← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.163

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.163 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191107.2 Arrest- Rolnummer: 163/2019 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-11-08 Raadplegingen: 245 - laatst gezien 2026-06-28 21:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Biologische afstamming - Naam - Naamsverbetering PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1 van het decreet van 6 fructidor jaar II (23 augustus 1794) en artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Burgerlijk recht - Naam - Familienaam - Vordering tot verbetering van een geboorteakte - Schrijffout in de familienaam. Tekst van de beslissing Rolnummer 6787 Arrest nr. 163/2019 van 7 november 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1 van het decreet van 6 fructidor jaar II (23 augustus 1794) en artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul, T. Giet en J. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 29 november 2017, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 december 2017, heeft de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 1 van het decreet van 6 fructidor jaar II, dat op heden niet uitdrukkelijk is opgeheven, en artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het in 1991 van kracht was, afzonderlijk genomen of met elkaar in samenhang gelezen, in die zin geïnterpreteerd dat, zodra ‘ de schrijfwijze van de familienaam, in de geboorteakte van een kind, in overeenstemming is met die van de naam in de geboorteakte van zijn vader, wordt geoordeeld dat de naam van het kind geen vergissing in dat verband bevat en bijgevolg geenszins aanleiding kan geven tot de in artikel 1383 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde verbetering van die geboorteakte ’, niet met name de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere, supranationale wetsbepalingen zoals het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met name de artikelen 8 en 14 ervan, hetgeen zodoende onder meer een ongeoorloofde en onevenredige belemmering voor de bescherming van het privé- en gezinsleven uitmaakt ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 17 juli 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 31 juli 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 31 juli 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 11 mei 1922 doet François-Joseph Lénelle bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van Chimay aangifte van de geboorte van zijn zoon, met de voornaam Jules. In de geboorteakte die daarbij wordt opgemaakt, wordt op de tweede letter van de naam van de aangever, zoals hij door die ambtenaar wordt geschreven, een « accent aigu » geplaatst. De handtekening die de aangever onderaan op die akte van de burgerlijke stand plaatst, bevat ook dat accent. Op 30 juli 1954 doet Jules Lénelle bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van Elisabethstad aangifte van de geboorte van zijn zoon, met de voornaam Jean-François. In de geboorteakte die daarbij wordt opgemaakt, wordt de naam van de aangever uitsluitend in hoofdletters en zonder accent getypt. In die akte wordt het eerste woord van de uitdrukking « état civil » driemaal eveneens in hoofdletters en zonder accent geschreven. Op 17 september 1991 doet Jean-François, kleinzoon van François-Joseph Lénelle en zoon van Jules Lénelle, bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van Namen aangifte van de geboorte van zijn dochter Clémentine. In de geboorteakte die daarbij wordt opgemaakt, worden zowel de naam van de vader die aangifte doet als die van het pasgeboren kind getypt als « Lenelle ». 3 Bij verzoekschrift dat op 7 augustus 2017 is neergelegd, verzoekt de procureur des Konings te Namen de familierechtbank van dezelfde plaats om, met toepassing van artikel 1383 van het Gerechtelijk Wetboek, de verbetering te bevelen van de akte van de burgerlijke stand die op 17 september 1991 is opgemaakt. De procureur des Konings, die opmerkt dat Clémentine haar familienaam met een « accent aigu » op de tweede letter wenst te schrijven, vraagt de rechtbank meer bepaald dat die geboorteakte voortaan in die zin wordt gelezen dat zij een dergelijk accent op de naam van de dochter en op die van haar vader bevat. Hij motiveert zijn verzoekschrift door te verwijzen naar de voormelde geboorteakten van 1922 en

  1. De rechtbank erkent dat de geboorteakte van 17 september 1991 onjuist is in zoverre het desbetreffende accent daarin niet wordt vermeld. Zij merkt ook op dat, volgens een arrest van het Hof van Cassatie van 30 januari 1987, de geboorteakte waarin de naam van het pasgeboren kind wordt geschreven op de wijze waarop de naam van zijn vader in de geboorteakte van die laatste wordt geschreven, vanuit die invalshoek niet als onjuist kan worden beschouwd en bijgevolg niet kan worden verbeterd met toepassing van artikel 1383 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij merkt evenwel op dat die rechtspraak van het Hof van Cassatie wordt betwist en dat de interpretatie van artikel 1 van het decreet van 6 fructidor jaar II en van artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het luidde bij de geboorte van Clémentine, interpretatie waarop die rechtspraak zou berusten, kan indruisen tegen het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van die persoon. Zij beslist dus om het Hof ambtshalve de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.
  2. De Ministerraad leidt uit de motieven van de verwijzingsbeslissing af dat de rechtbank van Namen zich ertoe beperkt twee interpretaties van de in het geding zijnde wetsbepalingen voor te leggen, twijfels te uiten over de grondwettigheid van een ervan en aan het Hof te vragen haar aan te geven aan welke van die twee interpretaties zij voorrang moet geven. De Ministerraad is van mening dat de rechtbank zelf de interpretatie had moeten kiezen die zij bestaanbaar achtte met de in de prejudiciële vraag vermelde grondwettelijke en internationale normen, zonder aan het Hof een vraag te stellen. A.
  3. De Ministerraad voert aan dat artikel 1 van het decreet van 6 fructidor jaar II en artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het luidde in 1991, in die zin geïnterpreteerd dat zij de familierechtbank te Namen toestaan om zich uit te spreken over de vordering tot verbetering van de geboorteakte die bij haar aanhangig is gemaakt, de in de prejudiciële vraag vermelde grondwettelijke en internationale regels niet schenden. De Ministerraad zet uiteen dat een geboorteakte steeds kan worden gecorrigeerd wanneer wordt vastgesteld dat de naam van de persoon wiens geboorte wordt aangegeven, die in die akte wordt vermeld, wegens een schrijffout niet exact overeenstemt met de naam van zijn bloedverwanten in de opgaande lijn die hem had moeten worden toegekend. De Ministerraad herinnert in dat opzicht aan de onverjaarbaarheid van de naam en aan het recht van eenieder op een geboorteakte die zijn echte naam vermeldt. Hij beklemtoont dat de verbetering van een vergissing bij het opstellen van de naam die toekomt aan het pasgeboren kind met toepassing van de wet, wordt verantwoord door het beginsel van de onveranderlijkheid van de naam. Hij merkt ook op dat een familienaam niet het bezit is van een persoon, dat de leden van een zelfde familie hem gemeen hebben en dat hij de oorsprong aangeeft van diegene die hem draagt. A.
  4. De Ministerraad is van mening dat het niet noodzakelijk is om de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen in de in de prejudiciële vraag gegeven interpretatie te onderzoeken. Hij merkt op dat die interpretatie, die op vroegere arresten van het Hof van Cassatie berust, wordt betwist door de rechtscolleges van eerste aanleg en in hoger beroep en door de commentatoren. Hij voegt eraan toe dat de tekst van de in het geding zijnde bepalingen die interpretatie niet vereist. 4 -B- B.1.
  5. Vóór de opheffing ervan bij artikel 117, 1°, van de wet van 18 juni 2018 « houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing » bepaalde artikel 1 van het decreet van 6 fructidor jaar II « waarbij het iedere burger verboden wordt een andere naam of voornamen te dragen dan deze vermeld in zijn akte van geboorte » : « Geen burger mag een andere naam en voornamen voeren dan die welke in zijn akte van geboorte vermeld zijn; zij die zich er van ontdaan hebben, zijn gehouden ze weder aan te nemen ». B.1.
  6. Artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het luidde ingevolge de vervanging ervan bij artikel 38 van de wet van 31 maart 1987 « tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming » en vóór de wijziging ervan bij artikel 21, A), van de wet van 1 juli 2006 « tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan », bepaalde : « Het kind wiens afstamming alleen van vaderszijde vaststaat of wiens afstamming van vaderszijde en van moederszijde tegelijkertijd komen vast te staan, draagt de naam van zijn vader, behalve wanneer de vader gehuwd is en een kind erkent dat tijdens het huwelijk bij een andere vrouw dan zijn echtgenote is verwekt ». B.
  7. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de grondwettigheid van de twee voormelde bepalingen, in de interpretatie volgens welke de familierechtbank waarbij de zaak met toepassing van artikel 1383 van het Gerechtelijk Wetboek aanhangig is gemaakt, niet de verbetering van een geboorteakte kan bevelen wegens een vergissing in de wijze waarop de naam van het pasgeboren kind wordt geschreven wanneer die wijze overeenstemt met die waarop de naam van de vader van dat kind in de geboorteakte van die vader wordt geschreven. B.3.
  8. Vóór de opheffing ervan bij artikel 117, 7°, van de wet van 18 juni 2018 bepaalde artikel 1383 van het Gerechtelijk Wetboek : « Hij die verbetering van een akte van de burgerlijke stand wil doen bevelen, dient een verzoekschrift in bij de familierechtbank, tenzij de verbetering gebeurt op grond van de artikelen 99 en 100 van het Burgerlijk Wetboek ». 5 B.3.
  9. Artikel 35, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 18 juni 2018 en gewijzigd bij artikel 166, 7°, van de wet van 21 december 2018 « houdende diverse bepalingen betreffende justitie », bepaalt : « De persoon die een akte wil laten verbeteren […] kan hiertoe een verzoekschrift indienen bij de familierechtbank. De ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van opmaak van de akte die deze akte wil laten verbeteren, kan hiertoe een verzoekschrift indienen bij de familierechtbank. De procureur des Konings vordert de verbetering van een akte bij de familierechtbank indien hij een fout in de akte vaststelt ». B.4.
  10. Artikel 1 van het decreet van 6 fructidor jaar II verbood een persoon een andere naam te voeren dan die waarmee hij in zijn geboorteakte wordt aangeduid. In de voormelde versie ervan vermeldde artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek enkele regels om de naam van een persoon te bepalen. Die twee bepalingen regelden noch de wijze waarop een geboorteakte wordt opgesteld, noch de voorwaarden waaronder die akte van de burgerlijke stand kon worden verbeterd in geval van een vergissing. B.4.
  11. Noch artikel 1383 van het Gerechtelijk Wetboek, noch artikel 35 van het Burgerlijk Wetboek, dat de verbetering van een geboorteakte door de familierechtbank regelde of regelt, verbieden dat rechtscollege om de verbetering in de in B.2 beschreven omstandigheden te bevelen. B.4.
  12. De prejudiciële vraag is bijgevolg gebaseerd op een kennelijk onjuiste interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen. B.
  13. Voor het overige blijkt uit de stukken die door de familierechtbank te Namen aan het Hof zijn overgezonden, dat de wijze waarop de naam van het pasgeboren kind wordt geschreven in de geboorteakte die het voorwerp uitmaakt van de vordering tot verbetering die bij die rechtbank aanhangig is gemaakt, niet overeenstemt met de wijze waarop de naam van de vader van dat kind in de geboorteakte van die vader wordt geschreven. 6 In die laatste akte, die in 1954 is opgemaakt, zijn de desbetreffende familienaam, net zoals andere woorden die onbetwistbaar met een accent worden geschreven, uitsluitend in hoofdletters en zonder accent getypt, terwijl in de geboorteakte van 1991 waarvan de verbetering wordt gevorderd, enkel de beginletter van diezelfde naam met een hoofdletter is getypt. Bijgevolg is de regel die het verwijzende rechtscollege afleidt uit de in het geding zijnde bepalingen, inhoudende dat de in artikel 1383 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde verbetering van de geboorteakte van een kind geen toepassing kan vinden wanneer de schrijfwijze van de familienaam, in die akte, in overeenstemming is met die van de naam in de geboorteakte van zijn vader, niet van toepassing op het voor dat rechtscollege hangende geschil. Het antwoord op die vraag is dus niet nuttig voor de oplossing van het geschil. B.
  14. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 november
  15. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.163 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.