← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.151

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.151 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191024.5 Arrest- Rolnummer: 151/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-05 Raadplegingen: 241 - laatst gezien 2026-06-28 22:01 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - De wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », zoals gewijzigd bij de wet van 24 februari 2017 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met het doel de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid te versterken », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie volgens welke het familielid van een burger van de Unie dat het voorwerp uitmaakt van een ministerieel besluit tot terugwijzing dat is genomen vóór de inwerkingtreding van de wet van 24 februari 2017 en dat uitwerking blijft hebben na die datum, niet beschikt over de mogelijkheid om de opschorting of de intrekking of opheffing van dat ministerieel besluit aan te vragen. - Dezelfde wet schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in de interpretatie volgens welke het familielid van een burger van de Unie dat het voorwerp uitmaakt van een ministerieel besluit tot terugwijzing dat is genomen vóór de inwerkingtreding van de wet van 24 februari 2017 en dat na die datum uitwerking blijft hebben, kan steunen op artikel 44decies van de voormelde wet van 15 december 1980, zoals ingevoegd bij de wet van 24 februari 2017, om de opschorting of de intrekking of opheffing van dat ministerieel besluit tot terugwijzing aan te vragen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingenwetgeving - Toegang en verblijf Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », zoals gewijzigd bij de wet van 24 februari 2017 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met het doel de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid te versterken », gesteld door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Bestuursrecht - Vreemdelingenrecht - Toegang tot het grondgebied, verblijf, vestiging en verwijdering - Vreemdeling familielid van een burger van de Unie tegen wie een ministerieel besluit tot terugwijzing werd genomen - Wetswijziging - Onmogelijkheid tot schorsing of opheffing van het besluit. Tekst van de beslissing Rolnummer 6923 Arrest nr. 151/2019 van 24 oktober 2019 In zake : de prejudiciële vraag over de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », zoals gewijzigd bij de wet van 24 februari 2017 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met het doel de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid te versterken », gesteld door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 203 428 van 3 mei 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 mei 2018, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is het verenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet dat een vreemdeling, ten aanzien van wie omwille van redenen van openbare orde een ministerieel besluit tot terugwijzing werd getroffen en betekend, dat sedert de inwerkingtreding van de wet van 24 februari 2017 nog steeds van kracht is, ten gevolge van de vervanging van het oude artikel 46bis van de Vreemdelingenwet - dat de schorsing en intrekking/opheffing van voormelde ministeriële besluiten regelde - niet langer over een bij wet voorziene mogelijkheid tot opschorting of intrekking/opheffing van dit ministerieel besluit tot terugwijzing beschikt teneinde zijn rechten als familielid van een burger van de Unie te doen laten gelden, terwijl een vreemdeling, die omwille van redenen van openbare orde sedert de inwerkingtreding van voormelde wet een inreisverbod betekend krijgt, luidens het nieuwe artikel 44decies van de Vreemdelingenwet wel beschikt over een bij wet voorziene mogelijkheid tot opschorting of intrekking/opheffing van dergelijk inreisverbod teneinde zijn rechten als familielid van een burger van de Unie te doen gelden ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Matterne, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 5 juni 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Derycke en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 26 juni 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 26 juni 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil A. E.A. dient op 11 december 2009 een aanvraag om machtiging tot verblijf in op grond van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980). Die aanvraag wordt verworpen op 9 augustus 2010 en op 6 oktober 2010 ontvangt A. E.A. het bevel om het grondgebied te verlaten. Tussen 4 december 2009 en 5 februari 2010 maakt A. E.A. zich schuldig aan het bezit en de verkoop van heroïne en cocaïne. De Correctionele Rechtbank te Brussel veroordeelt hem op 6 juni 2010 tot een gevangenisstraf van drie jaar. Op 27 oktober 2010 wordt een ministerieel terugwijzingsbesluit genomen waarbij A. E.A. wordt gelast het grondgebied te verlaten met het verbod gedurende tien jaar terug te keren. Op 12 augustus 2014 wordt A. E.A. hiervan in kennis gesteld. 3 Op 28 januari 2016 dient A. E.A. een aanvraag in tot afgifte van een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie, gelet op het feit dat zijn broer de Nederlandse nationaliteit bezit. Op 26 juli 2016 wordt die aanvraag geweigerd. Op 20 december 2016 dient A. E.A. een nieuwe aanvraag in, die op 15 juni 2017 opnieuw wordt geweigerd. Tegen de beslissing van 15 juni 2017 wordt door A. E.A. een vordering tot schorsing en tot nietigverklaring ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Belgische Staat, de verwerende partij voor de verwijzende rechter, meent dat de aanvraag tot gezinshereniging niet in overweging kan worden genomen omdat de aanvrager, A. E.A., geen opschorting of intrekking of opheffing van het ministerieel terugwijzingsbesluit heeft verkregen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat de wet van 15 december 1980 grondig is gewijzigd door de wet van 24 februari 2017, waarbij er niet langer sprake is van terugwijzings- en uitzettingsbesluiten. Het bevel om het grondgebied te verlaten is thans de enige maatregel tot verwijdering die kan worden genomen ten aanzien van een vreemdeling, wat zijn status ook mag zijn. Vanaf de inwerkingtreding van de wet van 24 februari 2017 kan een vreemdeling die, om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, een bevel krijgt om het grondgebied te verlaten, het voorwerp uitmaken van een inreisverbod waarvan de duur kan variëren. Een vreemdeling kan overigens voortaan niet langer het voorwerp uitmaken van een koninklijk besluit tot uitzetting of een ministerieel besluit tot terugwijzing. Onder gelding van de oude wetgeving kon een vreemdeling, die onder een geldend ministerieel besluit stond, zich niet op een verblijfsrecht als familielid van een burger van de Unie beroepen, maar die vreemdeling kon wel een aanvraag tot opschorting of intrekking of opheffing van het ministerieel besluit indienen. Sedert de inwerkingtreding van de wet van 24 februari 2017 beschikt de aanvrager niet meer over een wettelijke mogelijkheid om een opschorting of intrekking of opheffing te verkrijgen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt tevens vast dat nergens erin wordt voorzien op welke wijze de rechtszekerheid kan worden gevrijwaard, voor wat betreft de procedure tot opschorting of intrekking of opheffing van de nog geldende ministeriële besluiten. Noch uit de wettelijke bepalingen zelf, noch uit de parlementaire voorbereiding kan worden afgeleid wat de wil is van de wetgever inzake de mogelijkheid van opschorting of intrekking of opheffing van ministeriële besluiten die werden uitgevaardigd vóór de inwerkingtreding van de wet van 24 februari 2017 en waarvan de geldigheidsduur verder loopt na de inwerkingtreding van de voormelde wet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen benadrukt dat de Belgische Staat ter terechtzitting zelf heeft aangegeven dat niet langer in een wettelijk kader is voorzien waarin de opschorting of intrekking of opheffing van dergelijke besluiten kan worden verkregen. Aldus verwijst de Belgische Staat in de bestreden administratieve rechtshandeling naar de noodzaak van een voorafgaande opschorting of intrekking of opheffing van het ministerieel besluit, waarvan hij ter terechtzitting zelf aangeeft dat de aanvrager hiertoe geen bij wet bepaalde mogelijkheid meer heeft. Volgens het huidige wetgevende kader heeft een vreemdeling niet langer de mogelijkheid om een verzoek tot opschorting of intrekking of opheffing van het hem betreffende ministerieel besluit in te dienen, teneinde hem, in geval van een positieve beslissing, in staat te stellen zijn rechten als familielid van een burger van de Unie te doen gelden, terwijl een dergelijke mogelijkheid wel bestaat voor een vreemdeling die om redenen van openbare orde naast het bevel om het grondgebied te verlaten tevens een inreisverbod betekend krijgt. Een dergelijke situatie houdt in dat de betrokken vreemdeling net zoals een vreemdeling die onderhevig is aan een ministerieel besluit tot terugwijzing, het Rijk niet meer mag betreden of er niet meer mag vertoeven gedurende de duur van het inreisverbod dat langer dan vijf jaar en dus in voorkomend geval ook tien jaar kan bedragen. In navolging van die vaststellingen stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bovenvermelde prejudiciële vraag. 4 III. In rechte -A- A.

  1. De Ministerraad meent dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, omdat het beantwoorden ervan niet dienstig is voor de oplossing van het bodemgeschil. De prejudiciële vraag veronderstelt dat een derdelander die een aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie wenst in te dienen, een opschorting kon vragen vóór de wetswijziging van 24 februari 2017, van het ministerieel besluit tot terugwijzing waarvan hij het voorwerp uitmaakt, op grond van artikel 46bis van de wet van 15 december 1980 en, sinds de wetswijziging van 24 februari 2017, van het inreisverbod op grond van artikel 44decies van de wet van 15 december
  2. De verwijzende rechter wil weten of een dergelijke mogelijkheid bestaat sinds de inwerkingtreding van de wet van 24 februari
  3. De artikelen waarop de prejudiciële vraag steunt, vinden geen toepassing in de situatie zoals omschreven door de verwijzingsbeslissing. Een derdelander kan zich niet beroepen op artikel 46bis (vóór de wetswijziging van 24 februari 2017), noch op artikel 44decies van de wet van 15 december 1980 (na de wetswijziging van 24 februari 2017). A.
  4. Volgens de Ministerraad is het wettelijk kader niet gewijzigd door de inwerkingtreding van de wet van 24 februari
  5. Vóór de wetswijziging maakten enkel de artikelen 26 en 46bis van de wet van 15 december 1980 melding van de « opheffing of opschorting ». Uit artikel 26 kon enkel een mogelijkheid worden afgeleid voor het bestuur om een beslissing tot opschorting of intrekking van het terugwijzingsbesluit te nemen. Een verzoek tot opheffing of intrekking van een terugwijzingsbesluit, ingediend door een derdelander, betrof derhalve een willig beroep. De wet van 24 februari 2017 heeft geen impact op de willige administratiefrechtelijke beroepsprocedure die openstaat voor de voordien uitgevaardigde terugwijzingsbesluiten, maar voegt een nieuw artikel 44decies in, wat de mogelijkheid voor een aanvraag van de schorsing of intrekking van het inreisverbod inhoudt voor Unieburgers en hun familieleden, terwijl in die mogelijkheid voordien werd voorzien in artikel 46bis van de wet van 15 december 1980, dat bij artikel 38 van de wet van 24 februari 2017 werd vervangen. Een verzoek tot opheffing of intrekking van een terugwijzingsbesluit betreft ook na de wetswijziging van 24 februari 2017 een willig beroep. In tegenstelling tot de derdelanders, verleende het oude artikel 46bis van de wet van 15 december 1980 de Unieburgers of hun familieleden de mogelijkheid om bij de gemachtigde, ten vroegste na een periode van twee jaar nadat het desbetreffende besluit werd uitgevoerd, een aanvraag in te dienen met een bewijs van wijziging van de omstandigheden die het besluit destijds rechtvaardigden, teneinde de schorsing of de opheffing ervan te verkrijgen. Met de wetswijziging van 24 februari 2017 werd artikel 46bis vervangen door artikel 44decies, dat evenwel identiek is aan het oude artikel 46bis. Artikel 46decies zet de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 « betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG » (hierna : de richtlijn 2004/38/EG) om. A.
  6. Volgens de Ministerraad heeft artikel 44decies van de wet van 15 december 1980 tot gevolg dat de burger van de Unie, of zijn familielid, die een inreisverbod voor het grondgebied van het Rijk opgelegd krijgt, de schorsing of intrekking ervan kan vragen. Een dergelijk verzoek moet, onder bepaalde voorwaarden, worden ingediend vanuit het land van oorsprong of van verblijf. De wetswijziging van 24 februari 2017 heeft niet tot gevolg dat een derdelander die zich wenst te beroepen op een verblijfsrecht in de hoedanigheid van een familielid van een burger van de Unie doch aan wie die hoedanigheid niet werd toegekend, op basis van artikel 44decies een aanvraag tot schorsing of intrekking van het inreisverbod kan indienen. Die mogelijkheid bestaat enkel voor diegenen aan wie de status van familielid van een burger van de Unie werd toegekend. De prejudiciële vraag viseert niet de erkende familieleden van de burgers van de Unie, doch de onderdanen van derde landen die aanspraak wensen te maken op een verblijfsrecht als familieleden van Unieburgers. 5 A.
  7. Het antwoord op de vraag of uit artikel 44decies de mogelijkheid voortvloeit om de opheffing of opschorting te vragen van een terugwijzingsbesluit biedt, volgens de Ministerraad, geen oplossing voor het bodemgeschil, daar de vraag betrekking heeft op een derdelander en niet op een Unieburger of zijn erkend familielid. Indien de verwijzende rechter wilde weten of een burger van de Unie of zijn familielid, die het voorwerp uitmaakt van een terugwijzingsbesluit, over de mogelijkheid beschikt om de opheffing of de opschorting te vragen van een dergelijk besluit sedert de wetswijziging van 24 februari 2017, dient die vraag positief te worden beantwoord. Ook al werden de terugwijzingsbesluiten uit de wet van 15 december 1980 genomen, toch beschikt de Unieburger en zijn familielid steeds over de mogelijkheid een verzoek tot opheffing in te dienen op grond van artikel 44decies, en op grond van artikel 32 van de richtlijn 2004/38/EG. Indien de verwijzende rechter wilde weten of een derdelander die het voorwerp uitmaakt van een terugwijzingsbesluit, over de mogelijkheid beschikt om daarvan een opheffing te vragen na de inwerkingtreding van de wet van 24 februari 2017, dient de vraag positief te worden beantwoord. De situatie van de derdelander is niet veranderd door de wetswijziging van 24 februari 2017 en hij beschikt nog steeds over het willig beroep. -B- B.
  8. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980), zoals gewijzigd bij de wet van 24 februari 2017 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met het doel de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid te versterken » (hierna : de wet van 24 februari 2017). Artikel 46bis van de wet van 15 december 1980 bepaalde vóór de vervanging ervan bij artikel 38 van de wet van 24 februari 2017 : « §
  9. De burger van de Unie of zijn familieleden, bedoeld in artikel 40bis, § 2, kunnen ten vroegste na een periode van twee jaar nadat het koninklijk besluit tot uitzetting of het ministerieel besluit tot terugwijzing werd uitgevoerd, onder aanvoering van argumenten om te bewijzen dat er een wijziging in materiële zin is opgetreden in de omstandigheden die het besluit destijds rechtvaardigden, bij de gemachtigde van de minister een aanvraag indienen tot schorsing of opheffing van het betrokken besluit. §
  10. Een besluit betreffende de bovenvermelde aanvraag wordt ten laatste binnen de zes maanden te rekenen vanaf de indiening van de aanvraag getroffen. De betrokken vreemdelingen hebben gedurende de behandeling van deze aanvraag geen recht van toegang of verblijf in het Rijk ». 6 Artikel 38 van de wet van 24 februari 2017 heeft die bepaling vervangen door een bepaling met een verschillend onderwerp. Artikel 34 van de wet van 24 februari 2017 voegt een nieuw artikel 44decies in de wet van 15 december 1980 in, dat luidt : « §
  11. De burger van de Unie of zijn familielid die een inreisverbod voor het grondgebied van het Rijk krijgt, kan er de schorsing of de intrekking van aanvragen na een redelijke termijn en in elk geval na drie jaar te rekenen vanaf de uitvoering ervan. §
  12. De aanvraag voor de schorsing of intrekking van het inreisverbod moet worden ingediend bij de minister of zijn gemachtigde vanuit het land van oorsprong of van verblijf van de burger van de Unie of zijn familielid. De minister of zijn gemachtigde beschikt over een termijn van zes maanden om over de aanvraag te beslissen. §
  13. Indien de aanvraag niet is ingediend overeenkomstig paragraaf 2, weigert de minister of zijn gemachtigde de aanvraag in overweging te nemen. Indien de argumenten aangevoerd door de burger van de Unie of zijn familielid een wijziging in materiële zin bewijzen in de omstandigheden die destijds de beslissing tot inreisverbod op het grondgebied van het Rijk rechtvaardigden, schorst de minister of zijn gemachtigde het inreisverbod of trekt het in. In het tegenovergestelde geval weigert hij de aanvraag tot schorsing of intrekking van het inreisverbod. §
  14. Tijdens de behandeling van zijn aanvraag tot schorsing of intrekking van het inreisverbod heeft de burger van de Unie of zijn familielid geen recht van toegang of verblijf op het grondgebied van het Rijk ». De voormelde wijzigingen zijn in werking getreden op 29 april
  15. B.
  16. De verwijzende rechter stelt aan het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde wet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een ministerieel besluit tot terugwijzing dat is genomen vóór de inwerkingtreding van de wet van 24 februari 2017 en dat na die datum uitwerking blijft hebben, niet beschikt over de mogelijkheid om de opschorting of intrekking/opheffing van dat ministerieel besluit tot terugwijzing aan te vragen teneinde zijn rechten als familielid van een burger van de Unie te doen gelden, gelet op de vervanging van het vroegere artikel 46bis van de wet van 15 december 1980 - dat de opschorting en de intrekking en opheffing van de voormelde ministeriële besluiten regelde -, terwijl een 7 vreemdeling die, sinds de inwerkingtreding van de wet van 24 februari 2017, het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod, luidens het nieuwe artikel 44decies van de wet van 15 december 1980, wel beschikt over de mogelijkheid om de opschorting of intrekking/opheffing van het verbod aan te vragen teneinde zijn rechten als familielid van een burger van de Unie te doen gelden. B.3.
  17. Volgens de Ministerraad is het antwoord op de prejudiciële vraag niet nuttig voor de beslechting van het geschil ten gronde, omdat artikel 46bis van de wet van 15 december 1980, vóór de wijziging ervan bij de wet van 24 februari 2017, enerzijds, en artikel 44decies van de wet van 15 december 1980, zoals ingevoegd bij dezelfde wet, anderzijds, uitsluitend van toepassing zijn op de vreemdelingen die eerder een verblijfsrecht hebben verkregen als familielid van een burger van de Unie, hetgeen niet het geval zou zijn voor de betrokken vreemdeling in het voor de verwijzende rechter hangende geschil. B.3.
  18. In beginsel komt het de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil en die normen te interpreteren. Het Hof zou de relevantie van de prejudiciële vraag alleen kunnen betwisten indien de beoordeling van de verwijzende rechter kennelijk niet verantwoord zou zijn, hetgeen te dezen niet het geval is. In dat opzicht staat het aan de verwijzende rechter te bepalen of de betrokken vreemdeling kan worden beschouwd als een familielid van een burger van de Unie in de zin van de voormelde bepalingen. B.4.
  19. Vóór de inwerkingtreding van de wet van 24 februari 2017 maakte artikel 20 van de wet van 15 december 1980 het de bevoegde minister en de Koning mogelijk respectievelijk een besluit tot terugwijzing of tot uitzetting te nemen ten aanzien van sommige vreemdelingen in geval van aantasting van de openbare orde of van de nationale veiligheid, mits aan bepaalde voorwaarden was voldaan. Krachtens artikel 26 van dezelfde wet hielden die besluiten gedurende tien jaar een verbod in om het Rijk binnen te komen, tenzij ze opgeschort of ingetrokken werden. 8 Een specifieke regeling bestond voor de burgers van de Europese Unie en hun familieleden (de vroegere artikelen 45 en volgende van de wet). Artikel 46bis van de wet van 15 december 1980 voorzag in het bijzonder in de mogelijkheid voor de burger van de Unie of zijn familieleden, bedoeld in artikel 40bis, § 2, van die wet, om bij de gemachtigde van de minister een aanvraag in te dienen tot schorsing of opheffing van het koninklijk besluit tot uitzetting of van het ministerieel besluit tot terugwijzing waarvan zij het voorwerp uitmaakten. B.4.
  20. In het kader van de hervorming bij de wet van 24 februari 2017 heeft de wetgever beslist « de regeling inzake de terugwijzing en de uitzetting grondig te herzien en te vervangen door aparte regelingen volgens de verblijfssituatie van de vreemdeling » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2215/001, p. 5). Aldus « [verdwijnen] de terugwijzings- en uitzettingsbesluiten [...]; het bevel om het grondgebied te verlaten wordt de enige maatregel tot verwijdering ten aanzien van elke vreemdeling, welke zijn verblijfssituatie ook is » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2215/001, p. 6). Terwijl de teruggewezen of uitgezette vreemdeling automatisch het voorwerp uitmaakte van een inreisverbod van tien jaar, zal « voortaan [...] elke vreemdeling die om redenen van openbare orde of nationale veiligheid een bevel om het grondgebied te verlaten krijgt, het voorwerp kunnen uitmaken van een inreisverbod waarvan de duur zal variëren al naargelang het geval » (ibid., p. 7). B.4.
  21. Bijgevolg bepaalt artikel 44nonies van de wet van 15 december 1980, zoals ingevoegd bij artikel 33 van de wet van 24 februari 2017 : « De minister of zijn gemachtigde kan de in de artikelen 43, § 1, eerste lid, 2°, en 44bis, bedoelde beslissingen koppelen aan een inreisverbod voor het grondgebied van het Rijk, waarvan de duur door hem wordt vastgesteld, rekening houdend met alle omstandigheden van elk geval. De duur van het inreisverbod mag vijf jaar niet overschrijden, behalve indien de burger van de Unie of zijn familielid een ernstige bedreiging is voor de openbare orde of de nationale veiligheid ». 9 Artikel 44decies, § 1, van dezelfde wet, zoals ingevoegd bij artikel 34 van de wet van 24 februari 2017, voorziet daarentegen in de mogelijkheid, voor de burger van de Unie of zijn familielid die het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod voor het grondgebied van het Rijk, de schorsing of de intrekking daarvan aan te vragen na een redelijke termijn en in elk geval na drie jaar te rekenen vanaf de uitvoering ervan. B.
  22. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het bestaan van een ministerieel besluit tot terugwijzing of van een inreisverbod. Beide soorten maatregelen houden evenwel analoge gevolgen in, namelijk een inreisverbod voor het grondgebied van het Rijk. Daar de categorie van de koninklijke besluiten tot uitzetting en van de ministeriële besluiten tot terugwijzing is opgeheven, maar het inreisverbod voor het grondgebied van het Rijk dat die besluiten met zich hebben meegebracht, verder uitwerking blijft hebben, is het niet redelijk verantwoord dat het familielid van een burger van de Unie die het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod verbonden aan een bevel om het grondgebied te verlaten, genomen sinds de inwerkingtreding van de wet van 24 februari 2017, een procedure geniet die geregeld is in artikel 44decies, § 1, van de wet van 15 december 1980 teneinde de opheffing of intrekking of de opschorting van de maatregel te vragen, terwijl dat niet het geval is voor het familielid van een burger van de Unie die het voorwerp heeft uitgemaakt van een ministerieel besluit tot terugwijzing, en die alleen de mogelijkheid geniet om een willig beroep bij de auteur van de handeling in te dienen. Hieruit vloeit voort dat de in het geding zijnde wet, in de interpretatie van de verwijzende rechter, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
  23. Een andere interpretatie van de in het geding zijnde wet is evenwel mogelijk. Er kan immers van worden uitgegaan dat de ministeriële besluiten tot terugwijzing die ten aanzien van een familielid van een burger van de Unie zijn genomen met toepassing van de wet van 15 december 1980, vóór de wijziging ervan bij de wet van 24 februari 2017, en die uitwerking blijven hebben na de inwerkingtreding van die wet, dienen te worden gelijkgesteld met het « inreisverbod voor het grondgebied van het Rijk » beoogd in artikel 44decies van de wet van 15 december
  24. In die interpretatie is de in het geding zijnde wet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - De wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », zoals gewijzigd bij de wet van 24 februari 2017 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met het doel de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid te versterken », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie volgens welke het familielid van een burger van de Unie dat het voorwerp uitmaakt van een ministerieel besluit tot terugwijzing dat is genomen vóór de inwerkingtreding van de wet van 24 februari 2017 en dat uitwerking blijft hebben na die datum, niet beschikt over de mogelijkheid om de opschorting of de intrekking of opheffing van dat ministerieel besluit aan te vragen. - Dezelfde wet schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in de interpretatie volgens welke het familielid van een burger van de Unie dat het voorwerp uitmaakt van een ministerieel besluit tot terugwijzing dat is genomen vóór de inwerkingtreding van de wet van 24 februari 2017 en dat na die datum uitwerking blijft hebben, kan steunen op artikel 44decies van de voormelde wet van 15 december 1980, zoals ingevoegd bij de wet van 24 februari 2017, om de opschorting of de intrekking of opheffing van dat ministerieel besluit tot terugwijzing aan te vragen. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 24 oktober
  25. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.151 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.