← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.143

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.143 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191017.12 Arrest- Rolnummer: 143/2019 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-11-05 Raadplegingen: 249 - laatst gezien 2026-06-28 22:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 153, § 3, eerste en derde lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen schendt niet de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 23, van de Grondwet. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - MEDISCH- EN GEZONDHEIDSRECHT - Laboratoria PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 153, § 3, eerste en derde lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gesteld door de Raad van State. Economisch recht - Beroepen - Paramedische beroepen - Medisch laboratorium technoloog - Uitoefening van het beroep - Overgangsrecht - Verworven rechten. Tekst van de beslissing Rolnummer 6929 Arrest nr. 143/2019 van 17 oktober 2019 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 153, § 3, eerste en derde lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 241.445 van 8 mei 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 mei 2018, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 153, § 3, eerste en derde lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, in die zin geïnterpreteerd dat de personen die de afwijking kunnen genieten van de noodzaak van de erkenning op grond van de verkregen rechten, enkel ertoe zouden worden gemachtigd bepaalde handelingen van het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog, en niet alle handelingen van dat beroep, uit te voeren, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23, in zoverre die interpretatie ertoe zou leiden dat het recht op arbeid van personen die nochtans geschikt zijn om dezelfde activiteit als de naar behoren erkende medisch-laboratoriumtechnologen te verrichten, op onevenredige wijze wordt ingeperkt ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Carine Riquette, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Cambier en Mr. D.-H. Nguyen, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. C. Caillet, advocaten bij de balie te Brussel; - de Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-F. De Bock en Mr. V. De Schepper, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 5 juni 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 26 juni 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de Ministerraad om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 26 juni 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 17 juli 2019. Op de openbare terechtzitting van 17 juli 2019 : - zijn verschenen : . Mr. D.-H. Nguyen, voor Carine Riquette; . Mr. C. Caillet, tevens loco Mr. E. Jacubowitz, voor de Ministerraad; . Mr. V. De Schepper, tevens loco Mr. J.-F. De Bock, voor de Franse Gemeenschap; - hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Carine Riquette is medisch-laboratoriumtechnoloog sinds 1 mei 1982. Op 9 april 2014 dient zij een aanvraag in tot afwijking van de verplichting om te beschikken over een erkenning als medisch-laboratoriumtechnoloog, op grond van artikel 54ter, § 3, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 « betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen », dat artikel 153, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen is geworden. De afwijking geldt voor de personen die een nuttige beroepservaring kunnen aantonen zonder te beschikken over het diploma dat vereist is voor de uitoefening van hun beroep. Bij een ministerieel besluit van 30 juni 2015, verkrijgt Carine Riquette de aangevraagde afwijking en mag zij de beroepstitel van medisch-laboratoriumtechnoloog voeren. De afwijking is evenwel beperkt tot de handelingen die op limitatieve wijzen zijn opgesomd in de bijlage van het besluit, namelijk het op punt stellen en het uitvoeren van onderzoeken in vitro op stalen van menselijke oorsprong, de chemische onderzoeken, de hematologische onderzoeken, de immunologische onderzoeken, de microbiologische onderzoeken, de pathologisch-anatomische onderzoeken en de genetische onderzoeken. Voor de andere handelingen die een medisch-laboratoriumtechnoloog mag stellen, heeft Carine Riquette geen afwijking verkregen. Carine Riquette heeft die beslissing, wegens het beperkte karakter ervan, aldus betwist in het kader van een intern administratief beroep, dat evenwel geen resultaat heeft opgeleverd. Vervolgens heeft zij een zaak aanhangig gemaakt bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het is in het kader van die rechtspleging dat de verwijzende rechter, bij een arrest van 8 mei 2018, de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag heeft gesteld. III. In rechte -A- A.1.1. Carine Riquette voert aan dat de interpretatie volgens welke de afwijking van de verplichting om te beschikken over een erkenning als medisch-laboratoriumtechnoloog, op grond van de verworven rechten, gedeeltelijk kan zijn, onevenredige gevolgen met zich meebrengt. Het kan voor de betrokken personen immers moeilijk of onmogelijk zijn om aan te tonen dat alle handelingen hebben verricht die onder het beroep ressorteren, vooral voor de vroegste loopbaanjaren. Voor Carine Riquette is het materieel onmogelijk om alle handelingen te bewijzen die zij in de loop van haar lange loopbaan heeft gesteld, daar het archiefsysteem van het ziekenhuis dat haar heeft aangeworven, dat niet toelaat. De in het geding zijnde bepaling is dus discriminerend omdat zij personen in verschillende situaties, namelijk diegenen die hun ervaring kunnen aantonen omdat hun loopbaan recent is, en diegenen die dat niet kunnen omdat zij een zeer lange loopbaan hebben, op identieke wijze behandelt. 4 A.1.2. Volgens Carine Riquette behandelt de Franse Gemeenschap de in artikel 153, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 beoogde laboratoriumtechnologen overigens op dezelfde wijze als diegenen die worden beoogd in artikel 153, § 3, derde lid, van dezelfde wet, terwijl zij zich in verschillende situaties bevinden. Terwijl de eerstgenoemden op 10 juli 1993 (namelijk de datum van bekendmaking van het koninklijk besluit van 2 juni 1993 « betreffende het beroep van medisch laboratorium technoloog ») een nuttige ervaring van minstens drie jaar moeten aantonen, moeten de laatstgenoemden pas op 1 oktober 2017 (datum ingevoegd in artikel 153, § 3, derde lid, bij een wet van 11 augustus 2017) een ervaring van minstens drie jaar aantonen. De laatstgenoemden hebben hun loopbaan dus aangevat wetende dat specifieke beroepskwalificaties vereist waren en dat zij in het bezit moesten zijn van een erkenning om het beroep uit te oefenen. Voor de eerstgenoemden is daarentegen geen rekening gehouden met de ruimere ervaring, noch met de verschillende context waarin die personen hun loopbaan hebben aangevat. A.1.3. Zij is ook van mening dat een discriminatie bestaat tussen de personen die op 10 juli 1993 of op 1 oktober 2017 reeds drie jaar handelingen als laboratoriumtechnoloog stellen, enerzijds, en de personen die zijn erkend als laboratoriumtechnoloog, anderzijds. Het is niet aangetoond dat de personen die tot de eerste categorie van personen behoren, minder geschikt zijn om het beroep uit te oefenen of om zich permanent bij te scholen voor alle handelingen die de erkende technologen stellen. A.1.4. Carine Riquette voert voorts aan dat de in het geding zijnde bepaling afbreuk doet aan het recht op arbeid verankerd in artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, in zoverre de laboratoriumtechnologen die alleen voor sommige handelingen zijn erkend, minder concurrerend zijn op de arbeidsmarkt en bijgevolg ertoe veroordeeld zijn bij hun huidige werkgever te blijven. A.2.1. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is in zoverre zij betrekking heeft op het eerste lid van artikel 153, § 3, daar alleen artikel 153, § 3, derde lid, de kwestie van de verworven rechten regelt voor de handelingen die specifiek vallen onder het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog, en derhalve van toepassing is op het voor de verwijzende rechter hangende geschil. A.2.2. De Ministerraad preciseert vervolgens dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de personen die kunnen worden erkend voor het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog daar zij in het bezit zijn van het vereiste diploma en, anderzijds, de personen die op 10 juli 1993 sinds minstens drie jaar onder dat beroep ressorterende handelingen verrichten zonder evenwel in het bezit te zijn van het vereiste diploma. Het criterium van onderscheid, namelijk het al dan niet in het bezit zijn van het vereiste diploma, is objectief. Het door de wetgever nagestreefde legitieme doel, door een erkenning op te leggen voor de paramedische beroepen, bestaat erin de kwaliteit van de verstrekte gezondheidszorg te verzekeren. De in het geding zijnde overgangsmaatregel strekt ertoe te voorkomen dat een te groot aantal personen hun werk verliezen en dat de ziekenhuizen te kampen krijgen met een tekort aan personeel. Ten slotte is het niet onredelijk de inaanmerkingneming van de nuttige ervaring van de personen die een praktische ervaring kunnen aantonen zonder in het bezit te zijn van het vereiste diploma te beperken tot de handelingen waarvoor die personen werkelijk een ervaring kunnen aantonen. Die personen behouden immers hun betrekking en blijven verder de handelingen verrichten waarvoor zij werkelijk beschikken over een nuttige ervaring. De in het geding zijnde bepaling, en mutatis mutandis artikel 153, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, schenden de in de prejudiciële vraag beoogde normen niet. A.3.1. De Franse Gemeenschap voert aan dat het uitgangspunt van de prejudiciële vraag verkeerd is. Het is niet correct aan te voeren dat de personen op wie de in het geding zijnde bepaling betrekking heeft, geschikt zijn om dezelfde handelingen te verrichten als de naar behoren erkende laboratoriumtechnologen. Zij zijn alleen geschikt om de activiteiten uit te oefenen die zij in het verleden werkelijk hebben verricht. Indien zij alle activiteiten hebben verricht die de naar behoren erkende technologen kunnen uitoefenen, kunnen zij aldus het voordeel van de verworven rechten voor al die activiteiten aanvoeren. Hieruit vloeit geen onevenredige beperking van het recht op arbeid voort. De prejudiciële vraag behoeft derhalve geen antwoord. 5 A.3.2. In ondergeschikte orde voert de Franse Gemeenschap aan dat de personen die niet voldoen aan de opgelegde bekwaamheidsvoorwaarden, maar die gedurende ten minste drie jaar prestaties hebben verricht die ressorteren onder het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog, enerzijds, en de naar behoren erkende medisch-laboratoriumtechnologen, anderzijds, niet vergelijkbaar zijn in het licht van hun bekwaamheden en de kwaliteit van hun prestaties. Het door de wetgever nagestreefde doel, namelijk het statuut van de paramedische beroepen beschermen en de kwaliteit van de prestaties verzekeren, is legitiem. Hetzelfde geldt voor het algemene en specifieke systeem van de verworven rechten : de wetgever heeft, enerzijds, rekening willen houden met de situatie van de personen die in het verleden een paramedisch beroep zonder het vereiste diploma en zonder de vereiste erkenning hebben uitgeoefend en, anderzijds, willen voorkomen dat talrijke medisch-laboratoriumtechnologen hun betrekking verliezen. Het criterium van onderscheid is objectief en relevant ten opzichte van de nagestreefde doelstellingen. Immers, ten aanzien van de medisch-laboratoriumtechnoloog die een zekere beroepservaring heeft zonder in het bezit te zijn van het vereiste diploma om het beroep uit te oefenen, kan de kwaliteit van de prestaties alleen worden gewaarborgd voor de prestaties die hij werkelijk gedurende drie jaar heeft verricht. Daarnaast wordt niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de niet-erkende personen. Die laatsten wordt niet belet zich bij te scholen om te voldoen aan de gestelde kwalificatievoorwaarden. Bovendien, indien zij alle activiteiten van het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog werkelijk hebben uitgeoefend, kunnen zij het voordeel van de verworven rechten voor al die activiteiten genieten. De Franse Gemeenschap is in ondergeschikte orde van mening dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.4. Carine Riquette antwoordt dat de Franse Gemeenschap heeft beslist om zowel het eerste lid als het derde lid van artikel 153, § 3, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 toe te passen, zodat de prejudiciële vraag niet gedeeltelijk onontvankelijk is. Zij antwoordt voorts dat het onjuist is dat de in het geding zijnde maatregel de betrokken personen niet zou beletten om te voldoen aan de gestelde voorwaarden en zich bij te scholen. De personen die de activiteit van medisch-laboratoriumtechnoloog hebben moeten beëindigen omdat zij niet beantwoordden aan de vóór 2 december 2014 gestelde kwalificatievoorwaarden, zijn de facto uitgesloten van de mogelijkheid om een afwijking te genieten op grond van de verworven rechten. De invoeging van de datum van « 1 oktober 2017 » in de in het geding zijnde bepaling, na het vernietigingsarrest nr. 148/2016 van het Hof, heeft echter tot gevolg gehad dat die personen de afwijking zouden hebben kunnen genieten op grond van de verworven rechten. A.5.1. De Ministerraad onderschrijft de argumentatie van de Franse Gemeenschap volgens welke de prejudiciële vraag gedeeltelijk onontvankelijk is daar het uitgangspunt ervan verkeerd is. In elk geval behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord in zoverre zij betrekking heeft op het eerste lid van artikel 153, § 3. Vervolgens is hij van mening dat Carine Riquette het Hof verzoekt zich uit te spreken over een verschil in behandeling dat niet het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag, namelijk het verschil in behandeling tussen de personen die op 10 juli 1993 sinds drie jaar handelingen stellen die vallen onder het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog en de personen die op 1 oktober 2017 die handelingen sinds minstens drie jaar verrichten. A.5.2. In ondergeschikte orde is de argumentatie van Carine Riquette niet gegrond. Allereerst moet de nuttige ervaring van minstens drie jaar alleen op 1 oktober 2017 worden aangetoond, ongeacht of de persoon in kwestie vóór of na 1993 is aangeworven. Die situatie is niet discriminerend. Enerzijds is het niet vereist dat die persoon aantoont een handeling te hebben gesteld op het ogenblik dat de lijst van de prestaties die kunnen worden toevertrouwd aan medisch-laboratoriumtechnologen nog niet was opgemaakt. De wetgeving heeft dus geen terugwerkende kracht, zodat het arrest nr. 154/2002 van het Hof geenszins kan worden omgezet. Anderzijds is het niet discriminerend de personen die een afwijking aanvragen op grond van verworven rechten en die hun betrekking hebben aangevat op een ogenblik dat de lijst van de handelingen is bekendgemaakt dan wel op een ogenblik dat zij wisten dat dat beroep aan een erkenning wordt onderworpen, en de personen die onder dat beroep ressorterende handelingen hebben uitgevoerd vóór de bekendmaking van die lijst, identiek te behandelen. Uit het arrest nr. 148/2016 van het Hof vloeit voort dat de personen die op 10 juli 1993 sinds drie 6 jaar handelingen stellen die ressorteren onder het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog, zich bevinden in een situatie die identiek is aan die van de personen die op 1 oktober 2017 over die ervaring beschikken. In beide gevallen bezitten die personen niet de vereiste kwalificaties en zijn zij niet erkend. Het is overigens gemakkelijker voor personen met een langere loopbaan om hun nuttige ervaring aan te tonen ten aanzien van een groot aantal handelingen. Ten tweede is de eventuele moeilijkheid om aan te tonen dat in het verleden sommige handelingen werden uitgevoerd die ressorteren onder het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog, een feitelijke situatie die niet voortvloeit uit de wet. A.5.3. Volgens de Ministerraad bevinden de personen die in het bezit zijn van een erkenning en de personen die het voordeel van de afwijking op grond van verworven rechten aanvragen, zich niet in een identieke situatie. Hij herinnert overigens eraan dat, voor de personen die niet in het bezit zijn van het diploma dat aantoont dat zij geschikt zijn om alle handelingen te stellen die aan een medisch-laboratoriumtechnoloog kunnen worden toevertrouwd, het niet onevenredig is alleen rekening te houden met de werkelijk opgedane ervaring. De vrije keuze van een beroepsactiviteit kan worden beperkt. Het feit dat de personen die de afwijking op grond van verworven rechten genieten, mogelijk minder concurrerend zijn op de arbeidsmarkt dan de erkende personen, brengt het voorgaande niet in het geding. De Ministerraad besluit dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.6. De Franse Gemeenschap acht de bewering volgens welke de personen met een zeer lange loopbaan niet in staat zouden zijn hun verworven ervaring aan te tonen, weinig waarschijnlijk en niet aangetoond. Bovendien kunnen de handelingen die moeilijk kunnen worden bewezen, alleen handelingen zijn die bij de aanvang van de loopbaan of uitzonderlijk zijn verricht, zodat zij in elk geval niet relevant zijn. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.1. Artikel 153, § 3, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (hierna : de gecoördineerde wet van 10 mei 2015) bevat een overgangsregeling voor de personen die paramedische beroepen uitoefenen zonder te voldoen aan de gestelde kwalificatievoorwaarden, maar die voor het betrokken beroep een nuttige beroepservaring kunnen aantonen. Het bepaalt : « In afwijking van artikel 72, § 1, mogen personen die niet voldoen aan de in artikel 72, § 2, tweede lid, gestelde kwalificatievoorwaarden maar die, op het moment waarop de lijst van de prestaties of de lijst van de handelingen in verband met het paramedisch beroep waartoe zij behoren gepubliceerd wordt, sinds minstens drie jaar deze prestaties of handelingen hebben uitgevoerd, dezelfde werkzaamheden blijven verrichten onder dezelfde voorwaarden als de beoefenaars van de paramedische beroepen die zulke prestaties of handelingen uitvoeren. 7 In afwijking van artikel 72, § 1, mogen personen die niet voldoen aan de in artikel 72, § 2, tweede lid, gestelde kwalificatievoorwaarden voor hun paramedisch beroep, waarvoor geen opleiding bestaat in de zin van bovengenoemde kwalificatievoorwaarden, dezelfde werkzaamheden blijven verrichten onder dezelfde voorwaarden als de beoefenaars van de paramedische beroepen die zulke prestaties of handelingen uitvoeren, voor zover zij op het moment waarop de eerste diploma's worden uitgereikt die een opleiding bekronen die overeenstemt met de in artikel 72, § 2, tweede lid, bedoelde voorwaarden, deze prestaties of handelingen uitvoeren. In afwijking van het eerste lid en in afwijking van artikel 72, § 1, mogen personen die niet voldoen aan de in artikel 72, § 2, tweede lid, gestelde kwalificatievoorwaarden voor de beroepen van technoloog medische beeldvorming of medisch laboratorium technoloog, maar die op 1 oktober 2017 gedurende minstens drie jaar handelingen van het beroep van technoloog medische beeldvorming of medisch laboratorium technoloog hebben uitgevoerd, dezelfde handelingen blijven verrichten onder dezelfde voorwaarden als de technologen medische beeldvorming of de medisch laboratorium technologen die deze handelingen uitvoeren. […] Op straffe van verlies van het voordeel verleend bij de bepaling van het eerste of tweede lid van deze paragraaf, moeten zij zich bij de minister bevoegd voor Volksgezondheid, bekend maken volgens een door de Koning vastgestelde procedure; bij deze gelegenheid vermelden zij de werkzaamheden waarvoor zij het voordeel van de verkregen rechten inroepen. De door de Koning bepaalde procedure zal onder meer de wijze vaststellen waarop het bewijs van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde prestaties of handelingen moet worden geleverd ». De datum van 1 oktober 2017 in het hiervoor aangehaalde derde lid, is bij artikel 54 van de wet van 11 augustus 2017 « houdende diverse bepalingen inzake gezondheid » ingevoegd naar aanleiding van de vernietiging van de woorden « op 2 december 2013 » door het Hof bij zijn arrest nr. 148/2016 van 24 november 2016. B.1.2.1. Artikel 72 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, waarnaar in het voormelde artikel 153 wordt verwezen, bepaalt : « § 1. Buiten de beoefenaars, bedoeld in artikel 3, § 1, en de artikelen 4, 6, 43, 68/1 en 68/2 voor wat betreft de prestaties verbonden aan hun respectieve kunst, mag niemand prestaties verrichten die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of handelingen uitvoeren die bedoeld zijn in artikel 69, 2° en 3°, die niet houder is van een erkenning afgegeven door de minister bevoegd voor Volksgezondheid. § 2. De Koning bepaalt, op advies van de Federale raad voor paramedische beroepen, de voorwaarden en de regels tot het verkrijgen, het behouden en het intrekken van de in de eerste paragraaf bedoelde erkenning. 8 Deze erkenning mag enkel toegekend worden aan personen die voldoen aan de vereiste kwalificatievoorwaarden die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of ter uitvoering van artikel 69, 2° en 3°. […] ». Die bepaling maakt deel uit van hoofdstuk 7 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, met als opschrift « De uitoefening van de paramedische beroepen », dat eveneens de artikelen 69, 70, 71 en 73 van die wet bevat. B.1.2.2. Artikel 69 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 bepaalt : « Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder uitoefening van een paramedisch beroep : 1° het gewoonlijk verrichten door andere personen dan deze bedoeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6, 43, 45, 68/1 en 68/2 van technische hulpprestaties die verband houden met het stellen van de diagnose of met het uitvoeren van de behandeling, zoals zij nader bepaald zullen kunnen worden in uitvoering van artikel 71; 2° het gewoon uitvoeren van de in artikel 23, § 1, eerste lid en § 2, derde lid bedoelde handelingen; 3° het gewoon uitvoeren van de in artikel 24 bedoelde handelingen ». Artikel 70 van dezelfde wet bepaalt : « De Koning stelt de lijst vast van de paramedische beroepen ». Artikel 71 van dezelfde wet bepaalt : « § 1. De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, tweede lid, de in artikel 69, 1° bedoelde prestaties nader bepalen en de voorwaarden vaststellen waaronder zij moeten worden uitgevoerd. Hij kan eveneens, overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, tweede lid, de vereiste kwalificatievoorwaarden bepalen waaraan de personen moeten voldoen die deze prestaties verrichten. § 2. De Koning kan, op advies van de Federale raad voor paramedische beroepen, de beroepstitels bepalen waaronder de betrokkenen die in artikel 69 bedoelde prestaties en handelingen verrichten ». 9 Ten slotte bepaalt artikel 73 van dezelfde wet : « § 1. Niemand mag een beroepstitel dragen die betrekking heeft op één van de prestaties die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of op handelingen die bedoeld zijn in artikel 69, 2° en 3°, zo hij niet houder is van de erkenning bedoeld in artikel 72, § 1. […] ». B.1.3. Het beroep « medische laboratoriumtechnologie » is opgenomen in de lijst van de paramedische beroepen die is vastgesteld bij het koninklijk besluit van 2 juli 2009 « tot vaststelling van de lijst van de paramedische beroepen » (artikel 1, 6°), zoals gewijzigd bij een koninklijk besluit van 15 januari 2019. B.1.4.1. De vereisten om het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog uit te oefenen, zijn vastgelegd bij het koninklijk besluit van 2 juni 1993 « betreffende het beroep van medisch laboratorium technoloog », bekendgemaakt op 10 juli 1993. Dat besluit is vervolgens opgeheven bij het koninklijk besluit van 17 januari 2019 « betreffende het beroep van medisch laboratorium technoloog », bekendgemaakt op 12 februari 2019. Zowel het koninklijk besluit van 2 juni 1993 als het koninklijk besluit van 17 januari 2019 regelen de draagwijdte van de beroepstitel van medisch-laboratoriumtechnoloog, stellen de kwalificatievoorwaarden vast voor de uitoefening van het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog, met name de voorwaarden met betrekking tot het diploma, de stage en de voortgezette opleiding, alsook, in de respectieve bijlagen ervan, de lijst van de handelingen die een medisch-laboratoriumtechnoloog mag stellen. B.1.4.2. Artikel 7 van het koninklijk besluit van 17 januari 2019 voert daarnaast een nieuwe overgangsbepaling in voor de personen die gedurende minstens drie jaar de handelingen hebben verricht die ressorteren onder het daarin bepaalde beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog. 10 Het bepaalt : « § 1. De personen die op datum van inwerkingtreding van dit besluit gedurende minstens drie jaar de volgende handelingen hebben gesteld : 1° laboratoriumonderzoeken : het voorbereiden, het uitvoeren en het op punt stellen van onderzoeken in vitro op stalen van menselijke oorsprong :

  1. a)moleculair biologisch onderzoek;
  2. b)onderzoek van menselijk lichaamsmateriaal; 2° voorbereiding en manipulatie van biologische materialen voor therapeutische doeleinden; mogen dezelfde handelingen blijven verrichten onder dezelfde voorwaarden als de beoefenaars van het beroep van medisch laboratorium technoloog die deze handelingen uitvoeren. § 2. De personen die van de bepalingen bedoeld in paragraaf 1 wensen te genieten dienen zich bij de bevoegde autoriteit bekend te maken, binnen zeven jaar vanaf de inwerkingtreding van dit koninklijk besluit ». B.1.5. Vervolgens, zoals blijkt uit artikel 72, § 1, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, moeten de personen die het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog wensen uit te oefenen, naast de hiervoor beschreven kwalificaties, houder zijn van een erkenning afgegeven door de minister bevoegd voor Volksgezondheid. De voorwaarden voor het verkrijgen van die erkenning zijn vastgesteld bij het koninklijk besluit van 18 november 2004 betreffende de erkenning van de beoefenaars van de paramedische beroepen, waarvan artikel 20 de Koning ermee heeft belast, per betrokken paramedisch beroep, de datum van inwerkingtreding te bepalen. Die datum is voor het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog bij een koninklijk besluit van 7 november 2013 bepaald op 2 december 2013. B.2.1. Artikel 153 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 vloeit voert uit artikel 54ter van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 « betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen » (hierna : het koninklijk besluit nr. 78). 11 Artikel 54ter is in het koninklijk besluit nr. 78 ingevoegd bij artikel 16 van de wet van 19 december 1990 « tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies met het oog op de bescherming van de beroepstitels van medici en paramedici » (hierna : de wet van 19 december 1990). Het is vervolgens vervangen bij artikel 180 van de wet van 25 januari 1999 « houdende sociale bepalingen » en gewijzigd bij artikel 57 van de wet van 10 augustus 2001 « houdende maatregelen inzake gezondheidszorg ». B.2.2. De algemene doelstelling van de wet van 19 december 1990 bestond erin « het statuut van de paramedische beroepen in het perspectief van de Europese Eenheidsmarkt te beschermen » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1256/3, p. 10) en te waken over de kwaliteit van de paramedische prestaties. Om die doelstelling te bereiken, werd de uitoefening van paramedische beroepen voorbehouden aan de personen die over de vereiste kwalificaties beschikken. In de ogen van de wetgever diende te worden gewaarborgd dat de personen die paramedische prestaties zouden verrichten, daartoe bekwaam waren en bijgevolg een voldoende opleiding hadden gekregen. Terzelfder tijd heeft de wetgever het opportuun geacht een overgangsregeling in te voeren voor de personen die niet voldoen aan de gestelde kwalificaties, maar die in het verleden handelingen hebben verricht die ressorteren onder het beschermde paramedische beroep en aldus het recht hebben verkregen om dezelfde activiteiten voort te zetten onder dezelfde voorwaarden als de beoefenaars van de medische beroepen die die prestaties verrichten. In dat verband blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 december 1990 : « Zoals reeds het geval was voor de verpleegkundige beroepen, moeten maatregelen worden genomen teneinde verworven rechten te kunnen toekennen aan de personen die niet voldoen aan de vereiste bekwaamheidsvoorwaarden en handelingen verrichten die zijn voorbehouden aan de houders van een paramedische titel. 12 Daar die personen hun activiteiten kunnen uitoefenen buiten de verzorgingsinstellingen en de geneesheer- of tandartspraktijken, kan men niet van hun eisen dat ze op deze plaatsen gewerkt hebben. De Koning moet bijgevolg gemachtigd worden de procedure vast te stellen tot toekenning van deze verworven rechten […] » (Parl. St., Senaat, 1988-1989, nr. 779-2, p. 14); en : « Volgens de Minister dient aan de personen die hun beroep reeds gedurende een zekere tijd beoefenen, de mogelijkheid te worden gegeven daarmee door te gaan. Het probleem rijst in het bijzonder voor de kinesitherapeuten, de masseurs, de pedicures en de beoefenaars van de podologie. In dit verband kan verwezen worden naar de oplossing die indertijd voor de verplegers werd gevonden » (ibid., p. 16). B.2.3. Artikel 54ter, zoals ingevoegd in het koninklijk besluit nr. 78 bij de wet van 19 december 1990, is vervolgens vervangen bij artikel 180 van de wet van 25 januari 1999 « houdende sociale bepalingen », voor de medisch-laboratoriumtechnologen in werking getreden op 1 december 2013 (koninklijk besluit van 7 november 2013 « tot vaststelling van de datum van het inwerkingtreden van de artikelen 177, 179 en 180 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, voor het beroep van technoloog medische beeldvorming »). De wet van 25 januari 1999 heeft, in artikel 24 van het koninklijk besluit nr. 78, een vereiste ingevoerd van een erkenning die door de minister van Volksgezondheid wordt verleend om prestaties of handelingen te mogen verrichten die onder een paramedisch beroep ressorteren. De oorspronkelijke tekst van artikel 54ter van het koninklijk besluit nr. 78 werd bijgevolg aangepast en aangevuld opdat een erkenning, bij wijze van overgangsmaatregel, zou kunnen worden verleend aan de in die bepaling vermelde personen (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1722/1, p. 70) en opdat de personen die, in de overgangsregeling zoals die welke bij de wet van 19 december 1990 was ingevoerd, niet voldoen aan de overeenkomstig artikel 23 van het koninklijk besluit nr. 78 opgelegde kwalificatievoorwaarden, zouden kunnen worden vrijgesteld van een erkenning : 13 « Aansluitend bij de wijziging van de wijze waarop de toegang tot een paramedisch beroep mogelijk wordt, worden de overgangsbepalingen van artikel 54ter van het koninklijk besluit nr. 78 gewijzigd, zodat deze bepalingen beter aansluiten bij de realiteit van de paramedische beroepen » (ibid., p. 34). B.2.4. Ten slotte is het huidige derde lid van artikel 153, § 3, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 ingevoegd bij artikel 77 van de wet van 17 juli 2015 « houdende diverse bepalingen inzake gezondheid ». Het bevat een specifieke regeling inzake verworven rechten voor de beroepen van technoloog medische beeldvorming en van medisch-laboratoriumtechnoloog. Uit de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 17 juli 2015 blijkt dat « deze bepaling voorziet, in artikel 54ter, § 3, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, in een nieuwe overgangsmaatregel, in de vorm van ‘ verworven rechten ’. Personen die het beroep van technoloog medische beeldvorming of medisch laboratorium technoloog uitoefenen terwijl ze niet voldoen aan de kwalificatievoorwaarden die voor deze beroepen zijn bepaald maar die op de datum van inwerkingtreding van de erkenning van de beoefenaars van de paramedische beroepen voor hun specifieke beroepen, met name 2 december 2013, gedurende minstens drie jaar handelingen van een van die beroepen hebben uitgevoerd, hebben de mogelijkheid om dat beroep onder dezelfde voorwaarden te blijven uitoefenen. Deze nieuwe overgangsmaatregel die is toegekend aan personen die het beroep van technoloog medische beeldvorming of medisch laboratorium technoloog uitoefenen, kan worden verantwoord gelet op het gelijkheidsprincipe. Het paramedisch personeel vormt geen geheel. Elk paramedisch beroep is een volledig beroep dat het voorwerp van specifieke bepalingen kan uitmaken wegens de specifieke kenmerken die eigen zijn aan dit beroep. De specifieke kenmerken van de beroepssectoren die eigen zijn aan de medische beeldvorming technologieën en aan de medische laboratoriumtechnologieën verantwoorden objectief en redelijkerwijs de goedkeuring van de geplande wettelijke bepaling teneinde voor een zeer groot aantal beroepsbeoefenaars uit deze sectoren te voorkomen dat ze hun werk zouden verliezen en voor hun werkgevers, met name de ziekenhuizen, te voorkomen dat ze niet meer aan hun personeelsbehoeften zouden kunnen voldoen. Gelet op het verstrijken van een termijn van plus minus twintig jaar sinds de publicatie van de koninklijke besluiten tot vaststelling van de kwalificatievoorwaarden voor deze beide beroepen, is een deel van de overgangsmaatregelen zoals bepaald in artikel 54ter van het KB nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen niet meer efficiënt, meer in het bijzonder de ‘ verworven rechten ’ die een afwijking zijn van de vereiste van noodzakelijkheid van een erkenning en die bepaald zijn in artikel 54ter, § 3, van het voornoemde KB nr. 78 van 10 november 1967. 14 Indien de geplande bepaling niet wordt goedgekeurd, zullen de ziekenhuizen bijgevolg in een uiterst moeilijke situatie terechtkomen, aangezien te weinig beroepsbeoefenaars hun erkenning zullen krijgen om te voldoen aan de personeelsbehoeften. Bovendien zal het voor de scholen die de opleidingen inzake technoloog medische beeldvorming of medisch laboratorium technoloog verstrekken onmogelijk zijn om de vereiste opleidingen op tijd te verstrekken om aan deze personeelsbehoeften te voldoen » (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-1161/001, pp. 60-62). Ten aanzien van de excepties B.3. Sinds de zaak door de verwijzende rechter bij het Hof aanhangig is gemaakt, zijn de kwalificatievoorwaarden voor de medisch-laboratoriumtechnologen gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 januari 2019 « betreffende het beroep van medisch laboratorium technoloog ». Overigens, zoals blijkt uit B.1.4.1 en B.1.4.2, heft dat besluit het koninklijk besluit van 2 juni 1993 « betreffende het beroep van medisch laboratorium technoloog » op en bevat het, in artikel 7 ervan, een overgangsbepaling die het personen die gedurende minstens drie jaar vóór de inwerkingtreding van het besluit sommige handelingen hebben gesteld die ressorteren onder het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog, mogelijk maakt diezelfde handelingen onder dezelfde voorwaarden te blijven uitvoeren. Los van de vraag of die nieuwe bepaling gevolgen heeft voor het geschil voor de verwijzende rechter, hetgeen door hem dient te worden beslist, laat artikel 7 van het koninklijk besluit van 17 januari 2019 de in het geding zijnde bepaling onverlet, zodat de prejudiciële vraag niet zonder voorwerp is. B.4.1. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft in zoverre zij het eerste lid van artikel 153, § 3, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 beoogt, aangezien enkel het derde lid van die bepaling van toepassing zou zijn op het geschil voor de verwijzende rechter. 15 B.4.2. In de regel komt het de verwijzende rechter die het Hof een vraag stelt toe vast te stellen welke de normen zijn die toepasselijk zijn op het aan hem voorgelegde geschil, en, algemener, na te gaan of het antwoord op een prejudiciële vraag nuttig is om dat geschil te beslechten. Enkel wanneer het antwoord klaarblijkelijk niet nuttig is om het geschil te beslechten, met name omdat de in het geding zijnde norm klaarblijkelijk niet erop van toepassing is, vermag het Hof te beslissen dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, wat te dezen niet het geval is. B.5. De Franse Gemeenschap voert aan dat het uitgangspunt van de prejudiciële vraag, namelijk dat de personen die op grond van de verworven rechten een afwijking kunnen genieten van de verplichting om in het bezit te zijn van een erkenning, geschikt zijn om dezelfde handelingen te stellen als de naar behoren erkende laboratoriumtechnologen, verkeerd zou zijn. Het is in het kader van het onderzoek van de prejudiciële vraag dat moet worden nagegaan of die twee categorieën van personen voldoende vergelijkbaar zijn en of zij beschikken over dezelfde bekwaamheid om dezelfde handelingen te stellen. Het onderzoek van die exceptie is dus verbonden met het onderzoek van de vraag ten gronde. Ten aanzien van de prejudiciële vraag B.6. Het Hof wordt verzocht na te gaan of artikel 153, § 3, eerste en derde lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 23, van de Grondwet, schendt in die interpretatie dat, ten aanzien van de medisch-laboratoriumtechnologen die op grond van de verworven rechten de afwijking kunnen genieten van de verplichting om in het bezit te zijn van een erkenning, de toelating om de beroepsactiviteit voort te zetten kan worden beperkt tot sommige handelingen die onder dat beroep ressorteren. 16 In die interpretatie voert de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling in tussen, enerzijds, de medisch-laboratoriumtechnologen die niet beantwoorden aan de gestelde kwalificatievoorwaarden om te worden erkend, maar die op grond van de verworven rechten de afwijking kunnen genieten van de verplichting om in het bezit te zijn van een erkenning en, anderzijds, de medisch-laboratoriumtechnologen die voldoen aan de gestelde kwalificatievoorwaarden en die naar behoren erkend zijn. In de interpretatie die aan het Hof ter toetsing is voorgelegd, kan de toelating aan de eerstgenoemden om hun beroepsactiviteit voort te zetten worden beperkt tot de uitvoering van sommige handelingen die onder het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog ressorteren, terwijl de laatstgenoemden steeds wordt toegestaan alle handelingen te verrichten die onder dat beroep ressorteren. B.7.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 december 1990, aangehaald in B.2.2., vloeit voort dat de wetgever de kwaliteit van de paramedische prestaties heeft willen waarborgen wanneer hij de beoefenaars van de paramedische beroepen ertoe heeft verplicht te voldoen aan bepaalde beroepskwalificaties, rekening houdend met de situatie van de personen die in het verleden een paramedisch beroep hebben uitgeoefend zonder houder te zijn van het vereiste diploma. B.7.2. In verband met de specifieke overgangsmaatregel voor de medisch-laboratoriumtechnologen en de technologen medische beeldvorming, vervat in het derde lid van artikel 153, § 3, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 17 juli 2015, aangehaald in B.2.4, dat de wetgever, enerzijds, heeft willen voorkomen dat een groot aantal beroepsbeoefenaars hun werk verliezen aangezien zij de voor hun beroep bepaalde kwalificatievoorwaarden niet vervullen terwijl zij zich op voldoende ervaring kunnen beroepen en, anderzijds, ervoor heeft willen zorgen dat de ziekenhuizen aan hun personeelsbehoeften kunnen blijven voldoen. De wetgever heeft het nodig geacht die specifieke regeling voor de beroepen van medisch-laboratoriumtechnologen en technologen medische beeldvorming in te voeren « gelet op het verstrijken van een termijn van plus minus twintig jaar sinds de publicatie van de koninklijke besluiten tot vaststelling van de kwalificatievoorwaarden voor deze beide beroepen » (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-1161/001, p. 61). Zonder die specifieke 17 regeling zouden de betrokken beoefenaars, vóór de bekendmaking van het koninklijk besluit van 17 januari 2019, de regeling van de verworven rechten alleen hebben kunnen genieten op grond van artikel 153, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015. Aldus zouden zij, na de inwerkingtreding van de verplichting om op 2 december 2013 in het bezit te zijn van een erkenning, een nuttige beroepservaring moeten hebben aantonen van drie jaar op datum van 10 juli 1993, namelijk de datum van bekendmaking van het koninklijk besluit van 2 juni 1993 « betreffende het beroep van medisch laboratorium technoloog ». B.8. In het licht van het doel dat erin bestaat de kwaliteit van de paramedische prestaties te verzekeren, waarbij wordt voorkomen dat personen die in het verleden handelingen hebben gesteld die ressorteren onder het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog, hun beroepsactiviteit moeten beëindigen omdat zij niet voldoen aan de nieuwe vereiste kwalificaties, is het relevant die personen toe te staan verder die handelingen te stellen ten aanzien waarvan zij kunnen aantonen dat zij die tijdens de referteperiode gedurende minstens drie jaar daadwerkelijk hebben verricht. Alleen voor die handelingen kan de bevoegde overheid immers zeker zijn dat het doel om de kwaliteit van de paramedische prestaties te verzekeren, is bereikt. B.9.1. De beperking van de toestemming om de beroepsactiviteit voort te zetten tot alleen die handelingen ten aanzien waarvan de betrokken personen het bewijs leveren dat zij die in het verleden werkelijk hebben verricht, heeft geen onevenredige gevolgen. Enerzijds, kunnen die personen dezelfde handelingen verder uitoefenen als die welke zij tijdens de referteperiode gedurende minstens drie jaar hebben verricht, zonder dat zij ertoe worden verplicht zich op termijn in overeenstemming te brengen met de opgelegde kwalificatievoorwaarden. Anderzijds, verzet de in het geding zijnde bepaling zich niet ertegen dat die personen een toestemming kunnen krijgen voor alle handelingen die vallen onder het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog indien zij aantonen dat zij alle handelingen van het beroep gedurende minstens drie jaar hebben verricht. De eventuele moeilijkheden die die personen kunnen ondervinden om aan te tonen dat zij alle of sommige handelingen die onder het beroep van medisch-laboratoriumtechnoloog vallen, in het verleden hebben gesteld, vloeien niet voort uit de in het geding zijnde bepaling, maar vallen onder de toepassing van de wet. 18 B.9.2. De in het geding zijnde bepaling is dus niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 23, van de Grondwet. B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 19 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 153, § 3, eerste en derde lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen schendt niet de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 23, van de Grondwet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 oktober 2019. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.143 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.