← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.136

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.136 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191017.2 Arrest- Rolnummer: 136/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-22 Raadplegingen: 883 - laatst gezien 2026-06-28 22:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.13.3, verwerpt het beroep. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - HUISVESTING - Vlaanderen - Vlaamse wooncode Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 10 maart 2017 « tot wijziging van artikel 92, 93, 95, 98 en 102bis van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode », ingesteld door de vzw « Association de Promotion des Droits Humains et des Minorités ». Vlaams Gewest - Vlaamse Wooncode - Sociale woning - Voorwaarden voor de huurders - Wijzigingen - Verplichting om over een taalvaardigheid van het Nederlands te beschikken die overeenstemt met niveau A1 - Resultaatsverbintenis. Tekst van de beslissing Rolnummer 6742 Arrest nr. 136/2019 van 17 oktober 2019 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 10 maart 2017 « tot wijziging van artikel 92, 93, 95, 98 en 102bis van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode », ingesteld door de vzw « Association de Promotion des Droits Humains et des Minorités ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 oktober 2017 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 oktober 2017, heeft de vzw « Association de Promotion des Droits Humains et des Minorités », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Sohier, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Vlaamse Gewest van 10 maart 2017 « tot wijziging van artikel 92, 93, 95, 98 en 102bis van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 april 2017). De Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Cloots, Mr. J. Roets en Mr. S. Sottiaux, advocaten bij de balie te Antwerpen, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 26 juni 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 juli 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 juli 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang om de vernietiging van het bestreden decreet te vorderen A.

  1. De « Association de Promotion des Droits Humains et des Minorités » verantwoordt haar belang om de vernietiging te vorderen van het decreet van het Vlaamse Gewest van 10 maart 2017 « tot wijziging van artikel 92, 93, 95, 98 en 102bis van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode » door aan te voeren dat dat decreet afbreuk doet aan de rechten van de personen die in dat Gewest hun woonplaats hebben, en meer in het bijzonder aan de bijzondere taalregeling van de « faciliteitengemeenten » en aan de rechten van de Franstalige inwoners van die gemeenten. Zij wijst erop dat door de Franstalige, Duitstalige of buitenlandse inwoners ertoe te verplichten « over een taalvaardigheid van het Nederlands [te] beschikken » om een in het Vlaamse Gewest gelegen sociale woning te kunnen blijven betrekken, artikel 92, § 3, eerste lid, 6° en 7°, van het decreet van 15 juli 1997 « houdende de Vlaamse Wooncode » (hierna : de Vlaamse Wooncode), zoals het is gewijzigd bij artikel 2 van het decreet van 10 maart 2017, op discriminerende wijze afbreuk doet aan het recht van die personen om het voordeel van een sociale woning te genieten, a fortiori in de randgemeenten in de zin van artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, waar de inwoners niet ertoe gehouden zijn het Nederlands te gebruiken in hun betrekkingen met de overheden van het Vlaamse Gewest indien zij dat niet wensen. 3 De verzoekende vereniging leidt uit haar statuten af dat zij ten doel heeft elke discriminerende behandeling op grond van de taal te bestrijden. Zij gaat ervan uit dat de taalkennisverplichting die bij het bestreden decreet in het leven wordt geroepen, onder de inwoners van het Vlaamse Gewest een verschil in behandeling instelt dat uitsluitend op de taal is gegrond. A.
  2. De Vlaamse Regering is in hoofdorde van mening dat het beroep tot vernietiging niet ontvankelijk is omdat de verzoekende vereniging niet doet blijken van het belang dat is vereist bij artikel 142, derde lid, van de Grondwet. Zij onderstreept dat het statutaire doel van die vereniging, namelijk de bevordering van de rechten van de mens, samenvalt met het algemeen belang en met het belang dat iedere persoon heeft bij de inachtneming van zijn rechten. Zij leidt daaruit af dat het beroep tot vernietiging verwant is met een ontoelaatbare actio popularis. De Regering voegt eraan toe dat het bestreden decreet het statutaire doel van de verzoekende vereniging niet raakt omdat het geen taaldiscriminatie doet ontstaan en geen afbreuk doet aan de taalwaarborgen van de Franstaligen in de « faciliteitengemeenten ». Ten aanzien van het eerste middel, dat is afgeleid uit de schending van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 30 van de Grondwet A.
  3. De « Association de Promotion des Droits Humains et des Minorités » betoogt dat het nieuwe artikel 92, § 3, eerste lid, 7°, van de Vlaamse Wooncode artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen schendt, in zoverre de verplichting van taalvaardigheid in het Nederlands die bij de bestreden bepaling wordt opgelegd aan de personen die hun woonplaats hebben in een in een randgemeente gelegen sociale woning, de « bestaande waarborgen » niet in acht neemt die zijn gegeven aan de Franstaligen die hun woonplaats hebben in een van die gemeenten en die artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 beoogt te beschermen. De verzoekende vereniging is van mening dat van de Franstalige huurder van een sociale woning de kennis van het Nederlands vereisen, erop neerkomt die huurder ertoe te verplichten die taal te gebruiken. Zij herinnert eraan dat de « taalfaciliteiten » die zijn gewaarborgd aan de Franstaligen van de randgemeenten, die huurder nochtans vrijstellen van de kennis of het gebruik van het Nederlands, terwijl zij tegelijkertijd de eigenaar van de sociale woning ertoe verplichten met die huurder het Frans te gebruiken, zoals het Hof in herinnering heeft gebracht in het arrest nr. 101/2008 van 10 juli
  4. Indien de in de bestreden bepaling gebruikte woorden « zonder afbreuk te doen aan de taalfaciliteiten » in die zin moeten worden begrepen dat de bij die bepaling ingestelde verplichting om Nederlands te kennen niet van toepassing is op de Franstalige huurder van een in een randgemeente gelegen sociale woning die het voordeel van de voor die gemeenten bepaalde taalfaciliteiten wenst te genieten, zou het Hof, volgens de verzoekende vereniging, dat dienen te vermelden in het dictum van het in deze zaak te wijzen arrest. A.
  5. De Vlaamse Regering betoogt dat het middel niet gegrond is. Zij zet uiteen dat het nieuwe artikel 92, § 3, eerste lid, 7°, van de Vlaamse Wooncode artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet kan schenden, aangezien de in de bestreden bepaling geformuleerde verplichting Nederlands te kennen niet de Franstalige huurder betreft van een sociale woning gelegen in een « randgemeente » in de zin van artikel 7 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten die het voordeel van de in die gemeenten bepaalde taalfaciliteiten wenst te genieten. Uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet van 10 maart 2017 alsook uit de wijze waarop de voorgaande versie van artikel 92, § 3, eerste lid, 7°, van de Vlaamse Wooncode is geïnterpreteerd in het arrest van het Hof nr. 101/2008 leidt de Vlaamse Regering af dat de invoeging, in de bestreden bepaling, van de woorden « zonder afbreuk te doen aan de taalfaciliteiten » precies ten doel heeft de voormelde categorie van Franstalige huurders van de ingestelde verplichting vrij te stellen en dat die woorden enkel in die zin kunnen worden geïnterpreteerd. 4 Zij voegt eraan toe dat de bestreden bepaling geen afbreuk doet aan de waarborgen die elke Franstalige huurder van een sociale woning gelegen in een randgemeente krachtens de artikelen 24, 25, 26 en 30 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten geniet. Ten aanzien van het tweede middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, van artikel 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, van artikel 31 van het herziene Europees Sociaal Handvest en van artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.
  6. De « Association de Promotion des Droits Humains et des Minorités » betoogt dat het nieuwe artikel 92, § 3, eerste lid, 6° en 7°, van de Vlaamse Wooncode artikel 23 van de Grondwet schendt in zoverre de verplichting van taalvaardigheid in het Nederlands die bij de bestreden bepalingen wordt opgelegd aan de daarin beoogde huurders van een sociale woning het recht op een behoorlijke huisvesting van die laatsten vermindert. De verzoekende vereniging is van mening dat die nieuwe verplichting de mogelijkheid voor die huurders om hun woning te behouden vermindert omdat de niet-inachtneming van die verplichting hen blootstelt aan administratieve geldboetes die zij mogelijkerwijs niet zouden kunnen betalen, gelet op hun geringe financiële middelen. A.
  7. Volgens de « Association de Promotion des Droits Humains et des Minorités » schenden de bestreden bepalingen ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet omdat zij de huurder van een sociale woning die nog niet beschikt over het vereiste niveau van kennis van het Nederlands en de huurder van eenzelfde woning die reeds over dat kennisniveau beschikt, niet op dezelfde wijze behandelen. De verzoekende vereniging betreurt dat de termijn waarover de huurder van een sociale woning beschikt om het vereiste niveau van kennis van het Nederlands te verkrijgen, in de Vlaamse Wooncode niet wordt vermeld. Zij is van mening dat de termijn van één jaar die is vastgelegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2017 « tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode » onvoldoende is voor de huurder die geen enkele kennis van de taal heeft. A.
  8. De Vlaamse Regering betoogt dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de drie daarin aangehaalde internationale bepalingen, niet alleen omdat het Hof niet bevoegd is om zich rechtstreeks uit te spreken over de verenigbaarheid van een wetskrachtige norm met die bepalingen, maar ook omdat de verzoekende vereniging niet uiteenzet in welk opzicht artikel 2, 1°, van het decreet van 10 maart 2017 die internationale bepalingen zou schenden. De Regering voegt eraan toe dat in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het middel ook niet ontvankelijk is omdat de verzoekende vereniging niet aantoont dat de bestreden wetskrachtige bepaling te maken heeft met het ten uitvoer brengen van het recht van de Europese Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van dat Handvest. In verband met de aangevoerde schending van artikel 31 van het herziene Europees Sociaal Handvest voegt zij eraan toe dat de niet-ontvankelijkheid van het middel ook het gevolg is van het feit dat het Koninkrijk België bij de bekrachtiging van dat verdrag uitdrukkelijk heeft verklaard dat het niet gebonden is aan die internationale bepaling. A.
  9. De Vlaamse Regering zet vervolgens uiteen dat in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, het middel niet gegrond is. Zij betoogt in hoofdorde dat de bij artikel 92, § 3, eerste lid, 6° en 7°, van de Vlaamse Wooncode geformuleerde taalkennisverplichting geen vermindering vormt van het bestaande niveau van bescherming van het bij artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet gewaarborgde recht op een behoorlijke huisvesting. Onder verwijzing naar het arrest nr. 101/2008 van het Hof alsook naar het advies dat de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft uitgebracht in verband met het voorontwerp van decreet dat aan de oorsprong ligt van de bestreden bepalingen, gaat de Regering ervan uit dat de inmenging van de bepalingen van het bestreden decreet in dat grondrecht veel minder vergaand is dan de inmenging die het gevolg was van de vroeger van toepassing zijnde regels. Zij onderstreept dienaangaande dat, in haar geheel beschouwd, de nieuwe regelgeving dat grondrecht minder beperkt dan de voorgaande regelgeving omdat de voortaan vereiste basiskennis Nederlands losstaat van het recht van de betrokken personen op het verkrijgen van een sociale woning en van hun recht om de sociale woning die hun is toegewezen te behouden. Zij merkt op dat, in tegenstelling tot hetgeen het geval 5 was voor de vroegere verplichting « bereid te zijn om Nederlands te leren », de uitvoering van de in de bestreden bepalingen geformuleerde verplichting van « taalvaardigheid van het Nederlands » noch een voorwaarde is voor de inschrijving in het register van de kandidaat-huurders van een sociale woning, noch een voorwaarde voor het toewijzen van een dergelijke woning. De Regering voegt eraan toe dat de niet-inachtneming van die verplichting niet langer kan leiden tot de opzegging van de huurovereenkomst. Zij wijst tot slot erop dat het decreet van 10 maart 2017 de verplichting voor de betrokken huurders om het inburgeringstraject te volgen heeft opgeheven en dat de verbintenis om het te volgen niet langer een voorwaarde vormt voor inschrijving in het register van de kandidaat-huurders van een sociale woning of voor de toegang tot een dergelijke woning. In ondergeschikte orde zet de Vlaamse Regering uiteen dat, zelfs in de veronderstelling dat de in het nieuwe artikel 92, § 3, 6° en 7°, van de Vlaamse Wooncode geformuleerde verplichting van « taalvaardigheid » een aanzienlijke vermindering zou vormen van het bestaande niveau van bescherming van het bij artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet gewaarborgde recht op een behoorlijke huisvesting, die vermindering verantwoord is door het nastreven van gewettigde doelstellingen van algemeen belang. A.
  10. De Vlaamse Regering betoogt vervolgens dat het middel evenmin gegrond is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij is van mening dat het bekritiseerde verschil in behandeling redelijk verantwoord is. Zij onderstreept dat de in de bestreden bepalingen geformuleerde taalkennisverplichting ertoe strekt, enerzijds, de communicatie tussen de huurder en de verhuurder van een sociale woning alsook tussen de huurders van dat soort van woning te bevorderen en, anderzijds, de veiligheid en de leefbaarheid in de sociale wooncomplexen te verbeteren. Zij gaat ervan uit dat die taalkennisverplichting relevant is om die gewettigde doelstellingen te bereiken. Zij onderstreept dienaangaande het belang van de, zelfs oppervlakkige, beheersing van een gemeenschappelijke taal om communicatie mogelijk te maken die onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van het recht op een behoorlijke huisvesting waarover de huurders van een sociale woning beschikken. De Regering voegt eraan toe dat de in de bestreden bepalingen geformuleerde taalkennisverplichting onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van de voormelde doelstellingen en dat zij een « overeenkomstige plicht » vormt in de zin van artikel 23, tweede lid, van de Grondwet, die onlosmakelijk verbonden is met het recht op een behoorlijke huisvesting, waarbij getracht wordt dat te concretiseren met het ter beschikking stellen van huisvesting tegen een gematigde huurprijs. Zij zet bovendien uiteen dat de betwiste verplichting een maatregel is die, gelet op het geheel van de regels die ermee gepaard gaan, niet verder gaat dan hetgeen noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken. Zij merkt eerst op dat de loutere verplichting zich ertoe te verbinden Nederlands te leren waarin de vroegere wetskrachtige bepalingen voorzagen, het niet mogelijk maakte die doelstellingen te bereiken. Zij merkt ten tweede op dat, zonder de zeer ruime toegankelijkheid van sociale woningen voor vreemdelingen ter discussie te stellen, de nieuwe taalkennisverplichting ertoe strekt de nadelen te verhelpen die het gevolg zijn van dat woonbeleid, dat genereuzer is dan elders en dat tot gevolg heeft dat in sociale wooncomplexen vaak mensen met een zeer uiteenlopende afkomst samenwonen. De Regering onderstreept ten derde dat de andere overwogen maatregelen, zoals het beroep op tolken of de vertaling van in het Nederlands verstrekte informatie, minder doeltreffend zijn en in de meeste gevallen onverenigbaar met de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten. Ten vierde wijst de Regering erop dat de principiële verplichting van de elementaire kennis van het Nederlands gepaard gaat met verscheidene waarborgen en uitzonderingen. Zij herinnert eraan dat de niet-inachtneming van de taalverplichting noch de inschrijving in het register van de kandidaat-huurders van een sociale woning, noch de toewijzing van een dergelijke woning belet en dat zij geen reden voor de opzegging van de huurovereenkomst vormt. Zij herinnert ook eraan dat het vereiste kennisniveau het laagste is van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen en dat het in beginsel door de huurder pas moet worden bereikt aan het eind van een periode van één jaar die pas begint te lopen op het ogenblik van het betrekken van de woning door de huurder, met dien verstande dat die laatste reeds bij zijn inschrijving in het kandidatenregister van die verplichting op de hoogte is gebracht. De Regering merkt bovendien op dat de huurder een ruim aanbod van kosteloze cursussen Nederlands geniet, dat hij een extra termijn kan verkrijgen indien redenen van beroepsmatige, medische of persoonlijke aard hem tijdelijk beletten aan de bekritiseerde taalverplichting te voldoen en dat hij zich nog kan laten begeleiden door de verhuurder indien hij het vereiste kennisniveau niet binnen de opgelegde termijn heeft verworven. Zij merkt ook op dat de huurder van die taalverplichting is vrijgesteld wanneer hij aan ernstige ziekte lijdt of een mentale of fysieke handicap heeft, of nog wanneer zijn cognitieve vaardigheden beperkt zijn. De Regering onderstreept bovendien dat de enige sanctie waarin is voorzien in geval van niet-inachtneming van de bekritiseerde verplichting een administratieve geldboete is waarvan het bedrag evenredig moet zijn met de feitelijke situatie, waarbij die boete pas kan worden uitgesproken 6 na ingebrekestelling en aanmaning en het voorwerp kan uitmaken van een beroep bij de burgerlijke rechtbank. Zij merkt op dat wanneer in voorkomend geval een dergelijke boete wordt uitgesproken, de huurder nog over een redelijke termijn beschikt om de vereiste kennis te verwerven en om te verzoeken om uitstel van betaling van de opgelegde boete. De Regering merkt tot slot op dat de bestreden bepalingen niet van toepassing zijn op personen die vóór de inwerkingtreding ervan reeds huurder van een sociale woning waren. Ten aanzien van het derde middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het « algemeen beginsel van rechtszekerheid », en van artikel 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen A.
  11. De « Association de Promotion des Droits Humains et des Minorités » klaagt aan dat bij het nieuwe artikel 92, § 3, eerste lid, 6° en 7°, van de Vlaamse Wooncode aan de Vlaamse Regering de bevoegdheid wordt toegewezen om, enerzijds, de datum vast te leggen vanaf wanneer de huurder van een sociale woning aan de « taalkennisverplichting » moet voldoen en, anderzijds, de wijze vast te leggen waarop die vaardigheid moet worden aangetoond, zonder dat enige aanwijzing wordt vermeld met betrekking tot de termijn waarbinnen die verplichting moet worden uitgevoerd of met betrekking tot de modaliteiten en voorwaarden van dat bewijs. De verzoekende vereniging betoogt dat de bestreden bepalingen dergelijke aanwijzingen zouden moeten bevatten. Zij onderstreept dat zowel de termijn die aan de huurder wordt gelaten om het vereiste niveau van kennis van het Nederlands te verwerven als de wijze waarop die kennis moet worden bewezen, wezenlijke elementen van de nieuwe regelgeving zijn die alleen de wetgevende macht vermocht te bepalen. A.
  12. De Vlaamse Regering antwoordt dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 78 van de bijzondere wet van 8 augustus
  13. De Vlaamse Regering, die onderstreept dat in die bepaling geen regel wordt geformuleerd die ten doel heeft de respectieve bevoegdheid van de federale overheid en van de deelentiteiten te bepalen, merkt op dat het Hof niet bevoegd is om uitspraak te doen over de inachtneming ervan. A.
  14. Voor het overige is de Vlaamse Regering van mening dat het middel niet gegrond is omdat de bestreden bepalingen verenigbaar zijn met het wettigheidsbeginsel dat voortvloeit uit artikel 23, tweede lid, van de Grondwet. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
  15. Uit de in het verzoekschrift vervatte uiteenzetting van de middelen blijkt dat het onderwerp van het beroep beperkt is tot artikel 2, 1°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 10 maart 2017 « tot wijziging van artikel 92, 93, 95, 98 en 102bis van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode ». Die bepaling vervangt het 6° en het 7° van artikel 92, § 3, eerste lid, van het decreet van 15 juli 1997 « houdende de Vlaamse Wooncode » (hierna : de Vlaamse Wooncode). 7 B.2.
  16. Artikel 92, § 3, eerste lid, 6° en 7°, van de Vlaamse Wooncode, zoals vervangen bij artikel 6 van het decreet van 15 december 2006 « houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode », bepaalde : « De huurder van een sociale huurwoning leeft de volgende verplichtingen na : [...] 6° voor zover de huurder een sociale woning betrekt, die niet gelegen is in een rand- of taalgrensgemeente zoals vermeld in de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, de bereidheid tonen om Nederlands aan te leren. Bij het aanleren van het Nederlands wordt er gestreefd naar een niveau dat overeenkomt met de richtwaarde A.
  17. van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor talen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels om die bereidheid vast te stellen. Diegenen die kunnen aantonen reeds aan die richtwaarde voor het Nederlands te voldoen, worden onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden vrijgesteld. De Vlaamse Regering duidt tevens de categorieën van personen aan die worden vrijgesteld van die verplichting. In ieder geval wordt de persoon die aan de hand van een medisch attest aantoont dat hij ernstig ziek is of een mentale of fysieke handicap heeft, wat het halen van de richtwaarde A.
  18. blijvend onmogelijk maakt, vrijgesteld van die verplichting; 7° voor zover de huurder een sociale woning, gelegen in een rand- of taalgrensgemeente, zoals vermeld in de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, betrekt, zonder afbreuk te doen aan de taalfaciliteiten, de bereidheid tonen om Nederlands aan te leren. Bij het aanleren van het Nederlands wordt er gestreefd naar een niveau dat overeenkomt met de richtwaarde A.
  19. van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor talen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels om die bereidheid vast te stellen. Diegenen die kunnen aantonen reeds aan die richtwaarde voor het Nederlands te voldoen, worden onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden vrijgesteld. De Vlaamse Regering duidt tevens de categorieën van personen aan die worden vrijgesteld van die verplichting. In ieder geval wordt de persoon die aan de hand van een medisch attest aantoont dat hij ernstig ziek is of een mentale of fysieke handicap heeft, wat het halen van de richtwaarde A.
  20. blijvend onmogelijk maakt, vrijgesteld van die verplichting; ». B.2.
  21. Bij zijn arrest nr. 101/2008 van 10 juli 2008 heeft het Hof beroepen tot vernietiging die waren gericht tegen artikel 6 van het decreet van 15 december 2006 verworpen « onder voorbehoud dat de verplichting ‘ de bereidheid [te] tonen om Nederlands aan te leren ’ en de sancties die eraan zijn verbonden, in die zin worden geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing zijn op de kandidaat-huurders of huurders van in het [...] decreet [van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode] bedoelde sociale woningen die zijn gelegen in de rand- en taalgrensgemeenten, en die de taalfaciliteiten wensen te genieten ». 8 B.2.
  22. Bij artikel 2, 1°, van het decreet van 10 maart 2017 worden het 6° en het 7° van artikel 92, § 3, eerste lid, van de Vlaamse Wooncode vervangen door de volgende tekst : « 6° voor zover de huurder een sociale woning betrekt, die niet gelegen is in een rand- of taalgrensgemeente als vermeld in de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, over een taalvaardigheid van het Nederlands beschikken die overeenstemt met niveau A1 van het Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen. De Vlaamse Regering bepaalt vanaf wanneer de huurder aan de verplichting moet voldoen en de wijze waarop de taalvaardigheid wordt vastgesteld; 7° voor zover de huurder een sociale woning betrekt, gelegen in een rand- of taalgrensgemeente als vermeld in de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, zonder afbreuk te doen aan de taalfaciliteiten, over een taalvaardigheid van het Nederlands beschikken die overeenstemt met niveau A1 van het Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen. De Vlaamse Regering bepaalt vanaf wanneer de huurder aan de verplichting moet voldoen en de wijze waarop de taalvaardigheid wordt vastgesteld; ». B.2.
  23. Artikel 2, 1°, van het decreet van 10 maart 2017 is in werking getreden op 1 november 2017 (artikel 20 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2017 « tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode »). Ten aanzien van het belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen B.3.
  24. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.3.
  25. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. 9 B.
  26. De « Association de Promotion des Droits Humains et des Minorités » is een vereniging zonder winstoogmerk waarvan het doel onder andere erin bestaat « de mensenrechten te bevorderen, zoals zij met name zijn verankerd in de Grondwet » alsook in alle internationale verdragen, « elke willekeurige aantasting van de rechten en vrijheden die zijn verankerd in de internrechtelijke of internationaalrechtelijke normen aan te klagen en te bestrijden », « in rechte te treden [...] in alle geschillen waartoe de toepassing van de internrechtelijke of internationaalrechtelijke normen inzake mensenrechten en [rechten van] minderheden aanleiding kan geven » (artikel 3 van haar statuten, bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 27 november 2013). B.5.
  27. Dat doel onderscheidt zich van het algemeen belang en valt onder de verdediging van een collectief belang. Bovendien blijkt niet dat de verzoekende vereniging haar doel niet werkelijk nastreeft. B.5.
  28. Bij de bestreden bepalingen wordt de huurders van een sociale woning de verplichting opgelegd « over een taalvaardigheid van het Nederlands [te] beschikken ». Zij betreffen bijgevolg het recht op een behoorlijke huisvesting, dat is gewaarborgd bij artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet. De bestreden bepalingen kunnen het door de verzoekende vereniging nagestreefde statutaire doel, dat onder meer erin bestaat dat recht te bevorderen, dus rechtstreeks en ongunstig raken. B.
  29. De vereniging doet blijken van het vereiste belang. 10 Ten aanzien van het eerste middel Wat de ontvankelijkheid betreft B.
  30. Het eerste middel is onder meer afgeleid uit de schending van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 30 van de Grondwet. B.
  31. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.
  32. In de uiteenzetting van het eerste middel wordt niet aangegeven in welk opzicht de bestreden bepaling artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in samenhang gelezen met de in B.7 vermelde bepalingen van de Grondwet, zou schenden. B.
  33. In zoverre het is afgeleid uit de schending van die in samenhang gelezen bepalingen, is het eerste middel niet ontvankelijk. Wat de gegrondheid van het eerste middel betreft B.
  34. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 door het in B.2.3 aangehaalde artikel 92, § 3, eerste lid, 7°, van de Vlaamse Wooncode, in zoverre met de verplichting van taalvaardigheid die bij de bestreden bepaling wordt opgelegd aan personen die hun woonplaats hebben in een sociale woning die in een randgemeente is gelegen, de waarborgen voor de Franstaligen die hun woonplaats hebben in een van die gemeenten, niet in acht zouden worden genomen. B.
  35. Artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, ingevoegd bij artikel 9 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 en vervolgens gewijzigd bij artikel 2 van de bijzondere wet van 19 juli 2012, bepaalt : 11 « De decreten [...] van [...] de gewesten [...] mogen geen afbreuk doen aan de op 14 oktober 2012 bestaande waarborgen die de Franstaligen genieten in de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 [...] ». Artikel 7 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten, gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 23 december 1970, bepaalt : « De gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem worden begiftigd met een eigen regeling. Met het oog op de toepassing van de volgende bepalingen en inzonderheid die van hoofdstuk IV worden deze gemeenten beschouwd als gemeenten met een speciale regeling. Zij worden hierna ‘ randgemeenten ’ genoemd ». B.13.
  36. In het advies dat zij heeft uitgebracht over het voorontwerp van decreet dat aan de oorsprong ligt van het bestreden decreet van 10 maart 2017, merkte de afdeling wetgeving van de Raad van State op dat de tekst die haar was voorgelegd, niet voorzag in enige bijzondere regel met betrekking tot de sociale woningen gelegen in een randgemeente en dat, in tegenstelling tot de vroegere versie van artikel 92, § 3, eerste lid, 7°, van de Vlaamse Wooncode, de ontworpen tekst niet preciseerde dat de aan de huurder opgelegde taalkennisverplichting gold « zonder afbreuk te doen aan de taalfaciliteiten » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1045/1, p. 37). In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat aan de oorsprong ligt van het decreet van 10 maart 2017, wordt gepreciseerd dat, volgens de afdeling wetgeving van de Raad van State, in beginsel in een uitzondering op die taalkennisverplichting dient te worden voorzien voor de « huurders van sociale woningen gelegen in de [randgemeenten] die gebruikmaken van de taalfaciliteiten ». In dezelfde memorie wordt vermeld dat, om aan die opmerking van de Raad van State tegemoet te komen, de woorden « zonder afbreuk te doen aan de taalfaciliteiten » gebruikt in de vorige versie van artikel 92, § 3, eerste lid, 7°, van de Vlaamse Wooncode zijn toegevoegd in artikel 92, § 3, eerste lid, 7°, ingevoegd bij het decreet van 10 maart 2017 (ibid., p. 11). 12 B.13.
  37. Bij zijn arrest nr. 101/2008 merkte het Hof op dat, opdat die woorden « een reële betekenis hebben », zij in die zin dienen te worden begrepen dat zij de toepassing van de regel waarmee zij verband houden, op de « huurders van [...] sociale woningen die zijn gelegen in de rand- en taalgemeenten, en die deze taalfaciliteiten wensen te genieten », uitsluiten. B.13.
  38. Uit het voorgaande volgt dat de taalkennisverplichting vermeld in artikel 92, § 3, eerste lid, 7°, van de Vlaamse Wooncode, ingevoegd bij het decreet van 10 maart 2017, niet van toepassing is op de Franstalige huurder van een sociale woning die is gelegen in een randgemeente zoals bedoeld in artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus
  39. De bestreden bepaling doet derhalve geen afbreuk aan de « bestaande waarborgen » waarvan sprake in artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus
  40. B.
  41. Onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.13.3, is het eerste middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van die laatste bepaling, niet gegrond. Ten aanzien van het tweede middel Wat de ontvankelijkheid betreft De artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 31 van het herziene Europees Sociaal Handvest B.
  42. Het tweede middel is onder meer afgeleid uit de schending, door artikel 2 van het decreet van 10 maart 2017, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 31 van deel II van het Herziene Europees Sociaal Handvest. 13 B.
  43. Uit de verklaring van het Koninkrijk België die is opgenomen in de akte van bekrachtiging van dat Handvest, zoals zij op 2 maart 2004 bij de secretaris-generaal van de Raad van Europa is neergelegd (Belgisch Staatsblad, 10 mei 2004, pp. 37424 en 37430), alsook uit de op 10 juni 2015 bij dezelfde autoriteit neergelegde kennisgeving (Belgisch Staatsblad, 29 juni 2015, p. 37198), blijkt dat de Staat zich niet gebonden acht door artikel 31 van deel II van dat Handvest. B.
  44. In zoverre het is afgeleid uit de schending van die internationale bepaling, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is het tweede middel niet ontvankelijk. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie B.
  45. Het tweede middel is ook afgeleid uit de schending, door artikel 2 van het decreet van 10 maart 2017, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. B.
  46. Artikel 51, lid 1, van het Handvest bepaalt : « De bepalingen van dit Handvest zijn gericht [...], uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld ». B.
  47. Artikel 2 van het decreet van 10 maart 2017 heeft niet als doel het recht van de Europese Unie ten uitvoer te leggen. Het zou dus niet onverenigbaar kunnen worden geacht met artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. 14 B.
  48. In zoverre het is afgeleid uit de schending van die internationale bepaling, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is het tweede middel niet ontvankelijk. Wat de gegrondheid van het tweede middel betreft Artikel 23 van de Grondwet B.
  49. Uit de uiteenzetting van het tweede middel blijkt dat het Hof ook wordt verzocht uitspraak te doen over de verenigbaarheid van artikel 92, § 3, eerste lid, 6° en 7°, van de Vlaamse Wooncode met artikel 23, tweede lid en derde lid, 3°, van de Grondwet, in zoverre de personen die, als huurder, een sociale woning betrekken die is gelegen in een andere gemeente van het Nederlandse taalgebied dan een van de taalgrensgemeenten, bij de bestreden bepalingen ertoe worden verplicht over een taalvaardigheid van het Nederlands te beschikken. In het middel wordt aangeklaagd dat die verplichting het beschermingsniveau van het recht op huisvesting van die personen vermindert doordat hun recht om in die woning te blijven afhankelijk wordt gemaakt van de inachtneming van die verplichting. B.
  50. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de onderscheiden wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt niet wat die rechten, waarvan enkel het beginsel wordt uitgedrukt, impliceren, waarbij elke wetgever ermee is belast die rechten te waarborgen, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten. Bij artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet wordt bij de economische, sociale en culturele rechten die de wetskrachtige normen moeten waarborgen, het « recht op een behoorlijke huisvesting » gerangschikt. 15 Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. B.
  51. Artikel 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten bepaalt : «
  52. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van een ieder op een behoorlijke levensstandaard voor zichzelf en zijn gezin, daarbij inbegrepen behoorlijke [...] huisvesting, en op steeds betere levensomstandigheden. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen passende maatregelen om de verwezenlijking van dit recht te verzekeren [...] ». In zoverre daarbij het recht van eenieder op een « behoorlijke huisvesting » wordt erkend, heeft die tekst een draagwijdte die analoog is met die van artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet. De in die beide teksten verankerde waarborgen vormen een onlosmakelijk geheel. Bij het onderzoek van de geldigheid van de bestreden wetskrachtige bepaling ten aanzien van artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet kan het Hof dus rekening houden met de voormelde internationale bepaling. B.
  53. Wat de persoon betreft die, als huurder, een sociale woning betrekt die gelegen is in een randgemeente in de zin van artikel 7 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten, is de bekritiseerde taalkennisverplichting het gevolg van artikel 92, § 3, eerste lid, 7°, van de Vlaamse Wooncode. Zoals in B.13.3 is vermeld, is de in die bepaling geformuleerde verplichting niet van toepassing op de Franstalige huurder van een sociale woning gelegen in een randgemeente. Zij vermindert dus niet het beschermingsniveau van het recht op een behoorlijke huisvesting van een dergelijke huurder. 16 B.26.
  54. De niet-Franstalige huurder die een sociale woning betrekt die in een randgemeente is gelegen en de huurder die een sociale woning betrekt die in een andere gemeente van het Nederlandse taalgebied is gelegen dan een van de taalgrensgemeenten, worden bij artikel 92, § 3, eerste lid, 7°, en artikel 92, § 3, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Wooncode ertoe verplicht over een niveau van taalvaardigheid van het Nederlands te beschikken dat overeenstemt met het niveau A1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen. Dat niveau A1 is « het laagste niveau van generatief taalgebruik, het punt waarop leerders op een eenvoudige manier interactief kunnen zijn, eenvoudige vragen kunnen stellen en beantwoorden over zichzelf, over waar ze wonen, over wie ze kennen en over dingen die ze hebben, eenvoudige uitspraken kunnen doen en beantwoorden op het gebied van primaire behoeften of over zeer vertrouwde onderwerpen, en niet meer uitsluitend vertrouwen op een zeer beperkt, lexicaal geordend repertoire van situatiegebonden frasen » (Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen, 3.6). De persoon die dat niveau heeft bereikt, kan « vertrouwde dagelijkse uitdrukkingen en basiszinnen, gericht op de bevrediging van concrete behoeften, begrijpen en gebruiken », « zichzelf aan anderen voorstellen en [...] vragen stellen en beantwoorden over persoonlijke gegevens zoals waar hij/zij woont, wie hij/zij kent en dingen die hij/zij bezit » en « op een simpele wijze reageren, aangenomen dat de andere persoon langzaam en duidelijk praat en bereid is om te helpen » (ibid., 3.3). De voormelde huurders moeten dus een « basiskennis » van het Nederlands hebben (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1045/1, pp. 3, 5-9; ibid., nr. 1045/2, pp. 4-5, 9-10) die hen in staat stelt « een mondje Nederlands te spreken ». Het redelijk lage kennisniveau dat wordt vereist, moet hen alleen in staat stellen met hun buren te communiceren om, bijvoorbeeld, hun te vragen wanneer het vuilnis wordt opgehaald (Hand., Vlaams Parlement, 22 februari 2017, nr. 26, p. 51). B.26.
  55. Zoals blijkt uit de vorige versie van artikel 92, § 3, eerste lid, 6° en 7°, van de Vlaamse Wooncode, waren dezelfde huurders, vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen, niet ertoe gehouden over een niveau van beheersing van de Nederlandse taal te beschikken dat overeenstemt met het niveau A1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen. 17 De draagwijdte van de taalvereiste waarin bij die teksten was voorzien, was beperkter. Die huurders waren enkel ertoe gehouden « bereid te zijn om Nederlands te leren » teneinde een kennisniveau te bereiken dat overeenstemt met het voormelde niveau A
  56. Bij zijn arrest nr. 101/2008 van 10 juli 2008 wees het Hof erop dat het enkel ging om een inspanningsverbintenis. B.26.
  57. Bij de bestreden bepalingen wordt die inspanningsverbintenis omgezet in een resultaatsverbintenis (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1045/2, p. 4; Hand., Vlaams Parlement, 22 februari 2017, nr. 26, pp. 50 en 53). B.
  58. Om te beoordelen of de in B.26.1 beschreven verplichting een aanzienlijke achteruitgang met zich meebrengt van het niveau van bescherming van het recht op een behoorlijke huisvesting dat bestond toen de in B.26.2 beschreven verplichting van kracht was, dient rekening te worden gehouden met de wettelijke context van de bestreden bepalingen. B.
  59. Vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen kon de kandidaat-huurder van een sociale woning, die ertoe gehouden was « bereid te zijn om Nederlands aan te leren » enkel in het kandidatenregister van de verhuurder worden ingeschreven indien hij die bereidheid had aangetoond (artikel 93, § 1, tweede lid, 2° en 3°, van de Vlaamse Wooncode, ingevoegd bij artikel 7, 2°, van het decreet van 15 december 2006). Sinds de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen is de inschrijving van een kandidaat niet langer aan enige taalvoorwaarde onderworpen (artikel 93, § 1, van dezelfde Code, zoals gewijzigd bij artikel 3, 1°, van het decreet van 10 maart 2017). Voortaan dient de verhuurder de kandidaat alleen uitdrukkelijk op de hoogte te brengen van de in de bestreden bepalingen geformuleerde taalverplichting (artikel 93, § 1, vijfde lid, van dezelfde Code, zoals gewijzigd bij artikel 3, 2°, van het decreet van 10 maart 2017). 18 B.29.
  60. Vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen kon een sociale woning slechts aan de in B.28 vermelde ingeschreven kandidaat worden toegewezen indien die vooraf zijn bereidheid om het Nederlands te leren had aangetoond (artikel 95, § 1, eerste lid, 2° en 3°, van de Vlaamse Wooncode, ingevoegd bij artikel 8 van het decreet van 15 december 2006, vervolgens gewijzigd bij artikel 50, 1°, van het decreet van 31 mei 2013 « houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen »). Sinds de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen is de toewijzing van een sociale woning aan een kandidaat niet langer aan enige taalvoorwaarde onderworpen (artikel 95, § 1, van dezelfde Code, zoals gewijzigd bij artikel 4 van het decreet van 10 maart 2017). B.29.
  61. Vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen kon de verhuurder van een sociale woning, mits een opzeggingstermijn in acht werd genomen, de huurovereenkomst met betrekking tot een sociale woning opzeggen wegens een ernstige of blijvende tekortkoming van de huurder met betrekking tot zijn verplichting « bereid te zijn om Nederlands te leren » (artikel 98, § 3, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Wooncode, vervangen bij artikel 10 van het decreet van 15 december 2006, vervolgens gewijzigd bij artikel 42, 4°, van het decreet van 14 oktober 2016 « houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen » en bij artikel 52, 10°, van het decreet van 31 mei 2013). Sinds de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen kan de tekortkoming van de huurder van een sociale woning met betrekking tot de voormelde taalverplichting niet langer de opzegging van de huurovereenkomst verantwoorden (artikel 98, § 3, eerste lid, 2°, van dezelfde Code, zoals gewijzigd bij artikel 5 van het decreet van 10 maart 2017). B.29.
  62. Vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen kon van de kandidaat-huurder van een sociale woning of van de huurder van een dergelijke woning geen « bereidheid om Nederlands te leren » worden geëist wanneer die aan de hand van een medisch attest kon bewijzen dat het wegens een ernstige ziekte of een mentale of fysieke handicap voor hem blijvend onmogelijk was om een kennis van het Nederlands te verwerven die overeenstemt met het niveau A1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen (artikel 92, § 3, 6° en 7°, van de Vlaamse Wooncode; artikel 93, § 1, eerste lid, 2° en 3°, van dezelfde Code, ingevoegd bij artikel 7, 2°, van het decreet van 15 december 2006; artikel 95, § 1, eerste lid, 2° en 3°, van dezelfde Code, 19 ingevoegd bij artikel 8 van het decreet van 15 december 2006, vervolgens gewijzigd bij artikel 50, 1°, van het decreet van 31 mei 2013). Zoals in B.28 is vermeld, wordt de in de bestreden bepalingen geformuleerde taalvaardigheidsverplichting niet opgelegd aan de kandidaat-huurder van een sociale woning en betreft zij enkel de huurder van een dergelijke woning. Die laatste wordt echter van die verplichting vrijgesteld, niet alleen wanneer een ernstige ziekte of een mentale of fysieke handicap de verwerving van het vereiste niveau van kennis van het Nederlands blijvend onmogelijk maakt, maar ook wanneer die onmogelijkheid het gevolg is van beperkte cognitieve vaardigheden (artikel 92, § 3, derde lid, van dezelfde Code, ingevoegd bij artikel 2, 3°, van het decreet van 10 maart 2007). B.29.
  63. Zoals in B.28 is vermeld, wordt de kandidaat-huurder van een sociale woning vanaf zijn inschrijving in het kandidatenregister uitdrukkelijk op de hoogte gebracht van de in de bestreden bepalingen geformuleerde taalvaardigheidsverplichting, hetgeen hem in staat stelt vanaf dat ogenblik de nodige stappen te zetten om die toekomstige verplichting in acht te nemen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1045/1, pp. 3, 5 en 14; ibid., nr. 1045/2, p. 9). Zoals in B.29.1 is vermeld, is de huurder van een sociale woning evenwel niet ertoe gehouden op het ogenblik van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst over de vereiste kennis van het Nederlands te beschikken. Vanaf dat ogenblik beschikt hij nog over een termijn om die kennis te verwerven (artikel 92, § 3, 6° en 7°, van de Vlaamse Wooncode). Indien hij om beroepsmatige, medische of persoonlijke redenen tijdelijk niet in staat is om binnen de opgelegde termijn het vereiste kennisniveau te verwerven, kan hij bovendien daartoe het voordeel van een extra termijn genieten (artikel 92, § 3, derde lid, van de Vlaamse Wooncode, ingevoegd bij artikel 2, 3°, van het decreet van 10 maart 2007). B.29.
  64. Wanneer de huurder van een sociale woning de in de bestreden bepalingen geformuleerde taalkennisverplichting niet naleeft, kan de verhuurder, onder bepaalde voorwaarden, en indien de huurder daarmee instemt, hem begeleiden of laten begeleiden met het oog op de inachtneming van die verplichting (artikel 92, § 3, tweede lid, van de Vlaamse Wooncode, ingevoegd bij artikel 2, 3°, van het decreet van 10 maart 2007). 20 B.29.
  65. De huurder van een sociale woning heeft toegang tot een ruim aanbod kosteloze cursussen Nederlands (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1045/1, pp. 4, 5 en 7-8; ibid., nr. 1045/2, p. 4). B.29.
  66. Tot slot is de in de bestreden bepalingen beoogde basiskennis van het Nederlands in elk geval nuttig voor de huurder van een in het Nederlandse taalgebied gelegen sociale woning. Die kennis kan hem in staat stellen de draagwijdte van de rechten en plichten die voortvloeien uit de gesloten huurovereenkomst beter te begrijpen, die rechten te doen gelden en die plichten in acht te nemen, met name door te communiceren met de personen die hem, indien nodig, daartoe zullen kunnen helpen. De ontstentenis van een basiskennis van het Nederlands kan de veiligheid en de leefbaarheid in de sociale wooncomplexen in het gedrang brengen wegens een gebrekkige communicatie tussen de huurders alsook tussen die laatsten en de verhuurder, omdat die personen niet over een gemeenschappelijke taal zouden beschikken. Een sociale huurder kan bovendien worden benadeeld omdat hij niet in staat is een vraag in verband met zijn rechten uit te drukken (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1045/1, pp. 3, 6 en 7). In die omstandigheden draagt de bij de bestreden bepalingen opgelegde kennis van het Nederlands bij tot de inwerkingstelling van het recht op een behoorlijke huisvesting van de bij die bepalingen beoogde huurders. B.29.
  67. Uit het voorgaande volgt dat, sinds de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen, de taalverplichting die verbonden is aan het huren van een sociale woning, derhalve geen vermindering van het niveau van bescherming van het recht op huisvesting met zich meebrengt. B.
  68. In zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet, is het tweede middel niet gegrond. 21 De artikelen 10 en 11 van de Grondwet B.
  69. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 92, § 3, eerste lid, 6° en 7°, van de Vlaamse Wooncode, in zoverre de bestreden bepalingen een verschil in behandeling zouden invoeren tussen twee categorieën van huurders van een sociale woning die onderworpen zijn aan de verplichting om te beschikken over het vereiste niveau van kennis van het Nederlands : enerzijds, diegene die over het vereiste kennisniveau beschikt en, anderzijds, diegene die nog niet over dat kennisniveau beschikt. B.
  70. Bij de bestreden bepalingen wordt een taalkennisverplichting geformuleerd die geldt voor die beide categorieën van huurders van een sociale woning. Daarbij wordt tussen hen geen enkel onderscheid gemaakt. Het bekritiseerde verschil in behandeling is dus onbestaande. B.
  71. In zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is het tweede middel niet gegrond. Ten aanzien van het derde middel B.
  72. Het derde middel is afgeleid uit de schending, door de laatste zin van het 6° en het 7° van het in B.2.3 aangehaalde artikel 92, § 3, eerste lid, van de Vlaamse Wooncode, van artikel 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 alsook van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel. B.
  73. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. 22 B.
  74. Artikel 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : « De Regering heeft geen andere macht dan die welke de Grondwet en de wetten en decreten krachtens de Grondwet uitgevaardigd, haar uitdrukkelijk toekennen ». Die regel strekt niet ertoe de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid en de deelentiteiten te bepalen. Het Hof is dus niet bevoegd om uitspraak te doen over de inachtneming van die regel. B.
  75. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Die vereiste is niet louter formeel. Zij strekt ertoe aan het Hof alsook aan de instellingen en de personen die een memorie tot het Hof kunnen richten, een duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting van de middelen te verstrekken. B.
  76. Het rechtszekerheidsbeginsel verbiedt de wetgever om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. B.
  77. De uiteenzetting van het derde middel maakt het niet mogelijk te begrijpen in welk opzicht de bestreden bepalingen dat beginsel, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zouden schenden. B.
  78. Het derde middel is niet ontvankelijk. 23 Om die redenen, het Hof, onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.13.3, verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 oktober
  79. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.136 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.092 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.