← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.168

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.168 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191107.7 Arrest- Rolnummer: 168/2019 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-27 Raadplegingen: 270 - laatst gezien 2026-06-28 21:54 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Algemeen (bijzondere rechtsplegingen (burgerlijke zaken)) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie. Gerechtelijk recht - Burgerlijke rechtspleging - Bijzondere rechtsplegingen - Geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet - Toelating van de vordering - Voorwaarden - Vervaltermijn - Verlenging - Onmogelijkheid. Tekst van de beslissing Rolnummer 6991 Arrest nr. 168/2019 van 7 november 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 28 juni 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 juli 2018, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1385undecies Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat het voorziet in een vervaltermijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal die niet vatbaar is voor verlenging wegens afstand in toepassing van artikel 55 Gerechtelijk Wetboek, terwijl de gemeenrechtelijke verzets- en beroepstermijn wel vatbaar zijn voor verlenging wegens afstand, in toepassing van de artikelen 1048 en 1051 juncto artikel 55 Gerechtelijk Wetboek ? ». Memories zijn ingediend door : - de vennootschap naar Frans recht « Cristalco SAS », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en Mr. S. De Vleeschouwer, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 17 juli 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 31 juli 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 31 juli 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil « Cristalco SAS », vennootschap naar Frans recht, heeft een cassatieberoep ingediend, gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 21 maart

  1. De eisende partij voert aan dat artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat het voorziet in een vervaltermijn die niet vatbaar is voor verlenging overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek ten aanzien van een partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, terwijl de gemeenrechtelijke verzets- en beroepstermijnen wel vatbaar zijn voor verlenging op grond van die bepaling. Het Hof van Cassatie stelt vast dat uit artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de termijn enkel wordt verlengd in het voordeel van een partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, indien in de termijnverlenging uitdrukkelijk in de wet is voorzien. Krachtens de artikelen 1048, tweede lid, en 1051, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt de termijn van één maand om hoger beroep of verzet aan te tekenen, verlengd overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek. Daarentegen merkt het Hof van Cassatie op dat de vervaltermijn van drie maanden voor vorderingen inzake geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet, bepaald in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, niet kan worden verlengd op grond van artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek omdat de wet zulks niet bepaalt. 3 Overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, stelt de verwijzende rechter de bovenvermelde vraag aan het Hof, alvorens zich uit te spreken over de grond van de zaak. III. In rechte -A- A.
  2. « Cristalco SAS », eisende partij in het bodemgeschil, stelt allereerst dat een partij die in België geen woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats heeft en die een vordering inzake geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet wenst in te stellen overeenkomstig artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, zich in een soortgelijke situatie bevindt als de partij die in België evenmin een woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats heeft en die verzet of hoger beroep wenst in te stellen overeenkomstig de artikelen 1048 en 1051 van het Gerechtelijk Wetboek. In beide gevallen gaat het immers om buitenlandse partijen die in België in een juridische procedure verwikkeld zijn. Beide categorieën van partijen hebben reeds een eerste fase van de procedure doorlopen en wensen een rechtsmiddel aan te wenden waarbij zij geconfronteerd worden met een wettelijke vervaltermijn. Het gegeven dat de vervaltermijn bedoeld in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek drie maanden bedraagt en de gemeenrechtelijke verzets- en beroepstermijn één maand bedraagt, volstaat niet om te besluiten dat de categorieën niet vergelijkbaar zijn. A.2.
  3. « Cristalco SAS » acht het niet redelijk verantwoord dat de wetgever voorziet in een termijnverlenging wegens afstand voor het aanwenden van verzet of hoger beroep, maar niet in dezelfde flexibiliteit voorziet voor de vervaltermijn inzake belastinggeschillen bedoeld in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek. Zij benadrukt dat de verlenging wegens afstand een maatregel is die beoogt de uitoefening van het recht van verdediging te vrijwaren van partijen die vanuit het buitenland procederen. Het gebrek aan een verlenging wegens afstand voor de vervaltermijn vervat in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, bemoeilijkt op onevenredige wijze de uitoefening van het recht van verdediging. A.2.
  4. « Cristalco SAS » herhaalt dat de verschillende duur van de vervaltermijnen geen afdoende verantwoording vormt voor het verschil in behandeling. Een buitenlandse procespartij heeft bijkomende tijd nodig, ongeacht de duurtijd van de vervaltermijn. Het is niet redelijk verantwoord dat in het ene geval wel wordt voorzien in een correctie voor buitenlandse procespartijen en in het andere geval niet. Er kan niet van worden uitgegaan dat de wetgever de verlenging wegens afstand reeds heeft ingecalculeerd in de termijn van drie maanden vervat in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien in dat geval een discriminatie zou ontstaan tussen binnenlandse procespartijen die al dan niet een tijdsbonus kunnen genieten. Bovendien wijst zij erop dat de gemeenrechtelijke termijn om een cassatievoorziening in te stellen, evenzeer drie maanden bedraagt en artikel 1073 van het Gerechtelijk Wetboek wel voorziet in een verlenging wegens afstand. A.2.
  5. Het loutere gegeven dat de belangen van de Schatkist in het geding zijn, kan volgens « Cristalco SAS » evenmin verantwoorden dat de vervaltermijn om een vordering inzake belastinggeschillen niet verlengbaar is wegens afstand. Het ernstige nadeel voor de rechtzoekende, namelijk de aantasting van zijn recht van verdediging, staat immers niet in verhouding met de beperkte tijdswinst voor de Schatkist. A.
  6. « Cristalco SAS » merkt tot slot op dat artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek evenwel grondwetsconform kan worden geïnterpreteerd. Ook al verwijst artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek niet uitdrukkelijk naar artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek, staat niets eraan in de weg dat een dergelijke verwijzing er impliciet in wordt gelezen. Zij verzoekt het Hof dan ook om die grondwetsconforme interpretatie van de getoetste norm naar voren te schuiven, zodat de verwijzende rechter zich hier kan bij aansluiten. 4 A.
  7. De Ministerraad is allereerst van oordeel dat de termijn om een vordering in te stellen inzake belastinggeschillen en de gemeenrechtelijke verzets- en beroepstermijn niet vergelijkbaar zijn. De vervaltermijn bepaald in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek betreft een termijn om een fiscale vordering in rechte in te stellen tegen een administratieve beslissing zonder gezag van rechterlijk gewijsde, die niet in kracht van gewijsde kan treden. De gemeenrechtelijke verzets- en beroepstermijn bepaald in de artikelen 1048 en 1051 van het Gerechtelijk Wetboek betreft daarentegen de uitoefening van een rechtsmiddel dat gericht is tegen een beslissing van de rechter die met gezag van gewijsde is bekleed en die in kracht van gewijsde gaat indien binnen de voorgeschreven termijn geen rechtsmiddel wordt uitgeoefend. Voorts vindt de vervaltermijn bepaald in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek slechts toepassing voor zover de administratie uitspraak heeft gedaan over het administratief beroep. De administratieve beslissing zal te allen tijde nog zijdelings kunnen worden betwist op grond van artikel 159 van de Grondwet wanneer bij een andere rechter zou worden gevraagd die beslissing toe te passen. Daarenboven bedraagt de termijn voor het instellen van de fiscale rechtsvordering drie maanden, wat wezenlijk verschilt van de gemeenrechtelijke verzets- en beroepstermijn van één maand. De Ministerraad sluit zich dan ook aan bij het arrest van 21 maart 2017 van het Hof van Beroep te Antwerpen waartegen het cassatieberoep is gericht en waarin wordt gesteld dat de verschillende bij de wet bepaalde vervaltermijnen een verschil in de toepassing van termijnverlengingen rechtvaardigen. A.5.
  8. Zelfs indien het Hof van oordeel zou zijn dat er sprake is van vergelijkbare categorieën van personen, leidt het verschil in behandeling volgens de Ministerraad niet tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. Overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof houdt het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. A.5.
  9. Aangezien de termijn om een fiscale vordering in te stellen driemaal langer is dan de gemeenrechtelijke verzets- of beroepstermijn, is het gerechtvaardigd dat in een belastinggeschil niet wordt voorzien in een verlenging van de termijn wegens afstand. In dit licht dient rekening te worden gehouden met het algemene beginsel volgens hetwelk de strengheid van de wet in geval van overmacht of van onoverwinnelijke dwaling kan worden gemilderd. Voorts mag van de in het buitenland verblijvende belastingplichtige die in België een administratieve beroepsprocedure heeft ingesteld, worden verwacht dat hij alle dienstige maatregelen tot vrijwaring van zijn rechten neemt en bijgevolg de afwikkeling van zijn administratieve beroepsprocedure op de voet volgt en na een ongunstige beslissing tijdig actie onderneemt om een fiscale vordering in te stellen. A.5.
  10. De Ministerraad stelt dat de niet-verlenging van de vervaltermijn van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek wegens afstand tevens kan worden verantwoord in het licht van het beginsel van de territorialiteit van de belasting. De belasting van de niet-ingezetenen steunt op de Belgische oorsprong van hun inkomsten of de plaats van hun goederen in België. De belastingplichtige die vanuit het buitenland procedeert, kan bijgevolg niet beweren geen voldoende kennis te hebben van de Belgische belastingwet of niet voldoende vertrouwd te zijn met het Belgische rechtssysteem. De betrokkene heeft immers inkomsten of vermogen in België en kan worden geacht voldoende vertrouwd te zijn met de Belgische fiscale procedure zodat zijn verblijf in het buitenland geen bijzondere moeilijkheden met zich meebrengt om binnen de normale vervaltermijn een fiscaal beroep in te stellen. A.5.
  11. Voorts meent de Ministerraad dat het oogmerk van de vrijwaring van de belangen van de Schatkist de niet-toepassing van de termijnverlenging wegens afstand verantwoordt. De Schatkist heeft er immers baat bij dat fiscale betwistingen zo snel mogelijk worden beslecht. De wetgever vermocht derhalve te beslissen dat het niet onontbeerlijk was de termijnverlenging wegens afstand van toepassing te verklaren op vorderingen inzake geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet in de zin van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek. A.5.
  12. Tot slot stelt de Ministerraad zich de vraag of de verantwoording van een termijnverlenging wegens afstand nog langer actueel rekening houdend met de huidige beschikbaarheid van snelle communicatiemiddelen en goede transportmogelijkheden. Een termijn van drie maanden voor het instellen van een fiscaal beroep is bijgevolg ruimschoots voldoende, zodat een termijnverlenging wegens afstand zich niet noodzakelijk is. De Ministerraad is dan ook van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. 5 -B- B.
  13. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het voorziet in een vervaltermijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief beroep die niet vatbaar is voor verlenging wegens afstand overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek, terwijl de gemeenrechtelijke termijn van hoger beroep of verzet van een maand wel vatbaar is voor verlenging wegens afstand overeenkomstig de artikelen 1048 en 1051 juncto artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek. B.2.
  14. Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld. De vordering wordt ingesteld ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dit beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal. De in het tweede lid bedoelde termijn van zes maanden wordt met drie maanden verlengd wanneer de betwiste aanslag van ambtswege door de administratie is gevestigd. De in het tweede lid bedoelde termijn van zes maanden, desgevallend verlengd als bepaald in het derde lid, wordt met vier maanden verlengd wanneer een door belastingplichtige ingediende aanvraag tot bemiddeling binnen de in het tweede en derde lid vermelde termijnen ontvankelijk werd verklaard door de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld in artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV). In geval van toepassing van artikel 375, § 1/1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt in afwijking van het tweede lid de vordering ingesteld ten vroegste een maand vanaf de datum van ontvangst van het verzoek tot rechtzetting indien hierover geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing over dat verzoek zonder dat deze termijn minder bedraagt dan drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing bedoeld in artikel 375, § 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ». 6 B.2.
  15. Overeenkomstig de voormelde bepaling wordt de vordering inzake de geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet tegen de belastingadministratie slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratieve beroep heeft ingesteld. De vordering dient te worden ingesteld ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dat beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief beroep. B.3.
  16. Artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Wanneer de wet bepaalt dat ten aanzien van de partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, de termijnen die haar verleend werden dienen verlengd te worden, dan bedraagt die verlenging : 1° vijftien dagen, wanneer de partij in een aangrenzend land of in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië verblijft; 2° dertig dagen, wanneer zij in een ander land van Europa verblijft; 3° tachtig dagen, wanneer zij in een ander werelddeel verblijft ». B.3.
  17. Het doel van die bepaling is dat, hoe groter de afstand is van de verblijfplaats van de betrokken partij ten opzichte van België, hoe meer de termijn wordt verlengd om de uitoefening van het recht van verdediging te vrijwaren (Cass., 30 maart 2007, C.05.0073.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070330.1). B.3.
  18. Zoals de verwijzende rechter vaststelt, vloeit uit artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek voort dat de termijn enkel wordt verlengd in het voordeel van een partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, indien in de termijnverlenging uitdrukkelijk in de wet is voorzien. B.3.
  19. Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek voorziet niet erin dat de vervaltermijn van drie maanden voor het instellen van een vordering inzake de geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet dient te worden verlengd voor de partij die geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek. 7 B.3.
  20. Daarentegen voorzien de artikelen 1048 en 1051 van het Gerechtelijk Wetboek wel erin dat de termijn van één maand om tegen een vonnis verzet of hoger beroep aan te tekenen, dient te worden verlengd overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek. B.3.
  21. Artikel 1048 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Onder voorbehoud van termijnen die worden bepaald in supranationale en internationale bepalingen, is de termijn om verzet aan te tekenen één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid. Heeft de niet verschenen partij geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België, dan wordt de termijn van verzet verlengd overeenkomstig artikel 55 ». B.3.
  22. Artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Onder voorbehoud van termijnen die worden voorzien in supranationale en internationale bepalingen, is de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid. Deze termijn loopt eveneens vanaf de dag van die betekening ten aanzien van de partij die het vonnis heeft doen betekenen. Evenwel, wanneer het hoger beroep slechts tegen bepaalde partijen is gericht, beschikken die partijen over een nieuwe termijn van dezelfde duur om hoger beroep aan te tekenen tegen de andere partijen. Die nieuwe termijn begint te lopen vanaf de dag van de betekening of, naargelang het geval, de kennisgeving van de eerste akte van hoger beroep. Heeft een van de partijen aan wie of op wier verzoek het vonnis is betekend, geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België, dan wordt de termijn van hoger beroep verlengd overeenkomstig artikel
  23. Het zelfde geldt wanneer één van de partijen aan wie het vonnis ter kennis is gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, in België geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats heeft ». 8 B.4.
  24. De gemeenrechtelijke verzets- en beroepstermijnen bepaald in de artikelen 1048 en 1051 van het Gerechtelijk Wetboek hebben betrekking op de aanwending van rechtsmiddelen tegen rechterlijke beslissingen. De in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijn daarentegen heeft betrekking op het instellen van een rechtsvordering die gericht is tegen een administratieve beslissing in een belastinggeschil. Bovendien verschilt de termijn van drie maanden voor het instellen van de fiscale rechtsvordering wezenlijk van de voormelde verzets- en beroepstermijnen, die slechts één maand bedragen. B.4.
  25. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.5.
  26. Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek schrijft in duidelijke bewoordingen voor binnen welke termijnen de eisende partij gehouden is een vordering inzake de geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet in te stellen. Van de partij, die deze vordering slechts kan instellen indien ze voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratieve beroep heeft uitgeoefend, mag redelijkerwijze worden verwacht dat zij blijk geeft van een nauwe betrokkenheid bij het verloop van dat beroep en dat zij derhalve alle dienstige maatregelen tot vrijwaring van haar rechten neemt. De belasting van de niet-ingezetenen steunt op de Belgische oorsprong van hun inkomsten of de plaats van hun goederen in België. Aldus mag worden aangenomen dat de betrokken belastingplichtige ook voldoende vertrouwd is met de Belgische fiscale geschillenregeling. B.5.
  27. De door de wetgever voorgeschreven termijn van drie maanden om een vordering in te stellen die ingaat vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief beroep, kan niet worden beschouwd als een termijn waardoor de partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, ertoe is gehouden haar verdediging te organiseren in omstandigheden die onredelijk moeilijk moeten worden geacht. 9 B.
  28. Uit het voorgaande volgt dat de rechten van de partij die een vordering inzake de geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet wenst in te stellen en niet de termijnverlenging wegens afstand overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek kan genieten, niet op onevenredige wijze worden beperkt. B.
  29. De prejudiciële vraag dient bijgevolg ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 november
  30. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.168 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070330.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.