id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.167 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191107.6 Arrest- Rolnummer: 167/2019 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-11-08 Raadplegingen: 253 - laatst gezien 2026-06-28 21:56 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 1 van de wet van 29 augustus 1988 « op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit », in de interpretatie volgens welke het die wet enkel van toepassing maakt op de nalatenschappen die zijn opengevallen terwijl de overledene nog steeds landbouwer was op de dag van zijn overlijden en de nalatenschappen die goederen bevatten die behoren tot een landbouwbedrijf dat niet meer door de overledene werd geëxploiteerd op de dag van zijn overlijden, maar dat op dat ogenblik door een of meerdere van zijn erfgenamen in de rechte nederdalende lijn werd geëxploiteerd, van het toepassingsgebied ervan uitsluit, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AGRARISCH RECHT - Erfregeling landbouwbedrijven PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1 van de wet van 29 augustus 1988 « op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit », zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 2 van de wet van 23 augustus 2015, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Nalatenschappen - Erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit - Overnamerecht van de erfgenamen in de rechte nederdalende lijn -
- Erflater (eigenaar) - landbouwer -
- Erflater (eigenaar) - landbouwer die met pensioen is gegaan. Tekst van de beslissing Rolnummer 6984 Arrest nr. 167/2019 van 7 november 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1 van de wet van 29 augustus 1988 « op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit », zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 2 van de wet van 23 augustus 2015, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 10 juli 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 juli 2018, heeft de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1 van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit, zoals het vóór de inwerkingtreding van de wet van 23 augustus 2015 bestond, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en zelfs andere grondwetsbepalingen, in zoverre het, terwijl het doel van de wetgever erin bestaat de aankoop bij voorrang, voor het geheel of voor een deel, van de roerende en onroerende goederen die bestemd zijn voor iedere activiteit die betrekking heeft op de landbouw of op plantaardige of dierlijke producten, mogelijk te maken en aldus de continuïteit van het landbouwbedrijf te bevorderen door het behoud van de eenheid ervan te verzekeren, die wet de facto enkel van toepassing maakt op de nalatenschappen die onder de activa het geheel of een deel van een landbouwbedrijf bevatten, hetgeen inhoudt dat de erflater zelf nog steeds landbouwer was op de dag van zijn overlijden, waardoor de erfgenamen in de rechte lijn van elke landbouwer die met pensioen is gegaan, bijgevolg ambtshalve van het toepassingsgebied ervan worden uitgesloten, hetgeen in feite erop neerkomt dat de toepassing ervan enkel afhankelijk wordt gemaakt van de toevallige gebeurtenis van de datum van het overlijden van die landbouwer ? Is het met andere woorden, gelet op het bij die wet gestelde doel, legitiem en grondwettig om de toepassing ervan te doen afhangen van het behoud van een landbouwbedrijf ten aanzien van de erflater op de dag van zijn overlijden, waardoor alle gevallen waarin de continuïteit van het landbouwbedrijf, bij het leven van de erflater, wordt waargenomen door zijn erfgenamen in de rechte lijn, wat betreft dezelfde goederen als die welke vroeger door hem werden geëxploiteerd, ingevolge de stopzetting van de activiteiten van die laatste, aldus ambtshalve van het toepassingsgebied ervan worden uitgesloten, hetgeen door de wetgever trouwens werd rechtgezet bij de wet van 23 augustus 2015, die hier evenwel niet van toepassing is ? ». Memories zijn ingediend door : - Annie Despy, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Dailliet, advocaat bij de balie van Waals-Brabant; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 17 juli 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 31 juli 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 31 juli 2019 in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In het kader van verrichtingen met betrekking tot de nalatenschap van echtgenoten die gewezen landbouwers waren, is de notaris-vereffenaar van oordeel dat drie erfgenamen die afstammelingen zijn in de rechte lijn, voldoen aan de voorwaarden van het preferentieel overnamerecht. Hij stelt evenwel vast dat de betwistingen tussen erfgenamen van dien aard zijn dat een minnelijke oplossing niet mogelijk lijkt. Bijgevolg verwijst hij de zaak naar de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, sectie familierechtbank. Voor de Rechtbank van eerste aanleg Namen zijn de partijen het eens over de toepassing, op het geschil, van de wet van 29 augustus 1988 « op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit ». De Rechtbank merkt evenwel op dat die wet enkel bedoeld is om te worden toegepast op de nalatenschappen die een landbouwbedrijf bevatten. Zij stelt daarenboven vast dat de overledenen geen landbouwer meer waren op de dag van hun respectievelijk overlijden en zij leidt daaruit af dat de nalatenschappen geen enkel landbouwbedrijf bevatten. Zij is ten slotte van oordeel dat de wet van 23 augustus 2015 « tot wijziging van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit », die het preferentieel overnamerecht uitbreidt tot de goederen die behoorden tot het landbouwbedrijf van de overledene, ten voordele van die van de erfgenamen in de rechte nederdalende lijn die die goederen in het kader van zijn eigen landbouwbedrijf exploiteert, niet van toepassing kan zijn op het geschil, aangezien de nalatenschappen zijn opengevallen in 2007 en in 2013, zijnde vóór de inwerkingtreding van die wet. Bijgevolg stelt de Rechtbank het Hof de hiervoor weergegeven vraag. III. In rechte -A- A.
- A. Despy, verwerende partij voor de verwijzende rechter, doet gelden dat de wet van 23 augustus 2015 « tot wijziging van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit » een herstelwet is die de voormelde wet van 29 augustus 1988 op nuttige wijze aanvult. Zij is van mening dat de verwijzende rechter de wet van 23 augustus 2015 dient toe te passen op het voor hem hangende geschil, zo niet zou hij een discriminerende situatie moeten vaststellen. A.
- De Ministerraad geeft aan dat, hoewel het juist is dat de wet van 23 augustus 2015 wel degelijk is aangenomen om een praktisch probleem op te lossen dat zich bij de toepassing van de wet van 29 augustus 1988 heeft voorgedaan, in de parlementaire voorbereiding geenszins wordt vermeld dat het de bedoeling was om een discriminatie of een schending van grondrechten te corrigeren. Hij besluit daaruit dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 23 augustus 2015 niet kan worden afgeleid dat er enige discriminatie in de wet van 29 augustus 1988 bestond. Hij verwijst vervolgens naar de parlementaire voorbereiding van een parallel wetsontwerp met hetzelfde onderwerp (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0896/001), waaruit hij afleidt dat, hoewel de rechtspraak de wet van 29 augustus 1988 in tegengestelde zin heeft geïnterpreteerd, de bedoeling van de wetgever daadwerkelijk erin bestond dat zij van toepassing was op gevallen zoals het geval dat aan de verwijzende rechter is voorgelegd. Hij is van mening dat de in het geding zijnde bepaling, overeenkomstig de wil van de wetgever, dus van toepassing kan zijn op de nalatenschappen van landbouwers die met pensioen zijn gegaan en wier kinderen landbouwer zijn geworden, ook al werd in de rechtspraak veeleer een andere interpretatie in aanmerking genomen. 4 Hij suggereert dus om de in het geding zijnde bepaling in die zin te interpreteren dat zij de landbouwbedrijven omvat die, op het ogenblik van het overlijden, door een of meerdere afstammelingen van de overledene werden geëxploiteerd. Hij voegt eraan toe dat de in het geding zijnde bepaling, in die interpretatie, daadwerkelijk van toepassing is op het voor de verwijzende rechter hangende geschil. -B- B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 1 van de wet van 29 augustus 1988 « op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit » (hierna : de wet van 29 augustus 1988) dat, zoals het luidde vóór de wijziging ervan bij de wet van 23 augustus 2015 « tot wijziging van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit » (hierna : de wet van 23 augustus 2015), bepaalde : « Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek die de rechten van de langstlevende echtgenoot en van de langstlevende wettelijk samenwonende vastleggen, heeft ieder van de erfgenamen in de rechte nederdalende lijn, wanneer een nalatenschap voor het geheel of voor een deel een landbouwbedrijf bevat, het recht van overname naar schatting van de roerende en onroerende goederen die behoren tot het landbouwbedrijf. Voor de toepassing van deze wet moet onder ‘ landbouwbedrijf ’ worden verstaan het geheel van de roerende en onroerende goederen bestemd voor iedere activiteit, grondgebonden of niet, die betrekking heeft op de akkerbouw, de veeteelt, de pluimveeteelt, de groenteteelt, de fruitteelt, de viskwekerij, de bijenkweek, de druiventeelt, de bloementeelt, de sierplantenteelt, de teelt van zaad- en pootgoed, de boomkwekerijen evenals de produktie van kerstbomen ». B.1.
- Artikel 2 van de wet van 23 augustus 2015 vult artikel 1 van de wet van 29 augustus 1988 aan met een derde lid, dat bepaalt : « Ingeval de nalatenschap niet voor het geheel of voor een deel een landbouwbedrijf bevat, maar wel onroerende goederen die behoorden tot het landbouwbedrijf van de erflater en een van de erfgenamen in de rechte nederdalende lijn thans exploitant is van deze goederen in het kader van zijn eigen landbouwbedrijf, dan kan deze laatste eveneens naar schatting deze goederen overnemen, onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek die de rechten van de langstlevende echtgenoot en van de langstlevende wettelijk samenwonende vastleggen ». Zoals de verwijzende rechter vaststelt, is die bepaling niet van toepassing op het voor hem hangende geschil, aangezien de in het geding zijnde nalatenschappen zijn opengevallen vóór de inwerkingtreding ervan. 5 B.
- De wet van 29 augustus 1988 « heeft tot doel de overdracht van landbouwbedrijven van de ene generatie op de andere te vergemakkelijken », door te bevorderen dat « het bedrijf intact [wordt overgeleverd] aan de volgende generatie, zodat de onderneming verder kan blijven werken » (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 444/5, pp. 1-2). Daartoe wordt bij de wet van 29 augustus 1988, in afwijking van het gemeen erfrecht krachtens hetwelk de verdeling van de nalatenschap in beginsel in natura geschiedt, een overnamerecht in het leven geroepen met betrekking tot de roerende en onroerende goederen die behoren tot een landbouwbedrijf ten voordele van de erfgenamen in de rechte nederdalende lijn. Wanneer verscheidene belanghebbenden het recht van overname willen uitoefenen, stelt de wet een prioritaire volgorde tussen hen vast (artikel 3). B.3.
- De verwijzende rechter interpreteert de in de in het geding zijnde bepaling vervatte uitdrukking « landbouwbedrijf » als de landbouwactiviteit die mogelijk wordt gemaakt door de roerende en onroerende goederen die ertoe behoren. In die interpretatie beperkt artikel 1 van de wet van 29 augustus 1988 de toepassing van die wet tot het geval waarin de overledene zelf nog steeds landbouwer was op de dag van zijn overlijden. Daaruit vloeit voort dat de wet daarentegen niet van toepassing is wanneer de overledene gepensioneerd was op de dag van zijn overlijden en het bedrijf reeds was overgenomen door een van zijn erfgenamen in de rechte nederdalende lijn. Het Hof onderzoekt de in het geding zijnde bepaling in die interpretatie. B.3.
- In die interpretatie doet de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling tussen de erfgenamen in de rechte nederdalende lijn ontstaan, wat betreft de mogelijkheid om het overnamerecht te doen gelden met betrekking tot de goederen die tot het landbouwbedrijf behoren, naargelang de overledene, op de dag van zijn overlijden, het landbouwbedrijf zelf nog exploiteerde of enkel nog eigenaar van de door een van zijn erfgenamen in de rechte nederdalende lijn geëxploiteerde goederen was. B.4.
- Het in B.3.2 uiteengezette verschil in behandeling berust op een criterium dat is afgeleid uit de situatie van de eigenaar van de goederen die tot het landbouwbedrijf behoorden op het ogenblik van zijn overlijden. Indien het overlijden zich voordoet op een ogenblik dat 6 de eigenaar zelf het bedrijf exploiteert, zodat dat deel uitmaakt van zijn nalatenschap, genieten zijn erfgenamen in de rechte nederdalende lijn het bij de in het geding zijnde wet ingevoerde overnamerecht. Indien het overlijden zich daarentegen voordoet op een ogenblik dat de eigenaar van de goederen het bedrijf niet meer zelf exploiteert, zodat het landbouwbedrijf op zich geen deel uitmaakt van zijn nalatenschap, kunnen zijn erfgenamen in de rechte nederdalende lijn en, in het bijzonder, diegene of diegenen van hen die het bedrijf hebben overgenomen zonder eigenaar te zijn van de goederen die ertoe behoren, het bij de in het geding zijnde wet ingevoerde overnamerecht niet genieten. B.4.
- Hoewel een dergelijk criterium objectief is, kan het niet relevant worden geacht, gelet op het bij de wet van 29 augustus 1988 nagestreefde doel dat in B.2 in herinnering is gebracht. De noodzaak om te bevorderen dat het landbouwbedrijf intact wordt overgedragen aan de volgende generatie teneinde de continuïteit ervan te verzekeren, wordt immers evenzeer, zo niet meer aangevoeld wanneer een of meerdere erfgenamen in de rechte nederdalende lijn het bedrijf reeds hebben overgenomen vóór het overlijden van hun ouders die, gepensioneerd, eigenaar zijn gebleven van de goederen die behoren tot het bedrijf. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Artikel 1 van de wet van 29 augustus 1988, in de interpretatie volgens welke het die wet enkel van toepassing maakt op de nalatenschappen die zijn opengevallen terwijl de overledene nog steeds landbouwer was op de dag van zijn overlijden en de nalatenschappen die goederen bevatten die behoren tot een landbouwbedrijf dat niet meer door de overledene werd geëxploiteerd op de dag van zijn overlijden, maar dat op dat ogenblik door een of meerdere van zijn erfgenamen in de rechte nederdalende lijn werd geëxploiteerd, van het toepassingsgebied ervan uitsluit, is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1 van de wet van 29 augustus 1988 « op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit », in de interpretatie volgens welke het die wet enkel van toepassing maakt op de nalatenschappen die zijn opengevallen terwijl de overledene nog steeds landbouwer was op de dag van zijn overlijden en de nalatenschappen die goederen bevatten die behoren tot een landbouwbedrijf dat niet meer door de overledene werd geëxploiteerd op de dag van zijn overlijden, maar dat op dat ogenblik door een of meerdere van zijn erfgenamen in de rechte nederdalende lijn werd geëxploiteerd, van het toepassingsgebied ervan uitsluit, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.167 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div