id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.139 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191017.8 Arrest- Rolnummer: 139/2019 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-11-05 Raadplegingen: 266 - laatst gezien 2026-06-28 22:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Voorrecht rechtsmacht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van de artikelen 479, 480 en 482bis of 483 van het Wetboek van strafvordering, ingesteld door A.M. en door L.M.. Beroepen ingesteld ingevolge de arresten van het Grondwettelijk Hof nr. 9/2018 van 1 februari 2018 en nr. 35/2018 van 22 maart 2018 - Strafrechtspleging - Rechtsplegingen van bijzondere aard - Voorrecht van rechtsmacht van de magistraten (en van hun mededaders en medeplichtigen) wegens misdaden en wanbedrijven - Ontstentenis van regeling van de rechtspleging en van controle van de regelmatigheid van het onderzoek door een onderzoeksgerecht. Tekst van de beslissing Rolnummers 6879 en 6882 Arrest nr. 139/2019 van 17 oktober 2019 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 479, 480 en 482bis of 483 van het Wetboek van strafvordering, ingesteld door A.M. en door L.M. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 maart 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 maart 2018, heeft A.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Mouffe, advocaat bij de balie te Brussel, ingevolge het arrest van het Hof nr. 9/2018 van 1 februari 2018, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 479, 480 en 482bis van het Wetboek van strafvordering. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderde de verzoekende partij eveneens de schorsing van dezelfde normen. Bij het arrest nr. 82/2018 van 28 juni 2018, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 september 2018, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 23 maart 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 maart 2018, heeft L.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Uyttendaele en Mr. M.-L. Levaux, advocaten bij de balie te Brussel, ingevolge de arresten van het Hof nrs. 9/2018 van 1 februari 2018 en 35/2018 van 22 maart 2018, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 479, 480 en 483 van het Wetboek van strafvordering. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6879 en 6882 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 15 mei 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 5 juni 2019 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partij in de zaak nr. 6882 om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 5 juni 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 26 juni
- Op de openbare terechtzitting van 26 juni 2019 : - zijn verschenen : . L.M., in eigen persoon, en zijn raadsman, Mr. M.-L. Levaux; . Mr. J. Sautois, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. P. Schaffner, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Zaak nr. 6879 A.1.
- De verzoekende partij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 9/2018 van 1 februari
- Om haar belang bij het beroep te verantwoorden, doet zij gelden dat zij, met toepassing van artikel 482bis van het Wetboek van strafvordering, wordt beschouwd als mededader of medeplichtige van haar zoon, L.M., rechter in de Rechtbank van eerste aanleg te Dinant, in de zaak naar aanleiding waarvan het Hof het voormelde arrest heeft gewezen. A.1.
- Ten gronde voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 479 en 480 van het Wetboek van strafvordering, die krachtens artikel 482bis van hetzelfde Wetboek op haar van toepassing zijn. Zij voert aan dat zij geen enkele controle van het gerechtelijk onderzoek heeft kunnen verkrijgen, dat thans is afgesloten. Zij beweert eveneens dat de raadsheer-onderzoeker en het openbaar ministerie zich in het kader van dat onderzoek medeplichtig hebben gemaakt aan en daders zijn geweest van een schending van het beroepsgeheim van de advocaat, in strijd met artikel 22 van de Grondwet en met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.2.
- De Ministerraad voert de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging aan. Hij merkt op dat, krachtens artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, een nieuwe beroepstermijn, met name voor iedere natuurlijke persoon die doet blijken van een belang, enkel openstaat wanneer het Hof de ongrondwettigheid van een bepaling heeft vastgesteld bij een op prejudiciële vraag gewezen arrest. Het voormelde arrest nr. 9/2018, waarbij het Hof heeft geoordeeld dat de artikelen 479 en 480 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, had echter geen betrekking op artikel 482bis van hetzelfde Wetboek. Het beroep tot vernietiging zou bijgevolg onontvankelijk zijn in zoverre dat artikel 482bis erin wordt beoogd. Voor zover als nodig merkt de Ministerraad op dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het bestaanbaar met de Grondwet was dat de mededaders of medeplichtigen van personen die een voorrecht van rechtsmacht genieten, aan dezelfde procedure als die personen worden onderworpen. A.2.
- De Ministerraad voert eveneens aan dat het beroep onontvankelijk is bij gebrek aan belang. De verzoekende partij was partij bij de procedure die tot het arrest nr. 9/2018 heeft geleid. Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat de verwijzende rechter de vastgestelde lacune kon wegwerken, in afwachting van een optreden van de wetgever. In de rechtsleer wordt, in verband met het belang om een beroep op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof in te stellen, evenwel geschreven dat de partijen voor het verwijzende rechtscollege over het algemeen genoegdoening krijgen door het prejudiciële arrest en er dus geen belang meer bij hebben de vernietiging van de ongeldig verklaarde bepaling te vorderen. 4 Het enige geval waarin het Hof het voortbestaan heeft erkend van een belang om de vernietiging te vorderen van een bepaling die in antwoord op een prejudiciële vraag ongrondwettig is verklaard, betreft het arrest nr. 104/2006 van 21 juni 2006, dat ingevolge het arrest nr. 68/2005 van 13 april 2005 is uitgesproken. De Ministerraad merkt op dat het Hof van Cassatie, in die zaken, had geweigerd de door het Hof vastgestelde lacune in de wetgeving zelf weg te werken. Het is in die zin dat het Hof, in het vernietigingscontentieux, vermocht te oordelen dat het belang van de verzoekende partij om in rechte te treden kon blijven bestaan. Te dezen is de verwijzende rechter ertoe gehouden de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging toe te passen om een einde te maken aan de schending die door het Hof in het arrest nr. 9/2018 is vastgesteld. De situatie van de partijen voor de verwijzende rechter zou dus niet meer rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt door de bestreden norm. De stukken die door de verzoekende partij ter ondersteuning van haar beroep tot vernietiging zijn voorgelegd, zouden niet van dien aard zijn dat zij het voorafgaande opnieuw in het geding brengen. Uit de elementen van het dossier blijkt immers dat bij de kamer van inbeschuldigingstelling thans een verzoekschrift tot toezicht op het onderzoek aanhangig is gemaakt dat door L.M. is neergelegd. Dat rechtscollege heeft de debatten heropend opdat de partijen zich kunnen uitspreken over de gevolgen van het door het Hof gewezen arrest. De advocaat-generaal heeft de kamer van inbeschuldigingstelling daarenboven verzocht de regelmatigheid van de rechtspleging te controleren en zich uit te spreken over het bestaan van voldoende bezwaren. A.2.
- Ten gronde gedraagt de Ministerraad zich naar de wijsheid van het Hof met betrekking tot de aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.2.
- Wat de vermeende schending van artikel 22 van de Grondwet en van de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens betreft, merkt de Ministerraad op dat, gesteld dat het tweede middel gegrond is, quod non, het niet tot een ruimere vernietiging van de bestreden bepalingen zou kunnen leiden. A.2.
- In meer ondergeschikte orde geeft de Ministerraad aan dat, mocht het Hof de vaststelling van een schending in het kader van het onderhavige beroep handhaven, het niet tot hetzelfde resultaat zou kunnen komen als in het kader van het arrest nr. 9/2018, wat betreft de mogelijkheid, voor de rechtscolleges waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, om de vastgestelde lacune weg te werken. In werkelijkheid zouden er verschillende manieren bestaan om de lacune weg te werken die het Hof bij zijn arrest nr. 9/2018 heeft vastgesteld. Aldus zou de wetgever kunnen voorzien in de toepassing van de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging en, bijgevolg, in de invoering van een toezicht op de regelmatigheid van het onderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling als onderzoeksgerecht, door die eveneens ertoe te machtigen als beroepsinstantie uitspraak te doen over de beslissingen van de als onderzoeksmagistraat aangewezen magistraat. De wetgever zou eveneens kunnen voorzien in de toepassing van de van kracht zijnde bepalingen voor de raadsheren in hoger beroep, zoals zij door het Hof in zijn arrest nr. 131/2016 zijn geïnterpreteerd, door een toezicht door het Hof van Cassatie te regelen. Rekening houdend met die keuzes, zou het Hof de lacune die in een vernietigingsarrest zou worden bevestigd, niet zelf kunnen verhelpen. A.2.
- De Ministerraad voert aan dat een vernietiging zonder meer van de bestreden bepalingen grote rechtsonzekerheid zou kunnen veroorzaken. Daarom verzoekt hij de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven, zowel ten aanzien van de procedures waarin de procureur-generaal het initiatief voor een rechtstreekse dagvaarding heeft genomen als ten aanzien van de procedures waarin een rechtstreekse dagvaarding zich heeft voorgedaan vóór de datum die door het Hof zou worden vastgesteld. Mocht het Hof de bestreden bepalingen zonder meer vernietigen, zou eveneens afbreuk worden gedaan aan het rechtszekerheidsbeginsel. Bij gebrek aan specifieke regels voor de betrokken magistraten zou het slachtoffer van een door een magistraat van eerste aanleg gepleegd misdrijf de strafvordering tegen die magistraat immers in werking kunnen stellen, door gebruik te maken van de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging. A.3.
- De verzoekende partij antwoordt dat zij, met toepassing van artikel 482bis van het Wetboek van strafvordering, daadwerkelijk is onderworpen aan de ongrondwettige regeling van de artikelen 479 en 480 van het Wetboek van strafvordering en dat zij zich in geen enkel stadium van het gerechtelijk onderzoek heeft kunnen beroepen op de rechten die bij het arrest nr. 9/2018 van het Hof ten gunste van de andere rechtzoekenden zijn toegekend. 5 A.3.
- De verzoekende partij voert in de tweede plaats aan dat zij doet blijken van een belang om zich op het arrest van het Hof nr. 35/2018 van 22 maart 2018 te beroepen, aangezien dat arrest betrekking heeft op artikel 479 van het Wetboek van strafvordering, vanuit een invalshoek die nooit is aangesneden in de zaak die op haar betrekking heeft, in casu die van de bevoegdheid van de procureur-generaal, die het die laatste mogelijk maakt de zaak rechtstreeks naar een vonnisgerecht te verwijzen, zonder dat zij via een onderzoeksgerecht gaat. Zij merkt op dat het Hof niet in een overgangsregeling heeft voorzien en dat het openbaar ministerie heeft beslist zich als wetgever op te werpen, met schending van de artikelen 10, 11, 12 en 13 van de Grondwet, teneinde de uitoefening van de strafvordering tegen haar te vergemakkelijken. Zij is van mening dat zij had moeten worden gedagvaard voor een oordelende kamer van het Hof van Beroep te Luik, waar zij zich had kunnen beroepen op het arrest nr. 35/2018 van het Hof, of dat het openbaar ministerie minstens een optreden van de wetgever had moeten afwachten. A.3.
- Ten gronde antwoordt de verzoekende partij dat de middelen die zij aanvoert, voornamelijk steunen op de argumenten die door het Hof in zijn arresten nrs. 9/2018 en 35/2018 zijn uiteengezet. Zij voegt eraan toe dat de artikelen 479 en 483 van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 28quater van hetzelfde Wetboek, aan het openbaar ministerie de mogelijkheid bieden om de raadsheren van de hoven van beroep over te halen tot het schenden van de artikelen 10, 11, 12, 13 en 146 van de Grondwet telkens als het openbaar ministerie van oordeel is dat het in het belang van de vervolging is. De verzoekende partij merkt op dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Luik een perfecte illustratie van dat mechanisme vormt dat de absolute greep van het parket-generaal op de raadsheren van het hof van beroep bevestigt, ten koste van de rechten van de rechtzoekende. De verzoekende partij wenst haar vordering tot vernietiging bijgevolg uit te breiden tot artikel 483 van het Wetboek van strafvordering, en de vordering die in die zin in de zaak nr. 6882 is geformuleerd, te ondersteunen. A.3.
- Wat betreft de aanpassing van de gevolgen in de tijd van de beslissing van het door het Hof te wijzen arrest, suggereert de verzoekende partij om het instellen van de vervolging die de verwijzing van een magistraat of van zijn vermoedelijke mededaders of medeplichtigen mogelijk maakt, eenvoudigweg op te schorten, in afwachting van het optreden van de wetgever die nieuwe, grondwetsconforme bepalingen inzake strafrechtspleging zou vaststellen. Zij voegt eraan toe dat, in tegenstelling tot de in kracht van gewijsde gegane vonnissen, die het voorwerp van een procedure tot intrekking kunnen uitmaken, het onmiddellijke gevolg van de vernietiging wegens ongrondwettigheid zou moeten worden toegepast op alle hangende rechtsgedingen en op alle niet-definitieve vonnissen, door te verklaren dat die gebrekkig zijn door de ongrondwettigheid van de bepalingen waarop zij steunen. Zaak nr. 6882 A.4.
- De verzoekende partij is rechter in de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Dinant. Zij maakt thans het voorwerp uit van vervolging die is ingesteld door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Luik. Zij verantwoordt haar belang bij de vernietiging van de artikelen 479, 480 en 483 van het Wetboek van strafvordering door het feit dat ingevolge de door het Hof uitgesproken arresten nrs. 9/2018 en 35/2018 een strafrechtelijke procedure op haar wordt toegepast, zonder dat er vastgestelde of voorzienbare regels bestaan die het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgen. A.4.
- Zij steunt op het arrest Coëme en anderen t. België, dat op 22 juni 2000 door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is uitgesproken. A.5.
- In hoofdorde voert de Ministerraad de onontvankelijkheid van het beroep aan, bij gebrek aan belang. Hij merkt op dat de verzoekende partij partij is bij de procedure in het kader waarvan het Hof het arrest nr. 9/2018 heeft gewezen. Uit de elementen van het dossier zou blijken dat het tegen de verzoekende partij gevoerde onderzoek misdrijven betreft die zij uitsluitend buiten de uitoefening van haar ambt zou hebben gepleegd. Aangezien de verzoekende partij niet het voorwerp van enig gerechtelijk onderzoek op grond van artikel 483 van het Wetboek van strafvordering uitmaakt, zou zij niet doen blijken van een belang om de vernietiging van dat artikel te vorderen. Ter ondersteuning van zijn argument haalt de Ministerraad het arrest van het Hof nr. 131/2016 van 20 oktober 2016 aan. 6 A.5.
- De Ministerraad zet dezelfde argumentatie als in de zaak nr. 6879 uiteen, om te besluiten dat de partijen voor de verwijzende rechter, met inbegrip van de verzoekende partij te dezen, reeds genoegdoening hebben gekregen door het prejudiciële arrest nr. 9/2018 en dus geen blijk meer geven van een belang om de vernietiging van de ongeldig verklaarde bepalingen te vorderen. De door de verzoekende partij in de zaak nr. 6879 voorgelegde stukken zouden eveneens de stelling staven volgens welke de verzoekende partij in de voorliggende zaak niet doet blijken van een belang. A.5.
- Ten gronde gedraagt de Ministerraad zich naar de wijsheid van het Hof met betrekking tot de vaststelling van ongrondwettigheid die uit de arresten nrs. 9/2018 en 35/2018 van het Hof voortvloeit. A.5.
- Voor het overige zou niet kunnen worden aangevoerd dat de procedure waaraan de verzoekende partij wordt onderworpen, niet op vastgestelde of voorzienbare regels berust. Het Hof heeft, in zijn arrest nr. 9/2018, immers de wijze aangegeven waarop de rechter de lacune in de wetgeving die het heeft vastgesteld, moest wegwerken. In dat opzicht heeft het aangedrongen op het optreden van de kamer van inbeschuldigingstelling als onderzoeksgerecht, opdat die, in de loop van het gerechtelijk onderzoek, toezicht houdt op de regelmatigheid van de rechtspleging en als beroepsinstantie uitspraak doet over de beslissingen van de als onderzoeksmagistraat aangewezen magistraat. Het Hof heeft in dat arrest eveneens gepreciseerd dat de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging moesten worden toegepast. A.5.
- Om redenen die identiek zijn aan die welke hij in de zaak nr. 6879 heeft uiteengezet, verzoekt de Ministerraad de gevolgen van de bestreden bepalingen te handhaven mochten die door het Hof worden vernietigd. A.6.
- Wat betreft de ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het betrekking heeft op artikel 483 van het Wetboek van strafvordering, antwoordt de verzoekende partij dat die norm op haar kan worden toegepast, in haar hoedanigheid van magistraat, in een andere zaak dan die waarin zij thans wordt vervolgd, hetgeen zou volstaan om haar belang om in rechte te treden te motiveren. De verzoekende partij voert eveneens aan dat de verwijzing, door de Ministerraad, naar het arrest nr. 131/2016 van het Hof irrelevant is aangezien dat arrest op prejudiciële vraag is gewezen. A.6.
- De verzoekende partij betwist het feit dat de kamer van inbeschuldigingstelling, ingevolge het arrest nr. 9/2018 van het Hof, de lacune in de wetgeving heeft weggewerkt, zodat zij zelf haar belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen zou zijn verloren. Tijdens de gehele procedure die aan de uitspraak van het arrest is voorafgegaan, zouden aan de verzoekende partij immers procedurele waarborgen zijn ontzegd die het Hof essentieel acht. Gesteld dat het Hof de gevolgen van de vernietigde bepalingen zou handhaven voor de toekomst, zou zijn beslissing het niet mogelijk maken om aan de verzoekende partij de rechten terug te geven die haar onherroepelijk zijn ontzegd. A.6.
- De verzoekende partij merkt eveneens op dat de Ministerraad geen rekening houdt met het feit dat het verzoekschrift niet alleen volgt op het arrest nr. 9/2018, maar ook op het arrest nr. 35/
- Volgens haar vergist de Ministerraad zich in de draagwijdte van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Men hoeft immers geen partij bij de zaak in het prejudiciële contentieux te zijn geweest om het recht te genieten om een beroep tot vernietiging in te stellen tegen de norm die in het kader van dat prejudiciële contentieux ongrondwettig is bevonden. A.6.
- De verzoekende partij verwijt de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Luik eveneens dat zij als wetgever is opgetreden door een lacune in de wetgeving weg te werken. Zij voert aan dat de vernietiging van de artikelen 479 en 480 van het Wetboek van strafvordering tot gevolg zal hebben dat rechtsgrond wordt ontnomen aan de beslissing om de verzoekende partij naar een vonnisgerecht te verwijzen, hetgeen haar belang om in de voorliggende zaak in rechte te treden zou kunnen aantonen. A.6.
- Wat de middelen betreft, voert de verzoekende partij aan dat zij geen voorzienbare procedure heeft genoten vooraleer het arrest nr. 9/2018 is uitgesproken. 7 A.6.
- De verzoekende partij gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof met betrekking tot het verzoek van de Ministerraad om in het dictum van het vernietigingsarrest de aanwijzingen over te nemen die het Hof in zijn arrest nr. 9/2018 heeft geleverd over de toepassing van het gemeen recht inzake bijkomende handelingen en controle van het onderzoek. A.6.
- De verzoekende partij gedraagt zich eveneens naar de wijsheid van het Hof met betrekking tot het verzoek om de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven in alle gevallen waarin magistraten reeds door de procureur-generaal voor een vonnisgerecht zijn gedagvaard. Voor het overige zou het aangewezen zijn te wachten totdat de wetgever nieuwe, grondwetsconforme bepalingen vaststelt teneinde de verwijzing van een magistraat naar een vonnisgerecht mogelijk te maken. A.7.
- De Ministerraad dient één memorie van wederantwoord voor beide zaken in. Wat betreft het verzoek om het onderwerp van het door de verzoekende partij in de zaak nr. 6879 ingestelde beroep uit te breiden tot artikel 483 van het Wetboek van strafvordering, voert de Ministerraad aan dat noch de verzoekende partij, noch het Hof zelf ertoe zijn gemachtigd dat verzoek te formuleren. Dat verzoek zou bovendien onontvankelijk zijn, bij gebrek aan belang. De verzoekende partij in de zaak nr. 6882 zou evenmin aantonen dat het voormelde artikel 483 haar schade berokkent. A.7.
- Volgens de Ministerraad betreuren de verzoekende partijen thans dat aan het Hof een prejudiciële vraag is gesteld in een stadium dat het nog mogelijk maakte te vermijden dat zij onherroepelijk nadeel leden door de toepassing van bepalingen waarvan het discriminerende karakter bewezen is. Zij zouden immers de voorkeur eraan hebben gegeven zich in dezelfde situatie te bevinden als de personen die zijn vervolgd in het kader van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 35/2018 van het Hof, aangezien de drie beklaagden, in het kader van die zaak, rechtstreeks door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent voor dat Hof waren gedagvaard, zonder dat een onderzoeksgerecht is opgetreden of nog kan optreden. A.7.
- In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen in beide zaken beweren, zou het verwijzende rechtscollege geenszins zijn voorbijgegaan aan de bewoordingen van het arrest nr. 9/2018, aangezien het de ongrondwettigheden heeft verholpen die niet alleen in dat arrest, maar ook in het arrest nr. 35/2018 door het Hof zijn vastgesteld. A.7.
- De Ministerraad voegt eraan toe dat de toepassing van het gemeen recht van de strafrechtspleging op de twee verzoekende partijen de voorliggende zaken onderscheidt van die welke aanleiding hebben gegeven tot de zaak Coëme en anderen t. België. In die zaak heeft het Hof van Cassatie immers beslist de regels betreffende de gewone correctionele procedure enkel toe te passen voor zover zij bestaanbaar is met de bepalingen die de procedure voor het Hof van Cassatie, zitting houdend in verenigde kamers, weergeven. A.7.
- Teneinde te vermijden dat de verzoekende partijen de rechtscolleges die ertoe worden gebracht kennis te nemen van hun zaak, blijven verwijten dat zij hun recht op een eerlijk proces onherroepelijk hebben geschonden, quod non, zou het zinvol zijn dat het Hof, alvorens de gevolgen van de bepalingen die het in zijn te wijzen arrest zou vernietigen, voorlopig te handhaven, verklaart dat de gevolgen van die bepalingen als definitief moeten worden beschouwd, minstens ten aanzien van de twee verzoekende partijen, ook voor de periode die aan de uitspraak van het arrest nr. 9/2018 is voorafgegaan. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 479, 480, 482bis en 483 van het Wetboek van strafvordering. 8 De beroepen tot vernietiging, die aanhangig zijn gemaakt ingevolge het arrest nr. 9/2018 van 1 februari 2018 en het arrest nr. 35/2018 van 22 maart 2018, worden ingesteld op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Krachtens die bepaling staat voor onder meer iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang, een nieuwe termijn van zes maanden open voor het instellen van een beroep tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een ordonnantie wanneer het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft verklaard dat die wet, dat decreet of die ordonnantie met name een van de in artikel 1 bedoelde regels schendt. B.1.
- De bestreden artikelen 479, 480, 482bis en 483 van het Wetboek van strafvordering, die deel uitmaken van boek II, titel IV (« Enige rechtsplegingen van bijzondere aard »), hoofdstuk III (« Misdaden door rechters gepleegd buiten hun ambt en in de uitoefening van hun ambt »), van dat Wetboek, bepalen : « Art.
- Wanneer een vrederechter, een rechter in de politierechtbank, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank of in de rechtbank van koophandel, een raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof, een raadsheer in het Hof van Cassatie, een magistraat van het parket bij een rechtbank of een hof, een referendaris bij het Hof van Cassatie, een lid van het Rekenhof, een lid van de Raad van State van het auditoraat of van het coördinatiebureau bij de Raad van State, een lid van het Grondwettelijk Hof, een referendaris bij dat Hof, de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, een provinciegouverneur, ervan beschuldigd wordt buiten zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, laat de procureur-generaal bij het hof van beroep hem dagvaarden voor dat hof, dat uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld. Art.
- Indien het een misdrijf betreft waarop een criminele straf is gesteld, wijst de procureur-generaal bij het hof van beroep de magistraat aan die het ambt van officier van gerechtelijke politie zal waarnemen en de eerste voorzitter van dat hof de magistraat die het ambt van onderzoeksrechter zal waarnemen ». « Art. 482bis. De mededaders van en de medeplichtigen aan het misdrijf waarvoor de ambtenaar van de hoedanigheid als vermeld in artikel 479 wordt vervolgd en de daders van samenhangende misdrijven worden samen met de ambtenaar vervolgd en berecht. Het eerste lid is evenwel niet van toepassing op de daders van misdaden en van politieke misdrijven en drukpersmisdrijven die samenhangen met het misdrijf waarvoor de ambtenaar wordt vervolgd ». 9 « Art.
- Wanneer een vrederechter, een rechter in de politierechtbank, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank of in de ondernemingsrechtbank, een raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof, een raadsheer in het Hof van Cassatie, een magistraat van het parket bij een rechtbank of een hof, een referendaris bij het Hof van Cassatie, een lid van het Rekenhof, een lid van de Raad van State, van het auditoraat of van het coördinatiebureau bij de Raad van State, een lid van het Grondwettelijk Hof, een referendaris bij dat Hof, de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, een provinciegouverneur, ervan beschuldigd wordt in zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, dan wordt dat misdrijf vervolgd en gevonnist zoals in artikel 479 is bepaald ». B.2.
- Bij zijn arrest nr. 9/2018 van 1 februari 2018, in antwoord op verschillende prejudiciële vragen die door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Luik waren gesteld in het kader van het gerechtelijk onderzoek lastens de verzoekende partijen, heeft het Hof voor recht gezegd dat de artikelen 479 en 480 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in zoverre zij niet voorzien in het optreden van een onderzoeksgerecht om, in de loop van het gerechtelijk onderzoek, toezicht te houden op de regelmatigheid van de rechtspleging en als beroepsinstantie uitspraak te doen over de beslissingen van de als onderzoeksrechter aangewezen magistraat. Het Hof heeft zijn beslissing met name op de volgende motieven gebaseerd : « B.10.
- Wat de magistraten van eerste aanleg betreft, heeft de wetgever, door het ambt van onderzoeksrechter toe te vertrouwen aan een magistraat die daartoe is aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep en door erin te voorzien dat de betrokken magistraten door de hoogste feitenrechter moeten worden berecht, hun welbepaalde waarborgen willen bieden die een onpartijdige en serene rechtsbedeling kunnen verzekeren, overeenkomstig het in B.4.1 vermelde doel. B.10.
- Zoals in B.4.2 wordt vermeld, is de procureur-generaal bij het hof van beroep evenwel als enige bevoegd om bij het afsluiten van het gevorderde gerechtelijk onderzoek te beslissen of de zaak al dan niet naar het vonnisgerecht moet worden verwezen. Aangezien er aldus bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, voor de magistraten van eerste aanleg, geen tussenkomst is van een onderzoeksgerecht dat in het kader van een tegensprekelijke procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt, zoals dat het geval is bij het Hof van Cassatie voor de magistraten van de hoven van beroep, doen de in het geding zijnde bepalingen op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokken magistraten in zoverre zij niet voorzien in de tussenkomst van een onderzoeksgerecht om, in de loop van het gerechtelijk onderzoek, toezicht te houden op de regelmatigheid van de rechtspleging en als beroepsinstantie uitspraak te doen over de beslissingen van de als onderzoeksrechter aangewezen magistraat ». 10 Het Hof heeft in B.11 van dat arrest geoordeeld : « In afwachting van een optreden van de wetgever staat het, aangezien de in B.10.4 gedane vaststelling van de lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepalingen toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de schending van die normen via de toepassing van de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging ». B.2.
- Bij zijn arrest nr. 35/2018 van 22 maart 2018 heeft het Hof, op grond van dezelfde motieven, geoordeeld dat de artikelen 479, 483 en 503bis van hetzelfde Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in zoverre zij, bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, niet voorzien in het optreden van een onderzoeksgerecht dat in het kader van een op tegenspraak gevoerde procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt. Verzocht zich uit te spreken over een vordering tot uitlegging van zijn voormelde arrest nr. 35/2018, heeft het Hof bij zijn arrest nr. 31/2019 van 28 februari 2019 geantwoord dat dat arrest « aldus [dient] te worden uitgelegd dat, in afwachting van een optreden van de wetgever, de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd moet verklaren om, bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek lastens de in artikel 479 van het Wetboek van strafvordering vermelde magistraten – andere dan die bedoeld in artikel 481 – en de daders van een samenhangend misdrijf, de rechtspleging te regelen en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging te beoordelen overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen B.
- Volgens de Ministerraad zijn de beroepen niet ontvankelijk bij gebrek aan belang van de verzoekende partijen. Als partijen bij de procedure die aanleiding heeft gegeven tot het voormelde arrest nr. 9/2018, zouden zij genoegdoening hebben gekregen door dat arrest, in zoverre de verwijzende rechter ertoe is gehouden de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging toe te passen om een einde te maken aan de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid. 11 B.4.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Dat belang dient te bestaan op het ogenblik van de indiening van het verzoekschrift en dient te blijven bestaan tot de uitspraak van het arrest. B.4.
- Het bij artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereiste belang verschilt niet van datgene dat wordt vereist in artikel 2 van dezelfde wet. B.
- Ter ondersteuning van hun belang voeren de verzoekende partijen aan dat zij, in de hoedanigheid van rechter bij de rechtbank van eerste aanleg respectievelijk als mededader van of medeplichtige aan een misdrijf waarvoor die magistraat wordt vervolgd, het voorwerp hebben uitgemaakt van een gerechtelijk onderzoek dat werd gevoerd met toepassing van de bijzondere rechtspleging, zoals die in het kader van het stelsel van het « voorrecht van rechtsmacht » is geregeld in de bestreden bepalingen. B.6.
- Uit de elementen van het dossier blijkt dat de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Luik zich, rekening houdend met de arresten nrs. 9/2018 en 35/2018 van het Hof, bij een arrest van 31 mei 2018 bevoegd heeft verklaard om bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek lastens de verzoekende partijen over te gaan tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging te beoordelen. Aldus heeft de kamer van inbeschuldigingstelling te dezen een einde gemaakt aan de door het Hof vastgestelde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet via de toepassing van de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging. 12 B.6.
- Vermits het gerechtelijk onderzoek lastens de verzoekende partijen bijgevolg is afgesloten, met het optreden van een onderzoeksgerecht dat in het kader van een op tegenspraak gevoerde procedure is overgegaan tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging heeft beoordeeld en aldus met inachtneming van de vereiste procedurele waarborgen zoals die voortvloeien uit de voormelde arresten nrs. 9/2018, 35/2018 en 31/2019, hebben zij geen belang meer bij de vernietiging van de bestreden bepalingen. B.
- De beroepen tot vernietiging zijn bijgevolg niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. 13 Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 oktober
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.139 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div