← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.144

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.144 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191017.13 Arrest- Rolnummer: 144/2019 Rechtsgebied: Familierecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-11-05 Raadplegingen: 277 - laatst gezien 2026-06-28 22:07 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 1476quater, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SAMENWONEN - Wettelijk samenwonen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1476quater van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Burgerlijk recht - Burgerlijk Wetboek - Wettelijke samenwoning - Weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om melding te maken van de verklaring van wettelijke samenwoning - Beroep bij de familierechtbank - Termijn die tijdens de gerechtelijke vakantie ingegaan is of verstrijkt - Onmogelijkheid van verlenging. Tekst van de beslissing Rolnummer 6936 Arrest nr. 144/2019 van 17 oktober 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1476quater van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 17 mei 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 mei 2018, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1476quater, laatste lid van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet : - voor zover het geen verlenging van de termijn van ‘ beroep ’ toestaat wanneer die termijn binnen de gerechtelijke vakantie begint te lopen en ook verstrijkt, - terwijl artikel 50, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, indien de termijn van hoger beroep, voorzien in de artikelen 1051 en 1253quater,

  1. c)en
  2. d)van het Gerechtelijk Wetboek binnen de gerechtelijke vakantie begint te lopen en ook verstrijkt, verlengd wordt tot de vijftiende dag van het nieuw gerechtelijk jaar ? ». Memories zijn ingediend door : - de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Gent, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Decordier, advocaat bij de balie te Gent; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Ronse en Mr. T. Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 5 juni 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 26 juni 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 26 juni 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 24 februari 2017 hebben A.B., van Ghanese nationaliteit, en L.O., van Belgische nationaliteit, een verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Gent. Na regelmatige verlenging van de termijnen heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand op 13 juli 2017 de registratie van de wettelijke samenwoning geweigerd omdat het een schijnrelatie zou betreffen. Op 14 juli 2017 hebben A.B. en L.O. de aangetekende brieven met de weigeringsbeslissing ontvangen. Op 15 september 2017 hebben zij beroep aangetekend tegen die weigeringsbeslissing. De ambtenaar van de burgerlijke stand betwist de ontvankelijkheid van het beroep wegens de laattijdigheid ervan. 3 De Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, stelt vast dat de belanghebbende partijen binnen de maand na kennisgeving van de weigeringsbeslissing beroep kunnen aantekenen bij de familierechtbank overeenkomstig artikel 1476quater, laatste lid, van het Burgerlijk Wetboek. A.B. en L.O. hebben die vervaltermijn echter overschreden. De verwijzende rechter merkt op dat het beroep tegen de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand tot weigering om een wettelijke samenwoning te registreren geen hoger beroep is in de zin van de artikelen 1051 of 1253quater,
  3. c)en d), van het Gerechtelijk Wetboek. De verlenging tot 15 september van de termijnen van hoger beroep en verzet die binnen de gerechtelijke vakantie beginnen te lopen en ook verstrijken, zoals bepaald in artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, is bijgevolg niet van toepassing. De verwijzende rechter is van oordeel dat A.B. en L.O. het aannemelijk maken dat door de niet-verlenging van de termijn voortvloeiend uit artikel 1476quater, laatste lid, van het Burgerlijk Wetboek een ongelijkheid van behandeling kan bestaan tussen vergelijkbare categorieën van personen, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Het verwijzende rechtscollege verwijst daartoe naar het arrest nr. 52/2004 van 24 maart 2004, waarin het Hof heeft geoordeeld dat artikel 12bis, § 4, derde lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het niet de verlenging van de termijn voor hoger beroep in verband met de gerechtelijke vakantie toestaat, bedoeld in artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Alvorens te oordelen, stelt de verwijzende rechter dan ook de voorliggende prejudiciële vraag aan het Hof. III. In rechte -A- A.1.1. De ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Gent, verweerder in het bodemgeschil, is in hoofdorde van oordeel dat de geviseerde situaties niet vergelijkbaar zijn. De verlenging van de termijn voor hoger beroep die vervalt in de gerechtelijke vakantie, bedoeld in artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, heeft uitsluitend betrekking op rechtsmiddelen die kunnen worden aangewend tegen een rechterlijke uitspraak. Een rechtsmiddel valt op geen enkele wijze te vergelijken met het beroep tegen een administratieve beslissing. De wetgever heeft artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek ingevoerd naar aanleiding van de verkorting van de beroepstermijn van twee maanden naar één maand. De bekommernis bestond dat advocaten systematisch van de vakantieperiode gebruik zouden maken om, veelal in afwezigheid van de tegenpartij, tot betekening over te gaan. De wetgever wenste met die bepaling te vermijden dat tot gedwongen tenuitvoerlegging zou kunnen worden overgegaan, indien het risico bestond dat de schuldenaar ingevolge de vakantieperiode geen voldoende kennis zou gekregen hebben van de betekening door de schuldeiser van een rechterlijke uitspraak. A.1.2. Rechtzoekenden die een beroep op grond van artikel 1476quater van het Burgerlijk Wetboek overwegen tegen een weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand, bevinden zich daarentegen in een manifest verschillende situatie. Zij riskeren geen gedwongen tenuitvoerlegging van de uitspraak gedurende de gerechtelijke vakantie. Evenmin bestaat voor hen het risico dat advocaten misbruik zouden maken van de gerechtelijke vakantie om tot betekening over te gaan. Bovendien kunnen zij op de aanvang van de beroepstermijn anticiperen. Artikel 1476quater van het Burgerlijk Wetboek schrijft immers in duidelijke bewoordingen voor binnen welke termijnen de ambtenaar van de burgerlijke stand ertoe gehouden is een beslissing te nemen over de registratie van een verklaring van wettelijke samenwoning. Dit dient te gebeuren binnen twee maanden, bij gebreke waarvan onverwijld melding moet worden gemaakt van de verklaring in het bevolkingsregister. Op verzoek van de procureur des Konings kan die termijn worden verlengd met hooguit drie maanden, waarvan de belanghebbende partijen in kennis worden gesteld. De eisers in het bodemgeschil waren dus ervan op de hoogte dat de beroepstermijn tijdens de gerechtelijke vakantie een aanvang zou kunnen nemen. 4 A.1.3. De verwijzing naar het arrest nr. 52/2004 van 24 maart 2004 is niet dienstig, aangezien het Hof zich in die zaak moest uitspreken over een daadwerkelijk rechtsmiddel dat was gericht tegen een jurisdictionele beslissing van een rechtbank van eerste aanleg. Het Hof oordeelde dat het voormalige artikel 12bis, § 4, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, dat na de administratieve fase voorzag in een gerechtelijke behandeling, voldoende vergelijkbaar was met een beroepsprocedure inzake burgerlijke geschillen van gemeen recht. Hieruit dient a contrario te worden afgeleid dat artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek slechts toepassing kan vinden wanneer het betrekking heeft op de berekening van de termijn voor een rechtsmiddel gericht tegen een rechterlijke beslissing. A.2.1. Voor zover het Hof van oordeel zou zijn dat de categorieën van personen zich in een vergelijkbare situatie zouden bevinden, meent de verweerder in het bodemgeschil allereerst dat het verschil in behandeling berust op een objectief criterium. Het verschil in behandeling tussen, enerzijds, personen die een rechtsmiddel aanwenden tegen een rechterlijke beslissing en, anderzijds, personen die een beroep aantekenen tegen een beslissing van een administratief overheidsorgaan, berust op het objectieve criterium van de hoedanigheid van de steller van de bestreden beslissing. A.2.2. Daarenboven streeft het verschil in behandeling ook een wettig doel na. De wetgever heeft, louter door het verstrijken van de beroepstermijn, rechtszekerheid willen verschaffen aan de rechtsonderhorigen en aan het bestuur. De wettelijke regeling beoogt een duidelijk wettelijk kader te creëren in de strijd tegen de schijnhuwelijken en de schijnwettelijke samenwoningen. Een uitdrukkelijke doelstelling van de wetgever bestond erin meer rechtszekerheid te verschaffen aan aanstaande echtgenoten en wettelijk samenwonende partners door duidelijke termijnen voorop te stellen waarbinnen het onderzoek naar de schijnrelatie dient te worden afgewikkeld. Dit laat de administratieve overheid ook toe het dossier daadwerkelijk af te sluiten. Voorzien in redelijke, doch strikte beroepstermijnen is dienstig om te komen tot een effectieve en definitieve geschillenbeslechting. A.3.1. De verweerder in het bodemgeschil is van oordeel dat het verschil in behandeling tevens pertinent en proportioneel is. De verlenging van de beroepstermijn tijdens de gerechtelijke vakantie, bedoeld in artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, tracht te voorkomen dat moedwillig van de gerechtelijke vakantie gebruik zou worden gemaakt zodat de tegenpartij niet op de hoogte zou zijn van de betekening van een rechterlijke uitspraak. Een dergelijk risico bestaat niet bij een beslissing tot weigering van een registratie van een verklaring van wettelijke samenwoning door de ambtenaar van de burgerlijke stand met toepassing van artikel 1476quater van het Burgerlijk Wetboek. De betrokken personen moeten immers worden geïnformeerd over de termijn waarbinnen die beslissing moet worden genomen. Uiterlijk binnen een termijn van vijf maanden dient een beslissing te worden genomen. Bij gebrek aan een dergelijke beslissing moet van de verklaring van wettelijke samenwoning onverwijld melding worden gemaakt in het bevolkingsregister. A.3.2. Overigens kan van personen die een verklaring van wettelijke samenwoning willen registreren, redelijkerwijze worden verwacht dat zij blijk geven van een nauwe betrokkenheid bij het onderzoek naar de echtheid van hun relatie. De verweerder in het bodemgeschil ziet dan ook niet in op welke wijze het risico zou bestaan dat de betrokken personen onvoldoende bekend zouden zijn met het feit dat de beroepstermijn een aanvang heeft genomen, zelfs indien de kennisgeving gebeurt tijdens de gerechtelijke vakantie. In navolging van de arresten nrs. 30/2008 en 165/2002, besluit de verweerder in het bodemgeschil aldus dat de door de wetgever gemaakte keuze geen onevenredige gevolgen heeft, rekening houdend, enerzijds, met het algemene rechtsbeginsel dat de strengheid van de wet in geval van overmacht of van onoverwinnelijke dwaling kan worden gemilderd en, anderzijds, met het feit dat de betrokkenen worden geacht alle dienstige maatregelen tot vrijwaring van hun rechten te nemen. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. A.4.1. De Ministerraad is van oordeel dat personen die hoger beroep aantekenen tegen een uitspraak niet kunnen worden vergeleken met personen die overeenkomstig artikel 1476quater, laatste lid, van het Burgerlijk Wetboek beroep aantekenen tegen de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand tot weigering om de verklaring van wettelijke samenwoning te registreren. Dit laatste is een beroep tegen een bestuurshandeling van een administratieve overheid, die onderworpen is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een jurisdictioneel beroep tegen een weigeringsbeslissing is geen hoger beroep in de zin van artikel 1050 van het Gerechtelijk Wetboek. 5 A.4.2. Vervolgens benadrukt de Ministerraad dat het beroep tegen een weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand geen rechtsmiddel is, in tegenstelling tot een hoger beroep overeenkomstig artikel 1050 van het Gerechtelijk Wetboek. Een rechtsmiddel strekt er immers toe een nieuwe beslissing te verkrijgen in een geschil waarover een rechter reeds geheel of gedeeltelijk uitspraak heeft gedaan. Het arrest nr. 52/2004 van 24 maart 2004, waar de verwijzende rechter de aandacht op vestigt, had enkel betrekking op de termijn om hoger beroep in te stellen tegen een rechterlijke uitspraak en niet op de termijn om beroep in te stellen tegen een beslissing van een administratieve overheid. Dat arrest kan dan ook geenszins worden aangewend om de voorliggende prejudiciële vraag bevestigend te beantwoorden. -B- B.1.1. De verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 1476quater, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de termijn om beroep aan te tekenen bij de familierechtbank tegen de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om van de verklaring van wettelijke samenwoning melding te maken, die binnen de gerechtelijke vakantie begint te lopen en ook verstrijkt, niet verlengd wordt tot de vijftiende dag van het nieuw gerechtelijk jaar, terwijl artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek wel voorziet in een dergelijke verlenging voor de termijn van hoger beroep bedoeld in de artikelen 1051 en 1253quater,
  4. c)en d), van het Gerechtelijk Wetboek. B.1.2. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de voorliggende vraag enkel betrekking heeft op de verlenging van de termijn van hoger beroep bedoeld in de artikelen 1051 en 1253quater, d), van het Gerechtelijk Wetboek, en niet op de verlenging voor de termijn van verzet bedoeld in de artikelen 1048 en 1253quater, c), van het Gerechtelijk Wetboek. B.2.1. Artikel 1476quater van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert melding te maken van de verklaring van wettelijke samenwoning indien hij vaststelt dat de verklaring betrekking heeft op een in de artikelen 1476bis en 1476ter bedoelde situatie. Indien er een ernstig vermoeden bestaat dat de verklaring betrekking heeft op een in de artikelen 1476bis en 1476ter bedoelde situatie, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand, de melding van de verklaring van wettelijke samenwoning uitstellen, na eventueel het advies van de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de partijen voornemens zijn de verklaring van wettelijke samenwoning af te leggen, te hebben ingewonnen, gedurende ten hoogste twee maanden vanaf de afgifte van het in artikel 1476, § 1 bedoelde ontvangstbewijs, teneinde bijkomend onderzoek te verrichten. De procureur des Konings kan deze termijn verlengen met hoogstens drie maanden. In dat geval, geeft hij van zijn beslissing 6 kennis aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die de belanghebbende partijen ervan in kennis stelt. Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de in het tweede lid bepaalde termijn geen definitieve beslissing heeft genomen, dient hij onverwijld melding van de verklaring van wettelijke samenwoning te maken in het bevolkingsregister. In geval van een in het eerste lid bedoelde weigering, brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand, zijn met redenen omklede beslissing onverwijld ter kennis van de belanghebbende partijen. Terzelfdertijd wordt een afschrift hiervan, samen met een kopie van alle nuttige documenten, verzonden naar de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de beslissing tot weigering genomen werd en aan de Dienst Vreemdelingenzaken. Tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om van de verklaring van wettelijke samenwoning melding te maken, kan door de belanghebbende partijen binnen de maand na de kennisgeving van deze beslissing beroep worden aangetekend bij de familierechtbank ». B.2.2. Overeenkomstig de voormelde bepaling weigert de ambtenaar van de burgerlijke stand melding te maken van de verklaring van wettelijke samenwoning indien hij vaststelt dat er sprake is van een schijn- of gedwongen wettelijke samenwoning. Tegen die weigering kan door de belanghebbende partijen binnen de maand na kennisgeving van die beslissing beroep worden aangetekend bij de familierechtbank. B.3.1. Artikel 50 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « De termijnen, op straffe van verval gesteld, mogen niet worden verkort of verlengd, zelfs met instemming van partijen, tenzij dat verval gedekt is onder de omstandigheden bij de wet bepaald. Indien de termijn van hoger beroep of verzet voorzien in de artikelen 1048, 1051 en 1253quater,
  5. c)en
  6. d)binnen de gerechtelijke vakantie begint te lopen en ook verstrijkt, wordt hij verlengd tot de vijftiende dag van het nieuw gerechtelijk jaar ». B.3.2. Artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat voorziet in een verlenging van de termijn voor hoger beroep en verzet wanneer die ingaat na het begin van de gerechtelijke vakantie, werd verantwoord door de vrees dat er geen voldoende bekendheid zou zijn nopens de tijdens die periode gedane betekening (Parl. St., Senaat, 1969-1970, nr. 138, p. 2). Ook werd gevreesd dat sommige advocaten op systematische wijze vonnissen tijdens de vakantieperiode zouden betekenen (Parl. St., Senaat, 1964-1965, nr. 170, p. 36). De 7 wetgever achtte een verlenging van de termijn wegens gerechtelijke vakantie enkel noodzakelijk voor de in artikel 50 van het Gerechtelijk Wetboek beoogde gevallen. B.3.3. Zoals de verwijzende rechter vaststelt, is artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing op de termijn waarbinnen belanghebbende partijen beroep kunnen aantekenen tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om van de verklaring van wettelijke samenwoning melding te maken, waarin is voorzien in artikel 1476quater, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. B.4.1. Tussen een beroep dat wordt ingesteld tegen een beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand op grond van artikel 1476quater, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek en het hoger beroep bedoeld in artikel 50 van het Gerechtelijk Wetboek bestaat een fundamenteel verschil, doordat het in het eerste geval gaat om een beroep tegen een administratieve beslissing, terwijl het in het tweede geval gaat om de aanwending van een rechtsmiddel tegen een rechterlijke beslissing. B.4.2. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.5.1. Artikel 1476quater van het Burgerlijk Wetboek bepaalt in welke omstandigheden de ambtenaar van de burgerlijke stand kan weigeren een verklaring van wettelijke samenwoning te registreren. Indien er een ernstig vermoeden bestaat dat de verklaring betrekking heeft op een schijn- of gedwongen wettelijke samenwoning, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand, de melding van de verklaring van wettelijke samenwoning uitstellen, na eventueel het advies van de procureur des Konings te hebben ingewonnen, gedurende ten hoogste twee maanden vanaf de afgifte van het ontvangstbewijs van de verklaring, teneinde bijkomend onderzoek te verrichten (artikel 1476quater, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). 8 De procureur des Konings kan die termijn verlengen met hoogstens drie maanden. In dat geval geeft hij van zijn beslissing kennis aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, die de belanghebbende partijen ervan in kennis stelt (artikel 1476quater, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen twee maanden, eventueel verlengd met hoogstens drie maanden, geen definitieve beslissing heeft genomen, dient hij onverwijld melding te maken van de verklaring van wettelijke samenwoning in het bevolkingsregister (artikel 1476quater, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek). Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de voorgeschreven termijn weigert melding te maken van de verklaring van wettelijke samenwoning, brengt hij zijn met redenen omklede beslissing onverwijld ter kennis van de belanghebbende partijen (artikel 1476quater, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek). B.5.2. Aldus schrijft artikel 1476quater van het Burgerlijk Wetboek in duidelijke bewoordingen voor binnen welke termijnen de ambtenaar van de burgerlijke stand ertoe gehouden is een beslissing te nemen over de registratie van de verklaring van wettelijke samenwoning. Uit de totstandkoming van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat de wetgever, door dergelijke strikte termijnen op te leggen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, meer rechtszekerheid heeft willen bieden aan de personen die een verklaring van wettelijke samenwoning willen laten registreren (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2673/001, p. 5; Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2673/007, p. 28). B.6.1. Van de belanghebbende partijen die een verklaring van wettelijke samenwoning ter registratie hebben aangeboden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand mag redelijkerwijze worden verwacht dat zij blijk geven van een nauwe betrokkenheid bij het onderzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.5, kunnen zij voorzien wanneer zij de beslissing van die ambtenaar kunnen verwachten. Dit biedt hun de mogelijkheid om hun rechten te vrijwaren en om tijdig beroep in te stellen wanneer hun een weigeringsbeslissing wordt betekend, ook wanneer dit het geval is binnen de gerechtelijke vakantie. Overigens gaat de termijn van dertig dagen om beroep in te 9 stellen pas in na de kennisneming van de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand. B.6.2. Voorts dient erop te worden gewezen dat een beroep tegen een dergelijke weigeringsbeslissing wordt geacht spoedeisend te zijn en wordt ingeleid en behandeld door de familierechtbank zoals in kort geding (artikel 1253ter/4, § 2, eerste lid, 6°, van het Gerechtelijk Wetboek). De wetgever vermocht ook om die reden te oordelen dat een verlenging van de termijn wegens de gerechtelijke vakantie niet wenselijk is, gelet op de vertraging die een dergelijke verlenging met zich mee zou brengen voor de belanghebbenden. B.6.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechten van de belanghebbende partijen die tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om van de verklaring van wettelijke samenwoning melding te maken, beroep wensen aan te tekenen bij de familierechtbank, niet op onevenredige wijze worden beperkt. B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1476quater, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 oktober 2019. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.144 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.