id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.155 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191024.9 Arrest- Rolnummer: 155/2019 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-11-05 Raadplegingen: 679 - laatst gezien 2026-06-29 04:27 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - De artikelen 34, 36 en 37bis, §§ 1 en 2, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die interpretatie dat de vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid die verschuldigd is aan een werknemer die een arbeidsongeval heeft tijdens de uitvoering van zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst en die daarnaast bij een andere, voltijdse arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld, overeenkomstig artikel 37bis, § 1, uitsluitend wordt vastgesteld met inachtneming van het loon dat hem krachtens zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst verschuldigd is. - De artikelen 34, 36 en 37bis, §§ 1 en 2, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in die interpretatie dat de vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid die verschuldigd is aan een werknemer die een arbeidsongeval heeft tijdens de uitvoering van zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst en die daarnaast bij een andere, voltijdse arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld, overeenkomstig de artikelen 34 en 36, § 1, van die wet moet worden vastgesteld met inachtneming van het loon dat hem krachtens zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst verschuldigd is, aangevuld met een hypothetisch loon zoals bepaald bij dat artikel 36, §
- UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Arbeidsongevallenverzekering PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 34, 36 en 37bis, §§ 1 en 2, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Brugge. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Arbeidsongevallen - Schadeloosstelling - Vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid - Berekeningsgrondslag - In aanmerking te nemen basisloon - Cumulatie van arbeidsovereenkomsten - Verschillen in behandeling naargelang het arbeidsongeval plaatsvond tijdens een voltijdse of een deeltijdse tewerkstelling, en naargelang het een cumulatie van een voltijdse en een deeltijdse tewerkstelling of van verschillende deeltijdse tewerkstellingen betreft. Tekst van de beslissing Rolnummer 7035 Arrest nr. 155/2019 van 24 oktober 2019 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 34, 36 en 37bis, §§ 1 en 2, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 22 oktober 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 oktober 2018, heeft de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Brugge, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
- Schendt - in de hypothese dat artikel 37bis, § 1, van de Arbeidsongevallenwet, op basis van een letterlijke lezing, van toepassing is op het geval waarbij een werknemer die het slachtoffer is van een arbeidsongeval tijdens de uitvoering van zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst, ook tewerkgesteld is in het kader van een andere, voltijdse arbeidsovereenkomst - het artikel 37bis, § 1 van de Arbeidsongevallenwet, in samenhang gelezen met het artikel 37bis, § 2, van de Arbeidsongevallenwet, het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat eenzelfde categorie van personen, m.n. deeltijdse werknemers die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval, zonder redelijke verantwoording verschillend worden behandeld naargelang hun deeltijdse contractuele tewerkstelling wordt gecombineerd met een voltijdse dan wel met een (of meer) deeltijdse contractuele tewerkstelling(en), aangezien in het eerste geval (combinatie van deeltijdse met voltijdse contractuele tewerkstelling) de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid (ex artikel 37bis, § 1) alleen wordt gecompenseerd met vergoedingen die berekend worden op het basisloon dat uitsluitend is vastgesteld met inachtneming van het loon van de deeltijdse arbeidsovereenkomst, met een ‘ ondervergoeding ’ tot gevolg, terwijl in het tweede geval (combinatie van deeltijdse met deeltijdse contractuele tewerkstellingen) de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid gecompenseerd wordt (ex artikel 37bis, § 2) met vergoedingen die berekend worden op een basisloon dat vastgesteld wordt met inachtneming van de lonen die verschuldigd zijn krachtens alle deeltijdse arbeidsovereenkomsten, waardoor een ‘ ondervergoeding ’ deels wordt getemperd ?
- Schenden het artikel 34 juncto de artikelen 36 en 37bis, §§ 1 en 2 van de Arbeidsongevallenwet het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat eenzelfde categorie van personen, m.n. werknemers die een deeltijdse en voltijdse contractuele tewerkstelling cumuleren én slachtoffer zijn van een arbeidsongeval, zonder redelijke verantwoording verschillend worden behandeld naargelang het arbeidsongeval zich voordoet tijdens de voltijdse dan wel de deeltijdse contractuele tewerkstelling, aangezien in het eerste geval (arbeidsongeval tijdens voltijdse contractuele tewerkstelling) de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid gecompenseerd wordt met vergoedingen berekend op het (voltijds) loon waarop de werknemer recht heeft, desgevallend aangevuld met een hypothetisch loon (art. 34-36 Arbeidsongevallenwet), terwijl in het tweede geval (arbeidsongeval tijdens deeltijdse contractuele tewerkstelling) de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid alleen wordt gecompenseerd ofwel (ex artikel 37bis, § 1) met vergoedingen die berekend worden op het basisloon dat uitsluitend is vastgesteld met inachtneming van het loon van de deeltijdse arbeidsovereenkomst, met een ‘ ondervergoeding ’ tot gevolg, ofwel (ex artikel 37bis, § 2) met vergoedingen die berekend worden op een basisloon dat vastgesteld wordt met inachtneming van de lonen die verschuldigd zijn krachtens alle deeltijdse arbeidsovereenkomsten, waardoor een ‘ ondervergoeding ’ deels wordt getemperd ? ». 3 Memories zijn ingediend door : - de « Verzekeringskas Arbeidsongevallen - Securex », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Bulteel en Mr. C. Persyn, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Slegers, Mr. C. Pouppez en Mr. C. Poulussen, advocaten bij de balie te Brussel. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 26 juni 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Derycke en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 juli 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 juli 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil D.H. oefent, naast een voltijdse arbeidsovereenkomst bij de nv « OVA », een deeltijdse arbeidsovereenkomst uit bij de bvba « Devooght Logistics » ten belope van 8 uur per week. Tijdens de uitvoering van zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst wordt D.H. het slachtoffer van een arbeidsongeval. De « Verzekeringskas Arbeidsongevallen - Securex » (hierna : Securex), de arbeidsongevallenverzekeraar van de bvba « Devooght Logistics », erkent het arbeidsongeval, evenals het feit dat D.H. ten gevolge van het arbeidsongeval gerechtigd is op vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid. De betwisting die bij de Arbeidsrechtbank te Gent aanhangig is, betreft de berekening van het basisloon dat moet worden gehanteerd voor de berekening van de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid, in het specifieke geval waarbij een voltijdse en een deeltijdse contractuele tewerkstelling worden gecumuleerd en het arbeidsongeval zich voordoet tijdens de uitvoering van de deeltijdse arbeidsovereenkomst. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, het ziekenfonds van D.H. en de eisende partij voor de verwijzende rechter, vordert dat het basisloon wordt berekend op grond van artikel 36, § 1, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (hierna : de wet van 10 april 1971). Die bepaling bevat de algemene regel voor de berekening van het basisloon in geval van een onvolledige referteperiode. Securex is daarentegen van oordeel dat artikel 37bis, § 1, van de wet van 10 april 1971 van toepassing is. Op grond van die bepaling zou het basisloon uitsluitend moeten worden vastgesteld met inachtneming van het loon dat verschuldigd is krachtens de deeltijdse arbeidsovereenkomst van D.H. met de bvba « Devooght Logistics ». In de hypothese dat artikel 37bis, § 1, van de wet van 10 april 1971 – op basis van een letterlijke lezing en het arrest van het Hof van Cassatie van 11 maart 2013 (S.11.0153.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130311.7) – van toepassing zou zijn op de voorliggende zaak, rijst volgens de Arbeidsrechtbank de vraag of die bepaling verenigbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. De toepassing van die bepaling lijkt in onderhavig geval immers afbreuk te doen aan het doel dat de wetgever met de vergoedingsregeling in de wet van 10 april 1971 nastreefde, namelijk het vermijden van loonverlies of « ondervergoeding », met dien verstande dat de wetgever evenzeer « oververgoeding » wou voorkomen. 4 Het is in die omstandigheden dat de verwijzende rechter beslist de bovenvermelde prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- Securex stelt dat er geen discussie kan bestaan over de toepassing van artikel 37bis, § 1, van de wet van 10 april 1971 op de zaak voor de verwijzende rechter. Die zaak betreft een werknemer die een deeltijdse tewerkstelling combineert met een voltijdse tewerkstelling en die het slachtoffer van een arbeidsongeval wordt tijdens de uitvoering van de deeltijdse tewerkstelling. Vermits de artikelen 34 en 36, § 1, van de wet van 10 april 1971 de voltijdse tewerkstelling betreffen, is in onderhavig geval enkel artikel 37bis van dezelfde wet relevant. Op grond van die bepaling dient voor de berekening van het basisloon enkel rekening te worden gehouden met het loon dat verschuldigd is op grond van de deeltijdse tewerkstelling. Het basisloon moet dus niet worden aangevuld tot een voltijds loon. Die lezing van artikel 37bis van de wet van 10 april 1971 zou steun vinden in een arrest van het Hof van Cassatie van 11 maart
- Bij dat arrest heeft het Hof van Cassatie het voordien door de rechtspraak en de rechtsleer ingenomen standpunt dat artikel 37bis enkel toepassing zou vinden indien een werknemer uitsluitend deeltijds is tewerkgesteld verworpen. Het Hof van Cassatie erkende daarentegen dat, ook wanneer de betrokkene niet enkel deeltijds werkt maar eveneens een ander loon geniet, artikel 37bis van toepassing is. Ook het Grondwettelijk Hof heeft bij zijn arrest nr. 27/2015 van 5 maart 2015 erkend dat artikel 36 van de wet van 10 april 1971 niet kan worden uitgebreid tot de hypothese van de werknemer die een deeltijdse tewerkstelling cumuleert met een voltijdse tewerkstelling, waarbij de werknemer het slachtoffer is van een arbeidsongeval in het kader van de voltijdse tewerkstelling. Dat arrest is volgens Securex naar analogie van toepassing op de situatie voor de verwijzende rechter, waarbij het arbeidsongeval plaatsvindt tijdens de deeltijdse tewerkstelling. Overeenkomstig artikel 37bis, § 1, dient het basisloon in dat geval uitsluitend te worden vastgesteld op grond van het loon verschuldigd in het kader van de deeltijdse arbeidsovereenkomst. Die situatie moet worden onderscheiden van de situatie waarbij de werknemer meerdere deeltijdse tewerkstellingen cumuleert. In die situatie dient, overeenkomstig artikel 37bis, § 2, van de wet van 10 april 1971, het basisloon te worden berekend op grond van de lonen verschuldigd in het kader van alle deeltijdse arbeidsovereenkomsten. Securex erkent aldus dat er een verschil in behandeling bestaat tussen de werknemers die een arbeidsongeval hebben tijdens een deeltijdse tewerkstelling, naargelang zij die deeltijdse tewerkstelling combineren met een voltijdse tewerkstelling dan wel met een andere deeltijdse tewerkstelling. A.1.
- Dat verschil in behandeling zou wel degelijk bestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Er is immers een geoorloofd doel voorhanden. Met de invoering van de in het geding zijnde bepaling wenste de wetgever « oververgoeding » te voorkomen, door het basisloon te beperken tot het loon dat de getroffen werknemer met zijn deeltijdse arbeid werkelijk verwierf. Voorts beoogt de wet van 10 april 1971 te voorzien in een forfaitaire schadevergoeding, die geacht wordt alle professionele schade te omvatten. Tot slot streeft de wet van 10 april 1971 ernaar de financiële last die werkgevers en arbeidsongevallenverzekeraars dragen, niet te verzwaren. Het onderscheid berust voorts op een objectief criterium, namelijk het feit dat het arbeidsongeval zich voordoet tijdens de voltijdse dan wel de deeltijdse tewerkstelling, hetgeen duidelijk afgelijnde juridische begrippen zijn. De maatregel die erin bestaat een vergoeding op basis van het deeltijdse loon toe te kennen indien een werknemer een deeltijdse en een voltijdse tewerkstelling cumuleert en een arbeidsongeval heeft in het kader van de deeltijdse tewerkstelling, zou wel degelijk geschikt zijn om de voormelde doelstellingen te bereiken. 5 Tot slot zou de maatregel evenredig zijn met het nagestreefde doel. Het forfaitaire vergoedingssysteem moet ervoor zorgen dat het systeem in stand kan blijven, zodat elke werknemer die bescherming kan genieten. Het voortbestaan van dat vergoedingssysteem overstijgt de individuele belangen en vergt een consequente toepassing, zonder individuele afwijkingen. Het Hof heeft bij zijn arrest nr. 27/2015 van 5 maart 2015 reeds erkend dat de wetgever bij de invoering van de verplichte ongevallenverzekering de financiële last van de werkgevers en de verzekeraars niet heeft willen verzwaren. Daarenboven zou er niet noodzakelijk sprake zijn van een « ondervergoeding » wanneer een werknemer een deeltijdse en een voltijdse tewerkstelling cumuleert en een arbeidsongeval heeft tijdens de deeltijdse tewerkstelling. In voorkomend geval kan de werknemer immers aanspraak maken op een andere schadevergoeding in het kader van de ziekte- en invaliditeitsuitkering, dan wel in het kader van de werkloosheidsverzekering wat zijn andere betrekking betreft. Aldus betaalde de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten in onderhavig geval een bedrag uit aan D.H., in het kader van de verplichte ziekteverzekering. Ook die vergoedingen zouden mee in aanmerking moeten worden genomen. In dat geval is er geen sprake van een « ondervergoeding », noch van een verschil in behandeling dat disproportioneel is. Beide prejudiciële vragen zouden om die redenen ontkennend moeten worden beantwoord. A.2.
- De Ministerraad zet voorafgaandelijk uiteen dat het algemeen beginsel zoals neergelegd in artikel 34 van de wet van 10 april 1971 inhoudt dat het basisloon wordt bepaald uitgaande van een voltijdse betrekking en een referentieperiode van één jaar. De wetgever heeft die regel weliswaar gemilderd bij de artikelen 36 en 37bis van de wet van 10 april
- Aldus voorziet artikel 36 in de mogelijkheid om een hypothetisch loon in aanmerking te nemen wanneer de referentieperiode van één jaar niet volledig is. Voorts voorziet artikel 37bis in de berekening van het basisloon op basis van een deeltijdse tewerkstelling die als het ware wordt opgetrokken tot een voltijdse aanstelling. Indien er slechts sprake is van één deeltijdse aanstelling, wordt het hypothetische loon teruggebracht op basis van die ene deeltijdse aanstelling. Indien een werknemer meerdere deeltijdse functies uitoefent, worden die inkomsten uit deeltijdse arbeid samengevoegd teneinde het hypothetische loon te bepalen voor de berekening van het basisloon. Aangezien de arbeidsongevallenregeling uitgaat van een voltijdse aanstelling, wordt bij een voltijdse aanstelling geen rekening gehouden met andere eventuele aanstellingen. De regels inzake de vergoeding bij arbeidsongevallen vormen aldus één geheel en hebben tot doel loonverlies te vergoeden, alsook de sociale vrede en het evenwicht tussen de arbeidsverhoudingen binnen de bedrijven te handhaven. Het enigszins gemilderde forfaitaire karakter van het systeem van arbeidsongevallen werd reeds bevestigd door het Hof van Cassatie bij een arrest van 11 maart 2013, evenals door het Grondwettelijk Hof bij zijn arrest nr. 104/2002 van 26 juni
- A.2.
- Volgens de Ministerraad moet de eerste prejudiciële vraag ontkennend worden beantwoord. Die vraag betreft de vergelijking van werknemers die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval tijdens hun deeltijdse arbeidsovereenkomst, naargelang zij daarnaast ook in een andere voltijdse arbeidsovereenkomst, dan wel in een andere deeltijdse arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld. Het zou onmogelijk zijn voor de wetgever om voor alle mogelijke situaties in bepalingen te voorzien. Daarom heeft de wetgever een stelsel van verplichte verzekering ingevoerd dat het verlies aan verdienvermogen op forfaitaire wijze vergoedt, waarbij rekening wordt gehouden met de overgrote meerderheid van de gevallen. Aldus is in een forfaitaire schadevergoeding voorzien voor een werknemer die een voltijdse betrekking uitoefent. De wetgever heeft daarenboven rekening willen houden met welbepaalde specifieke situaties, zoals die van personen voor wie de referteperiode niet volledig is of die meerdere deeltijdse betrekkingen uitoefenen. Het is niet kennelijk onredelijk dat hij niet de bijzondere situatie heeft beoogd van een werknemer die ervoor kiest meer dan voltijds te werken. De wetgever heeft, met de invoering van de forfaitaire vergoedingsregeling, een zekere veiligheid aan de werknemers en een vorm van sociale vrede willen bieden. De verzekeringsplicht en de afwezigheid van een volledige schadevergoeding zijn bedoeld om de werkgevers een zekere voorzienbaarheid te bieden wat hun aansprakelijkheid betreft. Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend zou worden beantwoord, zou het delicate evenwicht van dat stelsel ernstig worden verstoord. Het redelijke en evenredige karakter van de maatregel zou bovendien nog worden versterkt door het feit dat de werknemer, in voorkomend geval, een andere schadevergoeding zal kunnen genieten in het kader van de invaliditeitsuitkering of van de werkloosheidsuitkering die zijn andere betrekking betreft. 6 A.2.
- Ook de tweede prejudiciële vraag zou ontkennend moeten worden beantwoord. Die vraag betreft de vergelijking van werknemers die een voltijdse tewerkstelling cumuleren met een deeltijdse tewerkstelling, naargelang het ongeval zich voordoet tijdens de voltijdse tewerkstelling dan wel tijdens de deeltijdse contractuele tewerkstelling. De Ministerraad verwijst ter zake naar de zienswijze van het Hof bij zijn arrest nr. 27/2015 van 5 maart
- Hoewel dat arrest de omgekeerde situatie betreft van een werknemer die een ongeval heeft tijdens zijn voltijdse tewerkstelling en daarnaast ook deeltijds is tewerkgesteld, is die zienswijze per analogie van toepassing op de onderhavige situatie. De bekommernis van de wetgever om de arbeidsverhoudingen niet te verstoren alsook om de financiële last van de werkgevers en de verzekeraars niet te verzwaren zou mutatis mutandis in het gedrang komen indien de arbeidsongevallenverzekeraar het slachtoffer van een arbeidsongeval niet alleen moet vergoeden op basis van het loon waarop de werknemer recht heeft wegens de deeltijdse functie in de onderneming op het ogenblik van het ongeval, maar ook op basis van het loon waarop de werknemer recht heeft wegens een andere voltijdse functie. Meer nog, dit zou het delicate evenwicht waarop het vergoedingsstelsel berust ernstig verstoren. -B- B.1.
- De prejudiciële vragen betreffen de artikelen 34, 36 en 37bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (hierna : de wet van 10 april 1971), die bepalen op welke wijze het « basisloon » wordt vastgesteld dat in aanmerking wordt genomen bij het berekenen van de schadevergoedingen voor arbeidsongevallen. Aldus bepaalt artikel 22, eerste lid, van de wet van 10 april 1971 dat, wanneer het ongeval een tijdelijke en algehele arbeidsongeschiktheid veroorzaakt, de getroffene, vanaf de dag die volgt op het begin van die arbeidsongeschiktheid, recht heeft op een dagelijkse vergoeding gelijk aan 90 % van het gemiddelde dagbedrag. Krachtens artikel 40, eerste lid, van dezelfde wet is dat gemiddelde dagbedrag gelijk aan het « basisloon » gedeeld door
- B.1.
- De in het geding zijnde artikelen 34, 36 en 37bis van de wet van 10 april 1971 bepalen : « Art.
- Onder basisloon wordt verstaan het loon waarop de werknemer, in de funktie waarin hij is tewerkgesteld in de onderneming op het ogenblik van het ongeval, recht heeft voor de periode van het jaar dat het ongeval voorafgaat. De referteperiode is maar volledig, wanneer de werknemer gedurende het ganse jaar arbeid heeft verricht als een voltijdse werknemer. 7 Voor de toepassing van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten gelden de definities van de arbeidstijdgegevens zoals vastgesteld bij koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels ». « Art.
- §
- Wanneer de referteperiode, zoals bepaald bij artikel 34, tweede lid, onvolledig is of wanneer het loon van de werknemer wegens toevallige omstandigheden lager is dan het loon dat hij normaal verdient, wordt het loon waarop de werknemer recht heeft aangevuld met een hypothetisch loon voor de dagen, buiten de rusttijden, waarop de werknemer geen loon ontving. Het hypothetisch loon is gelijk aan de vermenigvuldiging van het aantal ontbrekende dagen of uren met het loon waarop de werknemer recht heeft gedeeld door het aantal dagen of uren waarop tijdens de referteperiode arbeid werd verricht. §
- Wanneer de werknemer sedert minder dan één jaar in de onderneming of in de funktie waarin hij is tewerkgesteld op het ogenblik van het ongeval arbeidt, wordt voor de periode die voorafgaat het hypothetisch loon berekend op het gemiddeld dagelijks loon van de maatpersonen. Op eenvoudige vraag van de verzekeringsonderneming of van de in artikel 87 bedoelde ambtenaren deelt de werkgever van de getroffene of, in voorkomend geval, de werkgever die behoort tot dezelfde bedrijfstak, het identificatienummer bedoeld in artikel 8, 1° of 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de maatpersonen mee. §
- Wanneer de werknemer tewerkgesteld is in een onderneming waar slechts gedurende een beperkte periode van het jaar wordt gewerkt, wordt het loon aangevuld met de verdiensten die hij verwierf gedurende de overige periode van het jaar. Wanneer er voor het geheel of een deel van die periode geen verdiensten zijn, wordt het loon aangevuld met een hypothetisch loon berekend volgens de bepalingen van § 1 ». « Art. 37bis. §
- Wanneer de getroffene is tewerkgesteld krachtens een arbeidsovereenkomst als deeltijdse werknemer, wordt het basisloon voor de berekening van de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid vastgesteld uitsluitend met inachtneming van het loon dat verschuldigd is krachtens voormelde arbeidsovereenkomst. §
- Wanneer de getroffene is tewerkgesteld krachtens meerdere arbeidsovereenkomsten als deeltijdse werknemer, wordt het basisloon voor de berekening van de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid, vastgesteld met inachtneming van de lonen die hem krachtens voornoemde arbeidsovereenkomsten verschuldigd zijn ». 8 B.2.
- De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, in die interpretatie dat artikel 37bis, § 1, van de wet van 10 april 1971 van toepassing is op een werknemer die een arbeidsongeval heeft tijdens de uitvoering van zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst en die daarnaast bij een andere, voltijdse arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld. De betrokken werknemer zou in dat geval in de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid recht hebben op een vergoeding berekend op het basisloon dat uitsluitend is vastgesteld met inachtneming van het loon waarin is voorzien in de deeltijdse arbeidsovereenkomst, hetgeen volgens de verwijzende rechter een « ondervergoeding » tot gevolg heeft. In de eerste prejudiciële vraag wordt die situatie vergeleken met die van een werknemer die eveneens een arbeidsongeval heeft tijdens de uitvoering van zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst, doch die daarnaast bij een andere, deeltijdse arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld. Laatstgenoemde werknemer heeft krachtens artikel 37bis, § 2, van de wet van 10 april 1971 recht op een vergoeding berekend op het basisloon dat is vastgesteld met inachtneming van het loon waarin is voorzien in alle deeltijdse arbeidsovereenkomsten, waardoor een « ondervergoeding » deels zou worden getemperd. In de tweede prejudiciële vraag wordt die situatie vergeleken met die van een werknemer die eveneens een deeltijdse en een voltijdse contractuele tewerkstelling cumuleert, doch die een arbeidsongeval heeft tijdens de uitvoering van zijn voltijdse arbeidsovereenkomst. Die werknemer zou krachtens de artikelen 34 en 36 van de wet van 10 april 1971 recht hebben op een vergoeding berekend op het loon waarin is voorzien in de voltijdse arbeidsovereenkomst, in voorkomend geval aangevuld met een hypothetisch loon. B.2.
- Gelet op hun onderlinge samenhang, worden de beide prejudiciële vragen samen onderzocht. B.3.
- Het systeem van vergoeding van schade die voortvloeit uit een arbeidsongeval, zoals geregeld bij de opeenvolgende wetten ter zake, wijkt af van de gemeenrechtelijke regels van burgerrechtelijke aansprakelijkheid. Die vergoeding, die forfaitair is, is niet op het begrip fout maar op het begrip beroepsrisico gebaseerd. 9 De werkgevers dragen bij tot de financiering van de regeling voor de vergoeding van de schade die voortvloeit uit arbeidsongevallen. Die regeling sluit aan bij mechanismen van sociale verzekeringen. B.3.
- Het doel van het systeem van de vaste vergoeding bestaat erin het inkomen van de werknemer te beschermen tegen een mogelijk professioneel risico, zelfs indien het ongeval gebeurt door de schuld van die werknemer of van een collega, alsook de sociale vrede en de arbeidsverhoudingen binnen de bedrijven te handhaven door een toename van het aantal processen inzake aansprakelijkheid uit te sluiten. De bescherming van de werknemer houdt in dat die laatste van zijn eigen aansprakelijkheid wordt ontheven in geval van een arbeidsongeval dat door zijn fout is veroorzaakt. De vaste vergoeding dekt bovendien de schade van diegenen van wie de wetgever veronderstelt dat zij normaal gesproken afhangen van het inkomen van de werknemer die het slachtoffer is van een dodelijk ongeval. De vaste vergoeding zal in bepaalde gevallen groter zijn dan wat het slachtoffer had kunnen verkrijgen door een gemeenrechtelijke vordering in te stellen tegen de dader van de fout die het ongeval heeft veroorzaakt en, in andere gevallen, minder groot. De financiering van het systeem van de vaste vergoeding wordt gewaarborgd door de werkgevers, die sinds 1971 verplicht zijn een verzekering inzake arbeidsongevallen te sluiten en de kosten van de premies te dragen. Wanneer zich een ongeval voordoet, zal de werknemer zich tot de wetsverzekeraar richten. De bekommernis om de economische last die hiervan het gevolg is, niet te verzwaren door een eventuele gemeenrechtelijke vergoedingsverplichting, heeft de wetgever ertoe gebracht de gevallen te beperken waarin de werkgever burgerrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. B.4.
- Artikel 34, eerste en tweede lid, van de wet van 10 april 1971 definieert het loon dat dient als basis voor de berekening van de schadevergoedingen voor arbeidsongevallen, door rekening te houden met de forfaitaire aard van de vergoeding voor een arbeidsongeval. 10 Aldus wordt de schadevergoeding berekend op basis van het loon waarop de werknemer, in de functie waarin hij is tewerkgesteld in de onderneming op het ogenblik van het ongeval, recht heeft voor de periode van het jaar dat het ongeval voorafgaat. De referteperiode is maar volledig wanneer de werknemer gedurende het volledige jaar arbeid heeft verricht als een voltijdse werknemer. B.4.
- De wetgever heeft die regel aangepast door middel van de artikelen 36 en 37bis van de wet van 10 april 1971 wanneer de referteperiode onvolledig is of wanneer de in aanmerking genomen functie deeltijds werd uitgeoefend. Die aanpassingen brengen de forfaitaire aard van de vergoedingsregeling niet in het geding, maar passen de regel aan in welbepaalde hypothesen van arbeidsonderbreking of deeltijdse arbeid. Aldus bepaalt artikel 36 van de wet dat, wanneer de referteperiode onvolledig is of wanneer het loon van de werknemer wegens toevallige omstandigheden lager is dan het loon dat hij normaal verdient, het loon waarop de werknemer recht heeft wordt aangevuld met een hypothetisch loon voor de dagen, buiten de rusttijden, waarop de werknemer geen loon ontving. Artikel 37bis van de wet voorziet in een bijzondere regeling wanneer de getroffen werknemer is tewerkgesteld krachtens een deeltijdse arbeidsovereenkomst. In dat geval wordt het basisloon voor de berekening van de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid vastgesteld uitsluitend met inachtneming van het loon dat verschuldigd is krachtens die deeltijdse arbeidsovereenkomst (§ 1). Wanneer de getroffene wordt tewerkgesteld krachtens meerdere deeltijdse arbeidsovereenkomsten, wordt het basisloon vastgesteld met inachtneming van de lonen die hem krachtens die verschillende arbeidsovereenkomsten verschuldigd zijn (§ 2). B.5.
- Bij zijn arrest nr. 27/2015 van 5 maart 2015 heeft het Hof zich uitgesproken over artikel 34 van de wet van 10 april
- Dat arrest betreft de situatie van een werknemer die een deeltijdse en een voltijdse contractuele tewerkstelling cumuleert en die het slachtoffer is van een arbeidsongeval tijdens de uitvoering van de voltijdse arbeidsovereenkomst. Zoals het Hof in dat arrest heeft vastgesteld, is in dat geval de algemene regeling van artikel 34 van de wet van 10 april 1971 van toepassing. In zoverre die bepaling in die situatie tot gevolg heeft dat het basisloon uitsluitend wordt berekend op grond van het loon waarop de werknemer recht heeft wegens een voltijdse functie in de onderneming op het ogenblik van het ongeval, zonder rekening te houden met het loon waarop die werknemer recht heeft wegens een andere deeltijdse 11 functie in een andere onderneming, is zij volgens het Hof niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.5.
- De zaak die aanleiding heeft gegeven tot de voorliggende prejudiciële vragen betreft de situatie van een werknemer die een deeltijdse en een voltijdse contractuele tewerkstelling cumuleert en die het slachtoffer is van een arbeidsongeval tijdens de uitvoering van de deeltijdse arbeidsovereenkomst. In dat geval is volgens de verwijzende rechter de specifieke regeling van artikel 37bis, § 1, van de wet van toepassing, op grond waarvan het basisloon uitsluitend wordt berekend met inachtneming van het loon waarop de werknemer recht heeft wegens zijn deeltijdse functie. Het Hof dient te beoordelen of de in het geding zijnde bepalingen, in die interpretatie, bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- De wetgever beschikt bij het bepalen van zijn beleid in sociaaleconomische aangelegenheden over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Dit is met name het geval wanneer het gaat om de arbeidsongevallenverzekering die behoort tot het geheel van de socialezekerheidsregelingen. In het raam van een beleid van kostenbeheersing komt het de wetgever toe, rekening houdend met de finaliteit van de betrokken vergoeding en met het te verzekeren financiële evenwicht in het systeem van de arbeidsongevallenverzekering, te bepalen op welke wijze de vergoeding van de schade ingevolge een arbeidsongeval moet worden vastgesteld. De wetgever vermag daarbij veeleer per categorie wetgevend op te treden in plaats van rekening te houden met de bijzondere kenmerken eigen aan elk individueel geval. Het moet worden aanvaard dat, behoudens klaarblijkelijke vergissing, die categorieën, noodzakelijkerwijs, de verscheidenheid van toestanden slechts met een zekere graad van benadering opvangen. De wetgever vermag hierbij evenwel het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet te miskennen. B.7.
- De prestaties inzake arbeidsongevallen hebben, meer dan in andere takken van de sociale zekerheid, het karakter van een schadevergoeding. 12 Het feit dat de schadevergoeding toegekend door de wet van 10 april 1971 lager kan liggen dan de gemeenrechtelijke vergoeding, is op zich niet onverantwoord, gelet op de voordelen van het systeem van objectieve aansprakelijkheid dat inzake arbeidsongevallen bestaat. De toepassing van het in het geding zijnde artikel 37bis, § 1, van de wet van 10 april 1971 op een werknemer die een arbeidsongeval heeft tijdens de uitvoering van zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst en die daarnaast bij een andere, voltijdse arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld, heeft evenwel tot gevolg dat de vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid uitsluitend zal worden berekend op grond van het loon dat krachtens die deeltijdse arbeidsovereenkomst verschuldigd is. Aldus wordt voor de getroffen werknemer geen volledige referteperiode, zoals bepaald in artikel 34, tweede lid, van de wet van 10 april 1971, in aanmerking genomen, niettegenstaande hij gedurende het volledige jaar dat het ongeval voorafgaat meer dan voltijds arbeid heeft verricht. Op die wijze wordt de schadevergoeding waarop de werknemer in die situatie recht heeft, op onevenredige wijze beperkt, in vergelijking met de werknemer die eveneens een deeltijdse en een voltijdse arbeidsovereenkomst cumuleert doch die een arbeidsongeval heeft tijdens de voltijdse tewerkstelling, voor wie het basisloon op grond van artikel 34 van de wet wordt vastgesteld met inachtneming van het loon dat hem krachtens zijn voltijdse functie verschuldigd is, evenals in vergelijking met de werknemer die meerdere deeltijdse arbeidsovereenkomsten combineert, voor wie het basisloon op grond van artikel 37bis, § 2, van de wet wordt vastgesteld met inachtneming van de lonen die hem krachtens de verschillende deeltijdse arbeidsovereenkomsten verschuldigd zijn. Rekening houdend met het doel van de arbeidsongevallenregeling om het inkomen van de werknemer te beschermen tegen een mogelijk professioneel risico, kan een dergelijke beperking van de vergoeding van de schade die voortvloeit uit een arbeidsongeval, niet worden verantwoord. 13 B.7.
- In die interpretatie dat de vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid die verschuldigd is aan een werknemer die een arbeidsongeval heeft tijdens de uitvoering van zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst en die daarnaast bij een andere, voltijdse arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld, overeenkomstig artikel 37bis, § 1, van de wet van 10 april 1971, uitsluitend wordt vastgesteld met inachtneming van het loon dat hem krachtens zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst verschuldigd is, schenden de in het geding zijnde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In die interpretatie dienen de prejudiciële vragen bevestigend te worden beantwoord. B.8.
- De in het geding zijnde bepalingen kunnen evenwel op een andere, grondwetsconforme wijze worden geïnterpreteerd. Er dient immers rekening te worden gehouden met het feit dat artikel 37bis van de wet van 10 april 1971 een uitzonderingsbepaling is, die werd ingevoerd teneinde de vergoeding voor arbeidsongeschiktheid aan te passen aan de deeltijdse arbeid (zie het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit nr. 39 van 31 maart 1982 « tot wijziging van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 », Belgisch Staatsblad van 3 april 1982). Er kan bijgevolg worden aangenomen dat die bepaling enkel van toepassing is wanneer de betrokken werknemer uitsluitend deeltijds is tewerkgesteld, zij het krachtens één dan wel meerdere deeltijdse arbeidsovereenkomsten. Wanneer de werknemer daarentegen een deeltijdse arbeidsovereenkomst cumuleert met een voltijdse arbeidsovereenkomst, is de algemene regeling van artikel 34 van de wet van toepassing, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 36 van diezelfde wet wanneer de referteperiode onvolledig is. Aldus heeft de werknemer, die een deeltijdse en een voltijdse arbeidsovereenkomst cumuleert en die een arbeidsongeval heeft tijdens de uitvoering van de deeltijdse arbeidsovereenkomst, overeenkomstig artikel 34 van de wet van 10 april 1971, recht op een vergoeding berekend op grond van het loon dat wegens die deeltijdse tewerkstelling verschuldigd is, aangevuld met een hypothetisch loon zoals bepaald bij artikel 36, § 1, van dezelfde wet. 14 B.8.
- In de interpretatie dat de vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid die verschuldigd is aan een werknemer die een arbeidsongeval heeft tijdens de uitvoering van zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst en die daarnaast bij een andere, voltijdse arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld, overeenkomstig de artikelen 34 en 36, § 1, van die wet, moet worden vastgesteld met inachtneming van het loon dat krachtens zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst verschuldigd is, aangevuld met een hypothetisch loon zoals bepaald bij dat artikel 36, § 1, van die wet, zijn de in het geding zijnde bepalingen niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In die interpretatie dienen de prejudiciële vragen ontkennend te worden beantwoord. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - De artikelen 34, 36 en 37bis, §§ 1 en 2, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die interpretatie dat de vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid die verschuldigd is aan een werknemer die een arbeidsongeval heeft tijdens de uitvoering van zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst en die daarnaast bij een andere, voltijdse arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld, overeenkomstig artikel 37bis, § 1, uitsluitend wordt vastgesteld met inachtneming van het loon dat hem krachtens zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst verschuldigd is. - De artikelen 34, 36 en 37bis, §§ 1 en 2, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in die interpretatie dat de vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid die verschuldigd is aan een werknemer die een arbeidsongeval heeft tijdens de uitvoering van zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst en die daarnaast bij een andere, voltijdse arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld, overeenkomstig de artikelen 34 en 36, § 1, van die wet moet worden vastgesteld met inachtneming van het loon dat hem krachtens zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst verschuldigd is, aangevuld met een hypothetisch loon zoals bepaald bij dat artikel 36, §
- Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 24 oktober
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.155 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130311.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div