oog op de voorkoming, het onder

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.