← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.148

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 oktober 2019 ECLI nr

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSPENSIOENEN Vrije woorden: Beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 2 oktober 2017 « betreffende de harmonisering van het in aanmerking nemen van studieperioden voor de berekening van het pensioen », ingesteld door Joseph François

door Marc Derclaye

anderen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Pensioenen van de publieke sector - Diplomabonificatie - Geleidelijke afschaffing - Mogelijkheid tot regularisatie van de studiejaren - Afkopen van de studiejaren. Tekst van de beslissing Rolnummers 6902

6909 Arrest nr. 148/2019 van 24 oktober 2019 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 2 oktober 2017 « betreffende de harmonisering van het in aanmerking nemen van studieperioden voor de berekening van het pensioen », ingesteld door Joseph François

door Marc Derclaye

anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût

A. Alen,

de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul, T. Giet

J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen

rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 april 2018 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 16 april 2018, heeft Joseph François beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 2 oktober 2017 « betreffende de harmonisering van het in aanmerking nemen van studieperioden voor de berekening van het pensioen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 oktober 2017). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 april 2018 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 26 april 2018, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, §§ 1

3, 3, § 1, 3),

§ 2

, 4 tot 9, 10, § 2,

11 van dezelfde wet door Marc Derclaye, Benoît Augustyns, Pascal Pahaut

het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. C. Cools

Mr. H. Herion, advocaten bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6902

6909 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories

memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel; - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. P. Levert, advocaat bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 15 mei 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman

J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord,

dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 5 juni 2019

de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen in de zaak nr. 6909 om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 5 juni 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 26 juni 2019. Op de openbare terechtzitting van 26 juni 2019 : - zijn verschenen : . Joseph François, in eigen persoon; . Mr. C. Cools, tevens loco Mr. H. Herion, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 6909; 3 . Mr. J. Sautois, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. P. Schaffner, voor de Ministerraad; . Mr. P. Levert, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman

J. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Zaak nr. 6902 A.1.1. De verzoekende partij is houder van een vóór haar indiensttreding bij de rijkswacht behaald diploma van licentiaat in de wiskunde. Tijdens haar loopbaan heeft zij posten bekleed waarvoor formeel geen

kel diploma vereist was, zodat zij haar studiejaren niet in aanmerking heeft kunnen laten nemen voor de berekening van haar rustpensioen, dat op 1 oktober 2017 is ingegaan. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 2 oktober 2017 « betreffende de harmonisering van het in aanmerking nemen van studieperioden voor de berekening van het pensioen » (hierna : de wet van 2 oktober 2017), luidens welke « de aanvraag moet ingediend worden vóór de ingangsdatum van het rustpensioen ». De verzoekende partij gaat ervan uit dat zij door de bestreden bepaling rechtstreeks

ongunstig wordt geraakt

dat zij dus doet blijken van een belang bij het beroep. A.1.2. De verzoekende partij leidt een

ig middel af uit de schending van artikel 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De bestreden bepaling voorziet niet in een overgangsmaatregel om werknemers die op de datum van de inwerkingtreding ervan reeds gepensioneerd waren, hetzelfde recht te laten genieten. Volgens de verzoekende partij belet zij dus dat werknemers kunnen kiezen om al dan niet hun studiejaren af te kopen. De verzoekende partij is van mening dat er een discriminatie bestaat tussen,

erzijds, de ambtenaren die, zoals zij, op 1 oktober 2017 (of op 1 november 2017) tot het pensioen zijn toegelaten, dat wil zeggen

kele weken vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet,

die het voordeel van die mogelijkheid niet kunnen genieten

, anderzijds, ambtenaren die zich op hetzelfde, voor de functie niet vereiste diploma kunnen beroepen

die na de inwerkingtreding van de bestreden wet tot het pensioen zijn of zullen worden toegelaten. 4 De verzoekende partij voegt, in haar memorie van antwoord, eraan toe dat elke geldige verantwoording ten aanzien van bepaalde gepensioneerden van de overheidssector, wat betreft het feit een recht toe te kennen op het in aanmerking nemen van studieperioden voor de berekening van het pensioen, ook geldt ten aanzien van de andere gepensioneerden van de overheidssector. In die optiek doet het toevoegen van een extra voorwaarde – geslacht, leeftijd, godsdienst of, in dit geval, het feit dat de persoon reeds gepensioneerd is – automatisch onder de gepensioneerde personen een niet te verantwoorden

willekeurige discriminatie ontstaan. De verzoekende partij besluit daaruit dat de wet ongewijzigd handhaven, zonder te voorzien in een afdoende overgangsmaatregel, erop zou neerkomen gepensioneerde personen die zich in soortgelijke situaties bevinden, op discriminerende wijze te behandelen. A.2.1. De Ministerraad betoogt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het beroep, aangezien de bestreden wet haar niet rechtstreeks

ongunstig in haar situatie kan raken, vermits zij niet onder het toepassingsgebied van de bestreden wet valt. Gelet op het feit dat zij reeds is gepensioneerd, is het immers uitgesloten dat zij vóór de aanvangsdatum van haar pensioen bij de betrokken dienst een schriftelijke of elektronische aanvraag kan indienen. De inwerkingtreding van nieuwe regelgeving kan in beginsel geen discriminerend verschil in behandeling doen ontstaan tussen situaties die zijn ontstaan onder de gelding van de vroegere wetgeving

die welke aan de toepassing van de nieuwe wetgeving zijn onderworpen. A.2.2. In tegenstelling tot de verzoekende partij betoogt de Ministerraad dat de wetgever zich, bij artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 2 oktober 2017, ertoe heeft beperkt de nadere regels vast te leggen van de regularisatie van de studieperiode tegen een bijdrage, zoals zij van toepassing is vanaf de inwerkingtreding van de wet,

dat hij geen

kele voorwaarde eraan toevoegt wat de ingangsdatum van het pensioen betreft. Het is inherent aan een nieuwe regeling dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder de toepassing van de vroegere regeling vallen

diegenen op wie de nieuwe regeling betrekking heeft. Volgens de rechtspraak van het Hof kan het ontbreken of het bestaan van een aan nieuwe regelgeving verbonden overgangsmaatregel op zich geen discriminatie uitmaken, behalve indien ervan wordt uitgegaan dat de overgangsregeling of de afwezigheid ervan ertoe leidt twee categorieën van personen zonder redelijke verantwoording verschillend te behandelen of op buitensporige wijze afbreuk doet aan het vertrouwensbeginsel, dat wil zeggen aan de rechtmatige verwachtingen van een bepaalde categorie van personen, bij gebreke van dwingende redenen van algemeen belang die het bestaan van een overgangsregeling verantwoorden. Zaak nr. 6909 A.3.1. De eerste twee verzoekende partijen zijn houder van een diploma hoger onderwijs. De derde verzoekende partij is houder van een graduaat. Alle drie komen zij in aanmerking voor het rustpensioenstelsel van de overheidssector. De eerste twee verzoekende partijen menen dat zij doen blijken van een belang bij de vernietiging omdat de bestreden wettelijke normen het bedrag van het pensioen waarop zij recht hadden, aanzienlijk hebben verminderd, aangezien zij verplicht zijn hun studiejaren af te kopen. De derde verzoekende partij heeft, na in de privésector te hebben gewerkt, ervoor gekozen in overheidsdienst te werken, opdat haar jaren hoger onderwijs in aanmerking worden genomen bij de berekening van haar pensioen. Ook zij zal echter, krachtens de bestreden wet, de studiejaren in kwestie moeten afkopen. De vierde verzoekende partij is het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de wet van 2 oktober 2017, inzonderheid van de artikelen 2, §§ 1

3, 3, § 1, 3),

§ 2

, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, § 2,

  1. A.3.
  2. In hoofdorde betoogt de Ministerraad dat geen

kel van de drie door de verzoekende partijen opgeworpen middelen ontvankelijk is, omdat niet wordt gepreciseerd hoe

in welk opzicht « de bestreden wetgeving » de toetsingsnormen zou schenden. De Ministerraad kan zich niet aansluiten bij de stelling volgens welke het aan het Hof zou toekomen het werkelijke doel van de middelen op te sporen op dezelfde wijze als het aan het Hof staat de contouren van een beroep tot vernietiging te bepalen in het geval waarin het verzoekschrift vaag is. A.3.

  1. De Franse Gemeenschapsregering merkt in haar memorie van antwoord op dat de Ministerraad in ondergeschikte orde argumenten ter weerlegging heeft uiteengezet die aantonen dat hij de draagwijdte van de middelen wel degelijk heeft ingezien. 5 A.4.
  2. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11

23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie, met het wettigheidsbeginsel, met het rechtszekerheidsbeginsel

met het evenredigheidsbeginsel. In een eerste onderdeel klagen de verzoekende partijen aan dat de bestreden wet de door sommige personeelsleden van het openbaar ambt volbrachte studiejaren niet meer in aanmerking neemt

het bedrag van het pensioen voor alle ambtenaren op dezelfde wijze berekent, zonder nog langer rekening te houden met het feit dat sommigen van hen, wegens hun functie, voor een studie hebben moeten slagen. Zij betogen dat het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie geschonden is in zoverre de afschaffing van de gratis diplomabonificatie bij de berekening van het bedrag van het pensioen een gelijke behandeling met zich zou meebrengen van de ambtenaren van de niveaus A

B, voor wie het behalen van een diploma een criterium was dat diende te zijn vervuld om hun functie uit te oefenen,

de ambtenaren van de niveaus C

D, die aan dat criterium niet hoeven te voldoen. In een tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de afschaffing van de gratis diplomabonificatie bij de berekening van het pensioen een gelijke behandeling met zich meebrengt van de personeelsleden in overheidsdienst

alle burgers die een wettelijk pensioen genieten, terwijl die twee categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn. A.4.2. De Franse Gemeenschapsregering, die zich aansluit bij de verzoekende partijen, voert aan dat,

erzijds, de ambtenaren die een studie hebben gevolgd om een beter pensioen te verkrijgen

die moeten betalen om hun studiejaren te compenseren op het stuk van jaren dienstactiviteit

, anderzijds, de ambtenaren voor wie geen

kel diploma vereist was,

die geen

kele norm raakt, tenzij dat zij hun diploma ook kunnen valoriseren, terwijl dat aanvankelijk niet was vereist, op identieke wijze worden behandeld. De eersten kunnen die discriminatie weliswaar herstellen door de regularisatiebijdrage te storten, maar er ontstaat dan een nieuwe discriminatie in zoverre hun, om de specificiteit van hun situatie te vrijwaren

de gelijkheid van behandeling met de tweeden op het stuk van jaren dienstactiviteit te herstellen, een financiële last wordt opgelegd. Met betrekking tot het tweede onderdeel zet de Franse Gemeenschapsregering uiteen dat, rekening houdend met,

erzijds, het begrip « uitgesteld loon » dat de overheidspensioenen kenmerkt

, anderzijds, de mogelijkheden waarover werknemers

zelfstandigen beschikken om aanvullende pensioenen te financieren, blijkt dat bestuurden die zich in fundamenteel verschillende situaties bevinden, op dezelfde wijze worden behandeld. A.4.3. In ondergeschikte orde betoogt de Ministerraad dat de bestreden bepalingen niet op onevenredige wijze afbreuk doen aan het bedrag van het pensioen van de personeelsleden van de overheidssector die niet langer het voordeel kunnen genieten van de gratis inaanmerkingneming van het diploma dat nodig is voor de uitoefening van hun functie.

dit, gelet op de beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever beschikt

gelet op de daarmee overeenstemmende omvang van de door het Hof uitgeoefende evenredigheidstoetsing. De twee door de wetgever nagestreefde doelstellingen zijn legitiem, te beginnen met de harmonisering van de pensioenregelingen van de werknemers van de privésector

van de werknemers van de overheidssector. De diplomabonificatie in het bijzonder is niet afgeschaft. De studiejaren kunnen nog steeds in aanmerking worden genomen, mits een regularisatiebijdrage wordt betaald, net zoals in de regeling die thans van toepassing is voor werknemers

zelfstandigen. In dat opzicht,

volgens de rechtspraak van het Hof, vermag de wetgever terug te komen op zijn aanvankelijke doelstellingen om er andere na te streven. Met de bestreden wet wordt ook een tweede doelstelling nagestreefd, die past in het kader van structurele hervormingen van de pensioenen, die bedoeld zijn om de levensvatbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn te verzekeren, rekening houdend met de budgettaire kosten van de veroudering van de bevolking.

kel verwijzend naar de adviezen van de inspecteur van Financiën

van de Raad van State, besluiten de verzoekende partijen dat met de bestreden wet geen legitieme doelstelling zou worden nagestreefd. Aan de in die niet-bindende adviezen uitgedrukte reserves werd tegemoetgekomen in het kader van het parlementair debat. De Ministerraad betoogt vervolgens dat de bestreden wet geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt. 6 Ten eerste doet de bestreden wet voor personeelsleden van de overheidssector nieuwe rechten ontstaan, in zoverre de houders van een diploma van het hoger onderwijs hun diploma zullen kunnen valoriseren, zelfs indien dat laatste niet vereist is om hun functie uit te oefenen. Dat was vroeger niet mogelijk. Vervolgens is de wetgever tegemoetgekomen aan het door de Raad van State opgeworpen bezwaar over de eventuele schending, door de ontworpen wet, van het bij artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde standstill-beginsel. Hij heeft, met cijfervoorbeelden ter ondersteuning, aangetoond dat een openbaar ambtenaar in verscheidene situaties een hoger geïndexeerd bruto jaarlijks pensioenbedrag zal verkrijgen dan dat waarop diezelfde ambtenaar vóór de recente wetswijzigingen recht zou hebben gehad.

dat bedrag zal zelfs nog hoger zijn indien de ambtenaar de regularisatiebijdrage betaalt. De Ministerraad schat vervolgens de weerslag van de regularisatie voor de eerste drie verzoekende partijen. In fine onderstreept de Ministerraad nog dat de regularisatiebijdrage fiscaal aftrekbaar is. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen betogen, heeft de wetgever de rechtmatige verwachtingen van de betrokken ambtenaren niet geschonden. Niet alleen is het oorspronkelijke wetsontwerp gewijzigd (de diplomabonificatie is niet afgeschaft), maar bovendien is er een echt sociaal overleg geweest. Wat de beweerde gelijke behandeling van ambtenaren van de niveaus A

B

ambtenaren van de niveaus C

D betreft, betoogt de Ministerraad ten eerste dat het onjuist is dat de bestreden wet tot gevolg zou hebben dat geen rekening meer wordt gehouden met de bijzondere situatie van sommige personeelsleden in overheidsdienst die, om hun functie te bekleden, een hogere studie moesten hebben gevolgd. Vervolgens voorziet de wet in het einde van de kosteloze inaanmerkingneming van het vereiste diploma, maar met behoud van de verworven rechten. Insgelijks is de bonificatie nog steeds mogelijk, mits een regularisatiebijdrage wordt betaald. De specificiteit van de ambtenaren van niveau A

van de ambtenaren van niveau B wordt behouden na de inwerkingtreding van de wet van 2 oktober 2017. Bovendien wordt de gelijke behandeling van de ambtenaren van de niveaus A

B

van de ambtenaren van de niveaus C

D afgezwakt door het feit dat de ambtenaren van de niveaus A

B tijdens hun loopbaan een hogere wedde hebben genoten, met name wegens het behaalde diploma, hetgeen hun een noodzakelijkerwijs hoger pensioenbedrag waarborgt dan het pensioenbedrag van de tweeden. A.5.1. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 « tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid

beroep », met het wettigheidsbeginsel, met het rechtszekerheidsbeginsel

met het evenredigheidsbeginsel. De verzoekende partijen betogen in essentie dat de bestreden wet ten aanzien van de personeelsleden van het openbaar ambt een achteruitgang van hun sociale voorwaarden

van hun arbeidsvoorwaarden veroorzaakt, terwijl artikel 23 van de Grondwet voorziet in een standstill-verplichting die de wetgever belet het niveau van bescherming van de rechten die hij aan de burger toekent, op onredelijke

onverantwoorde wijze te verminderen. A.5.2. De Franse Gemeenschapsregering gaat ervan uit dat het verbreken van de standstill-verplichting dient te worden beoordeeld rekening houdend met de wet van 28 april 2015 « houdende bepalingen betreffende de pensioenen van de publieke sector »

dat het gecumuleerde effect van de afschaffing van de bonificatie van de studiejaren op het stuk van loopbaanduur

berekening van het pensioen ertoe leidt te besluiten tot de schending van artikel 23 van de Grondwet, bij ontstentenis van verantwoording. Er bestaat immers geen

kel voorschrift van algemene of financiële aard dat de bestreden bepalingen verantwoordt.

erzijds, moeten de personeelsleden van de overheidssector voortaan langer werken, dat wil zeggen tot 65, 66 of 67 jaar naar gelang van de leeftijdsklassen

, anderzijds, wordt de bonificatie van hun studiejaren, dat wil zeggen, in sommige gevallen, vijf jaar

zelfs zeven jaar, afgeschaft, tenzij die jaren worden afgekocht. Hoewel bij de richtlijn 2000/78/EG wordt erkend dat er verschillen in behandeling op grond van leeftijd kunnen bestaan, is voorts vereist dat zij verantwoord zijn in kader van het nationaal recht, met name gelet op legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt

de beroepsopleiding. 7 Wat de draagwijdte van artikel 23 van de Grondwet betreft, antwoordt de Franse Gemeenschapsregering aan de Ministerraad dat zij akte neemt van het feit dat er inderdaad een standstill-verplichting bestaat, maar zij voegt eraan toe dat de bestreden wet een aanzienlijke achteruitgang voor de overheidsambtenaren met zich meebrengt, rekening houdend met de gecumuleerde gevolgen van de wet van 28 april 2015

van de wet van 2 oktober

  1. A.5.
  2. De Ministerraad herinnert eraan dat artikel 23 van de Grondwet

de daarin verankerde standstill-verplichting geen rechtstreeks gevolg hebben. De Ministerraad verwijst naar zijn weerlegging van de gegrondheid van het eerste middel,

in het bijzonder naar de vaststelling volgens welke de wetgever voldoende rekening heeft gehouden met de impact die de afschaffing van de kosteloze diplomabonificatie zou kunnen hebben op het recht op pensioen van de betrokken personen, door te voorzien in talrijke overgangsbepalingen die bedoeld zijn om een te abrupte aantasting te voorkomen van de belangen

de rechtmatige verwachtingen van de ambtenaren die reeds een aanzienlijke loopbaan hebben. Te dezen dient niet, zoals de verzoekende partijen dat zouden willen, te worden gelet op de doelstelling die de wetgever in 1969

in 1970 nastreefde. Insgelijks kan het gecumuleerde effect van opeenvolgende wetgevingen geen schending van de standstill-verplichting met zich meebrengen, in het bijzonder wanneer het Hof voor de eerste van die regelgevingen de ontstentenis van een aanzienlijke achteruitgang heeft vastgesteld. A.6.1. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11

23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 1

2 van de voormelde richtlijn 2000/78/EG, met de artikelen 20

21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie, met het wettigheidsbeginsel, met het rechtszekerheidsbeginsel

met het evenredigheidsbeginsel. De verzoekende partijen betogen in essentie dat de bestreden bepalingen ten doel hebben het voordeel van de berekening van het pensioenbedrag waarbij het recht op een volledig pensioen wordt benut, te ontzeggen aan sommige personeelsleden van de overheidssector die, zoals zij, niet de mogelijkheid hebben gehad vóór een bepaalde leeftijd toegang te hebben tot openbare ambten, aangezien die leeftijd wordt bepaald door de duur van de studie die vereist is om te worden aangeworven

benoemd in het ambt dat toegang geeft tot de pensioenregeling van de overheidssector, in zoverre de studie die zij hebben gedaan niet meer in aanmerking wordt genomen bij de berekening van het bedrag van hun pensioen, tenzij zij de financiële middelen hebben om het bedrag van een regularisatiebijdrage te betalen of tenzij zij langer werken om de verandering van het oorspronkelijke bedrag van het pensioen waarop zij recht hebben, te compenseren, terwijl, volgens de verzoekende partijen, geen

kele discriminatie op grond van leeftijd aanvaardbaar is. Zij betogen dat de bestreden wet een indirecte discriminatie vormt, in de zin van artikel 2, lid 2, b), van de voormelde richtlijn 2000/78/EG, in zoverre zij voor personen met een bepaalde leeftijd een bijzonder nadeel met zich meebrengt op grond van de datum waarop zij hun loopbaan in het openbaar ambt hebben kunnen aanvatten. In hun memorie van antwoord betwisten de verzoekende partijen het argument van de Ministerraad volgens hetwelk het aangevoerde verschil in behandeling niet discriminerend zou zijn in zoverre de betrokken ambtenaren gedurende heel hun loopbaan verschillend zouden zijn behandeld. Zij verwerpen ook de leringen van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest Felber van 21 januari 2015 (C-529/13), in zoverre dat arrest een precies geval zou betreffen, dat onderscheiden is van de thans voorliggende zaak. Onder verwijzing naar het arrest Rosenbladt van 12 oktober 2010 (C-45/09) betogen zij dat de bestreden wet de evenredigheidstoets niet doorstaat, aangezien het voordeel dat de Belgische samenleving uit de bestreden wet haalt, gering

zelfs onbestaande is ten opzichte van het nadeel dat wordt geleden door de ambtenaren die het voordeel van de kosteloze bonificatie genoten. A.6.2. In haar memorie betoogt de Franse Gemeenschapsregering dat de afstemming op de andere pensioenregelingen

de wil om de budgettaire kosten te beheersen losstaan van de redenen die krachtens artikel 6 van de voormelde richtlijn een verschil in behandeling op grond van leeftijd verantwoorden. Zij verwijst naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie Specht e.a. van 19 juni 2014 (C-501/12 tot C-506/12)

Unland van 9 september 2015 (C-20/13). 8 A.6.3. De Ministerraad antwoordt eerst dat het niet juist is te beweren dat een ambtenaar in overheidsdienst die een voor zijn ambt noodzakelijke studie heeft gedaan, wat de berekening van het pensioenbedrag betreft, door de bestreden wet noodzakelijkerwijs wordt benadeeld ten opzichte van de ambtenaar die direct is kunnen beginnen te werken, zonder te moeten studeren. Die laatste heeft zijn loopbaan weliswaar vroeger aangevat

de eerste jaren tellen mee bij de berekening van het bedrag van het pensioen. De wedde die hij heeft genoten

die ook meetelt bij de berekening van het pensioen was tijdens zijn loopbaan echter lager dan die van de gediplomeerde ambtenaar. Bovendien kunnen de ambtenaren die een diploma hebben moeten behalen om hun ambt uit te oefenen, de studieperiode afkopen. Ten slotte zijn de verworven rechten gehandhaafd. De Ministerraad is van oordeel dat de door de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord naar voren gebrachte argumenten het niet mogelijk maken aan te tonen dat er automatisch een nadeel bestaat dat het gevolg zou zijn van de bestreden wet, voor een ambtenaar die een diploma heeft moeten behalen om toegang te hebben tot zijn ambt tegenover een ambtenaar die geen studie heeft gevolgd, wat het bedrag betreft van de pensioenen die hun respectievelijk worden toegekend. Hoewel het criterium van onderscheid in het arrest Felber rechtstreeks gegrond is op de leeftijd waarop de persoon zijn studie heeft gedaan, dient te worden vastgesteld dat het bonificatiesysteem een discriminatie op grond van leeftijd met zich kan meebrengen. Door de automatische diplomabonificatie in het kader van de berekening van het pensioen af te schaffen

door haar afhankelijk te stellen van het betalen van een bijdrage, beperkt de wetgever in werkelijkheid het risico een indirecte discriminatie op grond van de leeftijd van de werknemers te doen ontstaan. In verband met de door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vragen, waarvan de Franse Gemeenschapsregering ook de noodzaak ondersteunt, antwoordt de Ministerraad dat de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord geen

kel element aandragen dat kan verantwoorden dat aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen worden gesteld. Ten aanzien van het nieuwe middel in de door de Franse Gemeenschapsregering ingediende memorie A.7.1. Overeenkomstig artikel 85 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof leidt de Franse Gemeenschapsregering een nieuw middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 23, 33, 105

108 van de Grondwet, van het rechtszekerheidsbeginsel

van het evenredigheidsbeginsel. Zij betoogt in essentie dat de machtiging aan de Koning de grenzen overschrijdt van de bevoegdheden die Hem kunnen worden verleend

, volgens haar, een niet-verantwoorde discriminatie met zich meebrengt onder de personeelsleden bedoeld in artikel 4 van de wet van 2 oktober 2017, naargelang die hun aanvraag indienen na het verstrijken van een termijn van tien jaar die is ingegaan bij het behalen van het diploma, van het doctoraat of van de beroepskwalificatie, of na 1 december

  1. Ook de verzoekende partijen formuleren in hun memorie van antwoord een analoog nieuw middel. A.7.
  2. De Ministerraad herinnert allereerst eraan dat een verzoekende partij geen nieuw middel kan formuleren ter staving van haar memorie. Aangezien de voorwaarden voor de toepassing van artikel 85, tweede lid, van de voormelde bijzondere wet, wat hen betreft, niet zijn vervuld, moet dat vierde middel te hunnen aanzien onontvankelijk worden verklaard. Ter staving van haar middel verwijst de Franse Gemeenschapsregering naar de overwegingen die door de afdeling wetgeving van de Raad van State zijn geformuleerd in twee adviezen met betrekking tot twee voorontwerpen van wet, waarvan een tot de bestreden wet leidt. De Franse Gemeenschapsregering, betoogt de Ministerraad, toont geenszins aan in welk opzicht de bij artikel 6 van de bestreden wet aan de Koning verleende delegatie in strijd zou zijn met de rechtspraak van het Hof volgens welke een aan de Koning verleende machtiging geen afbreuk doet aan het wettigheidsbeginsel indien zij op voldoende nauwkeurige wijze wordt gedefinieerd

de uitvoering van maatregelen betreft waarvan de elementen door de wetgever zijn vastgelegd. 9 Te dezen blijkt duidelijk uit artikel 6, § 3, van de bestreden wet dat de wetgever zelf de rekenkundige formule heeft bepaald die het mogelijk maakt het bedrag van de regularisatiebijdrage te berekenen na afloop van de overgangsperiode

aan de Koning de zorg heeft overgelaten om alleen de specifieke parameters te preciseren die in de berekeningsformule in aanmerking moeten worden genomen. Wat de berekening betreft van het exacte bedrag van de regularisatiebijdrage die volgens actuariële regels is vastgesteld, is dat bedrag moeilijker te becijferen

kan het worden bepaald aan de hand van de wettelijk vastgelegde formule waarvan de inhoud in de parlementaire voorbereiding is geëxpliciteerd (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2378/006, pp. 32-34). De Ministerraad wijst voorts erop dat geen

kele door de Raad van State in zijn adviezen uitgedrukte kritiek artikel 6, § 3, van de bestreden wet beoogde

dat aan alle andere reserves tegemoet is gekomen door de wetgever, die alle voorgestelde wijzigingen in de wet van 2 oktober 2017 heeft opgenomen. Tot slot dient, gelet op het feit dat de regularisatiebijdragen die verschuldigd zijn tijdens of na de overgangsperiode allebei wettelijk zijn bepaald, waarbij de

e is vastgesteld aan de hand van een forfaitair bedrag

de andere het gevolg is van een onveranderlijke rekenkundige formule, volgens de Ministerraad, evenmin het bestaan te worden vastgesteld van een discriminatie onder de personeelsleden in overheidsdienst, naargelang zij hun regularisatieaanvraag op deze of gene datum hebben ingediend. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen, de context ervan

het onderwerp van de beroepen B.1.1. De beroepen zijn gericht tegen de artikelen 2, §§ 1

3, 3, § 1, 3),

§ 2

, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, § 2,

11 van de wet van 2 oktober 2017 « betreffende de harmonisering van het in aanmerking nemen van studieperioden voor de berekening van het pensioen » (hierna : de wet van 2 oktober 2017), die bepalen : « Art.

  1. §
  2. Dit hoofdstuk is van toepassing op de pensioenen die ten laste zijn van één van de overheden of instellingen bedoeld in artikel 1 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector. […] §
  3. Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op de personen die, op het moment van het indienen van de aanvraag, niet onder één van de verplichte wettelijke pensioenstelsels vallen, op voorwaarde dat ze als laatste de hoedanigheid van personeelslid hebben verworven. […] Art.
  4. §
  5. Op voorwaarde dat er na de voltooiing van de studieperiode respectievelijk een diploma, een doctoraat of een beroepskwalificatie wordt behaald, kan een personeelslid de studieperioden regulariseren als volgt : 10 […] 3) de duur van de studieperioden bedoeld in artikel 2, § 2, 8°, c), die geregulariseerd mogen worden, is beperkt tot het minimum aantal studieperioden vereist voor het behalen van de beroepskwalificatie; […] §
  6. De duur van de studieperioden die overeenkomstig paragraaf 1 kunnen worden geregulariseerd, wordt in voorkomend geval verminderd met de kosteloze bonificatie wegens diploma of voorafgaande studies zoals zij voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 393/1 van het Gerechtelijk Wetboek, 36quater van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging

aanvulling van de wetgeving betreffende de rust-

overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector of 5quater van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs. […] Art.

  1. §
  2. Om aanspraak te kunnen maken op de regularisatie van de studieperioden moet het personeelslid een schriftelijke of elektronische aanvraag indienen bij de Dienst. De aanvraag moet ingediend worden vóór de ingangsdatum van het rustpensioen. De aanvraag wordt geacht ingediend te zijn op de datum van ontvangst door de Dienst van de aanvraag tot regularisatie. §
  3. Een aanvraag tot regularisatie is mogelijk voor alle of voor een deel van de regulariseerbare studieperioden. Voor de in artikel 2, § 2, 8°, a)

e), bedoelde studieperioden kan een aanvraag tot regularisatie uitsluitend ingediend worden voor volledige studiejaren van twaalf maanden. In afwijking van het tweede lid kan een aanvraag tot regularisatie ingediend worden voor het gedeelte van het studiejaar dat, wegens de toepassing van artikel 393/1 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 36quater van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging

aanvulling van de wetgeving betreffende de rust-

overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector of artikel 5quater van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs, geen aanleiding meer kan geven tot de toekenning van een gratis diplomabonificatie, op voorwaarde dat het betreffende studiejaar in zijn geheel regulariseerbaar is overeenkomstig de bepalingen van deze titel. §

  1. Een personeelslid kan ten hoogste slechts twee aanvragen tot regularisatie indienen, in alle pensioenstelsels. §
  2. Een regularisatieaanvraag wordt niet aanvaard in de mate dat zij betrekking heeft op periodes die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een regularisatie in het pensioenstelsel van de werknemers of de zelfstandigen. 11 §
  3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, worden de ambtenaren die diensten presteren als tijdelijke personeelsleden van het onderwijs of als statutaire ambtenaren in stage die nog niet zijn onderworpen aan een pensioenstelsel van de overheidssector beschouwd als personeelsleden in de zin van artikel 2, § 2, 6°. De uitgevoerde regularisaties zullen hun uitwerking hebben in een pensioenstelsel van de overheidssector, voor zover deze ambtenaren, na deze diensten, worden vastbenoemd

dat hun aanvraag tot regularisatie werd ingediend hetzij binnen de 10 jaar die volgden op het behalen van het diploma, het doctoraat of de beroepskwalificatie, hetzij vóór 1 december

  1. Indien de voorwaarden zoals bedoeld in het tweede lid niet worden voldaan, zal de regularisatie haar uitwerking hebben in het pensioenstelsel van de werknemers. §
  2. In geval van toepassing van het artikel 46, § 4, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, heeft de regularisatie van het personeelslid die door dit artikel wordt beoogd uitwerking in het pensioenstelsel van de werknemers. […] Art.
  3. De regularisatie van de studieperioden krijgt pas uitwerking, vanaf de ingangsdatum van het pensioen, na betaling van de verschuldigde regularisatiebijdrage, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling. Art.
  4. §
  5. De regularisatiebijdrage wordt per te regulariseren periode van 12 maanden vastgesteld op 1 500 EUR. Dit bedrag schommelt op de wijze vastgesteld door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Voor de toepassing van deze titel is dit gekoppeld aan de verhogingscoëfficiënt van kracht op 1 december 2017

bevat het de verhoging verbonden aan deze coëfficiënt. Het bedrag dat in aanmerking moet worden genomen is datgene dat op de datum van het indienen van de aanvraag tot regularisatie, resulteert uit de toepassing van de leden 1

  1. §
  2. Voor de berekening van de verschuldigde regularisatiebijdrage voor de studieperioden bedoeld in artikel 2, § 2, 8°, a)

e) omvat elk studiejaar twaalf maanden, behalve in geval van toepassing van artikel 4, § 2, derde lid. Voor de studieperioden bedoeld in artikel 2, § 2, 8°, b), c)

d), evenals in geval van toepassing van artikel 4, § 2, derde lid, wordt de verschuldigde bijdrage vastgesteld naargelang de duur van de te regulariseren periode. 12 § 3. Indien de aanvraag tot regularisatie wordt ingediend na het verstrijken van een termijn van tien jaar vanaf het behalen van het diploma, het doctoraat of de beroepskwalificatie, komt de regularisatiebijdrage overeen met een percentage van de huidige waarde, op de datum waarop de aanvraag tot regularisatie werd ingediend van de verhoging van het rustpensioenbedrag dat overeenkomt met de studieperioden waarop de aanvraag tot regularisatie betrekking heeft, berekend met een intrestvoet

sterftetafels,

rekening houdend met de referentiewedde die als basis dient voor de pensioenberekening zoals gekend op het moment van het indienen van de aanvraag tot regularisatie. De Koning preciseert het percentage van de huidige waarde dat in aanmerking wordt genomen zonder dat dit lager mag liggen dan 50 %, de intrestvoet van de actualisatie

de sterftetafels die worden gebruikt voor de berekening van de huidige waarde alsook de leeftijd vanaf wanneer het rustpensioenbedrag betaald geacht wordt. Elke aanvraag die regelmatig werd ingediend vóór 1 december 2020 wordt beschouwd als zijnde ingediend binnen de termijn van tien jaar bedoeld in het eerste lid. Art.

  1. De storting van de regularisatiebijdrage gebeurt in één keer, binnen zes maanden vanaf de datum van de in artikel 11 bedoelde regularisatiebeslissing. Art.
  2. De storting van de regularisatiebijdrage wordt verricht bij de Dienst die deze vervolgens zal toewijzen aan het pensioenstelsel van de overheidssector dat van toepassing is op het personeelslid op het ogenblik van het indienen van zijn aanvraag tot regularisatie. Nadien zal geen

kele overdracht van bijdragen uitgevoerd worden tussen de onderscheiden pensioenstelsels van de overheidssector. Met uitzondering van de overdrachten bedoeld in de wet van 10 februari 2003 tot regeling van overdracht van pensioenrechten tussen de Belgische pensioenregelingen

die van instellingen van internationaal publiek recht, zal nadien geen

kele overdracht van bijdragen uitgevoerd worden naar andere Belgische of buitenlandse pensioenstelsels van sociale zekerheid. Art.

  1. De overeenkomstig deze afdeling gestorte regularisatiebijdrage kan in geen geval worden terugbetaald. Art.
  2. §
  3. In afwijking van artikel 6, § 1, wordt de verschuldigde regularisatiebijdrage verminderd met vijftien pct. indien de aanvraag tot regularisatie wordt ingediend tussen 1 december 2017

30 november

  1. §
  2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de personen die vast benoemd werden of daarmee gelijkgesteld na 1 december
  3. […] Art.
  4. §
  5. De Dienst onderzoekt de aanvraag tot regularisatie

betekent zijn beslissing. Vanaf de betekening van de regularisatiebeslissing is het personeelslid, ten opzichte van de Dienst, ertoe gehouden om de regularisatiebijdrage te storten voor de in die beslissing vermelde studieperioden. 13 § 2. Alvorens zijn regularisatiebeslissing te betekenen, deelt de Dienst het personeelslid het totaalbedrag mee van de bijdrage die hij zal moeten storten, rekening houdend met de studieperioden waarvoor het personeelslid een aanvraag tot regulariseren heeft ingediend

, desgevallend, voor de volledige regulariseerbare studieperiode. Zo het personeelslid ervoor kiest om meer of minder studieperioden te regulariseren dan vermeld in zijn aanvraag, deelt de Dienst hem het bedrag mee van de bijdrage die hij zal moeten storten, berekend in functie van de door het personeelslid gemaakte keuze. §

  1. De regularisatiebeslissing van de Dienst houdt rekening met de keuze die het personeelslid heeft gemaakt nadat hij de in paragraaf 2 bedoelde inlichtingen heeft ontvangen. Indien het personeelslid niet betaalt binnen de termijn bepaald in artikel 7 wordt zijn regularisatieaanvraag definitief afgesloten ». B.1.
  2. Het beroep in de zaak nr. 6902 strekt tot de vernietiging van het voormelde artikel 4, § 1, van de wet van 2 oktober 2017, in zoverre het bepaalt dat de aanvraag tot het in aanmerking nemen van studieperioden voor de berekening van het pensioen moet worden ingediend vóór het pensioen ingaat. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6909 klagen aan dat : - artikel 2, §§ 1

3, het alleen voor de vastbenoemde ambtenaren mogelijk maakt hun studiejaren te regulariseren krachtens de bestreden wet. Zij bekritiseren eveneens de erin vervatte definitie van de studieperioden; - artikel 3, § 1, 3),

§ 2

, het aantal regulariseerbare studiejaren beperkt; - artikel 4 vereist dat de ambtenaar een regularisatieaanvraag doet; - artikel 5 bepaalt dat de regularisatie van de studieperioden pas uitwerking krijgt na betaling van de regularisatiebijdrage; - artikel 6 de bedragen van de genoemde regularisatie vaststelt; - artikel 7 bepaalt dat de betaling van de bijdrage binnen zes maanden na de datum van de regularisatiebeslissing

in één keer moet worden verricht; 14 - artikel 8 bepaalt dat de bijdrage aan de FOD Sociale Zekerheid moet worden gestort; - artikel 9 bepaalt dat de bijdrage in geen geval kan worden terugbetaald; - artikel 10, § 2, bepaalt dat de ambtenaren die na 1 december 2017 vastbenoemd zijn, het voordeel van de in paragraaf 1 bepaalde vermindering van 15 % niet kunnen genieten; - artikel 11 bepaalt dat de FOD Sociale Zekerheid over de regularisatieaanvraag een beslissing treft die de aanvrager bindt. B.2.1. De diplomabonificatie werd voor de personeelsleden van de openbare sector ingevoerd bij de wet van 9 juli 1969 « tot wijziging

aanvulling van de wetgeving betreffende de rust-

overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector ». In de memorie van toelichting van die wet is vermeld : « 4. Bonificaties voor studies. Luidens artikel 8 van de algemene wet van 21 juli 1844, worden de rustpensioenen uitbetaald naar rato, voor elk jaar dienst, van 1/60 van de gemiddelde wedde verbonden aan de laatste vijf jaren van de loopbaan, wanneer het gaat om sedentaire diensten,

van 1/50 van dat zelfde gemiddelde indien het diensten betreft die ‘ actieve ’ diensten [worden] genoemd. Bovendien mag geen

kel pensioen de 3/4 overschrijden van de wedde die tot grondslag van zijn vereffening heeft gediend. Om een volledig pensioen te kunnen genieten, zijn 45 jaren sedentaire dienst vereist, loopbaan die slechts kan volbracht worden indien de betrokkene uiterlijk op de leeftijd van 20 jaar in dienst is getreden. De ambtenaren-universitairen of gediplomeerden van het hoger onderwijs kunnen, uit hoofde van hun studies, op die leeftijd niet in dienst treden

het is voor hen in het algemeen onmogelijk een volledig pensioen te bekomen op de leeftijd van 65 jaar. Ten einde het nadeel dat hun laattijdige indiensttreding bij de Staat hun berokkent, te voorkomen, wordt voorgesteld de normale duur van de studies te valoriseren voor de personeelsleden die houder zijn van een diploma van ten minste 3 jaar postsecundaire studiën, voor zover dit diploma vereist werd bij de aanwerving. De lopende pensioenen zullen op die grond worden herzien » (Parl. St., Kamer, 1968-1969, nr. 368/1, pp. 4-5,

ibid., (verslag) nr. 368/2, pp. 5-6). 15 B.2.2. De diplomabonificatie werd voor de personeelsleden van het onderwijs geregeld bij de wet van 16 juni 1970 « betreffende de bonificaties wegens diploma’s inzake pensioenen van leden van het onderwijs ». In de memorie van toelichting van die wet is vermeld : « De wet van 8 april 1884 heeft aan het bezit van sommige diploma's een bonificatie van diensttijd verbonden die in de vereffening der rustpensioenen van de leden van het onderwijzend personeel in aanmerking wordt genomen. Deze wet, die slechts éénmaal werd aangevuld, t.w. in 1912, beantwoordt niet meer aan de huidige noodwendigheden zoals de opstellers van verscheidene wetsvoorstellen bestemd om haar aan te vullen of te vervangen, terecht hebben onderstreept. Inderdaad, zij bevat een beperkende opsomming van de diploma's die aanleiding geven tot bonificatie, in welke opsomming vanzelfsprekend de bekwaamheidsbewijzen niet voorkomen die na 1912 zijn ingesteld evenmin als sommige diploma's die reeds bestonden maar die slechts op een latere datum werden aangenomen voor het uitoefenen van een ambt in het onderwijs. Bovendien beperkt de administratieve rechtspraak die op de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 1884 is gesteund, de toekenning van de bonificatie tot de gevallen waarin het diploma bij een organieke wet betreffende het onderwijs werd vereist om het uitgeoefende ambt te vervullen. Het niet vervullen van deze voorwaarde sluit elke bonificatie uit voor de gerechtigden op een rustpensioen die een ambt hebben uitgeoefend waarvoor het diploma bij een reglementaire bepaling was vereist (koninklijk besluit, provinciaal raadsbesluit, beslissing van de gemeenteraad) of niet was vereist. In dit geval bevinden zich inzonderheid al de gepensioneerden van het officieel

vrij technisch onderwijs, van kunstonderwijs, evenals degenen die krachtens het schoolpact een pensioenstelsel genieten dat verwijst naar dat van de leden van het personeel van de vrije inrichtingen voor technisch onderwijs. Het zou weliswaar mogelijk zijn geweest de bepalingen van de wet van 1884 aan te vullen

er het toepassingsgebied van uit te breiden tot de categorieën van leden van het onderwijs die tot op heden uitgesloten waren, maar de Regering is van oordeel dat het, met het oog op uniformering

rationalisering, wenselijk was het geheel van de bepalingen met betrekking tot de bonificaties wegens diploma's in de pensioenen van het onderwijzend personeel om te werken

bij het opstellen van de nieuwe regels rekening te houden met de principes die ten grondslag liggen aan de maatregelen welke onlangs door de wetgever inzake bonificatie wegens diploma's in de pensioenen van het Rijkspersoneel zijn goedgekeurd. 16 De bepalingen van het ontwerp dat U wordt voorgelegd, stemmen opvallend overeen met die van hoofdstuk VI van de wet van 9 juli 1969 waarvan slechts wordt afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden eigen aan de toestand van het onderwijzend personeel, andere regels dan die toepasselijk op de ambtenaren, rechtvaardigen » (Parl. St., Senaat, 1969-1970, nr. 231/1, pp 1-2). B.3.1. De artikelen 3

5 van de wet van 28 april 2015 « houdende bepalingen betreffende de pensioenen van de publieke sector » (hierna : de wet van 28 april 2015) hebben, voor de pensioenen die ingaan vanaf 1 januari 2030, de diplomabonificatie opgeheven die wordt toegekend voor de studieperiodes alsook voor de daarmee gelijkgestelde periodes ten aanzien van de vastbenoemde personeelsleden van de overheidssector alsmede ten aanzien van de personeelsleden van het onderwijs. Daarenboven wordt bij de artikelen 2

4 van dezelfde wet een overgangsregeling ingesteld teneinde voor de betrokken personeelsleden de diplomabonificatie geleidelijk af te bouwen naar gelang van de ingangsdatum van het pensioen

naar gelang van het aantal studiejaren die vereist zijn voor het diploma waarvan zij houder zijn. B.3.

  1. In de memorie van toelichting van de wet van 28 april 2015 was vermeld : « Punt 2.3 van het regeerakkoord voorziet aanpassingen aan de wetgeving van het ambtenarenpensioen. Eén van de doelstellingen beoogd door de hervorming is om binnen de verschillende pensioenstelsels de loopbaanvoorwaarden voor het genot van het recht op het vervroegd rustpensioen eenvormig te maken. Voor de overheidssector bestaat deze eenvormigheid er met name in, om voor de bepaling van het recht op pensioen, de in aanmerkingneming van de diplomabonificatie op te heffen. Er dient verduidelijkt te worden dat deze maatregel helemaal geen betrekking heeft op de pensioenberekening. De opheffing zal gerealiseerd zijn voor de pensioenen die ingaan vanaf 1 januari
  2. Deze opheffing zal eveneens slaan op de bonificatie met betrekking tot de stages die toelieten de officiële goedkeuring in de hoedanigheid van geneesheer-specialist te bekomen. Een overgangsregeling wordt voorzien voor de pensioenen die ingaan tussen 1 januari 2016

31 december 2029. 17 De overgangsregeling bestaat uit een progressieve vermindering van hetzij 4 maanden, hetzij 5 maanden of hetzij 6 maanden per kalenderjaar naargelang de studieduur van het diploma respectievelijk hetzij 2 jaar of minder, hetzij meer dan 2 jaar

minder dan 4 jaar, hetzij 4 jaar

meer beloopt. De eerste vermindering wordt toegepast op de pensioenen die ingaan vanaf 1 januari 2016. De verminderingen worden vervolgens elke 1ste januari van de volgende jaren vermeerderd met hetzij 4, 5 of 6 maanden naargelang de hiervoor vermelde studieduur van het diploma. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat gezien een diploma met een studieduur van 3 jaar 36 maanden vertegenwoordigt,

36 niet deelbaar is door 5, de vermindering in het kalenderjaar 2023 voor dergelijk diploma 1 maand beloopt

niet 5 maanden. De verminderingen worden uitgedrukt onder de vorm van een tabel in functie van de ingangsdatum van het pensioen

erzijds

in functie van de studieduur verbonden aan het diploma anderzijds » (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0922/001, pp. 4-5). In de toelichting bij artikel 8 van het ontwerp werd erop gewezen dat het ingevolge de voorgestelde bepalingen « kan gebeuren dat […] sommige personen de voorwaarden inzake loopbaanduur niet meer vervullen om te kunnen genieten van een vervroegd rustpensioen of deze oppensioenstelling moeten uitstellen » (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0922/001, p. 7). B.3.3. Punt 2.3 van het regeerakkoord van 9 oktober 2014, waarnaar in de memorie van toelichting van de wet van 28 april 2015 wordt verwezen, maakt deel uit van een tweede hoofdstuk onder het opschrift « Pensioenhervorming », waarin onder meer is vermeld : « De inspanningen dienen te worden aangevuld met structurele hervormingen die voldoende bijdragen tot de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn, inzonderheid via een hervorming van de pensioenen uitgevoerd met het rapport van de expertengroep voor de hervorming van de pensioenen 2020-2040 als wetenschappelijke basis, evenals een loopbaanhervorming. Deze hervormingen zullen in werking treden tussen nu

2030. De vergrijzing, ontgroening

verzilvering stellen het vertrouwen van de burgers in de houdbaarheid van het pensioenstelsel op de proef. Er is nood aan een nieuw sociaal contract over de leeftijdscohortes heen, het toonbeeld van een sterke intergenerationele solidariteit. De regering zal daarom een nieuwe pensioenhervorming uitwerken, op basis van de tien principes uit het rapport van de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040

hierover intensief overleg plegen met de sociale partners. Om de financiële

sociale duurzaamheid van het pensioensysteem te verzekeren, zal de regering deze tien principes vertalen in tien werkterreinen. De regering zal tijdens deze legislatuur de omschakeling naar een puntensysteem voor de pensioenberekening uitwerken. Hervormingen zullen steeds hand in hand gaan met voldoende lange overgangsperiodes. De regering zal, in overleg met

na advies van de sociale partners,

erzijds noodzakelijke structurele hervormingen

anderzijds specifieke maatregelen nemen om langer werken mogelijk te maken. 18 […] In 2015

2016 wordt het reeds voorziene groeitraject voor leeftijds-

loopbaanvoorwaarden voor het vervroegd pensioen behouden. Vervolgens stijgt de loopbaanvoorwaarde naar 41 jaar in 2017

42 jaar in 2019. De leeftijd waarop men het vervroegd pensioen [kan nemen] wordt opgetrokken naar 62,5 jaar in 2017

naar 63 jaar in

  1. […] 2.
  2. Specifieke aanpassingen aan de wetgeving van het ambtenarenpensioen De Pensioencommissie stelt : ‘ De voorwaarden die gesteld worden m.b.t. de lengte van de loopbaan opdat men toegang zou hebben tot het pensioen moeten een eenvormige invulling krijgen over de verschillende stelsels; verschillen inzake de vereiste loopbaan of inzake de leeftijd die toegang geeft tot pensioen, moeten op een objectieve basis kunnen gerechtvaardigd worden. ’ De Pensioencommissie stelt tevens : ‘ De berekening van het pensioen moet gebaseerd zijn op het arbeidsinkomen van de hele loopbaan, niet

kel op het einde van de loopbaan. ’ De regering zal daarom in nauw overleg met de sociale partners van de publieke sector pensioenhervormingen tot stand brengen die een harmonisering met de wetgeving van de stelsels van de privé-sector beogen. Via dit overleg zal bepaald worden vanaf wanneer in beide systemen op dezelfde wijze pensioenrechten opgebouwd worden. In elk geval zijn de in het ambtenarenstelsel opgebouwde pensioenrechten verworven. De volgende aspecten van het ambtenarenpensioen zullen het voorwerp uitmaken van onderhandeling met de sociale partners van de publieke sector : - De mate waarin een uitfasering met 6 maanden per kalenderjaar van de diplomabonificatie vanaf 2015 mogelijk is voor de loopbaanvoorwaarde voor het vervroegd pensioen. Het Nationale Pensioencomité zal de uitfasering van de diplomabonificatie voor de berekening van het pensioenbedrag door een regularisatie van de studieperiodes via een persoonlijke bijdrage onderzoeken. - De loopbaanduur voor de berekening van een volledig pensioen bij voordelige tantièmes. Als deze maatregel wordt genomen zullen pensioenrechten die opgebouwd zijn ingevolge voordelige tantièmes behouden blijven. In de loop van deze legislatuur zal een maatregel worden genomen zodat alle pensioenrechten opgebouwd worden, zowel voor de berekening als voor de toegang tot het vervroegd pensioen, aan tantième 1/60e uitgezonderd bij zware beroepen in de publieke sector (zie 2.4.) » (http://premier.be/sites/default/files/articles/Accord_de_Gouvernement_-_Regeerakkoord.pdf, pp. 28-30

33-35). 19 B.3.

  1. De bestreden wet van 2 oktober 2017 betreft de in het voormelde regeerakkoord overwogen maatregel met betrekking tot het systeem van diplomabonificatie, namelijk de « uitfasering » van de diplomabonificatie voor de berekening van het pensioenbedrag door een regularisatie van de studieperiodes via een persoonlijke bijdrage. B.3.
  2. In de memorie van toelichting wordt vermeld : « Het Regeerakkoord voorziet dat : ‘ Het Nationale Pensioencomité zal de uitfasering van de diplomabonificatie voor de berekening van het pensioenbedrag door een regularisatie van de studieperiodes via een persoonlijke bijdrage onderzoeken. ’ Vertrekkende van het rapport ‘ Studieperiodes in de drie voornaamste rustpensioenregelingen – Een overzicht van het wettelijke kader

gegevensanalyse ’ van april 2016 van het Kenniscentrum, is de vraag over de harmonisering van de inaanmerkingname van de studieperioden in de pensioenstelsels voor de pensioenberekening besproken geweest zowel binnen de Bijzondere commissie van de publieke sector van het Nationaal Pensioencomité als de plenaire vergadering van het Comité. Na afloop van deze gedachtewisseling, is er overeengekomen tekstontwerpen op te maken ter voorlegging aan het sociaal overleg via de gebruikelijke kanalen (Comité A, Beheerscomité van de Federale Pensioendienst

het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut van de zelfstandigen) » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2378/001, p. 4). In de memorie van toelichting wordt voorts gepreciseerd : « Dit wetsontwerp beoogt de harmonisering van het in aanmerking nemen van de studiejaren in de drie pensioenstelsels : pensioenen van de publieke sector, pensioenen van de werknemers

pensioenen van de zelfstandigen. Bepalingen betreffende de pensioenen van de overheidssector (Titel 2) Deze titel voert in het pensioenstelsel van de publieke sector de harmoniseringsvoorstellen in voor de inaanmerkingname van de studiejaren. Deze titel heeft betrekking op de harmonisering van deze inaanmerkingname voor de pensioenberekening. Ter herinnering, de wet van 28 april 2015 houdende bepalingen betreffende de pensioenen van de publieke sector voorziet de geleidelijke afschaffing van de inaanmerkingname van het diploma in de loopbaanvoorwaarde om met vervroegd pensioen te kunnen gaan in de publieke sector. Deze titel bestaat uit twee luiken. Het eerste luik voorziet het einde van de kostenloosheid van de inaanmerkingname van het vereiste diploma mits het behoud van de verworven rechten. Dit is het voorwerp van hoofdstuk 2 van deze titel. 20 Momenteel is de inaanmerkingname van de studiejaren in de publieke sector gratis wanneer het diploma vereist is voor de functie. Voortaan zal de diplomabonificatie niet meer gratis zijn. Deze titel voorziet twee uitzonderingen op dit principe. Ten eerste worden de verworven rechten gevrijwaard. Deze titel voorziet voor de pensioenen die ingaan vanaf 1 juni 2018 een gedeeltelijk behoud van het huidige systeem van de diplomabonificatie. Dit gedeeltelijk behoud zal in functie zijn van de diensten

perioden die aanneembaar zijn voor de opening van het recht op het pensioen die het personeelslid totaliseert op 1 juni

  1. Daarna wordt de kostenloosheid behouden voor de personen die, ten laatste op 1 juni 2018, aan de voorwaarden voldoen voor het verkrijgen van een vervroegd pensioen. Ongeacht het moment waarop hun rustpensioen ingaat, zullen zij kunnen genieten van de kostenloosheid van de inaanmerkingname van het diploma volgens de huidige voorwaarden. De kostenloosheid wordt eveneens behouden voor de personen die zich op 1 juni 2017 op eigen aanvraag in een voltijdse of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan het pensioen of in een vergelijkbare situatie bevinden of voor de personen die, als ze een dergelijk verzoek hadden ingediend, ten laatste op 1 juni 2017 in een gelijkaardige situatie zouden kunnen zijn geplaatst. Het tweede luik van deze titel voorziet de invoering van de mogelijkheid van een inaanmerkingname van de studieperiodes mits het betalen van een regularisatiebijdrage. Dit is het voorwerp van hoofdstuk
  2. In tegenstelling tot wat de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 heeft voorgesteld, wordt de diplomabonificatie dus niet afgeschaft. Studiejaren kunnen nog steeds in aanmerking worden genomen voor de pensioenberekening. Ze zullen in aanmerking worden genomen mits het betalen van een regularisatiebijdrage, zoals reeds het geval is bij de werknemers

zelfstandigen. Het bedrag van de regularisatiebijdrage hangt af van het moment waarop de aanvraag tot regularisatie wordt ingediend. Indien de aanvraag wordt ingediend gedurende de 10 jaren die volgen op de te regulariseren studieperioden, is het bedrag van de regularisatiebijdrage forfaitair. Indien de aanvraag na deze termijn wordt ingediend, houdt de berekening van de bijdrage rekening met de huidige waarde, op de datum van de aanvraag tot regularisatie, van de pensioenverhoging die overeenkomt met de studieperiodes die de aanvraag tot regularisatie betreffen, berekend met een rentevoet

sterftetafels

rekening houdend met de weddes die in aanmerking worden genomen voor de berekening van het rustpensioen zoals gekend op het ogenblik van de aanvraag tot regularisatie. Deze titel voorziet een overgangsperiode van 3 jaar (van 1 juni 2017 tot 31 mei 2020), tijdens de welke ondanks het verlopen van de voormelde termijn van 10 jaar, het personeelslid de inaanmerkingname van zijn studieperiodes kan verkrijgen voor de pensioenberekening mits het betalen van de forfaitaire regularisatiebijdrage in plaats van de regularisatiebijdrage die in haar berekening rekening houdt met de huidige waarde van de pensioenverhoging. Er is bovendien voorzien dat indien de aanvraag tot regularisatie wordt ingediend tussen 1 juni 2017

31 mei 2019, het forfaitair bedrag van de regularisatiebijdrage wordt verminderd met 15 %. 21

kel de ambtenaren die ten laatste op 1 juni 2017 zijn benoemd, kunnen van deze vermindering genieten. […] De ontwerpmaatregel maakt trouwens deel uit van de structurele hervormingen bepleit door de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 voor een structurele hervorming van de pensioenstelsels in haar rapport ‘ Een sterk

betrouwbaar sociaal contract ’. Deze beveelt een gelijke behandeling aan wat de studieperioden betreft in alle wettelijke pensioenstelsels, niet

kel voor de loopbaanvoorwaarden maar ook voor de pensioenberekening » (ibid., pp. 4 tot 6

9). Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.4.

  1. De Ministerraad voert de onontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 6902 aan wegens het gebrek aan belang van de verzoekende partij. Hij is van mening dat de verzoekende partij, die reeds gepensioneerd is, niet onder het toepassingsgebied valt van artikel 4, § 1, van de wet van 2 oktober 2017, dat zij aanvecht, in zoverre de aanvraag tot regularisatie van het pensioen wegens studiejaren die zij had kunnen doen, luidens die bepaling, vóór de ingangsdatum van het pensioen moet zijn ingediend. B.4.
  2. De verzoekende partij, die onder meer aanvoert dat het bestreden artikel 4, § 1, artikel 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het niet voorziet in

ige overgangsbepaling die personen die, zoals zij, kort vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet, op 1 december 2017, de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, de mogelijkheid zou bieden het recht op regularisatie te genieten, heeft er belang bij dat het Hof het door haar aangevoerde middel onderzoekt, dat, indien het gegrond zou worden verklaard, zou kunnen leiden tot een gedeeltelijke vernietiging van de wet, die voor haar gunstig zou zijn. B.5. De exceptie wordt verworpen. 22 Ten gronde Wat het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie betreft B.6.1. Het eerste middel in de zaak nr. 6909 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11

23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met het wettigheidsbeginsel, met het rechtszekerheidsbeginsel

met het evenredigheidsbeginsel. B.6.2. Aangezien in dat middel geen

kele uiteenzetting gewijd is aan de wijze waarop artikel 23 van de Grondwet zou zijn geschonden, net zomin als aan de schending van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens of van artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, beperkt het Hof zijn onderzoek van het eerste middel tot dat van de bestaanbaarheid van de bestreden bepalingen met de artikelen 10

11 van de Grondwet. B.7. In essentie voeren de verzoekende partijen aan dat de afschaffing van de kosteloze diplomabonificatie bij de berekening van het pensioen het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie schendt in zoverre zij tot gevolg zou hebben dat ambtenaren van de niveaus A

B, voor wie het behalen van een diploma een criterium was dat vereist was voor de uitoefening van hun ambt,

ambtenaren van de niveaus C

D, die niet aan dat criterium moeten beantwoorden, op identieke wijze worden behandeld, terwijl die twee categorieën van ambtenaren zich in verschillende situaties zouden bevinden. In een tweede onderdeel voeren zij aan dat diezelfde afschaffing tot gevolg zou hebben dat sommige personeelsleden in overheidsdienst

alle burgers die een wettelijk pensioen genieten, op identieke wijze worden behandeld, terwijl die twee categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zouden zijn. 23 B.8. Het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust

het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel

de gevolgen van de betwiste maatregel

met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen

het beoogde doel. B.9. Het komt de wetgever toe te oordelen in hoeverre het opportuun is maatregelen te nemen met het oog op besparingen inzake rust-

overlevingspensioenen. Hij beschikt in dat opzicht over een des te ruimere beoordelingsbevoegdheid wanneer de betrokken regeling het voorwerp heeft uitgemaakt van sociaal overleg (zie het Protocol nr. 197/1 van 30 januari 2015 van het Gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten, Parl. St., Kamer, DOC 54-0922/003, bijlage, pp. 40-47

48-55). Hoewel het sociaal overleg in het Comité A, het Comité overheidsbedrijven

het Onderhandelingscomité van het militair personeel niet tot een akkoord heeft geleid, heeft het sociaal overleg toch sommige wijzigingen tot gevolg gehad, zoals : het behoud van de verworven rechten (de kosteloze bonificatie wordt gehandhaafd naar gelang van de op 1 juni 2017 opgebouwde beroepsloopbaan), de mogelijkheid om studiejaren te regulariseren zelfs indien het diploma voor het ambt niet vereist is, de gedurende de eerste twee jaar van de overgangsperiode aan de ambtenaren toegekende vermindering van het bedrag van de forfaitaire bijdrage is op 15 % gebracht (in plaats van de 10 % waarin oorspronkelijk was voorzien), de mogelijkheid, voor ambtenaren die zich uiterlijk op 1 juni 2017 in disponibiliteit voorafgaand aan het pensioen hadden kunnen bevinden (zelfs indien ze die mogelijkheid niet hebben uitgeoefend), om het voordeel van de kosteloze diplomabonificatie te kunnen blijven genieten voor het geheel van de loopbaan (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0922/006, p. 29 24 B.

  1. De wetgever heeft met de wet van 9 juli 1969 er rekening mee gehouden dat kandidaten voor een openbaar ambt voor wie het bezit van een diploma bij wet of reglement verplicht wordt gesteld, een aantal jaren hoger onderwijs hebben moeten volgen om voor dat ambt in aanmerking te komen, derwijze dat de beroepsloopbaan van die categorie van personen zich noodzakelijkerwijs anders aftekent doordat zij slechts na die studies hun loopbaan hebben kunnen aanvatten. De diplomabonificatie voor die personeelsleden van het openbaar ambt beoogde rekening te houden met die situatie. B.
  2. Zoals blijkt uit de in B.3.5 vermelde parlementaire voorbereiding, wenste de wetgever met de bestreden bepalingen een nieuwe stap te zetten in de harmonisering van de pensioenregelingen van de werknemers uit de privésector

uit de overheidssector, in het bijzonder wat betreft de voorwaarden inzake loopbaanduur. Een systeem van kosteloze

automatische tijdsbonificatie voor studiejaren bestaat immers niet ten voordele van de personen die bij arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen. B.

  1. Zoals ook blijkt uit dezelfde parlementaire voorbereiding, past de bestreden regeling in het kader van de structurele hervormingen van de pensioenen die zijn bedoeld om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn te verzekeren, door rekening te houden met de budgettaire kosten van de vergrijzing. B.
  2. Het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie verzet zich niet ertegen dat de wetgever terugkomt op zijn oorspronkelijke doelstellingen om er andere na te streven. In het algemeen trouwens moet de overheid haar beleid kunnen aanpassen aan de wisselende vereisten van het algemeen belang. B.14.1. Gelet op de demografische evolutie waarmee de wetgever rekening heeft willen houden,

de gelijkheid van behandeling met de regeling die van toepassing is op de contractuele werknemers, die hij heeft willen verwezenlijken, is de afschaffing van de kosteloze bonificatie van de studiejaren voor de overheidsambtenaren een relevante maatregel. 25 B.14.2. Zoals is vermeld in B.3.5, was de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 van oordeel dat er thans geen objectieve redenen meer zijn om ambtenaren, werknemers

zelfstandigen verschillend te behandelen met betrekking tot de inaanmerkingneming van de studieperiodes in de drie stelsels. B.15. Het Hof dient echter nog te onderzoeken of de gevolgen van de afschaffing van de kosteloze bonificatie van de studiejaren

het systeem van het mogelijk afkopen van die studiejaren niet onevenredig zijn voor sommige vastbenoemde personeelsleden van het openbaar ambt, in het bijzonder de ambtenaren van de niveaus A

B die, zoals de verzoekende partijen in de zaak nr. 6909, ertoe zouden kunnen worden aangezet om een hoge regularisatiebijdrage te betalen om het bedrag van hun pensioen te behouden. B.16.

  1. Zoals in B.9 is vermeld, is de kosteloze bonificatie van studiejaren voor de overheidsambtenaren gehandhaafd naar gelang van de op 1 juni 2017 opgebouwde beroepsloopbaan. B.16.
  2. Daarenboven kunnen sommige personeelsleden in overheidsdienst, inclusief van de niveaus A

B, hun diploma valoriseren zelfs indien dat laatste voor de uitoefening van hun ambt niet vereist was. B.16.3. Wat betreft de gevolgen van de afschaffing van de kosteloze bonificatie van de studiejaren voor het pensioenbedrag dat de overheidsambtenaren kunnen genieten, wordt in de parlementaire voorbereiding vermeld : « In antwoord op deze opmerking van de Raad van State, moet ervan worden uitgegaan dat de ontwerpsbepalingen, gecumuleerd met deze die voorheen werden aangenomen, geen aanzienlijke achteruitgang teweeg brengen van het recht op het pensioen. Uit de uitgevoerde simulaties, blijkt inderdaad dat indien men de situatie die van kracht was vóór het begin van de legislatuur vergelijkt met deze die rekening houdt met de reeds aangenomen maatregelen

deze in voorbereiding, een ambtenaar geen pensioenrechten verliest, of zelfs zijn pensioenrechten ziet toenemen. Voorbeeld 1 : een ambtenaar in dienst bij een federale overheidsdienst (FOD) van niveau B, schaal BA3, geboren op 17 mei 1970. Hij heeft een loopbaan van 5 jaar in de privésector

treedt in dienst bij de FOD op 1 juni

  1. Hij behaalde een diploma van 3 jaar vereist voor zijn functie. De geïndexeerde referentiewedde bedraagt 54 343 EUR. 26 Vóór het begin van de legislatuur zou hij, op de eerst mogelijke ingangsdatum van zijn pensioen (hierna de ‘ P ’-datum), een geïndexeerd jaarlijks bruto pensioenbedrag hebben ontvangen van 33 512 EUR. Rekening houdend met de reeds aangenomen hervormingen, deze in voorbereiding inbegrepen, zal hij een geïndexeerd jaarlijks bruto pensioenbedrag ontvangen van 35 091 EUR. Als hij de regularisatiebijdrage betaalt, zal het geïndexeerd jaarlijks bruto pensioenbedrag worden verhoogd naar 36 229 EUR. Voorbeeld 2 : een ambtenaar in dienst bij een federale overheidsdienst (FOD), van niveau A, schaal A 25, geboren op 17 mei
  2. Hij is in dienst getreden bij de FOD op 1 juni
  3. Hij behaalde een diploma van 5 jaar vereist voor zijn functie. De geïndexeerde referentiewedde bedraagt 72 777 EUR. Vóór het begin van de legislatuur, zou hij op de ‘ P ’-datum, een geïndexeerd jaarlijks bruto pensioenbedrag hebben ontvangen van 50 944 EUR. Rekening houdend met de reeds aangenomen hervormingen, deze in voorbereiding inbegrepen, zal hij een geïndexeerd jaarlijks bruto pensioenbedrag ontvangen van 53 123 EUR. Als hij de regularisatiebijdrage betaalt, zal het geïndexeerd jaarlijks bruto pensioenbedrag worden verhoogd naar 54 583 EUR (hetzij het relatief maximum dat overeenkomt met 75 % van de wedde die als basis dient voor de pensioenberekening). […] Voorbeeld 4 : een licentiaat van de Franse Gemeenschap waarvan de geïndexeerde referentiewedde 61 736 EUR bedraagt. Hij is geboren op 17 mei
  4. Hij heeft drie jaar in de privésector gewerkt. Hij is in dienst getreden als licentiaat op 1 juni
  5. Hij heeft een diploma [behaald] van 4 jaar vereist voor zijn functie. Vóór het begin van de legislatuur, zou hij op de ‘ P ’-datum, een geïndexeerd jaarlijks bruto pensioenbedrag hebben ontvangen van 43 776 EUR. Rekening houdend met de reeds aangenomen hervormingen, deze in voorbereiding inbegrepen, zal hij een geïndexeerd jaarlijks bruto pensioenbedrag ontvangen van 45 963 EUR. Als hij de regularisatiebijdrage betaalt, zal het geïndexeerd jaarlijks bruto pensioenbedrag worden verhoogd naar 46 302 EUR (hetzij het relatief maximum dat overeenkomt met 75 % van de wedde die als basis dient voor de pensioenberekening). […] Voorbeeld 7 : een ambtenaar in dienst bij een federale overheidsdienst (FOD) van niveau B met schaal BA3, geboren op 17 mei
  6. Hij is in dienst getreden bij de FOD op 1 juni
  7. Hij heeft een diploma van 3 jaar gehaald vereist voor zijn functie. De geïndexeerde referentiewedde bedraagt 54 343 EUR. Vóór het begin van de legislatuur, zou hij op de ‘ P ’-datum, een geïndexeerd jaarlijks bruto pensioenbedrag hebben ontvangen van 38 040 EUR. Rekening houdend met de reeds aangenomen hervormingen, deze in voorbereiding inbegrepen, zal hij een geïndexeerd jaarlijks bruto pensioenbedrag ontvangen van 38 412 EUR. Als hij de regularisatiebijdrage betaalt, zal het geïndexeerd jaarlijks bruto pensioenbedrag worden verhoogd naar 40 757 EUR (hetzij het relatief maximum dat overeenkomt met 75 % van de wedde die als basis dient voor de pensioenberekening). 27 Er moet verder worden opgemerkt dat deze titel een overgangsmaatregel heeft voorzien die zich [uitstrekt] over de duur van een volledige loopbaan. Bovendien,

hoewel het correct is dat het in aanmerking nemen van het diploma voortaan niet meer (of slechts gedeeltelijk) gratis is, blijft het bedrag van de forfaitaire regularisatiebijdrage gunstig ten opzichte van de pensioenrechten die de betaling ervan genereert. Eén geregulariseerd studiejaar ten belope van het éénmalige bedrag van 1 500 EUR genereert een jaarlijkse verhoging van het terugkerende pensioenrecht tot 1/60 (zelfs 1/55ste voor de leerkrachten van 55 jaar of meer in 2017) van de wedde die als referentie dient voor de pensioenberekening. Dit gevolg van de reeds aangenomen hervormingen werd bevestigd in het rapport van het Kenniscentrum Pensioenen over de analyse van de gevolgen van de hervorming van de pensioenen

de werkloosheid met bedrijfstoeslag van september 2015. Uit dit rapport blijkt inderdaad dat de reeds aangenomen pensioenhervormingen (deze in voorbereiding niet inbegrepen) een verhoging teweegbrengen van het gemiddelde pensioenbedrag

dat dit gevolg duidelijker is in het stelsel van de publieke sector dan in de stelsels van de werknemers

de zelfstandigen door de belangrijkere verlenging van de loopbanen als gevolg van de afschaffing van de diplomabonificatie in de evaluatie van de loopbaanvoorwaarde voor het vervroegd pensioen (cfr. met name pagina’s 5

43) » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2378/001, pp. 6-9). Uit die voorbeelden blijkt dat de bestreden maatregelen geen onevenredige gevolgen hebben voor het bedrag van het pensioen dat de meerderheid van de ambtenaren zullen genieten. B.16.

  1. Daarenboven wordt de al dan niet forfaitaire regularisatiebijdrage gelijkgesteld met een fiscaal aftrekbare socialezekerheidsbijdrage. B.16.
  2. Al dient de wetgever rekening te houden met de gerechtvaardigde verwachtingen van de ambtenaren, kunnen zij, mede gelet op de wet van de veranderlijkheid van de openbare dienst

op de budgettaire imperatieven, redelijkerwijze niet verwachten dat hun pensioenstatuut tussen de indiensttreding

de pensionering niet zal worden hervormd. B.

  1. Het eerste middel in de zaak nr. 6909 is niet gegrond. 28 B.
  2. De verzoekende partij in de zaak nr. 6902 leidt een

ig middel af uit de schending, door artikel 4, § 1, van de wet van 2 oktober 2017, van artikel 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partij, van wie het pensioen is ingegaan op 1 oktober 2017, zijnde vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet, klaagt aan dat de bestreden bepaling erin voorziet dat de aanvraag tot bonificatie wegens studiejaren, inclusief voor de ambtenaren die, zoals zij, een ambt hebben uitgeoefend waarvoor het diploma waarop de ambtenaren zich voortaan kunnen beroepen om ervoor te kiezen te opteren voor de bonificatie, niet was vereist, vóór de ingangsdatum van het pensioen moet worden ingediend, zonder in een overgangsbepaling te voorzien voor personen die kort vóór de inwerkingtreding van de wet, op 1 december 2017, de pensioengerechtigde leeftijd zouden hebben bereikt. Daaruit zou een discriminatie volgen tussen die ambtenaren

de andere ambtenaren die zich op hetzelfde, voor het ambt niet vereiste diploma kunnen beroepen

die na 1 december 2017 tot het pensioen zullen worden toegelaten. B.19.1. Het is inherent aan een nieuwe regeling dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vallen

personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen. Een dergelijk onderscheid maakt op zich geen schending van de artikelen 10

11 van de Grondwet uit. Elke wetswijziging zou immers onmogelijk worden indien zou worden aangenomen dat een nieuwe bepaling die grondwetsartikelen zou schenden om de

kele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere regeling wijzigt. B.19.2. Daarenboven kan de wetgever, wanneer hij meent dat een beleidsverandering noodzakelijk is, beslissen daaraan een onmiddellijk gevolg te geven

is hij er in beginsel niet toe gehouden te voorzien in een overgangsregeling. De artikelen 10

11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de ontstentenis van een overgangsmaatregel leidt tot een verschil in behandeling waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dat beginsel is nauw verbonden met het rechtszekerheidsbeginsel, dat de wetgever verbiedt om zonder objectieve

redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. 29 De wetgever heeft nooit in het vooruitzicht gesteld dat reeds gepensioneerde ambtenaren, zoals de verzoekende partij, zouden kunnen opteren voor de regularisatie van het pensioen wegens studiejaren. Voor het overige is uit het onderzoek van het eerste middel in de zaak nr. 6909 gebleken dat de door de verzoekende partij in de zaak nr. 6902 bestreden bepaling het voorwerp uitmaakt van een geheel van bepalingen die redelijk verantwoord zijn

die geen onevenredige gevolgen hebben voor de situatie van de betrokken personeelsleden van het openbaar ambt. B.20. Het

ige middel in de zaak nr. 6902 is niet gegrond. Wat de standstill-verplichting betreft B.21. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6909 leiden een tweede middel af uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 « tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid

beroep », met het wettigheidsbeginsel, met het rechtszekerheidsbeginsel

met het evenredigheidsbeginsel. Zij betogen,

erzijds, dat de bestreden bepalingen de personeelsleden van het openbaar ambt nadeel zouden berokkenen door hen ertoe aan te zetten een hoge regularisatiebijdrage te betalen om het bedrag van hun pensioen te handhaven

, anderzijds, dat de bestreden bepalingen de sociale voorwaarden

de arbeidsvoorwaarden van dat personeel aanzienlijk zouden verminderen zonder dat daarvoor een reden van algemeen belang bestaat. B.22.1. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale

culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : 30 1° het recht op arbeid

op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog

stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden

een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg

collectief onderhandelen; 2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid

sociale, geneeskundige

juridische bijstand; […] ». B.22.2. Artikel 23 van de Grondwet bevat inzake het recht op billijke arbeidsvoorwaarden

een billijke beloning een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat geboden wordt door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. Hetzelfde geldt voor het recht op sociale zekerheid. B.22.3. Artikel 23 van de Grondwet preciseert niet wat moet worden verstaan onder een « billijke beloning ». Het preciseert evenmin het niveau dat moet worden bereikt door de sociale uitkeringen die vallen onder het recht op sociale zekerheid. Het verplicht de bevoegde wetgever die twee rechten te waarborgen

de voorwaarden voor de uitoefening ervan te bepalen om eenieder in staat te stellen « een menswaardig leven te leiden ». B.22.4. In de toelichting bij het voorstel tot herziening van de Grondwet dat heeft geleid tot de invoeging, in titel II ervan, van artikel 23 (destijds artikel 24bis) wordt het volgende uiteengezet, over het recht op een billijke beloning : « Het recht op een billijke beloning vormt een essentieel bestanddeel van de economische doelstellingen t.o.v. de menselijke activiteit. […] Deze beloning moet rekening houden met de fundamentele sociale, culturele

economische behoeften van de werknemers

hun familie. Naast deze fundamentele behoeften moet de beloning aan de werknemers de mogelijkheid bieden om zich in te schrijven in hogere

complexe bezigheden, zoals het onderwijs, culturele

sociale voordelen. 31 De billijke beloning wordt

erzijds vastgesteld door de gepresteerde arbeid

anderzijds door de levensbehoeften van de werknemer

van zijn familie » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-2/3°, p. 16). Wat het recht op sociale zekerheid betreft, wordt het volgende aangegeven : « Het opnemen van dit grondrecht in onze fundamentele akte is de bekroning van honderd jaar sociale strijd

ligt in de lijn van het sturen naar welzijn

vooruitgang. […] Volgens de voorgestelde tekst heeft een ieder die een beroepsactiviteit uitoefent recht op sociale zekerheid. […] Het is belangrijk te benadrukken dat de uitoefening van dergelijk recht echter gekoppeld blijft aan de bijdrageplicht

dat het de overheid is die, samen met de betrokken erkende sociale gesprekspartners, de modaliteiten van de uitoefening van dergelijk recht bepaalt » (ibid., p. 18). B.23. Ten eerste doen de bestreden bepalingen nieuwe rechten ontstaan voor de personeelsleden van het openbaar ambt die een diploma van het hoger onderwijs kunnen valoriseren zelfs indien dat laatste voor de uitoefening van hun ambt niet vereist is, hetgeen onder de vroegere wetgeving niet mogelijk was. Daarenboven is de wetgever, zoals in B.16.3 is vermeld, tegemoetgekomen aan de door de Raad van State in zijn advies nr. 60.770/4 van 5 januari 2017 geformuleerde vraag. Niet alleen brengen de bestreden maatregelen voor de meerderheid van de ambtenaren geen aanzienlijke achteruitgang van het bedrag van het pensioen teweeg, maar ook kan de validering van dat diploma door het afkopen van hun studiejaren een positief gevolg hebben voor het bedrag van het pensioen van sommigen. Tot slot verantwoorden de in B.3.3

B.3.5 vermelde doelstellingen om de pensioenstelsels van de werknemers uit de privésector

van de personeelsleden uit de overheidssector te harmoniseren

om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn te verzekeren, dat de overheid voorziet in het einde van de kosteloze inaanmerkingneming van het vereiste diploma, terwijl zij tegelijkertijd de verworven rechten handhaaft

terwijl zij tegelijkertijd de inaanmerkingneming van de diplomabonificatie voor de berekening van het pensioen mogelijk maakt, mits een regularisatiebijdrage wordt betaald. B.

  1. Het tweede middel is niet gegrond. 32 Wat het recht van de Europese Unie betreft B.
  2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6909 leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11

23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 1

2 van de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 « tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid

beroep », met de artikelen 20

21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met het wettigheidsbeginsel, met het rechtszekerheidsbeginsel

met het evenredigheidsbeginsel. Zij betogen in essentie dat de bestreden bepalingen ten doel zouden hebben het voordeel van de berekening van het pensioenbedrag waarbij het recht op een volledig pensioen wordt gevaloriseerd, te ontzeggen aan sommige personeelsleden van de overheidssector die, zoals zij, niet de mogelijkheid hebben gehad om vóór een bepaalde leeftijd toegang te hebben tot openbare ambten. Zij bekritiseren het feit dat, aangezien die leeftijd wordt bepaald door de duur van de studie die vereist is om te worden aangeworven

benoemd in het ambt dat toegang geeft tot de pensioenregeling van de overheidssector, de studie welke die laatsten hebben gevolgd, niet meer in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van het bedrag van hun pensioen, tenzij zij de financiële middelen bezitten om het bedrag van een regularisatiebijdrage te betalen of tenzij zij langer werken om de verandering van het oorspronkelijke bedrag van het pensioen waarop zij recht hebben, te compenseren, terwijl geen

kele discriminatie op grond van leeftijd aanvaardbaar zou zijn. Zij betogen dat de bestreden wet een indirecte discriminatie zou vormen, in de zin van artikel 2, lid 2, b), van de voormelde richtlijn, in zoverre zij voor personen met een bepaalde leeftijd een nadeel met zich zou meebrengen om reden van de datum waarop zij hun loopbaan in het openbaar ambt hebben kunnen aanvatten. B.26. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen betogen, is het niet juist dat alle personeelsleden in overheidsdienst die hebben gestudeerd alvorens hun loopbaan te beginnen, bij de berekening van hun pensioen worden benadeeld ten opzichte van diegenen die die loopbaan onmiddellijk hebben kunnen aanvatten. 33 Hoewel het waar is dat die laatsten hun loopbaan vroeger hebben kunnen aanvatten

dat de eerste jaren meetellen bij de berekening van hun pensioen, was de wedde die zij hebben kunnen genieten

die ook meetelt bij de berekening van hun pensioen, tijdens hun loopbaan lager dan die van gediplomeerde ambtenaren. Bovendien wordt de ambtenaren die een diploma hebben moeten behalen om hun loopbaan aan te vatten, niet het recht ontzegd om die studiejaren in aanmerking te laten nemen, wegens het systeem van het afkopen van die jaren, mits een regularisatiebijdrage wordt betaald. B.27. In zoverre de grieven zijn afgeleid uit de schending van de richtlijn 2000/78/EG

uit de schending van artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dient te worden opgemerkt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie voortvloeit dat de lidstaten bij het vaststellen van maatregelen die binnen de werkingssfeer vallen van die richtlijn - welke het beginsel van niet-discriminatie op grond van leeftijd concretiseert op het vlak van arbeid

beroep - die richtlijn in acht dienen te nemen (zie in die zin arresten HvJ, 13 september 2011, C-447/09, Prigge e.a., punt 48,

7 juni 2012, C-132/11, Tyrolean Airways Tiroler Luftfahrt, punt 22). Daaruit vloeit voort dat, zoals te dezen, in de verhouding tussen particulieren

de overheid van een lidstaat,

kel de richtlijn 2000/78/EG in aanmerking moet worden genomen (HvJ, 21 januari 2015, C-529/13, Felber, punt 17). Artikel 6, lid 1, eerste alinea, van voormelde richtlijn preciseert dat de lidstaten kunnen bepalen dat een verschil in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormt indien het in het kader van de nationale wetgeving objectief

redelijk wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel – met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding –

de middelen die zijn bestemd om dat doel te bereiken passend

noodzakelijk zijn. Het Hof van Justitie heeft herhaaldelijk geoordeeld dat wat betreft de vraag of het doel dat wordt nagestreefd met een ter beoordeling staande maatregel legitiem is, de lidstaten over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken, niet alleen bij de beslissing welke van meerdere doelstellingen van sociaal beleid

werkgelegenheidsbeleid zij specifiek willen nastreven, maar ook bij het bepalen van de maatregelen waarmee die doelstelling kan worden verwezenlijkt (HvJ, 19 juni 2014, C-501/12–C-506/12, C-540/12

C-541/12, Specht e.a., 34 punt 46

de aldaar aangehaalde rechtspraak; HvJ, 21 januari 2015, C-529/13, Felber, punt 30). De toetsing van de bestreden maatregelen aan de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de voormelde richtlijn, leidt bijgevolg niet tot een andere conclusie. B.28. Zoals in B.9 is vermeld, wordt de bestreden wetgeving in het kader van het nationaal recht objectief

redelijk gerechtvaardigd door legitieme doelstellingen, waarbij de middelen die zijn bestemd om die doelstellingen te bereiken, zoals in B.14.1

B.16.5 is vastgesteld, relevant

niet onevenredig zijn. B.

  1. Het derde middel in de zaak nr. 6909 is niet gegrond. Wat de inachtneming van het wettigheidsbeginsel betreft B.
  2. In een met toepassing van artikel 85 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof aangevoerd middel doet de Franse Gemeenschapsregering gelden dat artikel 6, § 3, tweede lid, van de wet van 2 oktober 2017 de artikelen 10, 11, 23, 33, 105

108 van de Grondwet, het wettigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel

het evenredigheidsbeginsel schendt. Zij betoogt dat de bestreden bepaling aan de Koning een blancovolmacht zou hebben gegeven, die de grenzen overschrijdt van de bevoegdheden die Hem kunnen worden toegewezen,

aldus de personeelsleden van het openbaar ambt aan wie de waarborg zou worden ontnomen dat het bedrag van hun bijdrage in de wet wordt opgenomen, discriminerend zou behandelen, in tegenstelling tot de ambtenaren die in staat zijn hun aanvraag tot regularisatie binnen een termijn van tien jaar vanaf de datum van hun diploma of vóór 1 december 2020 in te dienen. B.31. Artikel 23 van de Grondwet waarborgt het recht een menswaardig leven te leiden. 35 Artikel 23, tweede lid

derde lid, 2°, van de Grondwet verplicht de bevoegde wetgever om het recht op sociale zekerheid te waarborgen

de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht te bepalen. Die grondwetsbepaling verbiedt die wetgever echter niet machtigingen te verlenen aan de uitvoerende macht, voor zover die machtigingen betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de wetgever het onderwerp heeft aangegeven. Die grondwetsbepaling verplicht de wetgever niet om alle essentiële elementen van het recht op sociale zekerheid te regelen

verbiedt hem niet om de uitvoerende macht ertoe te machtigen die te regelen. B.32.1. Te dezen wordt in het voormelde artikel 6, § 3, van de bestreden wet de rekenkundige formule gegeven die het mogelijk maakt het bedrag van de regularisatiebijdrage na afloop van de overgangsperiode van tien jaar te berekenen

wordt aan de Koning

kel de bevoegdheid verleend de specifieke parameters te preciseren waarmee in de berekeningsformule rekening dient te worden gehouden. De wet machtigt de Koning

kel ertoe het percentage vast te leggen van de huidige waarde van de verhoging van het pensioenbedrag dat overeenkomt met de studieperioden waarop de regularisatie betrekking heeft, met inachtneming van het bij de wet opgelegde minimum van 50 %, de intrestvoet, de sterftetafels alsook de leeftijd vanaf wanneer het pensioenbedrag betaald wordt geacht. B.32.2. Hoewel het waar is dat het exacte bedrag van de volgens actuariële regels vastgelegde regularisatiebijdrage moeilijker te berekenen is dan het tijdens de overgangsperiode van tien jaar van toepassing zijnde forfaitaire bedrag, kan het toch worden bepaald aan de hand van de wettelijk vastgelegde formule, waarvan de inhoud in de parlementaire voorbereiding in de volgende bewoordingen is toegelicht : « Wanneer de regularisatie gebeurt na afloop van een periode van tien jaar vanaf het einde van de studies, zal de bijdrage worden berekend op basis van actuariële regels. Dat betekent dat de regularisatiebijdrage wordt vastgesteld in verhouding tot de pensioenrechten die worden gegenereerd door het in aanmerking nemen van het diploma. 36 In de overheidssector komen die pensioenrechten overeen met de volgende formule : 1/60ste (toepasselijke tantième) x referentiewedde die bekend is op het moment van de aanvraag van regularisatie x het aantal te regulariseren studiejaren. Die pensioenrechten komen overeen met een aanvullend pensioenbedrag dat jaarlijks betaalbaar is aan de ambtenaar. Op basis van actuariële regels, waarin rekening wordt gehouden met een sterftetafel

een technische rentevoet, wordt dat jaarlijkse pensioenbedrag omgezet in een kapitaal. De regularisatiebijdrage zal overeenkomen met een bepaald percentage van het kapitaal zonder dat zij lager kan zijn dan 50 % van het kapitaal. De minister geeft een concreet voorbeeld : als een ambtenaar buiten de overgangsperiode een aanvraag tot regularisatie indient op de leeftijd van 35 jaar, als hij na vijf jaar studies een diploma heeft behaald op de leeftijd van 23 jaar, als zijn referentiewedde 27 921,79 euro bedraagt, als men de sterftetafel XR (met een [leeftijdscorrectie] van 5 jaar)

een technische rentevoet van 1 % hanteert

als het rustpensioen wordt uitbetaald vanaf de leeftijd van 65 jaar, dan bedraagt de opgebouwde jaarlijkse rente 2 326,82 euro. Om dat bedrag jaarlijks aan de ambtenaar te kunnen uitkeren vanaf de leeftijd van 65 jaar, is er op de leeftijd van 35 jaar een kapitaal van 34 484,43 euro nodig. De ambtenaar zal een bijdrage moeten betalen die niet lager mag liggen dan 50 % van die waarde, dus 17 242,22 euro (in plaats van 7 500 euro in geval van een forfaitaire regularisatiebijdrage). In de actuariële berekening werd geopteerd voor een rentevoet van 1 %

wordt dus niet verwezen naar - bijvoorbeeld - een rentevoet op lange termijn. Een rentevoet van 1 % is perfect gerechtvaardigd in het licht van het huidige klimaat van lage rente. Indien een aanpassing noodzakelijk wordt, kan de rentevoet worden aangepast bij koninklijk besluit. Voor de Federale Pensioendienst is het ook eenvoudiger om een rentevoet te hanteren die op voorhand wordt bepaald, eerder dan een fluctuerende rentevoet, zoals door de Inspectie van Financiën wordt bepleit. Een vaste rentevoet zorgt ook voor meer transparantie ten aanzien van de burger. De parameters van de berekening van de regularisatiebijdrage na afloop van een periode van tien jaar na het einde van de studies zullen gelijk zijn voor ambtenaren, werknemers

zelfstandigen. Het

ige verschil is dat de berekening op basis van verschillende pensioenrechten gebeurt : pensioenrechten van ambtenaren zijn immers hoger dan die van werknemers

zelfstandigen » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2378/006, pp. 32-34). B.33. Uit al die elementen volgt dat de regularisatiebijdragen bij de wet zijn bepaald, zowel tijdens de overgangsperiode van tien jaar als na die periode, de eerste aan de hand van een forfaitair bedrag, de tweede als gevolg van een onveranderlijke rekenkundige formule, zodat het wettigheidsbeginsel

het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie onder de personeelsleden van de overheidssector, naar gelang van de datum van indiening van hun aanvraag tot regularisatie, in acht zijn genomen. B.34. Het door de Franse Gemeenschapsregering aangevoerde middel is niet gegrond. 37 Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands

het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 24 oktober 2019. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.148 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.