← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.138

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.138 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191017.4 Arrest- Rolnummer: 138/2019 Rechtsgebied: Financieel recht - Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-10-22 Raadplegingen: 376 - laatst gezien 2026-06-28 22:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt de wet van 7 februari 2018 « houdende invoering van een taks op de effectenrekeningen »; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor de taks die verschuldigd is voor de referentieperiodes die eindigen vóór of op 30 september

  1. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Effect FISCAAL RECHT - WETBOEK DIVERSE RECHTEN EN TAKSEN - Diverse taksen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van de wet van 7 februari 2018 « houdende invoering van een taks op de effectenrekeningen », ingesteld door Philippe Renier, door Antoine Buedts, door Laurent Danneels, door Antonia Deurinck, door Laurent Donnay de Casteau, door de vzw « Vlaamse Federatie van Beleggers » en anderen en door de vennootschap naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte « X ». Fiscaal recht - Wetboek diverse rechten en taksen - Diverse taksen - Taks op de effectenrekeningen - Principe en toepassingsmodaliteiten. Wettelijke bepalingen: Wet - 07-02-2018 - 14 ELI link Pub nr 2018011027 Tekst van de beslissing Rolnummers 6877, 6887, 6900, 6901, 7004, 7005 en 7006 Arrest nr. 138/2019 van 17 oktober 2019 In zake : de beroepen tot vernietiging van de wet van 7 februari 2018 « houdende invoering van een taks op de effectenrekeningen », ingesteld door Philippe Renier, door Antoine Buedts, door Laurent Danneels, door Antonia Deurinck, door Laurent Donnay de Casteau, door de vzw « Vlaamse Federatie van Beleggers » en anderen en door de vennootschap naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte « X ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 maart 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 maart 2018, heeft Philippe Renier beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 7 februari 2018 « houdende invoering van een taks op de effectenrekeningen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 maart 2018). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 maart 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 maart 2018, heeft Antoine Buedts beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderde de verzoekende partij eveneens de schorsing van dezelfde wet. Bij het arrest nr. 110/2018 van 19 juli 2018, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 september 2018, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 april 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 april 2018, heeft Laurent Danneels beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 april 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 april 2018, heeft Antonia Deurinck, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Maelfait, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 3 tot 15 van dezelfde wet (artikelen 151 tot 158/6 van het Wetboek diverse rechten en taksen). e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 september 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 september 2018, heeft Laurent Donnay de Casteau, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G.-H. Taymans, advocaat bij de balie van Waals-Brabant, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet. f. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 september 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 september 2018, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet door de vzw « Vlaamse Federatie van Beleggers », Philippe Lammens, Willy Doom, Luc De Bock, François Ackaert en Gaston Uytterhoeven, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Van Vlierden en Mr. D. Coveliers, advocaten bij de balie te Antwerpen, en Mr. B. De Cock, advocaat bij de balie te Gent. g. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 september 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 september 2018, heeft de vennootschap naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte « X », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Vanhulle en Mr. L. Swartenbroux, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6877, 6887, 6900, 6901, 7004, 7005 en 7006 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. 3 De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. De Wulf en Mr. M. von Kuegelgen, advocaten bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 5 juni 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 26 juni 2019 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partij in de zaak nr. 6877 om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 26 juni 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 17 juli
  2. Op de openbare terechtzitting van 17 juli 2019 : - zijn verschenen : . Philippe Renier, in eigen persoon (verzoekende partij in de zaak nr. 6877); . Mr. C. Meskens, advocaat bij de balie te Antwerpen, loco Mr. B. Van Vlierden, en Mr. D. Coveliers, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7005; . Mr. H. Vanhulle, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7006; . Mr. L. De Wulf, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen A.1.
  3. De Ministerraad is van oordeel dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 6877, 6887 en 6900 niet doen blijken van een belang bij de door hen ingediende beroepen, vermits zij niet aantonen dat zij onder het toepassingsgebied van de bestreden wet vallen, en vermits het nadeel dat zij zouden kunnen lijden van die wet louter hypothetisch is. 4 A.1.
  4. De verzoekende partij in de zaak nr. 6877 is van oordeel dat het in het kader van het belang niet is vereist dat zij aantoont dat zij op dit ogenblik beschikt over een aandeel in de gemiddelde waarde van belastbare financiële instrumenten op effectenrekeningen van 500 000 euro of meer, en dat het volstaat dat er een mogelijkheid bestaat dat de bestreden wet haar een toekomstig nadeel berokkent. Zij zet uiteen dat zij een belegd vermogen heeft opgebouwd van enkele honderdduizenden euro, dat zij een managementvennootschap heeft opgericht en dat zij in de nabije toekomst een belegd vermogen zal verwerven met een waarde van meer dan 500 000 euro. A.1.
  5. De verzoekende partij in de zaak nr. 6887 meent dat zij wel degelijk belang heeft bij haar beroep omdat zij behoort tot de generatie van de babyboomers, die het financieel redelijk goed stellen en die het voordeel hebben kunnen genieten van een exponentiële stijging van de vastgoedprijzen, en omdat haar vermogen is gegroeid ten gevolge van een erfenis. Zij meent dat daaruit blijkt dat zij een bepaald vermogen heeft opgebouwd waardoor zij onder de toepassing van de bestreden wet zou kunnen vallen. Zij meent dat haar recht op eerbiediging van het privéleven zou worden geschonden wanneer zij zou worden gedwongen haar financiële situatie precies aan te tonen. A.
  6. De Ministerraad is tevens van oordeel dat het beroep in de zaak nr. 6900 niet ontvankelijk is, doordat het Hof uitsluitend wordt verzocht om « de nodige aandacht te willen besteden » aan de aangevoerde schendingen van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, en aldus niet om de bestreden wet te vernietigen. Hij meent ook dat het Hof niet bevoegd is om uitspraak te doen over het in het verzoekschrift aangevoerde middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en dus niet uit de schending van een van de bepalingen waaraan het Hof vermag te toetsen. Ten gronde In de zaak nr. 6877 Wat het eerste middel in de zaak nr. 6877 betreft A.
  7. Het eerste middel in de zaak nr. 6877 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden wet, zonder redelijke verantwoording, een verschil in behandeling in het leven roept wat de belastbaarheid van effecten betreft, naargelang die effecten op een effectenrekening zijn ingeschreven, dan wel aandelen op naam zijn die niet op een effectenrekening zijn ingeschreven, en doordat die wet leidt tot een onevenredige last voor de beleggers. A.4.
  8. De verzoekende partij in de zaak nr. 6877 zet uiteen dat de bestreden taks enkel wordt geheven op effecten die op een effectenrekening zijn ingeschreven, en dus niet op aandelen op naam die niet op een effectenrekening zijn ingeschreven. Zij is van oordeel dat beide soorten effecten een « vermogensbarometer » vormen en dat het door de bestreden wet in het leven geroepen verschil in behandeling niet relevant is ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling, die erin bestaat de grotere vermogens te doen bijdragen aan de financiële middelen van de overheid. Zij meent dat de bestreden taks een vermogensbelasting is, namelijk een directe belasting die wordt geheven over het vermogen, ongeacht de inkomsten die uit dat vermogen worden verkregen. Dat de bestreden taks een vermogensbelasting is, blijkt volgens haar uit het feit dat personen die niet in België wonen een beroep kunnen doen op dubbelbelastingverdragen die voorzien in een regeling voor vermogensbelastingen. Zij wijst erop dat het verschil in behandeling in de parlementaire voorbereiding onder meer wordt gemotiveerd door te poneren dat effecten ingeschreven op effectenrekeningen beter verhandelbaar zijn en gemakkelijker liquide kunnen worden gemaakt dan aandelen op naam die niet op zulk een rekening zijn ingeschreven. Zij meent dat die argumentatie niet opgaat, vermits ook aandelen op naam, door middel van een aandelenregister in elektronische vorm, vlot kunnen worden verhandeld. Zij meent bovendien dat de bestreden wet de beleggers precies aanmoedigt om hun portefeuille om te zetten in een portefeuille van aandelen op naam. 5 A.4.
  9. De verzoekende partij in de zaak nr. 6877 voert eveneens aan dat de bestreden wet leidt tot een onevenredige last voor de beleggers, vermits die wet is gebaseerd op een systeem van bevrijdende inhouding door tussenpersonen en op een vermoeden dat het aandeel van de verschillende titularissen van een effectenrekening in de op die rekening ingeschreven belastbare financiële instrumenten proportioneel is met het aantal titularissen van die rekening. Zij meent dat het weerleggen van het voormelde vermoeden een onevenredige last voor de beleggers met zich meebrengt en dat de regeling aanleiding geeft tot bewijsproblemen. A.5.
  10. De Ministerraad is van oordeel dat de verzoekende partij in de zaak nr. 6877 ten onrechte ervan uitgaat dat de bestreden taks een vermogensbelasting is. Hij meent dat de wetgever uitsluitend een belasting heeft willen invoeren op het houden, door een natuurlijke persoon, van een effectenrekening waarop belastbare financiële instrumenten zijn ingeschreven met een gemiddelde waarde van 500 000 euro of meer. Hij doet gelden dat het belastbaar feit van de taks aldus bestaat in het houden van een effectenrekening, zodat de belastbare materie logischerwijze beperkt is tot de financiële instrumenten die ingeschreven zijn op zulk een rekening. Hij is van oordeel dat de financiële instrumenten ingeschreven op een effectenrekening een beleggingskarakter vertonen en dat die inschrijving tot doel heeft de omloop van die effecten te vereenvoudigen. Hij verwijst naar de parlementaire voorbereiding, waaruit hij afleidt dat de wetgever heeft vastgesteld dat financiële instrumenten op een effectenrekening de eigenschap vertonen om bijzonder liquide en gemakkelijk verhandelbaar te zijn, zodat zij een belangrijkere bron van opbrengst en verrijking vormen dan instrumenten die niet op een effectenrekening zijn ingeschreven. Uit die voorbereiding leidt hij eveneens af, enerzijds, dat aandelen op naam vaak beleggingen zijn die voor langere tijd worden aangehouden en dit veelal met het oog op een actievere deelname aan het leven van de vennootschap en, anderzijds, dat het elektronisch karakter van een register van aandelen op naam op zich geen grotere liquiditeit met zich meebrengt. Hij merkt op dat bij het verhandelen van aandelen op naam die niet zijn ingeschreven op een effectenrekening verschillende handelingen moeten worden gesteld, die met zich meebrengen dat die aandelen minder verhandelbaar zijn dan effecten ingeschreven op een effectenrekening. A.5.
  11. Volgens de Ministerraad beschikt de wetgever in fiscale aangelegenheden over een ruime beoordelingsbevoegdheid en komt het hem toe het belastbaar feit van de belasting vast te stellen. Hij meent dat het betwiste verschil in behandeling rust op objectieve criteria, meer bepaald het al dan niet ingeschreven zijn van effecten op een effectenrekening en de mate waarin effecten verhandelbaar zijn. Hij doet gelden dat die criteria relevant zijn, vermits de wetgever heeft beoogd de situaties te belasten die een grotere bron van verrijking zijn dan andere. Hij merkt op dat uit het feit dat de antimisbruikbepaling vervat in artikel 152, 1°, b), van het Wetboek diverse rechten en taksen, op een effectenrekening ingeschreven effecten viseert die vanaf 9 december 2017 zouden worden omgezet naar niet-belastbare instrumenten ingeschreven in een register van effecten op naam, niet kan worden afgeleid dat die effecten op naam deel zouden uitmaken van het belastbaar feit. Hij is van oordeel dat de antimisbruikbepaling louter tracht te verhinderen dat het belastbaar feit zou worden uitgehold. A.5.
  12. In zoverre de verzoekende partij in de zaak nr. 6877 aanvoert dat de bestreden wet een onevenredige last voor de beleggers met zich meebrengt, beroept de Ministerraad zich in hoofdorde de exceptio obscuri libelli, omdat de verzoekende partij niet uiteenzet in welke zin er sprake zou zijn van een schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. In ondergeschikte orde merkt hij op dat de wetgever heeft gestreefd naar een efficiënte inning van de taks, door middel van een systeem van bevrijdende inhouding door tussenpersonen, aangevuld met een systeem van aangifte indien de taks niet via het systeem van bevrijdende inhouding wordt betaald. Hij is van oordeel dat het gekozen systeem niet in strijd is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Hij meent dat het vermoeden dat het aandeel van de verschillende titularissen van een effectenrekening in de op die rekening ingeschreven belastbare financiële instrumenten proportioneel is met het aantal titularissen van die rekening, evenmin dat beginsel schendt, vermits dat vermoeden kan worden weerlegd, wat in voorkomend geval aanleiding kan geven tot teruggave. Wat het tweede middel in de zaak nr. 6877 betreft A.
  13. Het tweede middel in de zaak nr. 6877 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden wet, zonder redelijke verantwoording, een verschil in behandeling in het leven roept, naargelang het aandeel van een natuurlijke persoon in de totale gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten op effectenrekeningen al dan niet 500 000 euro of meer bedraagt. 6 A.
  14. De verzoekende partij in de zaak nr. 6877 zet uiteen dat de bestreden taks uitsluitend verschuldigd is wanneer het aandeel van een natuurlijke persoon in de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten op effectenrekeningen 500 000 euro of meer bedraagt. Zij is van oordeel dat die drempel volstrekt willekeurig is. A.
  15. De Ministerraad merkt op dat de wetgever heeft gekozen voor de drempel van 500 000 euro omdat er geen vermogenskadaster bestaat. Hij meent dat die drempel niet willekeurig is en wijst erop dat ook in andere wetgeving toepassing wordt gemaakt van zulk een drempel, onder meer in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten. Hij doet gelden dat de wetgever, met het oog op een meer rechtvaardig fiscaal beleid, een bepaald rendement van de taks heeft nagestreefd, waarbij hij heeft gekozen voor een drempel die noch te hoog, noch te laag is. Hij doet eveneens gelden dat het bedrag van 500 000 euro ongeveer 250 maal het gemiddeld maandloon van een Belgische werknemer vertegenwoordigt. Hij meent dat de gemaakte keuze onder de beleidsvrijheid van de wetgever valt en niet leidt tot een verschil in behandeling dat strijdig is met de in het middel vermelde grondwetsbepalingen. Wat het derde middel in de zaak nr. 6877 betreft A.
  16. Het derde middel in de zaak nr. 6877 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden taks uitsluitend verschuldigd is door natuurlijke personen en dus niet door vennootschappen. A.
  17. De verzoekende partij in de zaak nr. 6877 zet uiteen dat beleggers hun vermogen doorgaans opbouwen en beheren in verschillende hoedanigheden, namelijk in de hoedanigheid van natuurlijke persoon en in de hoedanigheid van enige of controlerende aandeelhouder van een managementvennootschap, en dat familiale vermogens doorgaans worden beheerd via een rechtspersoon. In het licht daarvan is zij van oordeel dat het in het leven geroepen verschil in behandeling tussen natuurlijke personen en vennootschappen discriminerend is. De omstandigheid dat de meerwaarden in de fiscale regeling van de vennootschappen principieel belastbaar zijn, is volgens haar niet relevant, vermits de bestreden taks vermogens belast, ongeacht de inkomsten die er al dan niet uit voortvloeien. A.
  18. De Ministerraad doet allereerst gelden dat het behoort tot de beleidsvrijheid van de wetgever om de categorieën van personen te bepalen die aan de bestreden taks worden onderworpen. Hij meent vervolgens dat het betwiste verschil in behandeling verantwoord is, omdat de wetgever heeft willen voorkomen dat natuurlijke personen die aandelen van een rechtspersoon aanhouden twee keer zouden worden belast, namelijk een eerste keer door de inhouding van de taks ten laste van de rechtspersoon en een tweede keer door de inhouding van de taks ten laste van de natuurlijke persoon die aandelen van die rechtspersoon aanhoudt op een effectenrekening. Bovendien zou de fiscale regeling van de beleggingen die door een aan de vennootschapsbelasting onderworpen rechtspersoon worden aangehouden, fundamenteel verschillend zijn van de fiscale regeling die van toepassing is op natuurlijke personen, en dit door de principiële belastbaarheid van meerwaarden in de vennootschapsbelasting. Hij wijst erop dat de rechtspersonen die aan de rechtspersonenbelasting onderworpen zijn, geen winstoogmerk nastreven, dat de nettoactiva van die rechtspersonen niet aan hun leden mogen worden uitgekeerd en dat bij de vereffening van de rechtspersoon, het vermogen overgedragen wordt aan een of meer andere entiteiten zonder winstoogmerk. Hij meent ten slotte dat de in artikel 152, 5°, tweede lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen vervatte antimisbruikbepaling niet in die zin kan worden geïnterpreteerd dat zij het betwiste verschil in behandeling van zijn verantwoording zou ontdoen, vermits die bepaling enkel beoogt te voorkomen dat het belastbaar feit zou kunnen worden uitgehold. Wat het vierde middel in de zaak nr. 6877 betreft A.
  19. Het vierde middel in de zaak nr. 6877 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden wet, zonder redelijke verantwoording, een verschil in behandeling in het leven roept op het vlak van de belastbare financiële instrumenten. 7 A.
  20. De verzoekende partij in de zaak nr. 6877 zet uiteen dat de belastbare financiële instrumenten limitatief worden opgesomd in artikel 152, 2°, van het Wetboek diverse rechten en taksen. Zij is van oordeel dat het, gelet op de door de wetgever nagestreefde doelstelling om de grotere vermogens zwaarder te belasten, niet redelijk is verantwoord dat andere vormen van beleggingen, zoals pensioenspaarrekeningen, levensverzekeringen en beleggingen in aandelen op naam, in vastgoed, in opties, in vastgoedcertificaten en in edelmetalen, niet aan de taks worden onderworpen. A.
  21. De Ministerraad is van oordeel dat het vierde middel in de zaak nr. 6877 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op gelijksoortige wijze als bij het eerste middel in die zaak. Hij voegt eraan toe dat de afgeleide financiële instrumenten (opties, futures, swaps, enz.) zich onderscheiden van de in artikel 152, 2°, van het Wetboek diverse rechten en taksen vermelde financiële instrumenten, doordat hun waarde slechts een afgeleide is van het onderliggende instrument. Hij meent dat de wetgever, gelet op het feit dat er op de derivatenmarkt zowel speculatieve instrumenten als instrumenten die van belang zijn voor de economie, worden verhandeld, van oordeel vermocht te zijn dat alle afgeleide instrumenten vrijgesteld dienden te worden van de bestreden taks. Hij beklemtoont nog dat personen die vanuit speculatieve redenen investeren in afgeleide instrumenten, onder het toepassingsgebied van artikel 90, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (diverse belastbare inkomsten) vallen. Wat het vijfde middel in de zaak nr. 6877 betreft A.
  22. Het vijfde middel in de zaak nr. 6877 is afgeleid uit de schending van artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU) en uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 63 van het VWEU. A.16.
  23. De verzoekende partij in de zaak nr. 6877 zet uiteen dat Belgische tussenpersonen, krachtens artikel 157 van het Wetboek diverse rechten en taksen, gehouden zijn tot een bevrijdende inhouding, aangifte en betaling van de taks. Zij wijst erop dat de niet in België opgerichte of gevestigde tussenpersonen in beginsel geen gebruik kunnen maken van die bevrijdende inhouding en dat zij ofwel een vertegenwoordiger moeten aanstellen die hoofdelijk aansprakelijk is tot betaling van de belasting en tot uitvoering van alle overige verplichtingen die voortvloeien uit de wet (artikel 158/2 van het Wetboek diverse rechten en taksen), ofwel hun klanten moeten aansporen zelf een aangifte in te dienen. De verzoekende partij in de zaak nr. 6877 is van oordeel dat de voormelde regeling de niet in België opgerichte of gevestigde tussenpersonen ontmoedigt om beleggingen te beheren van Belgische inwoners, vermits die tussenpersonen zware en kostelijke inspanningen moeten verrichten om de betaling van de bestreden taks mogelijk te maken. Wanneer zij dat niet doen, zouden hun klanten worden gepenaliseerd. A.16.
  24. De verzoekende partij in de zaak nr. 6877 is van oordeel dat de voormelde regeling het vrij verkeer van kapitaal, zoals gewaarborgd door artikel 63 van het VWEU, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, beperkt. Zij meent dat die beperking in de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet op geen enkele wijze wordt verantwoord. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie leidt zij af dat vorderingen die gebaseerd zijn op het recht van de Europese Unie procedureel gelijk behandeld dienen te worden met gelijkaardige vorderingen die gebaseerd zijn op het nationaal recht, wat volgens haar met zich meebrengt dat de rechtsbescherming die wordt geboden door de procedure van het beroep tot vernietiging bij het Grondwettelijk Hof, ook moet worden geboden wanneer een wetskrachtige bepaling in strijd is met het recht van de Europese Unie. A.16.
  25. In ondergeschikte orde verzoekt de verzoekende partij in de zaak nr. 6877 het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.
  26. De Ministerraad doet gelden dat de Belgische wetgever niet bevoegd is om de niet in België gevestigde tussenpersonen te dwingen tot inhouding van de bestreden taks en dat hij om die reden heeft voorzien in de mogelijkheid voor die tussenpersonen om een vertegenwoordiger aan te stellen. Hij zet uiteen dat die mogelijkheid eveneens was ingegeven door de bedoeling de niet in België gevestigde tussenpersonen op een gelijke wijze te behandelen als de Belgische tussenpersonen. Hij beklemtoont dat het aanstellen van een vertegenwoordiger een mogelijkheid is en dus niet een verplichting. Hij meent dat de niet in België gevestigde tussenpersonen aldus niet worden gediscrimineerd ten aanzien van de Belgische tussenpersonen. 8 Hij is eveneens van oordeel dat de betwiste regeling op geen enkele wijze het vrij verkeer van kapitaal belemmert. In zoverre het Hof niettemin zou oordelen dat er wel degelijk sprake is van een belemmering van het vrij verkeer van kapitaal, meent hij dat die belemmering wordt verantwoord door dwingende redenen van algemeen belang, bestaande in het faciliteren van de inning van de bestreden taks en in het creëren van een gelijk speelveld voor alle tussenpersonen. Wat het zesde middel in de zaak nr. 6877 betreft A.
  27. Het zesde middel in de zaak nr. 6877 is afgeleid uit de schending van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden wet het onmogelijk maakt voor de belastingplichtige om het juiste bedrag van de verschuldigde belasting te bepalen. A.
  28. De verzoekende partij in de zaak nr. 6877 zet uiteen dat de bestreden wet een weerlegbaar vermoeden invoert dat het aandeel van de verschillende titularissen van een effectenrekening in de op die rekening ingeschreven belastbare financiële instrumenten proportioneel is met het aantal titularissen van die rekening die natuurlijke personen zijn. Zij meent dat dit met zich meebrengt dat de taks in vele gevallen in eerste instantie op foutieve wijze zal worden ingehouden en dat het vervolgens toekomt aan de belastingplichtige om zijn werkelijke aandeel in de effectenrekening aan te tonen. Zij is van oordeel dat het voormelde vermoeden problematisch is wanneer een effectenrekening niet enkel wordt aangehouden door natuurlijke personen, maar ook door een of meer rechtspersonen, vermits in dat geval geen rekening wordt gehouden met het aandeel van de rechtspersonen in die rekening, waardoor de bestreden taks volledig ten laste valt van de natuurlijke personen. Zij is van oordeel dat daaruit blijkt dat het juiste bedrag van de taks onmogelijk kan worden vastgesteld op basis van de tekst van de bestreden wet, waardoor die wet niet bestaanbaar zou zijn met het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken. A.
  29. De Ministerraad merkt allereerst op dat de verzoekende partij in de zaak nr. 6877 niet uiteenzet welke bepalingen van de bestreden wet het wettigheidsbeginsel zouden schenden. Hij merkt vervolgens op dat het precieze verschuldigde bedrag van een belasting slechts zelden door de wet wordt vastgesteld. Hij wijst erop dat de bestreden wet het belastingtarief vaststelt en tevens bepaalt dat dit tarief moet worden toegepast op de gemiddelde waarde van de in de wet opgesomde financiële instrumenten. Hij meent dan ook dat de taks nauwkeurig en ondubbelzinnig is bepaald in de bestreden wet. Het door de wet ingevoerde vermoeden dat de medetitularissen van een effectenrekening een gelijk aandeel aanhouden van de belastbare effecten op die rekening, betreft volgens hem enkel een modaliteit van de inning van de taks en staat een correcte bepaling van de verschuldigde taks niet in de weg. Hij wijst erop dat de betrokkenen alsnog een aangifte kunnen indienen en daarbij het door de wet ingevoerde vermoeden kunnen weerleggen. Hij is van oordeel dat het aldus ingevoerde systeem analoog is aan het systeem van de roerende voorheffing. In de zaak nr. 6887 A.
  30. De verzoekende partij in de zaak nr. 6887 leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden wet meerdere niet te verantwoorden verschillen in behandeling in het leven roept. A.
  31. In een eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6887 voert de verzoekende partij aan dat de bestreden wet een niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven roept tussen personen, naar gelang van de vorm van de effecten die zij aanhouden. Zij wijst erop dat de effecten op naam die niet op een effectenrekening zijn ingeschreven niet onder het toepassingsgebied van de bestreden wet vallen. Zij is van oordeel dat daardoor een verschil in behandeling op het vlak van de belastbare materie in het leven wordt geroepen, dat niet redelijk is verantwoord ten aanzien van de doelstelling te komen tot een rechtvaardiger fiscaal beleid. Zij meent dat personen die een portefeuille van aandelen op naam aanhouden evenzeer als de personen die beschikken over een effectenrekening als gegoede burgers dienen te worden beschouwd. A.
  32. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6887 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op gelijksoortige wijze als bij het eerste middel in de zaak nr.
  33. 9 A.
  34. In een tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6887 voert de verzoekende partij aan dat de bestreden wet een niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven roept tussen natuurlijke personen en rechtspersonen. Zij zet uiteen dat de bestreden wet uitsluitend van toepassing is op effectenrekeningen die worden aangehouden door natuurlijke personen. Zij meent dat het verschil in behandeling dat daardoor ontstaat tussen natuurlijke personen en rechtspersonen niet redelijk is verantwoord ten aanzien van het doel te komen tot een rechtvaardiger fiscaal beleid. A.
  35. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6887 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op gelijksoortige wijze als bij het derde middel in de zaak nr.
  36. A.
  37. In een derde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6887 voert de verzoekende partij aan dat de bestreden wet een niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven roept, naar gelang van het al dan niet beursgenoteerd zijn van de aandelen die personen aanhouden. Zij zet uiteen dat de bestreden wet enkel de beursgenoteerde aandelen beoogt. Zij meent dat daardoor een verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen personen die in het bezit zijn van aandelen, naargelang die al dan niet beursgenoteerd zijn, zonder dat voor dat verschil in behandeling een verantwoording voorhanden is. Zij bekritiseerd eveneens het feit dat de certificaten van aandelen van het toepassingsgebied van de bestreden wet zijn uitgesloten. A.
  38. De Ministerraad merkt op dat de bestreden wet geen onderscheid maakt tussen aandelen, naargelang zij al dan niet beursgenoteerd zijn, en uitdrukkelijk erin voorziet dat ook de certificaten van aandelen worden beoogd, zodat de door verzoekende partij in de zaak nr. 6887 bekritiseerde verschillen in behandeling niet bestaan. A.
  39. In een vierde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6887 voert de verzoekende partij aan dat de betwiste taks niet verenigbaar is met de richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008 « betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal ». Zij zet uiteen dat artikel 5, lid 2, a), van die richtlijn bepaalt dat de lidstaten geen enkele indirecte belasting mogen heffen, in welke vorm ook, ter zake van het opmaken, de uitgifte, de toelating ter beurze, het in omloop brengen of het verhandelen van aandelen, deelbewijzen of andere soortgelijke effecten, alsmede van certificaten van die stukken, onverschillig door wie zij worden uitgegeven. Zij wijst erop dat in de tweede overweging bij die richtlijn wordt vermeld dat de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal leiden tot discriminaties en dubbele belastingheffing die het vrije kapitaalverkeer hinderen en dat dit ook geldt voor indirecte belastingen die dezelfde kenmerken hebben als het kapitaalrecht en het zegelrecht op effecten. Zij wijst eveneens erop dat de taks op de effectenrekeningen is opgenomen in het Wetboek diverse rechten en taksen, dat de plaats heeft ingenomen van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, en dat uit de voormelde overweging bij de richtlijn blijkt dat een zegelrecht op effecten niet is toegelaten. A.
  40. De Ministerraad is van oordeel dat de bestreden taks noch een directe, noch een indirecte belasting op de inbreng van kapitaal, zoals gedefinieerd in artikel 3 van de richtlijn 2008/7/EG, vormt. De verrichting die bestaat in het aankopen, verwerven of het overdragen van effecten of in de inbreng van kapitaal wordt volgens hem niet door de bestreden taks beoogd, zodat er geen nauw verband zou bestaan tussen de bestreden taks en de inbreng van kapitaal in een vennootschap. Hij meent ook dat de bestreden taks niet dezelfde kenmerken heeft als het kapitaalrecht en het zegelrecht op effecten, daar de effecten zelf niet aan de taks worden onderworpen. A.
  41. Een vijfde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6887 is gericht tegen de antimisbruikbepaling vervat in artikel 152, 5°, tweede lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen, volgens hetwelk elke inbreng van een effectenrekening die plaatsvindt vanaf 1 januari 2018 in een aan de vennootschapsbelasting onderworpen rechtspersoon met als enig doel aan de taks te ontkomen, tot gevolg heeft dat de inbrenger van de effectenrekening voor de toepassing van de bestreden wet geacht wordt houder te zijn van de ingebrachte effectenrekening. De verzoekende partij is van oordeel dat die bepaling uitsluitend kan worden toegepast als het gaat om een inbreng in een rechtspersoon die is opgericht na 31 december
  42. Zij meent dat die bepaling niet bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie doordat de datum waarop een rechtspersoon wordt opgericht niet relevant is ten aanzien van de doelstelling belastingontwijking tegen te gaan. De verzoekende partij bekritiseert eveneens de in het voormelde artikel 152, 5°, tweede lid, vervatte woorden « met als enig doel ». Zij meent dat die woorden een niet te verantwoorden verschil in behandeling doen ontstaan tussen personen, naargelang zij een effectenrekening in een rechtspersoon inbrengen met als enig doel aan de taks te ontkomen, dan wel zulk een inbreng doen met verschillende doeleinden, waaronder het ontwijken van de betwiste taks. 10 A.
  43. De Ministerraad is van oordeel dat de bestreden wet geen terugwerkende kracht heeft, vermits die wet in werking treedt op 10 maart
  44. De omstandigheid dat de wet voorziet in twee antimisbruikbepalingen (artikelen 152, 1°, b), en 152, 5°, tweede lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen), doet daar volgens hem niets van af. Hij is van oordeel dat die antimisbruikbepalingen louter trachten te verhinderen dat het belastbaar feit zou worden uitgehold in de periode tussen de aankondiging van de bestreden wet en de inwerkingtreding ervan. In zoverre de verzoekende partij in de zaak nr. 6887 aanvoert dat de datum van oprichting van een rechtspersoon niet relevant is ten aanzien van de doelstelling misbruiken te voorkomen, merkt de Ministerraad op dat de door de verzoekende partij bekritiseerde bepaling weliswaar in het voorontwerp van wet was opgenomen, maar niet in de bestreden wet zelf. Met de in artikel 152, 5°, tweede lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen vervatte woorden « met als enig doel », heeft de wetgever volgens de Ministerraad willen voorkomen dat personen die een effectenrekening inbrengen in een vennootschap om andere redenen dan de ontwijking van de bestreden taks, zouden worden belast. Hij meent dat, wanneer er betwisting zou ontstaan over de doelstelling die wordt nagestreefd met de inbreng, het toekomt aan de hoven en rechtbanken om te beslissen over de vraag of de taks al dan niet verschuldigd is. A.
  45. In een zesde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6887 voert de verzoekende partij aan dat de bestreden wet een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling in het leven roept, doordat de taks uitsluitend verschuldigd is door personen die effecten aanhouden op een effectenrekening met een waarde van 500 000 euro of meer. A.
  46. De Ministerraad is van oordeel dat het zesde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6887 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op dezelfde wijze als bij het tweede middel in de zaak nr.
  47. A.
  48. In een zevende onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6887 voert de verzoekende partij aan dat de bestreden wet een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling in het leven roept, doordat de al dan niet beursgenoteerde rechten van deelneming in gemeenschappelijke beleggingsfondsen of aandelen in beleggingsvennootschappen die werden gekocht of waarop werd ingeschreven in het kader van een levensverzekering of een regeling voor pensioensparen worden uitgesloten van het toepassingsgebied van de bestreden wet. A.
  49. De Ministerraad zet uiteen dat de door de verzoekende partij bekritiseerde uitzondering betreffende het pensioensparen tot doel heeft te vermijden dat de personen die voorzien in een aanvullende regeling voor hun wettelijk pensioen, negatieve gevolgen zouden ondervinden van de bestreden taks. Hij doet eveneens gelden dat de wetgever niet is willen terugkomen op de voorheen gemaakte beleidskeuze die erin bestaat de opbouw van een aanvullend pensioen aan te moedigen. De uitzondering betreffende de levensverzekeringen is volgens hem ingegeven door het feit dat die verzekeringen reeds worden onderworpen aan de jaarlijkse taks op de verzekeringsverrichtingen. Hij meent dat de voormelde uitzonderingen eveneens worden verantwoord door de beleidskeuze om financiële instrumenten op effectenrekeningen slechts te belasten wanneer zij een beleggingskarakter vertonen en wanneer de inschrijving op een effectenrekening is ingegeven door de doelstelling hun omloop te faciliteren. In de zaak nr. 6900 A.
  50. De verzoekende partij in de zaak nr. 6900 leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat de bestreden wet meerdere niet te verantwoorden verschillen in behandeling in het leven roept. A.
  51. In een eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6900 voert de verzoekende partij aan dat artikel 152 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zonder redelijke verantwoording, een verschil in behandeling in het leven roept wat de belastbaarheid van effecten betreft, naargelang die effecten op een effectenrekening staan, dan wel op een andere wijze worden aangehouden, zoals bij aandelen op naam. A.
  52. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6900, in zoverre het Hof zou oordelen dat dit middel ontvankelijk is, niet gegrond is, en beargumenteert zijn standpunt op dezelfde wijze als bij het eerste middel in de zaak nr.
  53. A.
  54. In een tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6900 voert de verzoekende partij aan dat de bestreden wet een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept, naargelang effecten worden aangehouden op een effectenrekening door natuurlijke personen, dan wel door rechtspersonen. 11 A.
  55. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6900, in zoverre het Hof zou oordelen dat dit middel ontvankelijk is, niet gegrond is, en beargumenteert zijn standpunt op dezelfde wijze als bij het derde middel in de zaak nr.
  56. A.
  57. In een derde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6900 voert de verzoekende partij aan dat artikel 152, 1°, b), van het Wetboek diverse rechten en taksen, zonder redelijke verantwoording, een verschil in behandeling in het leven roept tussen personen die aandelen ingeschreven op een effectenrekening omzetten naar aandelen op naam, naargelang zij dat doen vóór dan wel vanaf 9 december
  58. Zij zet uiteen dat wanneer de omzetting vóór die datum is gebeurd, de bestreden taks niet wordt geheven, terwijl dat wel het geval is voor de omzettingen die zijn gebeurd vanaf die datum. A.
  59. De Ministerraad is van oordeel dat het derde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6900, in zoverre het Hof zou oordelen dat dit middel ontvankelijk is, niet gegrond is, omdat de wetgever met de door de verzoekende partij bekritiseerde bepaling louter heeft willen vermijden dat de houders van effectenrekeningen het toepassingsgebied van de bestreden taks zouden uithollen tussen de datum van het regeerakkoord en de datum van inwerkingtreding van de bestreden wet. Hij is van oordeel dat de personen die vóór 9 december 2017 effecten ingeschreven op een effectenrekening hebben omgezet in aandelen op naam, die omzetting niet hebben verricht met het oog op belastingontwijking, vermits de maatregel betreffende de taks op de effectenrekeningen nog niet was aangekondigd. A.
  60. In een vierde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6900 voert de verzoekende partij aan dat artikel 151 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zonder redelijke verantwoording, een verschil in behandeling in het leven roept, naargelang het aandeel van een natuurlijke persoon in de gemiddelde waarde van belastbare financiële instrumenten op effectenrekeningen al dan niet 500 000 euro of meer bedraagt. Zij zet uiteen dat wanneer een persoon een aandeel in de gemiddelde waarde van belastbare instrumenten op een effectenrekening van 500 001 euro heeft, die persoon na aftrek van de te betalen belasting minder overhoudt dan een persoon met een aandeel in de gemiddelde waarde van belastbare instrumenten op een effenrekening van 499 999 euro. A.
  61. De Ministerraad is van oordeel dat het vierde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6900, in zoverre het Hof zou oordelen dat dit middel ontvankelijk is, niet gegrond is, en beargumenteert zijn standpunt op dezelfde wijze als bij het tweede middel in de zaak nr.
  62. In de zaak nr. 6901 Wat het eerste middel in de zaak nr. 6901 betreft A.
  63. Het eerste middel in de zaak nr. 6901 is gericht tegen de artikelen 151 tot 158/6 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals hersteld bij de artikelen 3 tot 15 van de wet van 7 februari 2018, en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. A.46.
  64. In een eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6901, voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen een niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven roepen, naargelang een persoon de in artikel 152, 2°, van het Wetboek diverse rechten en taksen bedoelde financiële instrumenten bezit, dan wel andere financiële instrumenten of vermogensbestanddelen en naargelang de bedoelde financiële instrumenten al dan niet op een effectenrekening zijn ingeschreven. A.46.
  65. De verzoekende partij in de zaak nr. 6901 zet uiteen dat de bestreden taks enkel wordt geheven indien een persoon de in artikel 152, 2°, van het Wetboek diverse rechten en taksen bedoelde financiële instrumenten bezit en indien die instrumenten op een effectenrekening zijn ingeschreven. Daaruit volgt volgens haar dat de volgende financiële instrumenten en vermogensbestanddelen niet aan de taks worden onderworpen :

(1)andere financiële instrumenten, zoals vastgoedcertificaten, gewone optiecontracten en afgeleide producten;
(2)de in het voormelde artikel 152, 2°, bedoelde financiële instrumenten die niet op een effectenrekening zijn ingeschreven;
(3)beleggingen in levensverzekeringen die pure kapitalisatiebeleggingen vormen, zoals de tak 26-producten;
(4)gelddeposito’s en termijnrekeningen;
(5)bitcoins;
(6)edelmetalen;
(7)andere roerende of onroerende vermogensbestanddelen, zoals kunst en onroerende goederen;
(8)aandelen op naam. Zij meent dat de wetgever aldus op een volledig willekeurige wijze bepaalde verhandelbare roerende beleggingen ingeschreven op een effectenrekening belast, terwijl andere, al dan niet verhandelbare beleggingen buiten schot 12 blijven. Wat de aandelen op naam betreft, is zij van oordeel dat de wetgever zelf impliciet heeft aangegeven dat het niet onmogelijk is die aandelen te belasten, vermits, wanneer gedematerialiseerde effecten vanaf 9 december 2017 worden omgezet in aandelen op naam, die omzetting geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. A.
  1. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6901 niet gegrond is, en beargumenteert zijn standpunt op dezelfde wijze als bij het eerste en het vierde middel in de zaak nr.
  2. Hij voegt eraan toe dat de houder van een vastgoedcertificaat enkel recht heeft op de huuropbrengsten en op een aandeel in de realisatiewaarde van het onroerend goed, en dus niet op de terugbetaling van het geplaatste kapitaal. Hij beklemtoont dat een vastgoedcertificaat een vorderingsrecht inhoudt, maar geen schuldvordering wegens een lening, en dat het een afgeleid product is van het onderliggend onroerend goed. Hij meent dan ook dat een vastgoedcertificaat verschilt van de in de bestreden wet omschreven financiële instrumenten. Wat de tak 26-producten, cash, cryptomunten, grondstoffen, kunst, antiek en andere door de verzoekende partij vermelde vermogensbestanddelen betreft, meent de Ministerraad dat het logisch is dat die beleggingen en vermogensbestanddelen niet onder het toepassingsgebied van de bestreden wet vallen, vermits zij niet op een effectenrekening worden aangehouden. A.
  3. In een tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6901 voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roepen doordat effecten slechts als beursgenoteerd worden beschouwd wanneer er sprake is van een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit die werkt met minstens één dagelijkse notering. A.
  4. De Ministerraad meent dat het niet duidelijk is welk verschil in behandeling de verzoekende partij in het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6901 viseert. Hij merkt vervolgens op dat de definitie van « beursgenoteerd » voor het toepassingsgebied van de bestreden taks niet van belang is, vermits de in de wet vermelde financiële instrumenten, ongeacht of zij al dan niet beursgenoteerd zijn, met die taks worden beoogd. Hij zet uiteen dat de definitie van beursgenoteerd enkel van belang is voor het bepalen van de waarde van de belastbare financiële instrumenten. A.50.
  5. In een derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6901 voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roepen doordat de bestreden taks uitsluitend wordt geheven ten laste van natuurlijke personen en niet ten laste van rechtspersonen. A.50.
  6. De verzoekende partij is van oordeel dat het niet redelijk is verantwoord dat uitsluitend natuurlijke personen aan de bestreden taks worden onderworpen, terwijl het precies voor die categorie, gelet op het ontbreken van een vermogenskadaster, volgens haar willekeurig is ervan uit te gaan dat personen die 500 000 euro of meer aan effecten ingeschreven op een effectenrekening bezitten, gegoede personen zijn. Zij meent dat het voor de categorie van de rechtspersonen, gelet op het feit dat zij een boekhouding dienen te voeren, daarentegen wel mogelijk zou zijn de gegoede rechtspersonen, aan de hand van objectieve criteria, te onderscheiden van de minder gegoede rechtspersonen. Zij is van oordeel dat de wetgever zelf impliciet heeft aangegeven dat het niet onmogelijk is rechtspersonen aan de taks te onderwerpen, vermits elke inbreng van een effectenrekening die plaatsvindt vanaf 1 januari 2018 in een aan de vennootschapsbelasting onderworpen rechtspersoon met als enig doel aan de bestreden taks te ontkomen, tot gevolg heeft dat de inbrenger van de rekening geacht wordt titularis te zijn van die rekening. De omstandigheid dat de fiscale regeling van de rechtspersonen verschilt van die van de natuurlijke personen is volgens haar niet relevant, vermits er geen enkel verband bestaat tussen de bestreden taks en de inkomstenbelastingen. A.
  7. De Ministerraad is van oordeel dat het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6901 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op dezelfde wijze als bij het derde middel in de zaak nr. 6877 en het vijfde onderdeel van het enige middel in de zaak nr.
  8. A.52.
  9. In een vierde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6901 voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen, zonder redelijke verantwoording, de blote eigenaar van een effectenrekening op dezelfde wijze behandelt als de vruchtgebruiker van zulk een rekening. A.52.
  10. De verzoekende partij in de zaak nr. 6901 zet uiteen dat zowel de vruchtgebruiker als de blote eigenaar van een effectenrekening door de bestreden wet worden beschouwd als titularissen van die rekening, zodat zij beiden worden onderworpen aan de bestreden taks. Zij meent dat dit leidt tot een discriminatie vermits beide categorieën zich in een wezenlijk verschillende situatie bevinden doordat de blote eigenaar, in tegenstelling tot de vruchtgebruiker, niet het genot heeft van de effectenrekening. 13 A.
  11. De Ministerraad merkt allereerst op dat een effectenrekening kan worden geopend op naam van de blote eigenaar alleen, op naam van de blote eigenaar en van de vruchtgebruiker, of op naam van de vruchtgebruiker alleen. Hij leidt daaruit af dat de vruchtgebruiker niet noodzakelijk het volledige zeggenschap heeft over de rekening. Hij meent dat het aldus redelijk is verantwoord dat de personen die de beheers- en beschikkingsbevoegdheden samen uitoefenen (blote eigenaar en vruchtgebruiker) proportioneel in aanmerking worden genomen in het kader van de bestreden taks. Hij is van oordeel dat indien de wetgever, wat de titularissen van een effectenrekening betreft, een onderscheid had gemaakt tussen de blote eigenaar en de vruchtgebruiker, dat onderscheid niet bestaanbaar zou zijn geweest met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en bovendien belastingontwijking zou hebben gefaciliteerd. De Ministerraad doet eveneens gelden dat het in het kader van de bestreden taks niet relevant is na te gaan wie al dan niet de vruchten van de effectenrekening kan genieten, vermits het belastbaar feit niet wordt bepaald aan de hand van het al dan niet verwerven van inkomsten, maar wel aan de hand van het al dan niet houden van een effectenrekening. Hij meent dat de door de wetgever genomen maatregel ertoe leidt dat de houder van een effectenrekening in volle eigendom op gelijke wijze wordt behandeld als de gezamenlijke houders van een effectenrekening in « gesplitste eigendom » (vruchtgebruik en blote eigendom), vermits de volle eigenaar in beginsel een taks verschuldigd is die identiek is aan de taks die de blote eigenaar en de vruchtgebruiker samen verschuldigd zijn. Hij wijst ten slotte erop dat het vermoeden dat de medetitularissen van een effectenrekening beschikken over een proportioneel gelijk aandeel in de gemiddelde waarde van de financiële instrumenten op die rekening, kan worden weerlegd via een aangifte. A.54.
  12. In een vijfde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6901 voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen, zonder redelijke verantwoording, de natuurlijke personen die een beroep doen op een buitenlandse tussenpersoon zonder vertegenwoordiger in België, op dezelfde wijze behandelen als de Belgische tussenpersonen, op het vlak van de administratieve verplichtingen, de administratieve sancties en de strafrechtelijke sancties. A.54.
  13. De verzoekende partij in de zaak nr. 6901 zet uiteen dat de Belgische tussenpersonen gehouden zijn de belasting aan de bron in te houden middels een bevrijdende bronheffing. Zij wijst erop dat niet in België gevestigde tussenpersonen over die mogelijkheid niet beschikken en dat zij ofwel een vertegenwoordiger moeten aanstellen die hoofdelijk aansprakelijk is tot betaling van de belasting en tot uitvoering van alle overige verplichtingen die voortvloeien uit de wet, ofwel hun klanten moeten aansporen zelf een aangifte in te dienen. Zij meent dat daaruit volgt dat de natuurlijke personen die klanten zijn van een buitenlandse tussenpersoon, aan dezelfde verplichtingen worden onderworpen als die waaraan de professionele Belgische tussenpersonen worden onderworpen, terwijl beide categorieën zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden. A.
  14. De Ministerraad is van oordeel dat de verzoekende partij in de zaak nr. 6901 de begrippen « belastingplichtige » en « schuldenaar van de belasting » verwart. Hij zet uiteen dat de belastingplichtige de natuurlijke persoon is die beschikt over een effectenrekening waarbij zijn aandeel in de totale gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten op die rekening 500 000 euro of meer bedraagt. De tussenpersoon die overgaat tot de bevrijdende inhouding is volgens hem de schuldenaar van de belasting. Wanneer een bevrijdende inhouding niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat de buitenlandse tussenpersoon geen vertegenwoordiger in België heeft aangesteld, is het volgens hem noodzakelijk een andere schuldenaar van de belasting aan te wijzen, wat te dezen is gebeurd door de titularis van de effectenrekening aan te wijzen als de schuldenaar van de belasting. Dat dezelfde administratieve verplichtingen en sancties gelden voor alle schuldenaars van de belasting, ongeacht of zij natuurlijke persoon dan wel professionele tussenpersoon zijn, is volgens hem niet alleen gerechtvaardigd, maar ook noodzakelijk, vermits het omgekeerde zou leiden tot een discriminerend verschil in behandeling tussen de schuldenaars van de belasting. A.56.
  15. In een zesde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6901 voert de verzoekende partij aan dat de bestreden wet, zonder redelijke verantwoording, een verschil in behandeling in het leven roept, naargelang het aandeel van een natuurlijke persoon in de totale gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten op effectenrekeningen al dan niet 500 000 euro of meer bedraagt. 14 A.56.
  16. De verzoekende partij in de zaak nr. 6901 is van oordeel dat de grens van 500 000 euro totaal willekeurig is, des te meer omdat de taks niet wordt geheven op andere vermogensbestanddelen dan de in artikel 152, 2°, van het Wetboek diverse rechten en taksen bedoelde financiële instrumenten en omdat evenmin rekening wordt gehouden met de schulden die de betrokken persoon heeft aangegaan om zijn effectenrekening te financieren. Zij meent dat de wetgever de bekritiseerde maatregel niet kan verantwoorden door te verwijzen naar het feit dat er geen vermogenskadaster bestaat, vermits het precies de taak is van de wetgever om, vóór het invoeren van een belasting, ervoor te zorgen dat de noodzakelijke instrumenten voor het heffen van die belasting, beschikbaar zijn. A.
  17. De Ministerraad is van oordeel dat het zesde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6901 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op dezelfde wijze als bij het tweede middel in de zaak nr.
  18. Hij voegt eraan toe dat de andere vermogensbestanddelen waar de verzoekende partij naar verwijst veelal reeds het voorwerp uitmaken van andere belastingen. Hij verwijst in dit kader naar de registratierechten, de belasting over de toegevoegde waarde en de onroerende voorheffing. Wat de lichamelijke roerende goederen betreft, wijst hij erop dat die in beginsel niet op naam worden gehouden, zodat er op dat vlak geen controleerbare grondslag bestaat. Hij meent ten slotte dat de wijze waarop de titularis van een effectenrekening die rekening heeft gefinancierd niet relevant is, vermits de taks wordt geheven op het aanhouden van een effectenrekening, ongeacht de wijze waarop die wordt gefinancierd, en vermits het discriminerend zou zijn de titularissen van een effectenrekening verschillend te behandelen, naar gelang van de wijze waarop zij die rekening hebben gefinancierd. Hij meent bovendien dat de personen die hun effectenrekening financieren via een lening over voldoende inkomsten en activa beschikken om die lening te financieren en dat een financiering via een lening van een effectenrekening doorgaans gebeurt met speculatieve bedoelingen, dan wel in het kader van een beroepsinvestering. Hij ziet niet in waarom in die laatste situaties een vrijstelling van de bestreden taks zou moeten gelden. A.58.
  19. In een zevende onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6901 voert de verzoekende partij aan dat de bestreden wet, zonder redelijke verantwoording, een verschil in behandeling in het leven roept tussen personen, doordat de bestreden taks in bepaalde gevallen kan leiden tot een dermate hoog heffingspercentage dat de heffing afbreuk doet aan het ongestoord genot van iemands eigendom. A.58.
  20. De verzoekende partij in de zaak nr. 6901 zet uiteen dat wanneer een persoon wil beleggen in obligaties, hij een belasting dient te betalen bij de aankoop van de obligaties en bij de verkoop ervan en dat hij eveneens roerende voorheffing dient te betalen. Het feit dat die persoon ook onderworpen wordt aan de bestreden taks kan volgens haar leiden tot een belastingdruk op het rendement van meer dan 95 %. Met verwijzing naar het arrest nr. 107/2005 van 22 juni 2005 van het Hof, is zij van oordeel dat een dermate hoog heffingspercentage de facto neerkomt op een onteigening. Zij meent dat de bestreden wet niet voldoet aan de door artikel 16 van de Grondwet gestelde vereisten op het vlak van het eigendomsrecht, en dat die wet, zonder redelijke verantwoording, het eigendomsrecht van sommige personen aantast, terwijl het eigendomsrecht van andere personen die even of meer vermogend zijn, maar die niet aan de bestreden wet worden onderworpen, onaangetast blijft. A.
  21. De Ministerraad doet gelden dat de voorliggende zaak zich duidelijk onderscheidt van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 107/2005 van 22 juni 2005, omdat de te dezen bestreden taks wordt bepaald op basis van een eenvormig en niet-opklimmend tarief van 0,15 %, wat neerkomt op 750 euro voor een effectenrekening van 500 000 euro. Hij meent dat dit tarief zeer gematigd is en niet kan worden beschouwd als disproportioneel. In het voorbeeld dat de verzoekende partij aanhaalt, is er volgens de Ministerraad geen sprake van een aantasting van het eigendomsrecht, vermits erin enkel wordt verwezen naar het rendement op effecten. Hij merkt op dat het rendement op een effectenrekening niet ter zake is, vermits de belasting wordt geheven op het houden van zulk een rekening, en dit ongeacht het rendement dat daarmee wordt gerealiseerd. A.
  22. In zoverre de verzoekende partij in de zaak nr. 6901 in haar memorie van antwoord voor het eerst een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie aanvoert doordat de bestreden taks kan worden ontweken door een in België aangehouden effectenrekening op naam van meerdere titularissen te zetten, wat een discriminatie met zich mee zou brengen ten aanzien van, enerzijds, titularissen die zulk een handeling niet stellen en, anderzijds, titularissen van een in het buitenland aangehouden effectenrekening, meent de Ministerraad dat die grief een nieuw middel betreft dat om die reden niet ontvankelijk is. 15 Wat het tweede middel in de zaak nr. 6901 betreft A.
  23. Het tweede middel in de zaak nr. 6901 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 56 van het VWEU en met artikel 36 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei
  24. A.
  25. De verzoekende partij in de zaak nr. 6901 is van oordeel dat de bestreden wet het vrij verrichten van diensten, zoals gewaarborgd door de in het middel vermelde internationale normen, belemmert, zonder dat die belemmering wordt verantwoord door een dwingende reden van algemeen belang, doordat het voor binnenlandse en voor buitenlandse financiële instellingen en voor natuurlijke personen, ongeacht of zij al dan niet in België wonen, moeilijker wordt gemaakt om een effectenrekening aan te bieden of aan te houden. Zij meent ook dat de bestreden taks in strijd is met de bestaande dubbelbelastingverdragen en dat de betrokken financiële instelling voor iedere individuele rekeninghouder zal moeten nagaan of er al dan niet sprake is van een strijdigheid met zulk een verdrag, waaruit volgens haar eveneens een belemmering van het vrij verrichten van diensten volgt. Vermits de bestreden wet het recht van de Europese Unie schendt, schendt zij volgens haar ook het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals gewaarborgd door de Grondwet. A.63.
  26. De Ministerraad is allereerst van oordeel dat de verzoekende partij in de zaak nr. 6901 geen belang heeft bij haar tweede middel, in zoverre dat middel beoogt de belangen van financiële instellingen te verdedigen. A.63.
  27. De verzoekende partij antwoordt dat, vermits zij doet blijken van een belang bij haar beroep, zij niet moet doen blijken van een belang bij de door haar aangevoerde middelen. A.64.
  28. In ondergeschikte orde, is de Ministerraad van oordeel dat het tweede middel in de zaak nr. 6901 niet gegrond is. Hij zet uiteen dat de wetgever, om de niet-Belgische tussenpersonen op een gelijke wijze te behandelen als de Belgische tussenpersonen, aan de niet-Belgische tussenpersonen de mogelijkheid heeft gegeven om zich te laten vertegenwoordigen in België. Hij wijst erop dat het aanstellen van een vertegenwoordiger in België geen verplichting vormt en dat de niet-Belgische tussenpersoon ervoor mag kiezen om zelf over te gaan tot de bevrijdende inhouding. In dat geval beschikt de titularis van de effectenrekening volgens hem over de mogelijkheid om te bewijzen dat geen aangifte en betaling van de taks moet plaatsvinden (artikel 158/1 van het Wetboek diverse rechten en taksen). Hij meent dat daaruit volgt dat het door de wetgever ingevoerde systeem van bevrijdende inhouding en betaling van de taks geen discriminatie doet ontstaan. A.64.
  29. De Ministerraad is van oordeel dat artikel 56 van het VWEU en artikel 36 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte te dezen niet van toepassing zijn, vermits artikel 57 van het VWEU bepaalt dat er slechts sprake is van diensten voor zover de bepalingen betreffende het vrij verkeer van goederen, kapitaal en personen op de desbetreffende dienstverrichtingen niet van toepassing zijn. De Ministerraad meent dat het hoofddoel van de verrichting te dezen een verrichting inzake kapitaal betreft, zodat artikel 56 van het VWEU geen toepassing zou kunnen vinden. Hij meent dan ook dat het tweede middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 56 van het VWEU en van artikel 36 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, niet ontvankelijk is. A.64.
  30. Indien het Hof niettemin zou oordelen dat de bestreden bepalingen betrekking hebben op het vrij verkeer van diensten, is de Ministerraad van oordeel dat die vrijheid niet onevenredig wordt beperkt. Hij meent dat de aanstelling van een vertegenwoordiger in België niet kan worden gekwalificeerd als een onevenredige beperking van het vrij verkeer van diensten, omdat zulk een aanstelling geen verplichting, maar een mogelijkheid vormt, en omdat de kosten die daaraan zijn verbonden, beperkt zijn. De omstandigheid dat de Belgische klanten, bij afwezigheid van een in België aangestelde vertegenwoordiger, zelf een aangifte moeten indienen, leidt volgens hem niet tot een andere conclusie, vermits de rechtspositie van de Belgische klanten geen rechtstreeks verband houdt met het vrij verrichten van diensten, vermits een aangifteplicht bezwaarlijk als een zware last kan worden beschouwd en vermits Belgische klanten van in België opgerichte of gevestigde tussenpersonen in bepaalde omstandigheden ook dienen over te gaan tot een aangifte. Hij meent dat het vrij verkeer van diensten niet wordt belemmerd vermits alle betrokken partijen gelijk worden behandeld. A.64.
  31. Indien het Hof niettemin zou oordelen dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling in het leven zouden roepen en een belemmering van het vrij verrichten van diensten zouden veroorzaken, is de Ministerraad van oordeel dat dit verschil en die belemmering redelijk zijn verantwoord door dwingende redenen van algemeen belang, bestaande in het faciliteren van de inning van de taks door de Belgische Staat en in het creëren van een gelijk speelveld voor alle tussenpersonen op het vlak van die inning. 16 A.64.
  32. De Ministerraad doet gelden dat de bestreden wet niet in strijd is met de door België gesloten verdragen ter voorkoming van dubbele belasting. Hij merkt op dat sommige van die verdragen uitsluitend betrekking hebben op de inkomsten die door een inwoner van een verdragsstaat worden verworven in een andere verdragsstaat, zodat de bestreden wet, die geen betrekking heeft op een belasting op inkomsten, niet in strijd zou kunnen zijn met die verdragen. Andere verdragen hebben volgens hem een ruimer toepassingsgebied in die zin dat zij ook betrekking hebben op belastingen op het vermogen. Hij meent dat de belastingplichtige zich in dat geval kan beroepen op het verdrag om in voorkomend geval vrijstelling te verkrijgen van de bestreden taks. Hij merkt op dat die vrijstelling dan louter het gevolg is van de toepassing van het verdrag en dat de bestreden wet aldus niet in strijd kan zijn met zulk een verdrag. Hij is ten slotte van oordeel dat een toepassing van de dubbelbelastingverdragen niet leidt tot een noemenswaardige bijkomende administratieve last, en wijst erop dat financiële instellingen ook in het kader van andere belastingen dienen na te gaan of zulk een verdrag van toepassing is. Wat het derde middel in de zaak nr. 6901 betreft A.
  33. Het derde middel in de zaak nr. 6901 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 63 van het VWEU en met artikel 40 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei
  34. A.66.
  35. De verzoekende partij in de zaak nr. 6901 is van oordeel dat de bestreden wet het vrij verkeer van kapitaal, zoals gewaarborgd door de in het middel vermelde internationale normen, beperkt. Zij beargumenteert haar standpunt op gelijksoortige wijze als bij het tweede middel in de zaak nr.
  36. A.66.
  37. De verzoekende partij in de zaak nr. 6901 is eveneens van oordeel dat de bestreden taks, die volgens haar integrerend deel uitmaakt van een globale verrichting ter zake van het bijeenbrengen van kapitaal, een niet-toegelaten indirecte belasting is, zoals bedoeld in artikel 5, lid 2, a), van de richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008 « betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal ». A.67.
  38. De Ministerraad is allereerst van oordeel dat de verzoekende partij in de zaak nr. 6901 geen belang heeft bij haar derde middel, in zoverre dat middel beoogt de belangen van financiële instellingen te verdedigen. A.67.
  39. De verzoekende partij in de zaak nr. 6901 antwoordt dat, vermits zij doet blijken van een belang bij haar beroep, zij niet moet doen blijken van een belang bij de door haar aangevoerde middelen. A.68.
  40. In ondergeschikte orde, is de Ministerraad van oordeel dat het derde middel in de zaak nr. 6901 niet gegrond is en beargumenteert hij zijn standpunt op een gelijksoortige wijze als bij het tweede middel in de zaak nr.
  41. Hij verwijst nog naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaruit hij afleidt dat het bestaan van verschillen tussen de lidstaten op het vlak van belastingen, op zich onvoldoende zijn om te besluiten tot een schending van het vrij verkeer van kapitaal. A.68.
  42. Wat de aangevoerde schending van de richtlijn 2008/7/EG betreft, beargumenteert de Ministerraad zijn standpunt op dezelfde wijze als bij het vierde onderdeel van het enige middel in de zaak nr.
  43. In de zaak nr. 7004 Wat het eerste middel in de zaak nr. 7004 betreft A.
  44. Het eerste middel in de zaak nr. 7004 is gericht tegen artikel 152 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals hersteld bij artikel 4 van de bestreden wet, en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172, eerste lid, van de Grondwet, doordat de bestreden taks uitsluitend wordt geheven op bepaalde financiële instrumenten ingeschreven op een effectenrekening, en niet op andere financiële instrumenten en meer in het algemeen op andere vermogensbestanddelen. A.70.
  45. De verzoekende partij in de zaak nr. 7004 is van oordeel dat het verschil in behandeling dat volgt uit de in artikel 152, 2°, van het Wetboek diverse rechten en taksen opgenomen opsomming van financiële instrumenten, niet kan worden verantwoord ten aanzien van het nagestreefde doel te komen tot een meer rechtvaardige fiscaliteit. 17 De verzoekende partij verwijst naar artikel 2, § 1, 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en meent dat de wetgever in de bestreden wet een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven heeft geroepen onder de financiële instrumenten die in dat artikel gelijk worden behandeld. De omstandigheid dat er geen kapitaalgarantie aanwezig is bij sommige uitgesloten financiële instrumenten, is volgens haar niet relevant, vermits er bij aandelen en bij sommige obligaties evenmin sprake is van een kapitaalgarantie. De in de parlementaire voorbereiding gegeven verantwoording voor de uitsluiting van bepaalde instrumenten, inhoudende dat zij van belang zijn voor de reële economie, is volgens haar evenmin relevant, vermits niet kan worden ontkend dat ook aandelen, die wel door de bestreden taks worden beoogd, van belang zijn voor de reële economie. A.70.
  46. Wat de derivaten betreft, is de verzoekende partij in de zaak nr. 7004 van oordeel dat de verantwoording gegeven in de parlementaire voorbereiding voor de niet-opname ervan in de opsomming van financiële instrumenten die belastbaar zijn, niet opgaat, vermits die instrumenten volledig deel uitmaken van de financiële instrumenten die beleggers hanteren om hun vermogen te doen groeien. Wat betreft de rechten van deelneming in gemeenschappelijke beleggingsfondsen en de aandelen in beleggingsvennootschappen die zijn gekocht of waarop werd ingeschreven in het kader van een levensverzekering of een regeling voor pensioensparen, die krachtens artikel 152, 2°, c), van het Wetboek diverse rechten en taksen niet als belastbare financiële instrumenten worden beschouwd, is zij van oordeel dat die uitsluiting van de bestreden taks niet te verantwoorden valt, omdat de bedoelde rechten van deelneming en aandelen, net zoals de financiële instrumenten die wel belastbaar zijn, een patrimoniale waarde hebben en omdat die uitsluiting de belastingplichtigen aanzet om zulke rechten en aandelen aan te schaffen met het oog op het vermijden van de bestreden taks. De verzoekende partij is bovendien van oordeel dat het niet redelijk te verantwoorden is dat de gewone aandelen en obligaties die zijn gekocht of waarop werd ingeschreven in het kader van een levensverzekering of een regeling voor pensioensparen wel als belastbare financiële instrumenten worden beschouwd. A.71.
  47. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste middel in de zaak nr. 7004 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op een gelijksoortige wijze als bij het eerste en het vierde middel in de zaak nr. 6877, het zevende onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6887 en het eerste en het zesde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr.
  48. Hij voegt eraan toe dat de wetgever niet voor het eerst een welbepaald onderdeel van het vermogen belast en verwijst daarbij naar de belasting op niet-verhuurde tweede verblijven, de onroerende voorheffing en de belasting op levensverzekeringen. A.71.
  49. Met betrekking tot de thesaurie- en depositobewijzen zet de Ministerraad uiteen dat die waardepapieren, in tegenstelling tot wat in de parlementaire voorbereiding wordt vermeld, niet als een obligatie kunnen worden gekwalificeerd en dat zij aldus niet aan de bestreden taks worden onderworpen. Met betrekking tot de trackers of exchange traded funds, zet hij uiteen dat die instrumenten onder de bestreden taks vallen wanneer zij de juridische vorm aannemen van een beleggingsvennootschap, een gemeenschappelijk beleggingsfonds of een obligatie. Wanneer zij die vorm niet aannemen, zouden zij niet onder het toepassingsgebied van die taks vallen, tenzij zij een lening zouden vertegenwoordigen die tevens aan de kenmerken van een obligatie voldoet. A.71.
  50. Wat het pensioensparen betreft, zet de Ministerraad uiteen dat daaronder drie spaarvormen vallen die een fiscale gunstbehandeling genieten :
(1)de spaarverzekering;
(2)de collectieve spaarrekening;
(3)de individuele spaarrekening. Hij merkt op dat de spaarverzekering in wezen een gewone individuele levensverzekering is, zij het onderworpen aan een bijzondere fiscale regeling, en dat die verzekering niet onder de bestreden taks valt omdat ze niet op een effectenrekening wordt aangehouden. Hij zet vervolgens uiteen dat de collectieve en individuele spaarrekeningen niet worden aangeboden door verzekeringsondernemingen, maar door kredietinstellingen, en dat beide spaarrekeningen fundamenteel van elkaar verschillen, reden waarom de collectieve spaarrekeningen niet aan de bestreden taks worden onderworpen en de individuele spaarrekeningen wel. Hij wijst erop dat bij een individuele spaarrekening de gelden niet collectief worden belegd, maar individueel op naam van de betrokken pensioenspaarder, wat een hoger beleggingsrisico met zich meebrengt. In zoverre de titularis van de individuele spaarrekening op de effectenrekening die gekoppeld is aan die spaarrekening, belastbare financiële instrumenten aanhoudt, vallen die instrumenten, volgens de Ministerraad, onder de bestreden taks. Hij is van oordeel dat het verschil in behandeling tussen de collectieve en de individuele spaarrekening redelijk is verantwoord, omdat de titularis van een individuele spaarrekening, in tegenstelling tot die van een collectieve spaarrekening, naar eigen goeddunken zijn effectenrekening kan beheren. Hij meent dat de titularis van een individuele spaarrekening een gelijkaardige 18 rechtspositie inneemt als een gewone titularis van een effectenrekening, omdat hij naar eigen goeddunken kan overgaan tot het kopen en verkopen van financiële instrumenten, zij het dat die pas op het ogenblik van de pensioenleeftijd kunnen worden uitgekeerd, in ruil waarvoor hij een gunstige fiscale regeling kan genieten. A.71.
  1. De verzoekende partij in de zaak nr. 7004 is van oordeel dat de bestreden wet het door de Ministerraad op het vlak van het pensioensparen gemaakte onderscheid niet bevat. Wat het tweede middel in de zaak nr. 7004 betreft A.
  2. Het tweede middel in de zaak nr. 7004 is gericht tegen de artikelen 151 en 152 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals hersteld bij de artikelen 3 en 4 van de bestreden wet, en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172, eerste lid, van de Grondwet, doordat de bestreden taks uitsluitend wordt geheven op financiële instrumenten die op een effectenrekening zijn ingeschreven. A.
  3. De verzoekende partij in de zaak nr. 7004 stelt vast dat het bekritiseerde verschil in behandeling in de parlementaire voorbereiding werd verantwoord met verwijzing naar de verhandelbaarheid en het liquide karakter van de financiële instrumenten ingeschreven op een effectenrekening. Zij is van oordeel dat het in het leven geroepen verschil in behandeling niet pertinent is ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling betreffende het komen tot een meer rechtvaardige fiscaliteit. Zij is meer bepaald van oordeel dat de wijze waarop financiële instrumenten worden aangehouden niet relevant is om uit te maken of die instrumenten al dan niet worden aangehouden met het oog op het doen aangroeien van het vermogen. Zij meent dat aandelen op naam die niet zijn ingeschreven op een effectenrekening eveneens kunnen worden aangehouden met het oog op het doen aangroeien van het vermogen. Zij betwist ook dat het eigen is aan effectenrekeningen dat de financiële instrumenten die erop zijn ingeschreven gemakkelijk verhandelbaar zijn en gemakkelijk liquide kunnen worden gemaakt. Zij verwijst in dit kader naar het feit dat de verhandelbaarheid van financiële instrumenten door de wet, door de desbetreffende vennootschap of door contractuele bepalingen kan worden beperkt. Zij betwist eveneens dat financiële instrumenten die niet op een effectenrekening zijn ingeschreven minder verhandelbaar zouden zijn. Zij meent ten slotte dat het verschil in behandeling, in het licht van de nagestreefde doelstelling betreffende het komen tot een meer rechtvaardige fiscaliteit, niet kan worden verantwoord door een streven naar administratieve vereenvoudiging. A.
  4. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede middel in de zaak nr. 7004 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op dezelfde wijze als bij het eerste middel in de zaak nr.
  5. Hij voegt eraan toe dat de omstandigheid dat de verhandelbaarheid van effecten beperkt kan worden door de desbetreffende vennootschap of door contractuele bepalingen niet ter zake is, vermits die beperking het gevolg is van het handelen van de houder van die effecten en niets afdoet aan het feit dat effecten ingeschreven op een effectenrekening in beginsel gemakkelijk verhandelbaar zijn. Wat het derde middel in de zaak nr. 7004 betreft A.
  6. Het derde middel in de zaak nr. 7004 is gericht tegen de artikelen 151, 152 en 154 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals hersteld bij de artikelen 3, 4 en 6 van de bestreden wet, en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172, eerste lid, van de Grondwet, doordat, zonder redelijke verantwoording, een verschil in behandeling in het leven wordt geroepen, naargelang het aandeel van een natuurlijke persoon in de totale gemiddelde waarde van belastbare financiële instrumenten op effectenrekeningen al dan niet 500 000 euro of meer bedraagt. A.76.
  7. De verzoekende partij in de zaak nr. 7004 meent dat de drempel van 500 000 euro een willekeurig verschil in behandeling in het leven roept, omdat die drempel niet pertinent is ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling betreffende het komen tot een meer rechtvaardige fiscaliteit en omdat bij de vaststelling van de belastbare waarde geen rekening wordt gehouden met de schulden van de betrokken titularis. 19 A.76.
  8. De verzoekende partij in de zaak nr. 7004 stelt vast dat wanneer een effectenrekening wordt aangehouden door meerdere titularissen, die titularissen vermoed worden te beschikken over een proportioneel aandeel in de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten op die effectenrekening, waarbij zij achteraf in de mogelijkheid zijn om het tegendeel te bewijzen. Zij meent dat de voormelde regeling eveneens leidt tot verschillen in behandeling die niet redelijk verantwoord zijn. Zij geeft als voorbeeld de situatie van een persoon die samen met een andere persoon medetitularis is van een effectenrekening waarop belastbare financiële instrumenten zijn ingeschreven met een totale gemiddelde waarde van 900 000 euro. Zij vervolgt dat geen van beide titularissen onderworpen wordt aan de bestreden taks, vermits zij beiden worden vermoed te beschikken over een waarde van 450 000 euro, zelfs wanneer het aandeel van één van beide personen in de totale gemiddelde waarde in werkelijkheid 8/9 van het totale bedrag bedraagt, zijnde een waarde van 800 000 euro. Zij meent dat het niet redelijk is verantwoord dat die laatste persoon niet wordt onderworpen aan de bestreden belasting, terwijl een persoon die als enige titularis een effectenrekening aanhoudt waarop belastbare financiële instrumenten zijn ingeschreven met een totale gemiddelde waarde van 800 000 euro wel wordt onderworpen aan die belasting. A.76.
  9. De verzoekende partij in de zaak nr. 7004 stelt eveneens vast dat de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten op een effectenrekening in beginsel wordt berekend aan de hand van de waarde van die instrumenten op de in de wet omschreven ogenblikken (referentiepunten), die samenvallen met de laatste dag van elk trimester. In sommige gevallen, bijvoorbeeld wanneer een effectenrekening wordt beëindigd of gewijzigd, worden evenwel bijkomende referentiepunten toegevoegd. Zij is van oordeel dat die bijkomende referentiepunten ertoe kunnen leiden dat belastingplichtigen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, verschillend worden behandeld. Zij geeft het voorbeeld van een persoon die op 3 april 2018 een effectenrekening opent, op diezelfde dag belastbare financiële instrumenten belegt voor een waarde van 1 200 000 euro, op 27 augustus 2018 zijn financiële instrumenten verkoopt en op 2 september 2018 zijn effectenrekening sluit. In die situatie beschikt die persoon volgens haar over een gemiddelde waarde van belastbare financiële instrumenten van 800 000 euro, waardoor die persoon aan de bestreden belasting wordt onderworpen. Zij vergelijkt de situatie van de voormelde persoon met een persoon die reeds vóór 3 april 2018 over een effectenrekening beschikte zonder dat daarop belastbare financiële instrumenten waren ingeschreven, die vervolgens op 3 april 2018 belastbare financiële instrumenten op die rekening laat inschrijven voor een waarde van 1 200 000 euro, die op 27 augustus 2018 zijn financiële instrumenten verkoopt en zijn effectenrekening niet afsluit. Die laatste persoon beschikt volgens haar over een gemiddelde waarde van belastbare financiële instrumenten van 400 000 euro en wordt aldus niet aan de bestreden belasting onderworpen. A.76.
  10. De Ministerraad is van oordeel dat het derde middel in de zaak nr. 7004 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op dezelfde wijze als bij het tweede middel in de zaak nr. 6877 en het zesde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr.
  11. Met betrekking tot de door de verzoekende partij geformuleerde kritiek ten aanzien van de bepaling volgens welke, wanneer een effectenrekening wordt aangehouden door meerdere titularissen, die titularissen vermoed worden te beschikken over een proportioneel aandeel in de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten op die rekening, doet de Ministerraad gelden dat het feit dat dit vermoeden in bepaalde omstandigheden ertoe kan leiden dat een medetitularis niet aan de bestreden taks wordt onderworpen, geen discriminatie vormt omdat dit vermoeden redelijk is verantwoord ten aanzien van de nagestreefde doelstelling van administratieve vereenvoudiging. Met betrekking tot de door de verzoekende partij geformuleerde kritiek ten aanzien van de bijkomende referentiepunten, doet de Ministerraad gelden dat die referentiepunten door de wetgever zijn ingevoegd om rekening te kunnen houden met bepaalde omstandigheden, zoals het openen, het afsluiten of het wijzigen van een effectenrekening en het feit dat een andere persoon medetitularis wordt van zulk een rekening, en om te voorkomen dat personen aan de bestreden taks zouden kunnen ontsnappen. Hij erkent dat die omstandigheden en de daaraan verbonden bijkomende referentiepunten een negatieve invloed kunnen uitoefenen op de gemiddelde waarde van de op de effectenrekening aangehouden effecten, maar wijst erop dat die omstandigheden ook het omgekeerde effect kunnen hebben. Hij meent dat er geen sprake is van een discriminatie, vermits de invloed van de bijkomende referentiepunten op de gemiddelde waarde van de financiële instrumenten louter het gevolg is van bijzondere omstandigheden en vermits alle titularissen die zich in dezelfde omstandigheden bevinden op gelijke wijze worden behandeld. 20 In de zaak nr. 7005 Wat het eerste middel in de zaak nr. 7005 betreft A.
  12. Het eerste middel in de zaak nr. 7005 is gericht tegen de artikelen 3 tot 18 van de bestreden wet, en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 56 van het VWEU, doordat de bestreden bepalingen, in zoverre zij personen aanzetten tot het openen van een effectenrekening bij Belgische tussenpersonen, een onevenredige belemmering inhouden van het vrij verrichten van diensten. A.78.
  13. Uit de artikelen 152, 9°, 157, 158/1, eerste lid, en 158/2 van het Wetboek diverse rechten en taksen leiden de verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 af dat een Belgische inwoner die een effectenrekening aanhoudt bij een buitenlandse kredietinstelling in beginsel zelf verantwoordelijk is voor de aangifte en de betaling van de bestreden taks, behoudens wanneer die kredietinstelling een in België gevestigde vertegenwoordiger heeft laten erkennen. Zij stellen evenwel vast dat de Koning pas op 4 november 2018 de voorwaarden en de nadere regels betreffende de erkenning van zulk een vertegenwoordiger heeft bepaald en dat het formulier waarmee die erkenning kan worden aangevraagd pas op 4 december 2018 in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, terwijl de wet reeds geruime tijd in werking was getreden. A.78.
  14. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 zijn van oordeel dat buitenlandse kredietinstellingen de Belgische inwoners slechts het voordeel kunnen laten genieten van het bevrijdend karakter van de taks op de effectenrekeningen door middel van een inhouding aan de bron, en aldus slechts eenzelfde dienstverlening kunnen aanbieden als Belgische kredietinstellingen, wanneer zij een vertegenwoordiger aanstellen die verantwoordelijk is voor de inhouding. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ, 5 juli 2007, C-522/04, Commissie t. België) leiden zij af dat de verplichting om een vertegenwoordiger aan te stellen strijdig is met het vrij verrichten van diensten. Zij menen dat de bestreden maatregel met zich meebrengt dat buitenlandse kredietinstellingen aan bijkomende voorwaarden, waaraan administratieve en financiële lasten zijn verbonden, moeten voldoen ten opzichte van Belgische kredietinstellingen om hun klanten op dezelfde wijze ten dienste te kunnen staan, zodat hun toegang tot de markt aan voorwaarden wordt onderworpen. Wanneer de buitenlandse kredietinstellingen niet overgaan tot het aanstellen van een vertegenwoordiger, dienen de in België wonende beleggers volgens hen zelf in te staan voor de aangifte en de betaling van de taks. Zij menen dat dit de Belgische inwoners ertoe kan aanzetten geen gebruik te maken van de diensten van buitenlandse kredietinstellingen. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat daaruit blijkt dat de bestreden wet het vrij verrichten van diensten binnen de Europese Unie belemmert. A.78.
  15. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 verzoeken het Hof prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de voormelde problematiek. A.78.
  16. In hun memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 aan dat de bestreden bepalingen niet alleen in strijd zijn met het vrij verkeer van diensten, maar ook met het vrij verkeer van kapitaal, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. A.79.
  17. De Ministerraad is allereerst van oordeel dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 geen belang hebben bij hun eerste middel, in zoverre dat middel beoogt de belangen van financiële instellingen te verdedigen. A.79.
  18. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 antwoorden dat een strijdigheid met het vrij verrichten van diensten niet alleen door dienstverstrekkers kan worden aangevoerd, maar ook door de ontvangers van diensten. A.
  19. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van oordeel dat het eerste middel in de zaak nr. 7005 niet gegrond is. Hij beargumenteert zijn standpunt op dezelfde wijze als bij het vijfde onderdeel van het eerste middel en het tweede middel in de zaak nr.
  20. In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat prejudiciële vragen dienen te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, meent hij dat in die vragen duidelijk moet worden vermeld dat het aanstellen van een vertegenwoordiger door tussenpersonen die niet in België zijn opgericht of gevestigd een mogelijkheid betreft en dus geen verplichting. 21 Wat het tweede middel in de zaak nr. 7005 betreft A.
  21. Het tweede middel in de zaak nr. 7005 is gericht tegen de artikelen 3 tot 18 van de bestreden wet, en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden bepalingen meerdere verschillen in behandeling in het leven roepen die niet redelijk zijn verantwoord. A.82.
  22. In een eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7005 voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roepen tussen personen, naargelang zij tegoeden aanhouden op een effectenrekening, dan wel op een andere manier. A.82.
  23. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 zijn van oordeel dat de bestreden taks als een vermogensbelasting moet worden gekwalificeerd en dat dit blijkt uit de parlementaire voorbereiding, uit de in die wet gebruikte drempel van 500 000 euro, uit de dubbelbelastingverdragen en uit de circulaire 2018/C/65 van 25 mei 2018 « betreffende de taks op de effectenrekeningen, met voorbeelden in specifieke situaties inzake het bepalen van de referentieperiodes en referentietijdstippen en het berekenen van de gemiddelde waarde als heffingsgrondslag », waarin uitdrukkelijk sprake is van een vermogensbelasting. Gelet op het feit dat die taks een vermogensbelasting is, is het volgens hen zonder redelijke verantwoording dat uitsluitend de vermogens aangehouden op een effectenrekening worden belast. A.82.
  24. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 betwisten de verantwoording die de wetgever heeft gegeven voor het verschil in behandeling, inhoudende dat financiële instrumenten ingeschreven op een effectenrekening gemakkelijker verhandelbaar zouden zijn en liquide zouden kunnen worden gemaakt dan andere tegoeden en dat zij aldus vermogensverrijking zouden faciliteren. Zij zetten uiteen dat een effectenrekening enkel een drager is van effecten, zoals ook het register van aandelen of obligaties op naam van de emittent een drager is, dat die drager op zich geen vermogensverrijking faciliteert, en dat de liquiditeit van het effect niet zozeer afhangt van de drager ervan, maar veeleer van het vinden van een koper, van het optreden van een vereffeningsinstelling, in de zin van artikel 2, 17°, van de wet van 2 augustus 2002 « betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten », en van de goede financiële toestand van de emittent. Zij menen dat het gebruik van een effectenrekening dus niet noodzakelijk ertoe leidt dat de betrokkene een meer gegoede burger wordt, maar wel dat hij zijn financiële tegoeden op een moderne en efficiënte manier aanhoudt, beheert of laat beheren door een derde. Zij wijzen ook erop dat de effectenrekening een noodzakelijk instrument is om bij te dragen tot de dematerialisatie van Belgische effecten en tot de in 2005 gerealiseerde afschaffing van de effecten aan toonder. Zij menen dat de verantwoording betreffende de vermogensverrijking irrelevant is in het kader van het heffen van een belasting op het louter bezit van vermogensbestanddelen. Zij zijn van oordeel dat de gegeven verantwoording in ieder geval onvoldoende is, gelet op het feit dat de wetgever de bedoeling heeft gehad de gegoede burger te belasten die een vermogen heeft van een bepaalde waarde. Tegoeden of financiële instrumenten die niet worden aangehouden op een effectenrekening vormen immers volgens hen evengoed een vermogensbestanddeel en kunnen immers op een gelijksoortige manier als effecten ingeschreven op een effectenrekening worden verhandeld of beheerd. A.82.
  25. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 zijn van oordeel dat er, gelet op de door de wetgever nagestreefde doelstelling betreffende het komen tot een meer rechtvaardige fiscaliteit, evenmin een redelijke verantwoording is voor het feit dat andere vermogensbestanddelen, zoals vastgoed, goud en kunst, niet door de bestreden taks worden beoogd. A.
  26. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7005 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op dezelfde wijze als bij het eerste middel in de zaak nr. 6877 en het eerste middel in de zaak nr.
  27. Hij voegt eraan toe dat noch uit de dubbelbelastingverdragen, noch uit de circulaire 2018/C/65 van 25 mei 2018 kan worden afgeleid dat de wetgever een vermogensbelasting heeft willen invoeren. A.84.
  28. In een tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7005 voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roepen tussen personen, naargelang zij gedematerialiseerde effecten, dan wel effecten op naam die niet gedematerialiseerd zijn, aanhouden. 22 A.84.
  29. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 menen dat het niet belasten van de effecten op naam niet redelijk verantwoord is ten aanzien van de doelstelling de grotere vermogens te doen bijdragen aan het staatsbudget. Zij zijn van oordeel dat effecten op naam op een even gemakkelijke manier liquide kunnen worden gemaakt als effecten op een effectenrekening en dat het al dan niet voorhanden zijn van beleggingsmotieven in het licht van de nagestreefde doelstelling geen verantwoording kan vormen voor het verschil in behandeling. A.
  30. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7005 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op dezelfde wijze als bij het eerste middel in de zaak nr. 6877 en het tweede middel in de zaak nr.
  31. A.86.
  32. In een derde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7005 voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roepen tussen personen, naargelang zij de in de wet omschreven financiële instrumenten op een effectenrekening aanhouden, dan wel andere niet-belastbare financiële producten aanhouden. A.86.
  33. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 zetten uiteen dat er financiële instrumenten bestaan die op een effectenrekening kunnen worden ingeschreven, maar die niet onder de in artikel 152, 2°, van het Wetboek diverse rechten en taksen omschreven financiële instrumenten vallen. Zij verwijzen daarbij onder meer naar schuldinstrumenten die niet als een obligatie kunnen worden omschreven wegens gebrek aan een gewaarborgde kapitaalterugbetaling, naar trackers die niet de vorm van een fonds aannemen en niet voorzien in een kapitaalgarantie, naar financiële warrants, naar afgeleide producten zoals opties, futures en swaps, naar termijnrekeningen en naar gelddeposito’s. Zij zijn van oordeel dat er geen redelijke verantwoording bestaat voor het feit dat de voormelde instrumenten niet en de in artikel 152, 2°, van het Wetboek diverse rechten taksen omschreven financiële instrumenten wel aan de taks worden onderworpen. A.86.
  34. De verzoekende partijen wijzen ook erop dat bepaalde beleggingsproducten uitdrukkelijk door de bestreden wet worden uitgesloten van de taks, onder meer de verzekeringsproducten tak 21 en
  35. Zij menen dat die producten even liquide en verhandelbaar zijn als effecten op een effectenrekening, zodat er geen redelijke verantwoording voorhanden is om die producten uit te sluiten van het toepassingsgebied van de bestreden wet. Zij menen dat er evenmin een verantwoording bestaat voor het uitsluiten van beleggingen in het kader van een regeling voor pensioensparen, vermits een aanvullend kapitaal met het oog op het pensioen evengoed buiten het wettelijke stelsel van pensioensparen, dat facultatief is en bovendien aan beperkingen onderworpen is, kan worden opgebouwd. Zij menen ten slotte dat er evenmin een verantwoording voorhanden is voor het feit dat het collectieve pensioensparen van de bestreden taks wordt uitgesloten, maar niet het individuele pensioensparen. A.
  36. De Ministerraad is van oordeel dat het derde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7005 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op een gelijksoortige wijze als bij het eerste middel in de zaak nr. 6877, het vierde middel in die zaak, het zevende onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6887, het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6901 en het eerste middel in de zaak nr.
  37. Hij voegt eraan toe dat de zogenaamde reverse convertibles instrumenten zijn die een onzeker element inhouden en die geen kapitaalgarantie bieden. Hij meent dat die instrumenten om die reden niet als een obligatie kunnen worden beschouwd en dat zij, als afgeleid product, niet vallen onder de bestreden taks. Converteerbare obligaties dienen volgens hem dan weer wel te worden gekwalificeerd als een obligatie en vallen aldus wel onder de bestreden taks. De zogenaamde turbos, sprinters, speeders en financiële warrants vallen volgens de Ministerraad niet onder de bestreden taks omdat zij afgeleide producten zijn die op zich geen zelfstandige vermogenswaarde hebben. Wat de termijnrekeningen en gelddeposito’s betreft, meent hij dat die instrumenten niet onder de bestreden taks vallen vermits zij niet op een effectenrekening worden aangehouden. A.88.
  38. In een vierde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7005 voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roepen, naargelang een effectenrekening wordt aangehouden door een natuurlijke persoon, dan wel door een rechtspersoon. 23 A.88.
  39. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 zijn van oordeel dat er geen redelijke verantwoording bestaat voor het feit dat rechtspersonen die effectenrekeningen aanhouden, worden uitgesloten van het toepassingsgebied van de bestreden taks. Zij wijzen erop dat natuurlijke personen effectenrekeningen kunnen aanhouden via een rechtspersoon en dat die methode vaak wordt toegepast door de meer vermogende natuurlijke personen. Zij zijn van oordeel dat de argumenten gegeven tijdens de parlementaire voorbereiding het verschil in behandeling niet kunnen verantwoorden, omdat er in de vennootschapsbelasting geen vermogensbelasting bestaat zodat er geen sprake zou kunnen zijn van een dubbele belasting, omdat de aandelen van een vennootschap niet noodzakelijk op een effectenrekening worden aangehouden en omdat de waarde van de aandelen van een vennootschap niet noodzakelijk overeenkomt met de waarde van de financiële instrumenten aangehouden door diezelfde vennootschap. Ook het gegeven dat meerwaarden in het stelsel van de vennootschapsbelasting worden belast, kan het verschil in behandeling volgens hen niet verantwoorden, vermits de bestreden taks een belasting is op het beschikken over vermogensbestanddelen en dus niet op het verwerven van winsten en omdat ook in de personenbelasting de inkomsten van beleggingsportefeuilles worden belast. Zij menen bovendien dat de antimisbruikbepaling volgens welke de inbreng van een effectenrekening vanaf 1 januari 2018 in een rechtspersoon die onderworpen is aan de vennootschapsbelasting met als enig doel de taks te ontkomen, niet tegenstelbaar is aan de fiscale administratie, op zich een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept, vermits de natuurlijke personen die vóór 1 januari 2018 een rechtspersoon hebben opgericht om hun effectenportefeuille in onder te brengen niet aan de bestreden taks worden onderworpen, terwijl de natuurlijke personen die dat doen vanaf 1 januari 2018 wel aan die taks worden onderworpen. A.
  40. De Ministerraad is van oordeel dat het vierde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7005 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op dezelfde wijze als bij het derde middel in de zaak nr.
  41. A.90.
  42. In een vijfde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7005 voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roepen tussen personen, naargelang hun aandeel in de totale gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten op effectenrekeningen al dan niet 500 000 euro of meer bedraagt. A.90.
  43. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 zijn van oordeel dat de grens van 500 000 euro niet pertinent is om de grote vermogens van andere vermogens te onderscheiden. Zij wijzen erop dat een persoon die belastbare financiële instrumenten ten belope van 499 999 euro aanhoudt op een effectenrekening niet aan de bestreden taks wordt onderworpen, terwijl dat wel het geval is voor een persoon die dergelijke instrumenten ten belope van 500 000 euro aanhoudt op zulk een rekening. A.
  44. De Ministerraad is van oordeel dat het vijfde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7005 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op dezelfde wijze als bij tweede middel in de zaak nr.
  45. A.92.
  46. In een zesde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7005 voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de beginselen van behoorlijke regelgeving, en meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, schenden. A.92.
  47. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 menen dat in het kader van een toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie rekening dient te worden gehouden met de voormelde beginselen van behoorlijke regelgeving, en meer bepaald naar aanleiding van de evenredigheidstoets die deel uitmaakt van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Ze zijn van oordeel dat de bestreden wet niet voldoet aan het zorgvuldigheidsbeginsel, vermits de erin vervatte maatregel niet zorgvuldig werd voorbereid. Ook het redelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel zijn volgens hen geschonden, vermits de bestreden taks niet werd onderbouwd met redelijke argumenten. 24 A.
  48. De Ministerraad meent dat er geen sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, vermits de wetgever, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, wel degelijk rekening heeft gehouden met de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State, wat volgens hem blijkt uit het feit dat sommige bepalingen van het voorontwerp van wet werden aangepast, en uit het feit dat in de memorie van toelichting wordt ingegaan op de opmerkingen van de Raad van State. Er is volgens hem evenmin sprake van een schending van het redelijkheidsbeginsel vermits het al dan niet invoeren van een taks op effectenrekeningen behoort tot de beleidsvrijheid van de wetgever en vermits de wetgever die taks duidelijk heeft omschreven, door de belastingplichtige en het belastbaar feit aan te wijzen, door het tarief van de taks en de modaliteiten van de heffing ervan vast te stellen en door te voorzien in controlemechanismen en sancties bij niet- naleving van de wet. Wat de aangevoerde schending van het motiveringsbeginsel betreft, wijst de Ministerraad erop dat de memorie van toelichting van het wetsontwerp dat heeft geleid tot de bestreden wet een uitvoerige motivering bevat waaruit blijkt dat de wetgever weloverwogen keuzes heeft gemaakt. Wat het derde middel in de zaak nr. 7005 betreft A.
  49. Het derde middel in de zaak nr. 7005 is gericht tegen artikel 152, 1°, b), en 5°, tweede lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals hersteld bij artikel 4 van de bestreden wet, en is afgeleid uit de schending van het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten en van het recht op eigendom, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. A.95.
  50. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 zijn van oordeel dat artikel 152, 1°, b), van het Wetboek diverse rechten en taksen terugwerkende kracht heeft, in zoverre het tot gevolg heeft dat, wanneer belastbare financiële instrumenten in de periode vanaf 9 december 2017 tot de inwerkingtreding van de wet van 7 februari 2018 (meer bepaald op 10 maart 2018) worden omgezet in financiële instrumenten die niet belastbaar zijn, die instrumenten alsnog bij wettelijk fictie in de belastbare grondslag worden opgenomen. Zij zijn eveneens van oordeel dat artikel 152, 5°, tweede lid, van datzelfde Wetboek terugwerkende kracht heeft, in zoverre het bepaalt dat elke inbreng van een effectenrekening, die plaatsvindt vanaf 1 januari 2018, in een aan de vennootschapsbelasting onderworpen rechtspersoon met als enig doel aan de taks op de effectenrekeningen te ontkomen, tot gevolg heeft dat de inbrenger van de effectenrekening geacht wordt titularis te zijn van de ingebrachte effectenrekening. Zij menen dat die terugwerkende kracht niet kan worden verantwoord. A.95.
  51. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 zijn tevens van oordeel dat de bestreden bepalingen een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roepen, naargelang personen vóór dan wel vanaf 9 december 2017 of 1 januari 2018, belastbare financiële instrumenten omzetten in instrumenten die niet belastbaar zijn of een effectenrekening inbrengen in een vennootschap. Zij menen dat beide data willekeurig zijn gekozen, vermits zij noch overeenstemmen met de datum van inwerkingtreding van de wet, noch met de datum waarop de maatregel werd aangekondigd. Artikel 152, 5°, tweede lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen schendt volgens hen bovendien het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, doordat een inbreng van een effectenrekening die plaatsvindt vanaf 1 januari 2018 in een vennootschap slechts tot gevolg heeft dat de inbrenger van de effectenrekening geacht wordt titularis te zijn van de ingebrachte rekening, wanneer die inbreng is gebeurd met als enig doel aan de bestreden taks te ontkomen. A.96.
  52. Wat de in artikel 152, 1°, b), van het Wetboek diverse rechten en taksen vervatte antimisbruikbepaling betreft, doet de Ministerraad gelden dat een omzetting tussen 9 december 2017 en 10 maart 2018 van belastbare effecten op een effectenrekening naar niet-belastbare instrumenten niet met zich meebrengt dat het belastbaar feit retroactief wordt uitgebreid, omdat het belastbaar feit, bestaande in het titularis zijn van een effectenrekening, pas wordt beoordeeld vanaf 10 maart
  53. Hij wijst erop dat de datum van 9 december 2017 overeenkomt met de datum van het definitieve regeerakkoord en is van oordeel dat het tot de beleidsvrijheid van de wetgever behoort om die datum vast te stellen. 25 A.96.
  54. Wat de in artikel 152, 5°, tweede lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen vervatte antimisbruikbepaling betreft, zet de Ministerraad uiteen dat die bepaling beoogt te voorkomen dat personen de bestreden taks zouden ontwijken door hun effectenrekening in te brengen in een vennootschap. De in die bepaling opgenomen datum van 1 januari 2018 is volgens hem gekozen omdat die datum aanvankelijk was voorzien als datum van inwerkingtreding van de bestreden wet. Hij is van oordeel dat die bepaling geen verschil in behandeling in het leven roept tussen personen die een effectenrekening in een vennootschap inbrengen, naargelang zij dat doen vóór dan wel vanaf 1 januari 2018, omdat iedereen op 9 december 2017 op de hoogte was of kon zijn van het feit dat vanaf 1 januari 2018 een dergelijke antimisbruikbepaling van toepassing zou zijn. Hij wijst erop dat de in artikel 152, 5°, tweede lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen vervatte antimisbruikbepaling zich niet beperkt tot de belastbare periode waarin de inbreng is gebeurd, maar ook geldt voor de daaropvolgende jaren. Hij is van oordeel dat die bepaling geen retroactieve werking heeft. A.96.
  55. Met de in artikel 152, 5°, tweede lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen vervatte woorden « met als enig doel », heeft de wetgever volgens de Ministerraad willen voorkomen dat personen die een effectenrekening inbrengen in een vennootschap om andere redenen dan de ontwijking van de bestreden taks, zouden worden belast. Hij meent dat, wanneer er betwisting zou ontstaan over de doelstelling die wordt nagestreefd met de inbreng, het toekomt aan de hoven en rechtbanken om te beslissen over de vraag of de taks al dan niet verschuldigd is. Hij meent dat de voormelde woorden niet leiden tot een schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Wat het vierde middel in de zaak nr. 7005 betreft A.
  56. Het vierde middel in de zaak nr. 7005 wordt in ondergeschikte orde aangevoerd en is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met het beginsel non bis in idem. A.
  57. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7005 zetten uiteen dat instellingen voor collectieve belegging, krachtens artikel 161 van het Wetboek der successierechten, onderworpen worden aan een jaarlijkse taks en dat die taks wordt berekend op de activa per 31 december. Die « abonnementstaks » wordt volgens hen in het kader van de toepassing van de dubbelbelastingverdragen beschouwd als een vermogensbelasting, omdat het bedrag ervan, ofschoon de taks wordt betaald door de collectieve beleggingsinstelling, wordt afgetrokken van de inventariswaarde van de rechten van deelneming, zodat hij economisch ten laste komt van de beleggers. Zij menen dat, vermits de bestreden taks eveneens de rechten van deelneming belast, er sprake is van een dubbele belasting. A.
  58. De Ministerraad is van oordeel dat er geen sprake is van een schending van het beginsel non bis in idem, omdat de belastingplichtigen en de belastbare grondslag in beide belastingregelingen verschillen. In de zaak nr. 7006 Wat het eerste middel in de zaak nr. 7006 betreft A.
  59. Het eerste middel in de zaak nr. 7006 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden wet meerdere verschillen in behandeling in het leven roept die niet redelijk zijn verantwoord. A.101.
  60. In een eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7006, voert de verzoekende partij aan dat de bestreden wet een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen investeerders, naar gelang van de wijze waarop zij hun financiële instrumenten aanhouden, meer bepaald al dan niet op een effectenrekening. 26 A.101.
  61. De verzoekende partij in de zaak nr. 7006 is van oordeel dat het bekritiseerde verschil in behandeling geen enkel verband vertoont met de door de wetgever nagestreefde doelstelling, die erin bestaat te komen tot een meer rechtvaardig fiscaal beleid. Zij betwist de verantwoording die tijdens de parlementaire voorbereiding werd gegeven voor het verschil in behandeling, verantwoording die meer bepaald is gebaseerd op de liquiditeit en de verhandelbaarheid van financiële instrumenten ingeschreven op een effectenrekening. Zij meent dat de waarde van financiële instrumenten niet uitsluitend afhankelijk is van hoe liquide of verhandelbaar ze zijn en dat aandelen op naam die in elektronische vorm worden aangehouden op een aandelenregister niet minder verhandelbaar zijn dan soortgelijke aandelen die worden aangehouden op een effectenrekening. Zij betwist eveneens het in de parlementaire voorbereiding ingenomen standpunt dat effecten die niet in gedematerialiseerde vorm worden aangehouden, een meer actieve band met de vennootschap vergen en dat zulke effecten investeringen op langere termijn vertegenwoordigen met het oog op een actievere deelname als aandeelhouder aan het leven van de emitterende vennootschap. Zij meent dat de voormelde criteria niet relevant zijn voor het bepalen van de omvang van een vermogen. Ook het streven naar administratieve vereenvoudiging door middel van een inhouding aan de bron kan het bekritiseerde verschil in behandeling volgens haar niet verantwoorden, vermits de bestreden wet zelf voorziet in uitzonderingen op die inhouding aan de bron. A.
  62. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7006 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op een gelijksoortige wijze als bij het eerste middel in de zaak nr. 6877 en bij het eerste en tweede middel in de zaak nr.
  63. A.103.
  64. In een tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7006, voert de verzoekende partij aan dat de bestreden wet een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen investeerders, op basis van de aard van de financiële instrumenten die zij op een effectenrekening aanhouden. A.103.
  65. De verzoekende partij in de zaak nr. 7006 zet uiteen dat de bestreden taks uitsluitend wordt geheven op de financiële instrumenten die worden opgesomd in artikel 152, 2°, van het Wetboek diverse taksen en rechten, wat met zich meebrengt dat de taks niet worden geheven op schuldinstrumenten zonder kapitaalgarantie, vastgoedcertificaten, opties, futures, swaps, trackers en exchange traded funds. Zij betwist de in de parlementaire voorbereiding gegeven verantwoording voor het verschil in behandeling, inhoudende dat instrumenten als opties, futures en swaps contracten zouden zijn die dienen tot indekking van een risico tot vermogensverlies en slechts de waarde van een onderliggend instrument zouden vertegenwoordigen. Zij wijst erop dat opties, die niet als belastbare instrumenten zijn omschreven, vergelijkbaar zijn met warrants, die wel als belastbare instrumenten zijn omschreven. Zij betwist eveneens dat de uitgesloten financiële instrumenten niet kunnen leiden tot vermogensverrijking en wijst erop dat meerdere gespecialiseerde bronnen die instrumenten precies aanprijzen aan beleggers die het rendement van hun portefeuille willen optimaliseren. A.103.
  66. In zoverre in de parlementaire voorbereiding eveneens wordt verwezen naar het speculatieve karakter van een investering, doet de verzoekende partij in de zaak nr. 7006 gelden dat dit criterium geenszins pertinent is voor het bekritiseerde verschil in behandeling, vermits ook belastbare financiële instrumenten op een effectenrekening kunnen worden aangehouden vanuit een speculatieve doelstelling. Zij wijst bovendien op artikel 90, 1° en 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat onder meer tot doel heeft meerwaarden uit speculatieve beleggingen te belasten, en doet daarbij gelden dat dit artikel geen onderscheid maakt op basis van de aard van de financiële instrumenten. A.
  67. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7006 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op een gelijksoortige wijze als bij het eerste en het vierde middel in de zaak nr. 6877, het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6901, het eerste middel in de zaak nr. 7004 en het derde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr.
  68. A.105.
  69. In een derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7006, voert de verzoekende partij aan dat de bestreden wet een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen investeerders, naargelang zij natuurlijke persoon, dan wel rechtspersoon zijn. A.105.
  70. De verzoekende partij in de zaak nr. 7006 is van oordeel dat het bekritiseerde verschil in behandeling niet pertinent is ten aanzien van het nagestreefde doel de grotere vermogens te belasten en verwijst daarbij naar het advies van de Raad van State, afdeling wetgeving. Zij betwist de in de parlementaire voorbereiding gegeven verantwoording voor het verschil in behandeling. In zoverre de belasting van de rechtspersonen zou kunnen leiden tot een dubbele belasting, had de wetgever volgens haar moeten voorzien in een uitzondering, in plaats van in een volledige uitsluiting van de rechtspersonen van de taks. 27 A.
  71. De Ministerraad is van oordeel dat het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7006 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op een gelijksoortige wijze als bij het derde middel in de zaak nr. 6877 en het vijfde onderdeel van het enige middel in de zaak nr.
  72. A.107.
  73. In een vierde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7006, voert de verzoekende partij aan dat de bestreden wet een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen investeerders, naargelang het aandeel in de gemiddelde waarde van de effecten die zij aanhouden op een effectenrekening al dan niet 500 000 euro of meer bedraagt. A.107.
  74. Uit het arrest nr. 44/94 van 1 juni 1994 van het Hof leidt de verzoekende partij in de zaak nr. 7006 af dat fiscale maatregelen die een verschil in behandeling invoeren op basis van een kwantitatief criterium, discriminatoir zijn indien het criterium geen verband houdt met de verantwoording van de maatregel. Zij doet gelden dat in de parlementaire voorbereiding op geen enkele wijze duidelijk wordt gemaakt waarom een vermogen als groot dient te worden beschouwd zodra de drempel van 500 000 euro wordt bereikt. Zij meent bovendien dat de drempel op ondoordachte wijze werd ingevoerd, vermits geen rekening wordt gehouden met de schulden van de betrokken natuurlijke persoon. Zij is ten slotte van oordeel dat de bestreden wet een bijkomende discriminatie in het leven roept, in zoverre de investeerders niet uitsluitend voor het aandeel dat de drempel van 500 000 euro overschrijdt aan de bestreden taks worden onderworpen. A.
  75. De Ministerraad is van oordeel dat het vierde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7006 niet gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op een gelijksoortige wijze als bij het tweede middel in de zaak nr. 6877, het zesde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6901 en het derde middel in de zaak nr.
  76. A.109.
  77. In een vijfde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7006, voert de verzoekende partij aan dat de bestreden wet een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen, enerzijds, investeerders die hun woonplaats verplaatsen van België naar het buitenland en hun effecten overdragen naar een effectenrekening bij een tussenpersoon die niet in België is gevestigd of opgericht en, anderzijds, investeerders die niet in België wonen en die hun effecten aangehouden bij een tussenpersoon die in België is gevestigd of opgericht, overdragen naar een effectenrekening bij een tussenpersoon die niet in België is gevestigd of opgericht, doordat de regel pro rata temporis waarin is voorzien in artikel 154, § 2

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.