← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.141

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.141 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191017.10 Arrest- Rolnummer: 141/2019 Rechtsgebied: Financieel recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-11-05 Raadplegingen: 812 - laatst gezien 2026-06-28 22:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Witwasreglementering PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 67 van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten », ingesteld door de vzw « Federatie van de Belgische recuperatie van Ferro- en Non-Ferro Metalen » en anderen. Strafrecht - Bestrijding van het witwassen van geld - Beperking van het gebruik van contanten - Verrichtingen met betrekking tot oude metalen, koperkabels of goederen die edele stoffen bevatten. Tekst van de beslissing Rolnummer 6899 Arrest nr. 141/2019 van 17 oktober 2019 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 67 van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten », ingesteld door de vzw « Federatie van de Belgische recuperatie van Ferro- en Non-Ferro Metalen » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 april 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 april 2018, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 67 van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 oktober 2017) door de vzw « Federatie van de Belgische recuperatie van Ferro- en Non-Ferro Metalen », de bvba « De Cocker Geert », de bvba « De Knop Recycling », de bvba « Tribel Metals », de nv « Schrootbedrijf A. De Rooy en Zoon », de bvba « Transmétaux », de bvba « Vermetal », de nv « Casier Recycling », de bvba « Degels-Metal », de nv « Vanhees Metalen », de bvba « Scraps Trading & Recycling - S.T.R. », de nv « Recuperatie- en Transportmaatschappij », de bvba « Mayers Metals », de nv « Barchon Metal Vannerum », de bvba « Waasland Recycling », de bvba « Petereyns Oude Metalen », de bvba « Van den Brouck - De Sutter », de bvba « Kabel Recycling Company », de bvba « Recupbat », de nv « SoHoW », de nv « Abo Global Trading » en de cvba « A.A. IJzerland », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martens en Mr. A. Delfosse, advocaten bij de balie te Brussel. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Peeters en Mr. L. Champoeva, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 26 juni 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 juli 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 juli 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1.

  1. De eerste verzoekende partij is een beroepsvereniging die rechtspersonen verenigt die actief zijn in de sector van de recuperatie van metalen materialen en producten, van de recyclage van die producten en van het in de handel brengen van die materialen en producten. De tweede tot de tweeëntwintigste verzoekende partij zijn leden van de eerste verzoekende partij. Die partijen voeren aan dat artikel 67 van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » een rechtstreekse en ongunstige weerslag heeft op hun activiteiten. 3 A.1.
  2. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep niet. Ten aanzien van het enige middel A.
  3. De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending, door artikel 67 van de wet van 18 september 2017, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (eerste onderdeel), van artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (tweede onderdeel), en van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (derde onderdeel). A.3.
  4. In het eerste onderdeel van het enige middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepaling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te schenden door een onderscheid te maken tussen, enerzijds, de professionele handelaars wier activiteit betrekking heeft op de handel in oude metalen, koperkabels of goederen die edele stoffen bevatten en, anderzijds, de professionele handelaars van andere sectoren waar frequent in contanten wordt betaald. Zij voeren aan dat die categorieën van handelaars zich in identieke of op zijn minst vergelijkbare situaties bevinden en trekken de verklaring in twijfel die tijdens de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet is gedaan en volgens welke de handel in ouden metalen, koperkabels of goederen die edele stoffen bevatten, de enige economische sector zou zijn die wordt geconfronteerd met oneerlijke praktijken of met illegale betalingen in contanten. Zij verwijzen in dat verband naar het jaarverslag 2016 van de Algemene Directie Economische Inspectie, volgens hetwelk de tabakssector, de vleessector en de textielsector een groter aantal illegale betalingen zouden kennen dan de sector waarop de bestreden bepaling betrekking heeft. Vervolgens zijn zij van mening dat het verschil in behandeling op geen enkel objectief criterium berust en bijgevolg willekeurig is. De verzoekende partijen voeren voorts aan dat het door de bestreden bepaling nagestreefde doel niet legitiem is in zoverre het de schending met zich meebrengt van de rechten en vrijheden die worden gewaarborgd door de in het enige middel aangehaalde bepalingen en in zoverre de bestreden maatregel in elk geval niet relevant is om dat doel te bereiken, daar het bestreden totaalverbod slechts een eventueel en willekeurig effect zou hebben op de criminele activiteiten die de wetgever wil uitroeien. Ten slotte zijn zij van mening dat het totaalverbod kennelijk verder gaat dan hetgeen noodzakelijk was om het door de wetgever nagestreefde doel te bereiken, zodat het onevenredig is. Zij verwijzen in dat verband naar het advies van de Europese Centrale Bank van 30 mei 2017 inzake de beperking van het gebruik van contanten. A.3.
  5. De Ministerraad voert aan dat de door de verzoekende partijen vergeleken sectoren niet kunnen worden geacht zich in identieke situaties te bevinden in het licht van de antiwitwaswetgeving. Hij zet uiteen dat de sector van de handel in oude metalen, koperkabels of goederen die edele stoffen bevatten niet wordt geconfronteerd met dezelfde problemen als de diamantsector of de tabakssector. In dat verband merkt hij op dat, in tegenstelling tot goud, diamanten of tabak niet worden gebruikt als ruilwaarde bij witwasoperaties en dat de sector die door de bestreden bepaling wordt beoogd, een sector is waar frequent misbruiken en diefstallen worden gepleegd. Hij verwijst in dat opzicht naar het Nationaal Veiligheidsplan 2016-
  6. Hij voegt eraan toe dat in de parlementaire voorbereiding wordt gepreciseerd om welke redenen de beoogde sector en de diamantsector zich niet in identieke situaties bevinden. Bovendien merkt hij op dat de verzoekende partijen geen enkel ernstig argument uiteenzetten waaruit kan worden opgemaakt dat de tabakssector en de beoogde sector zich in identieke situaties zouden bevinden. De Ministerraad is van mening dat de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling aantoont dat het nagestreefde doel legitiem is, omdat, ondanks het nemen van beperkende maatregelen, de beoogde sector nog steeds een verhoogd risico vertoonde van het witwassen van geld en heling. Hij is van mening dat de bestreden bepaling, hoewel zij de witwasactiviteiten en heling niet volledig kan uitroeien, het toch zeker mogelijk maakt de situatie te verbeteren. Ten slotte voert hij aan dat de bepaling niet onevenredig is, met name omdat er eenvoudige alternatieven bestaan voor de betaling in contanten, zoals de betaling via bankoverschrijving, waarvoor geen enkele uitrusting vereist is. 4 A.3.
  7. In hun memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen aan dat de wetgever de sector van de oude metalen, de sector van de koperkabels en de sector van de goederen die edele stoffen bevatten, gelijk heeft behandeld, terwijl die drie sectoren volkomen verschillend zijn. Zij merken op dat, hoewel uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever het specifieke stelsel heeft onderzocht dat voorbehouden is aan de verkoop van goud door consumenten aan professionele handelaars, hij daarentegen geen enkele commentaar heeft gewijd aan de aankoop van oude metalen, koperkabels en goederen die platina, zilver of palladium bevatten. Zij zijn overigens van mening dat de verwijzingen naar « weinig scrupuleuze handelaars » en naar het risico van « heling » onaanvaardbaar zijn. Zij blijven erbij dat de professionele handelaars van de sectoren van de oude metalen, koperkabels en goederen die edele stoffen bevatten, zich daadwerkelijk bevinden in een situatie die vergelijkbaar is met die van de professionele handelaars van alle andere economische sectoren en betwisten de verklaring volgens welke de beoogde sector op zich criminogeen is. Zij besluiten dat de bestreden bepaling vier schendingen invoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de professionele handelaars van de sectoren van oude metalen, koperkabels en goederen die edele stoffen bevatten en de professionele handelaars van andere economische sectoren verschillend behandelt, in zoverre zij de professionele handelaars van de sector van de oude metalen en de professionele handelaars van de sector van de goederen die edele stoffen bevatten identiek behandelt, in zoverre zij, binnen de sector van de goederen die edele stoffen bevatten, de professionele handelaars van de subsectoren van de goederen die goud, platina, zilver of palladium bevatten, identiek behandelt, en in zoverre zij, enerzijds, de « rondtrekkende groepen » en de « rondtrekkende aankopers met een dubieus verleden » en, anderzijds, de « oprechte en betrouwbare lokale handelaars » identiek behandelt. A.3.
  8. De Ministerraad is van mening dat de argumenten die de verzoekende partijen uiteenzetten in hun memorie van antwoord in verband met de drie identieke behandelingen die het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie vermeendelijk zouden schenden, nieuwe middelen zijn en om die reden onontvankelijk dienen te worden verklaard. Hij onderstreept overigens dat het niet is omdat de wet bepalingen bevat die specifiek sommige sectoren beogen, dat de wetgever van mening is dat die op zich criminogeen zijn. A.4.
  9. In het tweede onderdeel van het enige middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepaling in strijd te zijn met het recht op eerbiediging van de vrijheid van ondernemen. Zij zetten uiteen dat artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ook de vrijheid omvat om een economische of commerciële activiteit uit te oefenen, en de contractuele vrijheid, die onder meer de vrije keuze van de economische partner inhoudt, alsook de vrijheid om de prijs van een verrichting te bepalen. Zij voeren aan dat de betalingen in contanten courant en gebruikelijk zijn in de handelssector van de oude metalen, koperkabels en goederen die edele stoffen bevatten. Zij wijzen erop dat de bestreden bepaling tot gevolg heeft de deelnemers van die sector de keuze te ontnemen om al dan niet in contanten te betalen, terwijl de mogelijkheid om in contanten te bepalen een voorwaarde is om de sector gezond te houden. Zij besluiten hieruit dat de bestreden bepaling de professionele handelaars van die sector belet om hun economische activiteiten te ontwikkelen. A.4.
  10. De Ministerraad is van mening dat de argumentatie van de verzoekende partijen op algemene beweringen berust, alsook op hypothesen die door geen enkel ernstig en objectief element worden gestaafd. Hij herinnert eraan dat de contractuele vrijheid niet absoluut is en dat die is beperkt door de bepalingen van openbare orde, door de goede zeden en door dwingende bepalingen. Hij voegt eraan toe dat hetzelfde geldt voor de vrijheid van handel en nijverheid. Voor het overige is hij van mening dat de door de verzoekende partijen geuite vrees ten aanzien van de financiële gezondheid van hun sector, pure speculatie betreft. A.4.
  11. De verzoekende partijen zijn van mening dat zij, bij het uiteenzetten van het enige middel, in het eerste onderdeel ervan, hebben aangetoond dat de te dezen opgelegde beperkingen van de vrijheid van ondernemen niet objectief verantwoord, discriminerend en niet evenredig zijn. A.5.
  12. In het derde onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling, door de professionele handelaars van de sector van de handel in oude metalen, koperkabels en goederen die edele stoffen bevatten, de mogelijkheid te ontnemen om in contanten te betalen, hen belet hun eigendom vrijelijk te genieten en dat die aantasting van het eigendomsrecht kennelijk onevenredig is, gelet op het door de wetgever nagestreefde doel. 5 A.5.
  13. De Ministerraad is van mening dat de argumentatie van de verzoekende partijen berust op algemene beweringen en op hypothesen die door geen enkel ernstig en objectief element worden gestaafd. Hij herinnert eraan dat het eigendomsrecht niet absoluut is; het is onderworpen aan de bepalingen van openbare orde en aan de maatregelen van algemeen belang. Hij is van mening dat niet kan worden betwist dat de preventie van het witwassen van geld onder het algemeen belang ressorteert. A.5.
  14. De verzoekende partijen zijn van mening dat zij hebben aangetoond dat het vrijwel totale verbod op betalingen in contanten ten aanzien van de professionele handelaars van de betrokken sectoren, niet op relevante wijze is verantwoord, zodat de aantasting van het eigendomsrecht evenmin verantwoord is. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling B.1.
  15. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 67 van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het wiswassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten », dat bepaalt : « §
  16. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder : 1° ‘ consument ’ : iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden buiten het kader van zijn commerciële, industriële of ambachtelijke activiteit of een vrij beroep; 2° ‘ edele stoffen ’ : goud, platina, zilver, palladium; 3° ‘ oude metalen ’ : alle gebruikte en gerecupereerde metalen stukken; 4° ‘ koperkabels ’ : alle koperkabels geleverd, onder welke vorm en samenstelling ook, al dan niet gestript of versneden, vermalen of vermengd met andere materialen of voorwerpen, met uitzondering van flexibele koperkabels die deel uitmaken van een toestel. §
  17. Onafhankelijk van het totale bedrag kan er geen enkele betaling of schenking in contanten worden verricht of ontvangen voor meer dan 3 000 euro of de tegenwaarde ervan in een andere munteenheid, in het kader van een verrichting of een geheel van verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan. Behalve in geval van openbare verkoop, uitgevoerd onder het toezicht van een gerechtsdeurwaarder, kan een persoon die geen consument is geen enkel bedrag in contanten betalen bij aankoop van oude metalen, koperkabels of goederen die edele stoffen bevatten, tenzij deze edele stoffen slechts in kleine hoeveelheid en enkel omwille van hun noodzakelijke fysische eigenschappen aanwezig zijn, van een andere persoon. 6 In afwijking van het tweede lid, kan een persoon die geen consument is, slechts tot een bedrag van 500 euro in contanten betalen bij aankoop van oude metalen of goederen die edele stoffen bevatten, tenzij deze edele stoffen slechts in kleine hoeveelheid en enkel omwille van hun noodzakelijke fysische eigenschappen aanwezig zijn, van een persoon die een consument is. In dat geval dienen die personen over te gaan tot identificatie en registratie van de persoon die zich met de bedoelde metalen of goederen die edele stoffen bevatten, aanbiedt. De bepaling voorzien in het eerste lid is niet van toepassing : 1° op de verkoop van onroerende goederen bedoeld in artikel 66; 2° verrichtingen tussen consumenten; 3° op de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, 3°, 4°, 6°, 7°, 10° en 16°, evenals de andere natuurlijke of rechtspersonen wanneer zij verrichtingen uitvoeren met deze entiteiten. §
  18. Betalingen of schenkingen worden geacht uitgevoerd of ontvangen te zijn in contanten indien de voorgelegde boekhoudkundige stukken, waaronder bankrekeninguittreksels, niet toelaten om te bepalen hoe de betalingen of schenkingen werden uitgevoerd of ontvangen. Behoudens tegenbewijs, wordt elke betaling of schenking in contanten geacht op Belgisch grondgebied verricht te zijn en, bijgevolg, onderworpen aan de bepalingen van dit artikel wanneer ten minste één van de partijen in België woont of er een activiteit uitoefent ». B.1.
  19. Die bepaling voorziet in een totaalverbod op de overdracht in contanten boven een bedrag van 3 000 euro voor alle verrichtingen onder personen die geen consument zijn (hierna « professionele handelaars » genoemd). Een vergelijkbaar verbod was reeds opgenomen in artikel 21 van de wet van 11 januari 1993 « tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme ». De bestreden bepaling verstrengt dat verbod voor de verrichtingen met betrekking tot oude metalen, koperkabels of goederen die edele stoffen bevatten, die in beginsel niet langer het voorwerp mogen uitmaken van betalingen in contanten wanneer de aankoop ervan gebeurt door een professionele handelaar. Wanneer een professionele handelaar oude metalen of goederen die edele stoffen bevatten, aankoopt van een consument, zijn de betalingen in contanten evenwel nog toegestaan tot een bedrag van 500 euro. B.1.
  20. In de kamercommissie voor de Financiën en de Begroting heeft de minister uiteengezet : 7 « De wet van 2010 stelde enerzijds een identificatieplicht in voor de professionele aankopen van edele metalen of oude metalen die in contanten betaald worden en anderzijds werd een cashverbod ingevoerd voor de aankoop van koperkabels teneinde het hoofd te kunnen bieden aan de talrijke koperdiefstallen. In de wet van 29 december 2010 werden diamanten niet opgenomen bij edele metalen, oude metalen, enz. De verstrenging in voorliggend wetsontwerp bestaat uit : - Het cashverbod voor koperkabels uitbreiden naar edele en oude metalen; - Bovendien werd aan edele stoffen het metaal ‘ palladium ’ toegevoegd. Dit cashverbod drong zich vooreerst op n.a.v. de vaststelling dat er aanzienlijke witwasoperaties gebeurden door middel van transacties met goud en het feit dat de CFI en de FOC Economie hebben vastgesteld dat er sinds de prijsverhogingen van goud in 2012 enorme hoeveelheden goud, in baren werden doorverkocht tegen contanten. Het totale cashverbod op oude metalen, koperkabels en edele stoffen werd gegrond geacht gelet op het verhoogde risico op het witwassen van geld en heling die werd vastgesteld met betrekking tot deze goederen. Het sluit bovendien aan bij het Nationaal Veiligheidsplan 2016-2019 met betrekking tot de eigendomscriminaliteit, met name door bij te dragen tot een geïntegreerde aanpak van heling en tot een gerichte bestuurlijke aanpak van rondtrekkende dadergroepen door de controle van handelszaken waar vermoedelijk gestolen goederen doorverkocht worden, te verhogen » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2566/003, pp. 13-14). Ten aanzien van het enige middel Wat het eerste onderdeel betreft B.
  21. In het eerste onderdeel van het enige middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepaling een discriminerend verschil in behandeling in te voeren tussen, enerzijds, de professionele handelaars wier activiteit betrekking heeft op de handel in oude metalen, koperkabels of goederen die edele stoffen bevatten en, anderzijds, de professionele handelaars wier activiteit betrekking heeft op de handel in andere goederen en wordt uitgeoefend in een sector waar frequent in contanten wordt betaald. De professionele handelaars die behoren tot de eerste categorie kunnen de verrichtingen die zij onder elkaar doen, niet in contanten regelen en zij kunnen, wanneer zij oude metalen of goederen die edele stoffen bevatten van consumenten aankopen, de prijs slechts tot een bedrag van 500 euro in contanten betalen. De 8 professionele handelaars van de tweede categorie kunnen de verrichtingen die zij onder elkaar en met consumenten doen, daarentegen tot een bedrag van 3 000 euro in contanten regelen. B.
  22. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.4.
  23. Het in B.2 omschreven verschil in behandeling berust op de aard van het goed dat het voorwerp van de verrichting vormt. Een dergelijk criterium is objectief. Het Hof moet nagaan of het relevant is in het licht van het door de bestreden bepaling nagestreefde doel en of het evenredig is met dat doel. B.4.
  24. In het algemeen draagt de beperking van het gebruik van contanten bij tot het legitieme doel dat bestaat in het voorkomen van het witwassen van geld. Meer bepaald is het « totaalverbod om voor oude metalen, koperkabels of goederen die edele stoffen bevatten in contanten te betalen door een aankoper die geen consument is, […] gegrond, gelet op het verhoogde risico op het witwassen van geld en de heling die werd vastgesteld met betrekking tot deze goederen » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2566/001, p. 200). B.5.
  25. Wanneer de wetgever vaststelt dat een economische sector of een bepaalde commerciële markt in het bijzonder wordt blootgesteld aan het risico van frauduleuze verrichtingen of dat die regelmatig wordt gebruikt om de opbrengst van onwettige activiteiten te verhelen, staat het aan hem de maatregelen te nemen die nodig zijn om die fenomenen te bestrijden. 9 B.5.
  26. Uit de in B.4.2 aangehaalde memorie van toelichting met betrekking tot de bestreden bepaling en uit de antwoorden van de minister in de kamercommissie zoals weergegeven in B.1.3, blijkt dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de verrichtingen met betrekking tot oude metalen, koperkabels of voorwerpen die edele stoffen bevatten, een groter risico vormden dan de verrichtingen met betrekking tot andere voorwerpen in het licht van het door de wet nagestreefde doel. Het criterium waarop het aangeklaagde verschil in behandeling berust, is derhalve relevant ten opzichte van het nagestreefde doel. B.5.
  27. Voor het overige kan het gegeven dat andere economische sectoren eveneens betrokken zouden kunnen zijn bij het fenomeen van het witwassen van geld afkomstig uit illegale activiteiten, de bestreden bepaling niet onverantwoord maken. De wetgever vermocht immers redelijkerwijs ervan uit te gaan dat strengere maatregelen dienden te worden genomen om de strijd tegen dat fenomeen in de betrokken sector aan te binden, zonder daarom het toepassingsgebied van de bepaling uit te breiden tot andere sectoren die, in het licht van het risico dat hij wilde bestrijden, andere kenmerken vertonen. B.
  28. Ten slotte heeft de bestreden bepaling geen onevenredige gevolgen voor de professionele handelaars van de beoogde sector die hun verrichtingen niet in contanten kunnen regelen. De elektronische betaalmiddelen of de betaling via bankoverschrijving zijn vandaag immers wijdverspreid en kunnen courant worden gebruikt door de professionele handelaars en de consumenten, zodat er toegankelijke alternatieven bestaan voor de betaling in contanten. B.
  29. Voor het overige zijn de grieven waarin de bestreden bepaling wordt verweten zonder verantwoording te voorzien in een identieke behandeling van, ten eerste, de professionele handelaars van de sector van de oude metalen en de professionele handelaars van de sector van de goederen die edele stoffen bevatten, ten tweede, de professionele handelaars van de subsectoren van de goederen die goud, platina, zilver en palladium bevatten en, ten derde, de « rondtrekkende aankopers met een dubieus verleden » en de « oprechte en betrouwbare lokale handelaars », voor het eerst geuit in de memorie van antwoord van de verzoekende partijen. Zij dienen dus als nieuwe middelen te worden beschouwd en zijn derhalve niet ontvankelijk. 10 Wat het tweede onderdeel betreft B.
  30. In het tweede onderdeel van het enige middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepaling afbreuk te doen aan de vrijheid van ondernemen, die verankerd zou zijn in artikel 23 van de Grondwet, in de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht en in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. B.9.
  31. Artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet bepaalt : « Die rechten omvatten inzonderheid : 1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen ». Die bepaling vermeldt het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid onder de economische, sociale en culturele rechten. B.9.
  32. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 23 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever de vrijheid van handel en nijverheid of de vrijheid van ondernemen niet heeft willen verankeren in de begrippen « recht op arbeid » en « vrije keuze van beroepsarbeid » (Parl. St., Senaat, BZ 1991-1992, nr. 100-2/3°, p. 15; nr. 100-2/4°, pp. 93 tot 99; nr. 100-2/9°, pp. 3 tot 10). Eenzelfde benadering blijkt eveneens uit de indiening van verschillende voorstellen tot « herziening van artikel 23, derde lid, van de Grondwet, teneinde het aan te vullen met een 6°, ter vrijwaring van de vrijheid van handel en nijverheid » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1930/1; Senaat, BZ 2010, nr. 5-19/1; Kamer, 2014-2015, DOC 54-0581/001). B.10.
  33. De wet van 28 februari 2013 die artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht heeft ingevoerd, heeft het zogenaamde decreet d’Allarde van 2-17 maart 1791 opgeheven. Dat decreet, dat de vrijheid van handel en nijverheid waarborgde, heeft het Hof meermaals in zijn toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betrokken. 11 B.10.
  34. De vrijheid van ondernemen, bedoeld in artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht, moet worden uitgeoefend « met inachtneming van de in België van kracht zijnde internationale verdragen, van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid zoals vastgesteld door of krachtens de internationale verdragen en de wet » (artikel II.4 van hetzelfde Wetboek). De vrijheid van ondernemen dient derhalve in samenhang te worden gelezen met de toepasselijke bepalingen van het Europese Unierecht, alsook met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waaraan, als bevoegdheidverdelende regel, het Hof rechtstreeks vermag te toetsen. Ten slotte wordt de vrijheid van ondernemen eveneens gewaarborgd door artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. B.10.
  35. Het Hof dient de bestreden bepaling derhalve te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van ondernemen. B.
  36. De vrijheid van ondernemen kan niet als een absolute vrijheid worden opgevat. Zij belet niet dat de bevoegde wetgever de economische bedrijvigheid van personen en ondernemingen regelt. De wetgever zou pas onredelijk optreden indien hij de vrijheid van ondernemen zou beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat of indien die beperking onevenredig zou zijn met het nagestreefde doel. B.12.
  37. Zoals is vermeld in B.4.2, is de bestreden bepaling verantwoord door het doel dat erin bestaat de strijd aan te binden tegen het witwassen van geld en tegen heling. B.12.
  38. In de veronderstelling dat het verbod op betalingen in contanten bij de aankoop, door professionele handelaars, van oude metalen, koperkabels of goederen die edele stoffen bevatten, een aantasting van de vrijheid van ondernemen vormt, dan zou die aantasting eveneens, om de redenen die zijn uiteengezet in B.5.2 en in B.6, redelijk verantwoord zijn door het voormelde doel. 12 Wat het derde onderdeel betreft B.
  39. In het derde onderdeel van het enige middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepaling op onverantwoorde wijze afbreuk te doen aan het eigendomsrecht, gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet, bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. B.
  40. De bestreden bepaling leidt tot geen enkele beroving van eigendom, noch van de beoogde goederen, noch van de contanten waarvan de professionele handelaars van de betrokken sector eigenaar zijn. Zij houdt evenmin een beperking in van het vrije genot van die goederen, daar de beoogde professionele handelaars de contanten die zij bezitten, vrij kunnen plaatsen op een bankrekening en hun verrichtingen kunnen regelen door een betalingsverkeer op die rekening. Voor het overige zetten de verzoekende partijen niet uiteen hoe het verbod op de vereffening, in contanten, van de verrichtingen die door de bestreden bepaling worden beoogd, afbreuk zou doen aan het eigendomsrecht van de professionele handelaars van de betrokken sector. B.
  41. Het enige middel is in geen van zijn onderdelen gegrond. 13 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 oktober
  42. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.141 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.078 ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.048 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.912 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.