← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.137

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.137 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191017.3 Arrest- Rolnummer: 137/2019 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-10-22 Raadplegingen: 325 - laatst gezien 2026-06-29 03:37 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 46, 54, 57 en 63 van de wet van 31 juli 2017 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone ». Burgerlijk recht - Erfenissen en giften - Globale of punctuele erfovereenkomst - Mogelijkheid, voor de vader en/of de moeder en hun vermoedelijke erfgenamen in rechte nederdalende lijn, om een globale erfovereenkomst op te stellen - Afwezigheid van verplicht optreden van een afzonderlijke raadsman voor elke partij bij de erfovereenkomst. Tekst van de beslissing Rolnummer 6869 Arrest nr. 137/2019 van 17 oktober 2019 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 46, 54, 57 en 63 van de wet van 31 juli 2017 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût , wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 februari 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 maart 2018, heeft de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Verdussen en Mr. J.-L. Renchon, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 46, 54, 57 en 63 van de wet van 31 juli 2017 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 september 2017). De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 24 april 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 15 mei 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 15 mei 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 26 juni

  1. Op de openbare terechtzitting van 26 juni 2019 : - zijn verschenen : . Mr. M. Verdussen en Mr. J.-L. Renchon, voor de verzoekende partij; . Mr. E. de Lophem en Mr. C. Nennen, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. S. Depré, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partij A.1.
  2. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » brengt in herinnering dat zij onder meer de wettelijke taak heeft de belangen van niet alleen de advocaat maar ook van de rechtzoekende te behartigen. Zij doet gelden dat de wet van 31 juli 2017 belangrijke gevolgen heeft met betrekking tot de grondrechten van de rechtzoekenden, en met name van bepaalde categorieën van erfgenamen. Zij zet uiteen dat die wet grote onevenwichten teweegbrengt, enerzijds, tussen de kinderen en, anderzijds, tussen de kinderen uit het eerste huwelijk en de latere echtgenoot van de overledene, en dat zij dus tot gevolg zal hebben dat zij het aantal gerechtelijke betwistingen aanzienlijk doet toenemen in een aangelegenheid die slechts uitzonderlijk zou moeten worden gejuridiseerd. Zij leidt daaruit af dat er een ernstig risico bestaat dat de bestreden wet de goede werking van het gerecht in gevaar brengt. Daarenboven, wat artikel 63 van de bestreden wet betreft, doet de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » gelden dat haar belang is gelegen in het feit dat de wetgever heeft gemeend te moeten afzien van de verplichte medewerking van de advocaten, terwijl die, door hun deskundigheid en hun ervaring, kunnen waarborgen dat elke partij bij de erfovereenkomst vrij en weloverwogen ermee instemt. A.1.
  3. De Ministerraad erkent dat het Hof het belang om in rechte te treden herhaalde malen ruim heeft geïnterpreteerd, ten gunste van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone ». Hij is evenwel van mening dat de bestreden wet te dezen noch met de uitoefening van het beroep van advocaat, noch met de rechten van de rechtzoekenden enig verband vertoont. Hij voegt eraan toe dat oordelen dat de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » een belang zou hebben bij het vorderen van de vernietiging van een wet omdat zij een toename van de gerechtelijke procedures met zich mee zou kunnen brengen, erop neerkomt dat haar een onbeperkt belang wordt toebedeeld. A.1.
  4. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » brengt in herinnering dat artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek haar de taak toevertrouwt om « de belangen te behartigen » van niet alleen de advocaat, maar ook « van de rechtzoekende », en zij preciseert dat die term niet alleen betrekking heeft op de persoon die partij is bij een proces maar, ruimer, elke persoon betreft die voor een rechter kan belanden. Zij doet gelden dat haar vordering ertoe strekt twee struikelblokken zoveel mogelijk te vermijden, in het belang van de rechtzoekende, waarbij het eerste erin bestaat dat menselijke en juridische situaties contentieus worden en het tweede dat de wet afbreuk kan doen aan de grondrechten of aan de legitieme belangen van de rechtzoekenden. Zij ziet niet in hoe haar belang om in rechte te treden zou kunnen worden betwist, terwijl zij bij de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet werd gehoord door de wetgever, hetgeen volgens haar bewijst dat de Kamer van volksvertegenwoordigers haar als een legitieme spreker beschouwt. A.1.
  5. De Ministerraad is van mening dat het eerste struikelblok waarvan de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » gewag maakt, theoretisch is, aangezien niets het mogelijk maakt te beweren dat de bestreden wet tot gevolg zal hebben dat conflicten binnen families erger worden gemaakt. Hij doet gelden dat het tweede opgeworpen struikelblok het belang van de verzoekende partij evenmin aantoont. Hij staat bovendien stil bij de definitie van het begrip « rechtzoekende » en bij het verschil tussen dat begrip en de begrippen « rechtssubject », « particulier » of nog « persoon ». Hij voegt ten slotte eraan toe dat het feit dat men in de commissie van de Kamer van volksvertegenwoordigers, tijdens de parlementaire voorbereiding van een wet, is gehoord, niet stelselmatig een belang bij het beroep tot vernietiging van diezelfde wet verleent. Ten gronde A.2.1.
  6. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, door artikel 46 van de wet van 31 juli 2017, dat artikel 913, § 1, van het Burgerlijk Wetboek vervangt, in zoverre die bepaling het beschikbare gedeelte voortaan vaststelt op de helft van de nalatenschap, ongeacht het aantal kinderen van de overledene. 4 De verzoekende partij brengt in herinnering dat de erfrechten tussen ouders en kinderen dermate verbonden zijn met het gezinsleven dat zij onder het toepassingsgebied van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vallen. Zij beklemtoont daarenboven dat de evenredigheidstoets een noodzakelijkheidstoets inhoudt die het Hof ertoe moet brengen stil te staan bij het bestaan van alternatieve maatregelen die het mogelijk zouden maken om het door de wetgever nagestreefde doel te bereiken op een wijze die de betrokken grondrechten minder aantast. A.2.1.
  7. In het eerste onderdeel van dat middel klaagt de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » aan dat artikel 913, § 1, van het Burgerlijk Wetboek het een ouder mogelijk maakt een van zijn kinderen te onterven ten voordele van zijn andere kinderen, of al zijn andere kinderen te onterven ten voordele van een van zijn kinderen. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » doet gelden dat de bestreden bepaling een discriminatie tussen de kinderen van de erflater teweegbrengt. Zij is van mening dat het, om het door de wetgever nagestreefde doel te bereiken dat erin bestaat nieuwe evenwichten te zoeken door rekening te houden met de nieuw samengestelde gezinnen en met de relaties tussen stiefouders en stiefkinderen, of nog een deel van de erfenis rechtstreeks aan de kleinkinderen te laten toekomen, mogelijk zou zijn geweest om voor die gevallen uitzonderingen in te voeren op de huidige omvang van het beschikbare gedeelte van een nalatenschap. Zij is van mening dat het feit dat aan een ouder de mogelijkheid wordt geboden om aan een van zijn kinderen het drievoud, het viervoud of het vijfvoud van het aan zijn andere kinderen voorbehouden gedeelte toe te wijzen, volkomen onevenredig is met het nagestreefde doel. Zij voegt eraan toe dat een wetgeving die de autonomiewens van de erflater laat primeren op de belangen van alle andere betrokken partijen (kinderen en langstlevende echtgenoot), net geen evenwichtige wetgeving meer is, in tegenstelling tot hetgeen de wetgever beoogde. Zij is van mening dat de bestreden bepaling, door de autonomie die zij de erflaters biedt, het mogelijk maakt een aantal van hun kinderen te discrimineren op grond van criteria die niet kunnen worden aanvaard in een democratische samenleving. Zij is eveneens van oordeel dat het, ook al gaat het voor de ouders erom aangeboren ongelijkheden tussen hun kinderen te compenseren, zeker geen billijke en evenredige oplossing is om het die ouders mogelijk te maken zich willekeurig te gedragen. Zij merkt ten slotte op dat de bestreden bepaling de kinderen niet beschermt tegen het risico dat hun ouders druk op hen uitoefenen of hen chanteren en dat zij, omgekeerd, de ouders niet beschermt tegen het risico dat hun kinderen druk of ongewenste invloed op hen uitoefenen. A.2.1.
  8. In het tweede onderdeel van dat middel klaagt de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » aan dat artikel 913, § 1, van het Burgerlijk Wetboek het een ouder mogelijk maakt al zijn kinderen te onterven ten voordele van zijn langstlevende echtgenoot, op een wijze die nog onevenrediger is dan hetgeen het geval was vóór de inwerkingtreding van die bepaling. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » doet gelden dat de bestreden bepaling een discriminatie teweegbrengt tussen de kinderen van de erflater en zijn langstlevende echtgenoot, om redenen die soortgelijk zijn aan die welke in het eerste onderdeel van het middel zijn uiteengezet. A.2.2.
  9. De Ministerraad merkt meteen op dat geen van de in het middel aangevoerde bepalingen aan de kinderen een recht verleent om van hun ouders te erven. Hij leidt daaruit af dat de bestreden bepaling, zelfs indien zou moeten worden geoordeeld dat zij het een ouder mogelijk maakt zijn kinderen te onterven, hetgeen volgens hem niet juist is, niet de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, noch artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou schenden. Hij merkt op dat de verzoekende partij in werkelijkheid het beginsel van de vrijwillige erfopvolging bekritiseert, dat per definitie afwijkt van de wettelijke erfopvolging. Hij brengt in herinnering dat die laatste met toepassing van artikel 745 van het Burgerlijk Wetboek wordt geregeld door het beginsel van gelijkheid tussen de afstammelingen van de overledene. Hij is van mening dat het beginsel van de vrijwillige erfopvolging dateert van vóór de bestreden wet, zodat de vernietiging ervan de door de verzoekende partij geuite fundamentele kritiek niet zou verhelpen. Hij voegt eraan toe dat het eventuele verschil in behandeling tussen de afstammelingen niet voortvloeit uit de wet zelf, maar, in voorkomend geval, uit het optreden van de erflater. A.2.2.
  10. De Ministerraad haalt het door de afdeling wetgeving van de Raad van State verstrekte advies over de bestreden wet aan en leidt daaruit af dat die wet geen discriminatie in het leven roept die in strijd is met de Grondwet, aangezien het vaststellen van de omvang van het voorbehouden erfdeel een opportuniteitskeuze van de wetgever betreft. Hij merkt in dat verband op dat de door de verzoekende partij geformuleerde kritiek op opportuniteitsoverwegingen berust. 5 A.2.3.
  11. De verzoekende partij doet gelden dat het Hof, in het kader van de toetsing van de inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, een evenredigheidstoets verricht, die met name een noodzakelijkheidstoets omvat, hetgeen noodzakelijkerwijs een beoordeling inhoudt van het nagestreefde doel en van de middelen die zijn aangewend om het te bereiken. A.2.3.
  12. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » haalt de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan, waarin de wetgever en de rechters worden verzocht de grondrechten in de private verhoudingen tussen personen te beschermen (EHRM, 12 juni 2003, Van Kück t. Duitsland; 13 juli 2004, Pla en Puncernau t. Andorra; 16 december 2008, Khurshid Mustafa en Tarzibachi t. Zweden). Zij doet gelden dat daaruit wordt afgeleid dat een Staat die niet de maatregelen heeft genomen die noodzakelijk zijn voor het voorkomen of bestraffen van de discriminaties waarvoor particulieren verantwoordelijk zouden zijn, het Verdrag schendt, en is bijgevolg van mening dat de oorsprong van de discriminaties die uit de wet zullen voortvloeien, niet enkel in de keuzes van de erflaters kan worden gesitueerd. Hij voegt eraan toe dat de wetgever, in naam van de vrijheid over zijn vermogen te beschikken, zich niet kan onttrekken aan zijn verplichting ervoor te zorgen dat een evenwicht tot stand wordt gebracht tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen. A.2.3.
  13. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » is van mening dat de inachtneming van het gelijkheidsbeginsel wordt opgelegd aan de vader en aan de moeder van verschillende kinderen, zodat hij of zij zijn of haar nalatenschap niet vrijwillig zo onevenredig kan regelen als het nieuwe artikel 913 van het Burgerlijk Wetboek dat mogelijk maakt. A.2.3.
  14. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » zet eveneens uiteen dat de wetgever geenszins ernaar heeft gestreefd een evenwicht tussen de belangen van de langstlevende echtgenoot en die van de kinderen te bewaren, aangezien het enkel in het geval is waarin de erflater tegelijk zijn kinderen en zijn langstlevende echtgenoot zou hebben onterfd, dat de in artikel 914 van het Burgerlijk Wetboek ingevoegde nieuwe bepaling erin voorziet dat het voorbehouden vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot, zoveel mogelijk, zal worden uitgeoefend op het beschikbare gedeelte van de nalatenschap en niet op het voorbehouden gedeelte van de kinderen. Zij wijst met nadruk op het feit dat de wetgever het daarentegen mogelijk heeft gemaakt dat de erflater, ten voordele van de langstlevende echtgenoot, een onevenwicht tot stand brengt dat ernstiger is dan vroeger ten opzichte van zijn kinderen. A.2.
  15. De Ministerraad merkt op dat het Hof nooit het bestaan heeft erkend van een positieve verplichting voor de Staat, op grond van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in een dermate strikt private sfeer als de verdeling van de nalatenschap. A.3.1.
  16. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, door artikel 54 van de wet van 31 juli 2017, dat artikel 920 van het Burgerlijk Wetboek aanvult, en door artikel 57 van dezelfde wet, dat artikel 924 van hetzelfde Wetboek vervangt, in zoverre de bestreden bepalingen, enerzijds, het beginsel van het voorbehouden erfdeel in natura vervangen door het beginsel van het voorbehouden erfdeel in waarde en, anderzijds, erin voorzien dat, wanneer een gift het beschikbare gedeelte overschrijdt, de begunstigde ervan ertoe is gehouden de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, te vergoeden ten belope van hetgeen het beschikbare gedeelte overschrijdt, wat ook het bedrag daarvan is. A.3.1.
  17. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » doet gelden dat de bestreden bepalingen de verschillen in behandeling tussen de erfgenamen van de erflater erger maken, aangezien het ontzeggen, aan een van zijn kinderen, van elk recht in natura in zijn nalatenschap ten voordele van een ander van zijn kinderen of zijn langstlevende echtgenoot, afbreuk doet aan zijn identiteit en aan zijn waardigheid. Zij zet uiteen dat de wetgever de bestreden bepalingen heeft gemotiveerd door het doel dat erin bestaat de rechtszekerheid van de schenkingen in natura te waarborgen en doet in dat verband gelden dat het, om dat doel te verwezenlijken, niet noodzakelijk was een algemene regel uit te vaardigen die ertoe leidt dat aan de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, hun erfdeel in natura wordt ontzegd, in alle omstandigheden en ten aanzien van alle goederen uit een nalatenschap. Zij preciseert in dat verband dat er, om de rechtszekerheid van de schenkingen te waarborgen, geen enkele reden bestaat om het voorbehouden erfdeel in natura om te zetten in een voorbehouden erfdeel in waarde ten aanzien van de legaten die door de overledene zouden zijn gedaan, aangezien de verkrijger van het legaat per definitie niet over het gelegateerde goed heeft kunnen beschikken vóór het overlijden en er dus geen enkel risico bestaat dat hij een goed aan de nalatenschap dient terug te geven dat zich er nog in bevindt. 6 A.3.1.
  18. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » doet gelden dat het verschil in behandeling dat in het leven is geroepen tussen de legaten die ten voordele van een derde zijn gedaan en de legaten die ten voordele van een erfgenaam zijn gedaan, op zich discriminerend is, aangezien het discriminerend is om het een van zijn kinderen of een aantal van zijn kinderen niet mogelijk te maken hun deel in de door hun vader of door hun moeder nagelaten goederen te krijgen, wanneer een ander kind of de langstlevende echtgenoot alle goederen krijgt of heeft gekregen, terwijl de erfgenamen, wanneer een legaat wordt gedaan aan iemand die geen erfgenaam is, ten aanzien van dat legaat op voet van gelijkheid worden geplaatst. Zij ziet niet in in welk opzicht de wil van de beschikker om zijn goederen tussen zijn erfgenamen te verdelen legitiemer zou zijn dan de wil om ze te legateren ten voordele van een derde. A.3.1.
  19. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » is van mening dat de maatregel evenmin noodzakelijk is om te vermijden dat de enige gezinswoning wordt verkocht, terwijl een van de kinderen bereid zou zijn om ze over te nemen en de waarde ervan aan zijn broers en zussen te betalen. Ten slotte is zij van mening dat het in strijd is met het beginsel van de gelijkheid tussen kinderen om de erflater te verbieden zijn wil uit te drukken dat de inkorting, in geval van aantasting van het voorbehouden erfdeel, in natura en niet in waarde geschiedt. A.3.2.
  20. De Ministerraad is van mening dat het « beginsel van de gelijkheid van de erfgenamen » niet bestaat. Hij brengt bovendien in herinnering dat de wet zelf geen enkel verschil in behandeling tussen erfgenamen doet ontstaan en dat een verschil, in voorkomend geval, enkel door de erflater zou kunnen worden gecreëerd, hetgeen hij reeds met toepassing van de vroegere wet kon doen. Hij doet gelden dat geen enkel beginsel vereist dat het voorbehouden erfdeel veeleer in natura dan in waarde is en ter illustratie merkt hij op dat het stelsel van het voorbehouden erfdeel in waarde in Duitsland en in Frankrijk wordt toegepast. Hij is van mening dat de bestreden wet in werkelijkheid een betere bescherming van het voorbehouden erfdeel regelt. A.3.2.
  21. De Ministerraad doet gelden dat, gesteld dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling zouden teweegbrengen, dat zou worden verantwoord door verschillende legitieme doelstellingen : de rechtszekerheid met betrekking tot de giften verhogen en de autonomie van de erflater bij de beschikking over zijn eigendom vergroten. Hij is van mening dat de door de verzoekende partij aangehaalde alternatieve voorstellen verschillen in behandeling teweegbrengen die niet verantwoord zijn. A.3.
  22. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » betwist dat het voorbehouden erfdeel in waarde een grotere bescherming biedt dan het voorbehouden erfdeel in natura en zij voert aan dat net het tegenovergestelde ervan zou moeten worden aangenomen. A.4.
  23. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » leidt een derde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, door artikel 63 van de wet van 31 juli 2017, dat in het Burgerlijk Wetboek de artikelen 1100/5 en 1100/7 invoegt, in zoverre de artikelen 1100/5 en 1100/7 van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen, het mogelijk maken dat afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van gelijkheid tussen de kinderen naar aanleiding van het sluiten van een erfovereenkomst tussen de ouders en de kinderen. Zij doet gelden dat de wetgever geen rekening heeft gehouden met het - nochtans bewezen - risico dat het doel dat erin bestaat de belangen van alle betrokken partijen te waarborgen, niet wordt bereikt en dat de gesloten erfovereenkomst daarentegen een echt onevenwicht tussen de erfgenamen creëert. Zij verwijt de wetgever dat hij niet erin heeft voorzien dat elk van de partijen moet worden bijgestaan door een raadsman die haar eigen is, advocaat of notaris, teneinde het risico op grote onevenwichten tussen kinderen te voorkomen. Zij voegt eraan toe dat de instrumenterende notaris, zonder zijn bekwaamheden of zijn onpartijdigheid enigszins in het geding te brengen, niet in staat is om elk van de partijen los van de anderen raad te geven. A.4.
  24. De Ministerraad merkt op dat de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht de kritiek die zij formuleert, die de opportuniteit betreft, tot een schending van de aangevoerde referentiebepalingen leidt. Hij brengt in herinnering dat de wet ervoor zorgt dat de ondertekenaars van de overeenkomst volledig worden geïnformeerd over datgene waartoe zij zich verbinden en dat niets hun verhindert extra advies in te winnen. Hij voegt eraan toe dat de wet niet uitsluit dat de geldigheid van de overeenkomst anders dan voor benadeling in het geding wordt gebracht, bijvoorbeeld wanneer een van de ondertekenaars kan aantonen dat zijn toestemming gebrekkig was door dwang. 7 -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
  25. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 46, 54, 57 en 63 van de wet van 31 juli 2017 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake » (hierna : de wet van 31 juli 2017). B.1.
  26. Artikel 46 van de wet van 31 juli 2017 vervangt artikel 913 van het Burgerlijk Wetboek door de volgende bepaling : « §
  27. De giften, hetzij bij akten onder de levenden, hetzij bij testament, mogen de helft van de massa bedoeld in artikel 922 niet overschrijden, indien de beschikker bij zijn overlijden één of meer kinderen achterlaat. §
  28. In de vorige paragraaf worden onder de naam kinderen begrepen, de afstammelingen in welke graad zij ook zijn; zij worden evenwel slechts gerekend voor het kind waarvan zij in de nalatenschap van de beschikker de plaats vervullen ». B.1.
  29. Artikel 54 van de wet van 31 juli 2017 vult artikel 920 van het Burgerlijk Wetboek aan als volgt : « §
  30. Niettegenstaande elk andersluidend beding en behoudens het in artikel 915bis, §2, bedoelde geval van het voorbehouden erfdeel geschiedt de inkorting enkel in waarde. Zij kan evenwel in natura geschieden op vraag van de begiftigde. §
  31. De beschikkingen, hetzij onder de levenden, hetzij wegens overlijden, die enkel voor het vruchtgebruik moeten worden ingekort maar die betrekking hebben op andere goederen dan die welke worden bedoeld in artikel 915bis, § 2, worden eveneens ingekort in waarde. De vergoeding voor de inkorting is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van dit vruchtgebruik op de dag van het overlijden; ze wordt berekend door de bepalingen van de artikelen 745sexies, § 3, en 745quinquies, § 3, naar analogie toe te passen. §
  32. In afwijking van paragraaf 2 geschiedt de inkorting in volle of blote eigendom van legaten in natura wanneer de begiftigde geen erfgenaam is ». B.1.
  33. Artikel 57 van de wet van 31 juli 2017 vervangt artikel 924 van het Burgerlijk Wetboek door de volgende bepaling : 8 « Indien de gift, die in waarde wordt ingekort, het beschikbaar gedeelte overschrijdt, vergoedt de begiftigde, al dan niet erfgerechtigd, de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, ten belope van het overschrijdende gedeelte van de gift, wat ook het bedrag hiervan is. De betaling van de vergoeding door de erfgenaam geschiedt in mindere ontvangst en, indien hij erfgenaam is aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, bij voorrang door toerekening op zijn voorbehouden rechten. Na voorafgaandelijke uitwinning van de goederen van de schuldenaar van de vergoeding voor de inkorting en ingeval van onvermogen van deze laatste, kunnen de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, de inkorting vorderen tegen derden die de goederen die van de giften deel uitmaakten onder kosteloze titel hebben verworven van de begiftigde of van de opvolgende begunstigde ten kosteloze titel. De vordering geschiedt op dezelfde wijze als tegen de begiftigden zelf en volgens de dagtekeningen van de vervreemdingen, te beginnen met de laatste. De vordering tot inkorting kan niet worden uitgeoefend tegen de derden bedoeld in het derde lid door de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent die, overeenkomstig artikel 1100/5, hetzij in de schenkingsakte, hetzij bij een latere uitdrukkelijke verklaring, hebben toegestemd in de vervreemding van het gegeven goed. De artikelen 1100/2, 1100/3, 1100/4 en 1100/6 zijn van toepassing op deze toestemming. De vordering tot inkorting kan door de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, niet worden uitgeoefend ten aanzien van legaten waarvan zij de afgifte hebben toegekend met kennis van de aantasting van het hun voorbehouden gedeelte. In dat geval kan voor de andere giften evenwel geen grotere inkorting gelden dan diegene die zou zijn toegepast zonder een dergelijke afgifte. De vergoeding voor de inkorting wordt uiterlijk betaald op het ogenblik van de verdeling, behoudens andersluidend akkoord tussen de mede-erfgenamen ». B.1.
  34. Artikel 63 van de wet van 31 juli 2017 voegt, in boek III van het Burgerlijk Wetboek, een nieuwe titel IIbis (« Erfovereenkomsten ») in, die de artikelen 1100/1 tot 1100/7 bevat. Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat de verzoekende partij de gedeeltelijke vernietiging vordert van het nieuwe artikel 1100/5, dat bij die bepaling in het Burgerlijk Wetboek is ingevoegd. Artikel 1100/5 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « §
  35. Elke erfovereenkomst wordt in een notariële akte opgenomen. 9 §
  36. Het ontwerp van overeenkomst wordt door de instrumenterende notaris aan elke partij meegedeeld. De instrumenterende notaris legt tegelijk een vergadering vast waarop de inhoud van de overeenkomst en de gevolgen ervan aan alle partijen worden toegelicht. Bij die gelegenheid informeert hij elke partij over de mogelijkheid een aparte raadsman te kiezen of een individueel onderhoud met hem te hebben. Op de gezamenlijke, door hem te beleggen vergadering wijst hij nogmaals op die mogelijkheid. Deze vergadering kan pas worden gehouden na verloop van een termijn van vijftien dagen die ingaat op de dag waarop het ontwerp van overeenkomst wordt meegedeeld. De overeenkomst kan niet worden ondertekend vóór het verstrijken van een termijn van één maand die ingaat vanaf de dag waarop die vergadering heeft plaatsgevonden. Elke partij kan een beroep doen op een andere notaris, die haar zal bijstaan bij het verlijden van de akte. De datum van verzending van het ontwerp van de overeenkomst en de datum waarop de in het eerste lid bedoelde vergadering heeft plaatsgevonden, worden in de overeenkomst vermeld. Er kan niet worden afgeweken van de in het tweede lid bedoelde termijnen, zelfs niet met instemming van de partijen. […] ». B.1.
  37. Sommige bepalingen van de bestreden wet zijn gewijzigd bij de wet van 22 juli 2018 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake ». Die wijzigingen hebben geen gevolgen voor het onderwerp van het beroep. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep B.2.
  38. De Ministerraad voert aan dat het beroep niet ontvankelijk is, in zoverre de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » niet doet blijken van het vereiste belang. 10 B.2.
  39. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.2.
  40. Artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, eerste en tweede lid, bepaalt : « De Orde van Vlaamse balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone hebben, elk voor de balies die er deel van uitmaken, de taak te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van hun leden en zijn bevoegd voor de juridische bijstand, de stage, de beroepsopleiding van de advocaten-stagiairs en de vorming van alle advocaten behorende tot de balies die er deel van uitmaken. Ze nemen initiatieven en maatregelen die nuttig zijn voor de opleiding, de tuchtrechtelijke regels en de loyauteit in het beroep en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende ». B.2.
  41. De Ordes van de balies zijn publiekrechtelijke beroepscorporaties die bij wet zijn opgericht en die op verplichte wijze al diegenen die het beroep van advocaat uitoefenen groeperen. De Ordes van de balies kunnen, behoudens de gevallen waarin zij hun persoonlijk belang verdedigen, slechts in rechte treden binnen de opdracht die de wetgever hun heeft toevertrouwd. Aldus kunnen zij in de eerste plaats in rechte treden wanneer zij de beroepsbelangen van hun leden verdedigen of wanneer de uitoefening van het beroep van advocaat in het geding is. Volgens artikel 495, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de Ordes ook initiatieven en maatregelen nemen « die nuttig zijn […] voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende ». B.2.
  42. Uit artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 87 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, blijkt dat de Ordes van de balies slechts als verzoekende of tussenkomende partij voor het Hof in rechte kunnen treden ter verdediging van het collectieve belang van de rechtzoekenden in zoverre dit verbonden is met de taak en de rol van de advocaat bij de behartiging van de belangen van de rechtzoekende. 11 Maatregelen die geen enkele weerslag hebben op het recht op toegang tot de rechter, op de rechtsbedeling of op de bijstand die advocaten aan hun cliënten kunnen verlenen, ongeacht of dat gebeurt tijdens een administratief beroep, via een minnelijke schikking of via een geschil dat wordt voorgelegd aan de gewone of administratieve rechtscolleges, vallen bijgevolg buiten het bereik van artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 87 van de bijzondere wet van 6 januari
  43. B.3.
  44. De artikelen 46, 54 en 57 van de wet van 31 juli 2017 wijzigen sommige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek die de erfrechtelijke reserve van de kinderen van de erflater vaststellen, en bevatten de regels met betrekking tot de inkorting van de giften die het voorbehouden erfdeel overschrijden. B.3.
  45. Die bepalingen bevatten geen enkele regel met betrekking tot het statuut van de advocaat of van de rechtzoekenden. Zij kunnen van toepassing zijn op elke burger, naar aanleiding van het overlijden van zijn ouders of zijn echtgenoot, maar zij betreffen niet rechtstreeks de burgers in hun hoedanigheid van rechtzoekende. Zij hebben geen enkele weerslag op het recht op toegang tot de rechter, op de rechtsbedeling of op de bijstand die advocaten aan hun cliënten kunnen verlenen, ongeacht of dit voorvalt tijdens een administratief beroep, bij een minnelijke schikking of tijdens een geschil dat aan de gewone of de administratieve rechtscolleges is voorgelegd. B.3.
  46. De omstandigheid dat de bestreden bepalingen talrijke geschillen zouden kunnen doen ontstaan die voor de rechtbanken zouden worden gebracht, kan, naast het feit dat zij thans zuiver hypothetisch is, die vaststelling niet wijzigen. Ervan uitgaan dat de loutere mogelijkheid dat de toepassing van een wetsbepaling een geschil doet rijzen, de in artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek beoogde Ordes van balies zou toelaten de vernietiging ervan te vorderen, zou immers erop neerkomen hun de mogelijkheid te bieden de vernietiging te vorderen van elk van de door de verschillende wetgevers aangenomen bepalingen. 12 B.3.
  47. Tot slot doet het horen, door de volksvertegenwoordigers tijdens de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet, van vertegenwoordigers van de « Ordre des Barreaux francophones et germanophone », te haren aanzien geen belang ontstaan om bij het Grondwettelijk Hof de vernietiging van die wet te vorderen. De erkende deskundigheid van de « Ordre des Barreaux francophones et germanophone » in die aangelegenheid betekent immers niet dat haar situatie, die van de advocaten, of nog, die van de rechtzoekenden die zij bijstaan, zouden worden geraakt door de toepassing van de bepalingen waarover zij door de wetgever is geraadpleegd. B.3.
  48. De « Ordre des Barreaux francophones et germanophone » beschikt niet over het vereiste belang om de vernietiging van de artikelen 46, 54 en 57 van de wet van 31 juli 2017 te vorderen, zodat het beroep onontvankelijk is in zoverre daarbij die bepalingen worden beoogd. B.4.
  49. In zoverre zij betoogt dat artikel 63 van de bestreden wet niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, omdat daarin niet wordt voorzien in het verplichte optreden van een afzonderlijke raadsman voor elke partij bij de erfovereenkomst, kan daarentegen worden aangenomen dat die Orde doet blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van die bepaling, die aldus afbreuk zou doen aan de belangen van de advocaten en van de rechtzoekenden die zij verdedigt. B.4.
  50. Het beroep is enkel ontvankelijk in zoverre daarbij artikel 63 van de bestreden wet wordt beoogd. 13 Ten aanzien van artikel 63 van de bestreden wet B.5.
  51. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » leidt een derde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, door artikel 1100/5 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 63 van de wet van 31 juli
  52. Daarin wordt de wetgever verweten, wanneer een erfovereenkomst wordt gesloten, niet te hebben voorzien in de verplichte bijstand van elke partij door een afzonderlijke raadsman. B.5.
  53. Met artikel 63 van de bestreden wet wil de wetgever « [tegemoetkomen aan de] rechtmatige bekommernis van voorzienbaarheid en van rechtszekerheid in hoofde van de burgers » door « enerzijds, […] bepaalde punctuele erfovereenkomsten toe te laten, en anderzijds, […] de mogelijkheid te bieden aan de erflater om een globale erfovereenkomst te sluiten met het geheel van zijn vermoedelijke erfgenamen in rechte nederdalende lijn » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2282/001, p. 24). De globale erfovereenkomst laat « de partijen [toe] om kennis te nemen van alle giften die de overledene hen respectievelijk heeft toegekend en - op voorwaarde dat er een (subjectief) evenwicht tussen hem bestaat – in onderlinge overeenstemming te verzaken aan zowel de vordering tot inkorting als de vordering tot inbreng ten aanzien van de giften bedoeld in de overeenkomst » (ibid., p. 25). B.5.
  54. De ondertekening van een punctuele of globale erfovereenkomst kan belangrijke gevolgen hebben voor de ondertekenaar, daar die in voorkomend geval betekent dat die laatstgenoemde afziet van vermogensrechten. Wanneer de erfovereenkomst een verzaking inhoudt aan rechten in een niet opengevallen nalatenschap, kan die verzaking alleen worden herroepen indien de begunstigde van de verzaking een aanslag op het leven van de verzaker heeft gepleegd of indien hij zich tegenover hem schuldig heeft gemaakt aan mishandelingen, misdrijven of grove beledigingen (artikel 1100/4, § 3, van het Burgerlijk Wetboek). De ondertekening van een globale erfovereenkomst door een meerderjarige houdt daarentegen diens verzaking in aan de vordering tot inkorting en aan het verzoek tot inbreng met betrekking tot de giften waarop de overeenkomst betrekking heeft (artikel 1100/7, § 6, van het Burgerlijk Wetboek). De waardering van de voordelen en de schenkingen begrepen in de overeenkomst is definitief en de verdeling kan niet worden betwist voor benadeling (artikel 1100/7, § 9, van het Burgerlijk Wetboek). 14 B.
  55. De bestreden bepaling kan bijgevolg invloed hebben op het recht op eerbiediging van het privéleven en op de rechten van het kind gewaarborgd door de in het middel aangehaalde bepalingen, in samenhang gelezen met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.7.
  56. De erfovereenkomst, ongeacht of die punctueel of globaal is, dient formeel gestalte te krijgen in een notariële akte. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling blijkt dat de wetgever het optreden van een notaris heeft willen opleggen gelet op de rol van raadsman die hij op zich moet nemen ten aanzien van elk van de partijen, alsook op zijn onpartijdigheid : « Deze plechtigheid dringt zich niet enkel op om aan de partijen toe te laten zich bewust te worden van de zwaarwichtigheid van de handeling en de gevolgen ervan, maar eveneens om toe te laten dat zij genieten, bij het opstellen van dergelijke overeenkomsten, van de onpartijdige en deskundige raad van een specialist in het familierecht. De keuze voor een notariële akte is aldus niet enkel geboden gelet op de specifieke vorming van de notarissen en hun hoedanigheid van specialist in het (patrimoniaal) familierecht (waarbij de notaris, vanuit zijn functie, de familiale vertrouwenspersoon is), maar eveneens omwille van hun hoedanigheid van onpartijdige familiale raadgever » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2282/001, pp. 128-129). B.7.
  57. Artikel 9, § 1, tweede en derde lid, van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt bepaalt : « Wanneer een notaris tegenstrijdige belangen of de aanwezigheid van onevenwichtige bedingen vaststelt, vestigt hij hierop de aandacht van de partijen en deelt hen mee dat elke partij de vrije keuze heeft om een andere notaris aan te wijzen of zich te laten bijstaan door een raadsman. De notaris maakt hiervan melding in de notariële akte. De notaris licht elke partij altijd volledig in over de rechten, verplichtingen en lasten die voortvloeien uit de rechtshandelingen waarbij zij betrokken is en geeft aan alle partijen op onpartijdige wijze raad ». 15 B.7.
  58. Artikel 1100/5, § 2, van het Burgerlijk Wetboek verplicht de instrumenterende notaris ertoe elke partij, op het ogenblik dat hij hun het ontwerp van erfovereenkomst meedeelt en de vergadering vaststelt waarop de inhoud van de overeenkomst en de gevolgen ervan worden toegelicht, te informeren « over de mogelijkheid een aparte raadsman te kiezen of een individueel onderhoud met hem te hebben ». De notaris moet die informatie in herinnering brengen op de vergadering zelf. Dezelfde bepaling legt de termijnen vast waarvan niet kan worden afgeweken, teneinde aan iedere partij de tijd te geven om hierover te bezinnen en in voorkomend geval de adviezen in te winnen die zij nuttig acht. B.7.
  59. Uit hetgeen voorafgaat vloeit voort dat de wetgever de mogelijkheid om de erfovereenkomst te sluiten, gepaard heeft doen gaan met voldoende voorwaarden en procedurele regels om te waarborgen dat iedere partij bij de overeenkomst op de hoogte is van de draagwijdte en de gevolgen ervan, alsook van de mogelijkheid voor haar om zich op gepaste wijze te laten bijstaan en adviseren, zodat dat de bestreden bepaling geen onevenredige aantasting inhoudt van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de vermoedelijke erfgenamen die worden verzocht deel te nemen aan een erfovereenkomst. B.8.
  60. Artikel 1100/2, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij het bestreden artikel 63, bepaalt overigens dat de minderjarigen alleen als vermoedelijke erfgenamen partij kunnen zijn bij een erfovereenkomst en dat de overeenkomst in kwestie, voor die minderjarigen, niet de verzaking aan rechten in een niet opengevallen nalatenschap tot gevolg kan hebben. Met toepassing van de artikelen 378 en 410, § 1, 10°, van het Burgerlijk Wetboek dient de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent of de voogd van de vrederechter de bijzondere machtiging te verkrijgen om de minderjarige in de hoedanigheid van vermoedelijke erfgenaam in de erfovereenkomst te vertegenwoordigen. B.8.
  61. De wetgever heeft dus gewaakt over de naleving van het recht van het kind, gewaarborgd bij artikel 22bis van de Grondwet, dat bij elke beslissing die op dat kind betrekking heeft, diens belang de eerste overweging is. 16 B.9.
  62. Bovendien leggen de in het middel vermelde bepalingen de wetgever niet op om elke partij bij de erfovereenkomst ertoe te verplichten een afzonderlijke raadsman te raadplegen of zich door een afzonderlijke raadsman te laten bijstaan indien zij dat niet nodig of nuttig heeft geacht, wanneer zij behoorlijk is ingelicht over haar recht om zich te richten tot een notaris of een advocaat van haar keuze om raad of bijstand te verkrijgen. B.9.
  63. Het middel is niet gegrond. 17 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 oktober
  64. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.137 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.