id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.166 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191107.5 Arrest- Rolnummer: 166/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2019-11-08 Raadplegingen: 272 - laatst gezien 2026-06-28 21:54 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 36quater, § 3, van het decreet van het Waalse Gewest van 21 december 1989 « betreffende de diensten voor het openbaar vervoer in het Waalse Gewest » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Personenvervoer Vrije woorden: Prejudiciële vraag over het decreet van het Waalse Gewest van 21 december 1989 « betreffende de diensten voor het openbaar vervoer in het Waalse Gewest », gesteld door de Politierechtbank Henegouwen, afdeling Charleroi. Openbaar vervoer in het Waalse Gewest - Gebrek aan vervoersbewijs - Geldboete - Minderjarige - Rechtsmiddelen. Tekst van de beslissing Rolnummer 6966 Arrest nr. 166/2019 van 7 november 2019 In zake : de prejudiciële vraag over het decreet van het Waalse Gewest van 21 december 1989 « betreffende de diensten voor het openbaar vervoer in het Waalse Gewest », gesteld door de Politierechtbank Henegouwen, afdeling Charleroi. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 22 juni 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 juni 2018, heeft de Politierechtbank Henegouwen, afdeling Charleroi, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is een verschil in behandeling tussen een minderjarige aan wie een administratieve sanctie is opgelegd met toepassing van het decreet van 21 december 1989 betreffende de diensten voor het openbaar vervoer in het Waalse Gewest, dat geen specifieke bepaling(
- en)betreffende minderjarigen bevat, en een minderjarige aan wie een administratieve sanctie is opgelegd met toepassing van de wet van 27 april 2018 op de politie van de spoorwegen of de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, die voorzien in een eigen regeling voor minderjarigen wat betreft de personen die een beroep kunnen instellen tegen de administratieve beslissing, de kosteloosheid van het beroep, de bevoegdheid van de rechtbank die moet kennisnemen van het beroep, de bijstand van een advocaat en de maatregelen voorafgaand aan een financiële sanctie, gerechtvaardigd in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». Bij beschikking van 17 juli 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, en dat de debatten worden gesloten en de zaak in beraad wordt genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 25 april 2017 stelde een politieagent een proces-verbaal op tegen D.C., geboren op 17 juni 2003, omdat zij de bus had genomen zonder geldig vervoerbewijs. Bij ter post aangetekende brief van 6 juli 2017 stelde de « Société de Transport en Commun de Charleroi » (TEC Charleroi) de ouders van D.C. in kennis van haar beslissing om D.C. een administratieve boete van 75 euro op te leggen. J.-M. J. vecht de aan D.C. opgelegde sanctie aan, voor de verwijzende rechter. De TEC Charleroi betwist de ontvankelijkheid van dat beroep omdat zij van mening is dat J.-M. J. noch de hoedanigheid, noch het belang heeft om het beroep in te stellen waarin artikel 36quater van het decreet van 21 december 1989 « betreffende de diensten voor het openbaar vervoer in het Waalse Gewest » voorziet. J.-M. J. zet uiteen dat D.C. aan hem is toevertrouwd in zijn hoedanigheid van pleegzorger, ingevolge een beslissing van de « Service d’aide à la jeunesse ». Hij is van mening dat hij, in die hoedanigheid, het beroep dat gericht is tegen de administratieve boete ten laste van D.C. kan instellen. De verwijzende rechter is van mening dat er een verschil in behandeling bestaat tussen minderjarigen naargelang zij, zonder geldig vervoerbewijs, met de bus of per trein reizen. In het eerste geval organiseert artikel 36quater, § 3, van het decreet van 21 december 1989 het beroep tegen de beslissing tot toepassing van de administratieve boete, dat volgens de regels van de burgerlijke procedure wordt ingesteld voor de politierechtbank. Dat beroep impliceert een rolrecht en kan enkel worden ingesteld door een wettelijke vertegenwoordiger of een voogd wanneer de betrokkene minderjarig is. In het tweede geval bepaalt artikel 47, § 2, van de wet van 27 april 2018 « op de politie van de spoorwegen » dat de vader en moeder of de voogden, maar ook de personen die de hoede hebben over de minderjarige een beroep kunnen instellen tegen een ten aanzien van de minderjarige genomen administratieve 3 sanctie. De jeugdrechtbank is bevoegd en het beroep is kosteloos. Er wordt op toegezien dat de minderjarige kan worden bijgestaan door een advocaat. Er dient een aanbod van bemiddeling te worden voorgesteld vóór elke financiële sanctie. Wanneer een minderjarige betrokken is bij feiten die aanleiding kunnen geven tot gemeentelijke administratieve sancties, kan overigens kosteloos een beroep worden ingesteld bij de jeugdrechtbank, door de vader en de moeder, de voogden en de personen die de minderjarige onder hun hoede hebben, die per aangetekende brief ervan op de hoogte worden gebracht dat een administratieve procedure wordt geopend en die dezelfde rechten hebben als de minderjarige (artikel 25, § 5, van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties »). Er wordt voor gezorgd dat de minderjarige door een advocaat kan worden bijgestaan (artikel 16). Er wordt in procedures van ouderlijke betrokkenheid, lokale bemiddeling en gemeenschapsdienst voorzien vóór elke financiële sanctie (artikelen 17 tot 19). Op dezelfde wijze wordt aan een minderjarige, wanneer hij betrokken is bij feiten die vallen onder de wet van 21 december 1998 « betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden » en geen advocaat heeft, er ambtshalve één toegewezen (artikel 26, § 2). Het beroep valt onder de bevoegdheid van de jeugdrechtbank (artikel 31, § 2). De verwijzende rechter stelt zich dus vragen bij het verschil in behandeling tussen een minderjarige die het voorwerp uitmaakt van een administratieve sanctie op grond van de in het geding zijnde bepaling en een minderjarige die het voorwerp uitmaakt van administratieve sancties opgelegd door wetgevingen die hetzelfde doel hebben, namelijk ongewenst gedrag bestraffen, maar die rekening houden met de specificiteit van de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen die, in casu, erin bestaat doelstellingen inzake opvoeding en verantwoordelijkheidszin na te streven, onder meer via de regelingen van de voormelde wetten van 27 april 2018 en 24 juni 2013. Hij stelt aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte –A– Er is bij het Hof geen enkele memorie ingediend. -B- B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het decreet van 21 december 1989 « betreffende de diensten voor het openbaar vervoer in het Waalse Gewest » (hierna : het decreet van 21 december 1989). B.2. Uit de feiten van de zaak en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de prejudiciële vraag meer bepaald artikel 36quater, § 3, van het decreet van 21 december 1989 betreft, dat betrekking heeft op het beroep dat kan worden ingesteld tegen een administratieve boete die is opgelegd wegens een overtreding van het reglement op de politie van personenvervoer per tram, premetro, metro, autobus en autocar. 4 Het Hof beperkt zijn onderzoek tot artikel 36quater, § 3, van het decreet van 21 december 1989. B.3.1. Artikel 36bis van het decreet van 21 december 1989, zoals ingevoegd bij artikel 2 van het decreet van 6 december 2007, bepaalt : « De Regering kan administratieve boetes opleggen in geval van overtreding van de bepalingen van Titel II van het koninklijk besluit van 15 september 1976 houdende reglement op de politie van personenvervoer per tram, premetro, metro, autobus en autocar. Het bedrag van de boete mag niet hoger zijn dan 500 euro. Dat bedrag van 500 euro wordt jaarlijks op 1 januari automatisch en van rechtswege geïndexeerd op basis van het indexcijfer van de consumptieprijzen van kracht zes weken vóór de datum van de indexering (basis 2004 = 100) ». Die bepaling werd uitgevoerd door het besluit van de Waalse Regering van 22 mei 2008 « betreffende de administratieve geldboetes in de openbaarvervoerdiensten in het Waalse Gewest ». B.3.2. Artikel 36quater, § 3, van het decreet van 21 december 1989, zoals het werd ingevoegd bij artikel 4 van het decreet van 6 december 2007, bepaalt : « De overtreder heeft het recht om beroep in te stellen tegen de beslissing tot toepassing van de boete. Dat beroep wordt op straffe van verval binnen de maand na de kennisgeving van de beslissing tot toepassing van de boete volgens de burgerlijke procedure ingesteld d.m.v. een verzoekschrift voor de politierechtbank. Het beroep voor de politierechtbank is er één van volle rechtsmacht. Het is opschortend. Tegen het vonnis van de rechtbank kan geen beroep ingesteld worden ». B.4. Het beroep voor de verwijzende rechter tegen de administratieve boete die werd opgelegd wegens een overtreding begaan door een minderjarige, is ingesteld door de persoon die die minderjarige, die hem is toevertrouwd in zijn hoedanigheid van pleegzorger ingevolge een beslissing van de « Service d’aide à la jeunesse », ten laste heeft. De verwerende partij voert aan dat dit beroep niet ontvankelijk is. De verwijzende rechter stelt vast dat een minderjarige niet in rechte kan optreden zonder naar behoren te zijn vertegenwoordigd door zijn wettelijke vertegenwoordigers, of zelfs door een voogd ad hoc. Hij vergelijkt dan ook de situatie van een minderjarige aan wie een 5 administratieve boete is opgelegd omdat hij de bus heeft genomen zonder geldig vervoerbewijs, met die van minderjarigen aan wie een administratieve boete is opgelegd overeenkomstig andere regelingen. B.5.1. Het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 36quater, § 3, van het decreet van 21 december 1989, in zoverre die bepaling een verschil in behandeling zou creëren tussen, enerzijds, een minderjarige aan wie een administratieve sanctie is opgelegd met toepassing van het decreet van 21 december 1989, « dat geen specifieke bepaling(
- en)betreffende minderjarigen bevat » en, anderzijds, een minderjarige aan wie een administratieve sanctie is opgelegd met toepassing van de wet van 27 april 2018 « op de politie van de spoorwegen » of van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties », « die voorzien in een eigen regeling voor minderjarigen wat betreft de personen die een beroep kunnen instellen tegen de administratieve beslissing, de kosteloosheid van het beroep, de bevoegdheid van de rechtbank die moet kennisnemen van het beroep, de bijstand van een advocaat en de maatregelen voorafgaand aan een financiële sanctie ». B.5.2. In de motivering van de verwijzingsbeslissing refereert de verwijzende rechter meer bepaald aan sommige bepalingen van de wet van 27 april 2018 « op de politie van de spoorwegen » (hierna : de wet van 27 april 2018). Overeenkomstig de wet van 27 april 2018 kunnen reizigers die in een trein plaatsnemen zonder dat zij in het bezit zijn van een geldig vervoerbewijs, met een administratieve boete worden bestraft (artikelen 14, § 1 , 15, 1°, en 31, § 3). Overigens moet de bestraffende beambte verplicht een aanbod van bemiddeling voorstellen indien de administratieve procedure wordt gestart voor een overtreding begaan door een minderjarige (artikel 43, § 2, eerste lid). Er wordt voor gezorgd dat de minderjarige door een advocaat wordt bijgestaan (artikel 43, § 2, vierde lid en volgende). Artikel 47, § 2, van de wet van 27 april 2018 bepaalt : « Wanneer de beslissing genomen wordt tegen een minderjarige, wordt het beroep kosteloos ingesteld bij de bevoegde jeugdrechtbank bij verzoekschrift. Artikel 60 van de wet 6 van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade is van toepassing. Het beroep kan ook worden ingesteld door de vader en moeder, de voogden of de personen die de hoede hebben over de minderjarige. De jeugdrechtbank blijft bevoegd indien de overtreder meerderjarig is geworden op het ogenblik waarop zij zich uitspreekt. Wanneer de jeugdrechtbank beslist om de administratieve sanctie te vervangen door een bewakings-, beschermings- of opvoedingsmaatregel zoals bedoeld bij artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade staat tegen haar beslissing hoger beroep open. In dat geval zijn de procedures bepaald door de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade van toepassing voor de feiten die als misdrijf gekwalificeerd worden ». B.5.3. In de motivering van de verwijzingsbeslissing refereert de verwijzende rechter eveneens aan sommige bepalingen van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties » (hierna : de wet van 24 juni 2013). Wanneer een minderjarige betrokken is bij feiten die aanleiding kunnen geven tot gemeentelijke administratieve sancties, voorziet de wet van 24 juni 2013 in procedures van ouderlijke betrokkenheid (artikel 17), lokale bemiddeling (artikel 18) en gemeenschapsdienst (artikel 19). Wanneer een minderjarige verdacht wordt van een inbreuk die bestraft wordt met een gemeentelijke administratieve geldboete, wordt ervoor gezorgd dat de betrokkene door een advocaat kan worden bijgestaan (artikel 16). De vader, moeder en voogden of personen die de minderjarige overtreder onder hun hoede hebben, worden eveneens per aangetekende brief ervan op de hoogte gebracht dat een administratieve procedure wordt geopend; zij hebben dezelfde rechten als de minderjarige (artikel 25, § 5). Artikel 31, § 1, tweede lid, van de wet van 24 juni 2013 bepaalt : « Wanneer de beslissing van de sanctionerend ambtenaar betrekking heeft op minderjarigen, wordt het beroep ingediend via kosteloos verzoekschrift bij de jeugdrechtbank. In dat geval kan het beroep eveneens worden ingesteld door de vader en moeder, voogden of personen die er de hoede over hebben. De jeugdrechtbank blijft bevoegd indien de overtreder meerderjarig is geworden op het moment van de uitspraak ». 7 B.6. De prejudiciële vraag strekt bijgevolg ertoe minderjarigen te vergelijken naargelang zij het voorwerp uitmaken van een administratieve boete waarin het in het geding zijnde decreet voorziet, of van een administratieve geldboete zoals bepaald in twee federale wetten. De minderjarigen die onderworpen zijn aan het decreet van 21 december 1989 zouden niet over dezelfde waarborgen beschikken, onder meer wat betreft het beroep dat tegen de administratieve boete zou kunnen worden ingesteld. B.7. Een verschil in behandeling tussen de modaliteiten, bepaald door het decreet van 21 december 1989, volgens welke een beroep kan worden ingesteld tegen een administratieve boete die is opgelegd wegens een inbreuk op het reglement op de politie van personenvervoer per tram, premetro, metro, autobus en autocar, en de modaliteiten volgens welke de federale overheid het beroep organiseert dat kan worden ingesteld tegen een administratieve boete die is opgelegd aan een minderjarige, is het gevolg van de autonomie die aan de gewesten en aan de federale overheid door of krachtens de Grondwet is toegekend, in de aangelegenheden die onder hun respectieve bevoegdheden vallen. B.8. Voor het overige stelt het Hof vast dat de pleegzorgers ruimere prerogatieven genieten krachtens de wet van 19 maart 2017 « tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers ». Het komt de verwijzende rechter toe te beoordelen in welke mate dat statuut, in voorkomend geval, invloed kan hebben op de ontvankelijkheid van het beroep dat bij hem is ingesteld. B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 36quater, § 3, van het decreet van het Waalse Gewest van 21 december 1989 « betreffende de diensten voor het openbaar vervoer in het Waalse Gewest » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 november 2019. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.166 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div