← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.176

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 november 2019 ECLI n

parketjuristen PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 259bis-9, § 1, vierde lid,

§ 1

/1, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 244 van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering

modernisering van bepalingen van burgerlijk recht

van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat,

houdende diverse bepalingen inzake justitie », ingesteld door P.F.. Gerechtelijk recht - Toegang tot de magistratuur - Vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage - Examen inzake beroepsbekwaamheid - Voorwaarden voor de benoeming van de magistraten van de rechterlijke orde - Parketjurist. Tekst van de beslissing Rolnummer 6822 Arrest nr. 176/2019 van 14 november 2019 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 259bis-9, § 1, vierde lid,

§ 1

/1, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 244 van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering

modernisering van bepalingen van burgerlijk recht

van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat,

houdende diverse bepalingen inzake justitie », ingesteld door P.F. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût

A. Alen,

de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul, T. Giet

J. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep

rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 januari 2018 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 19 januari 2018, heeft P.F. beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 259bis-9, § 1, vierde lid,

§ 1

/1, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals dat artikel werd gewijzigd bij artikel 244 van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering

modernisering van bepalingen van burgerlijk recht

van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat,

houdende diverse bepalingen inzake justitie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 juli 2017). De Ministerraad, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. C. Wijnants, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend

de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 25 september 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman

J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord,

dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 9 oktober 2019

de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen

kel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 9 oktober 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van P.F. A.1. P.F. verantwoordt zijn belang bij het vorderen van de vernietiging van artikel 259bis-9, § 1, vierde lid,

§ 1

/1, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek - gewijzigd bij artikel 244, 1°

2°, van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering

modernisering van bepalingen van burgerlijk recht

van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat,

houdende diverse bepalingen inzake justitie » - door zijn hoedanigheid van parketjurist, functie die hij sinds 2002 uitoefent,

door het gegeven dat hij, daar hij substituut-procureur des Konings wil worden, zou willen slagen voor het examen inzake beroepsbekwaamheid bepaald in artikel 259bis-9, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek of laureaat zou willen zijn van het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage waarin dezelfde bepaling

artikel 259octies, § 1, van hetzelfde Wetboek voorzien. 3 De verzoeker merkt op dat de bestreden bepalingen, door het aantal voor dat examen

dat vergelijkend examen toegestane deelnames te beperken tot vijf, tot gevolg zullen hebben hem elke hoop te ontnemen om toe te treden tot de functie van substituut-procureur des Konings indien hij tot vijf keer toe niet slaagt voor de proeven van dat examen

voor die van dat vergelijkend examen. Hij voegt eraan toe dat hij, zonder de bestreden bepalingen

gelet op zijn leeftijd (46 jaar op het ogenblik dat zijn beroep is ingesteld), ongeveer 20 keer zou hebben kunnen deelnemen aan de

e of de andere van die selectieproeven vóór het einde van zijn loopbaan van ambtenaar binnen de rechterlijke macht. Daarnaast is hij van mening dat, gelet op het arrest nr. 142/2006 van 20 september 2006, een parketjurist belang heeft bij het vorderen van de vernietiging van elke wetsbepaling die zijn mogelijkheden om toegang te hebben tot de magistratuur, beperkt. P.F. leidt uit het feit dat hij meerdere keren niet is geslaagd voor het schriftelijke gedeelte van de vergelijkende examens voor de toelating tot de gerechtelijke stage die zijn georganiseerd gedurende de gerechtelijke jaren 2013-2014

2014-2015, proeven waarvoor hij de materie « strafrecht, met inbegrip van strafprocesrecht » had gekozen, af dat de organisatie van dat soort van vergelijkende examens

van het examen inzake beroepsbekwaamheid lacunes vertoont, zodanig dat die selectiemethodes een parketjurist niet waarborgen dat zijn natuurlijke kandidatuur voor de magistratuur alleen zal worden onderzocht in het licht van de kwaliteit van zijn werk

de omvang van zijn kennis. Hij voegt eraan toe dat het slaagpercentage van de kandidaten voor dat examen

voor dat vergelijkend examen altijd heel laag is. P.F. merkt ook op dat zijn belang beroepsmatig is, daar het werk van parketjurist vaak gelijkwaardig is aan dat van de magistraat van het openbaar ministerie, in het bijzonder wanneer de eerstgenoemde, met toepassing van artikel 162, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, ertoe gemachtigd is de bevoegdheden van de tweede uit te oefenen. De verzoeker voert ten slotte aan dat, gelet op zijn recht op de eerbiediging van het privéleven, hij niet moet uitleggen waarom hij niet heeft deelgenomen aan het vergelijkend examen

het examen die zijn georganiseerd sinds 3 augustus 2017, datum van inwerkingtreding van de bestreden bepalingen. A.2. De Ministerraad betwist in hoofdorde het belang van P.F. bij het vorderen van de vernietiging van de bestreden bepalingen. Hij zet allereerst uiteen dat dat belang hypothetisch is, omdat onvoldoende wordt aangetoond dat de bestreden bepalingen op een dag de situatie van de verzoeker ongunstig zouden kunnen raken. De Ministerraad merkt op dat het onwaarschijnlijk is dat de verzoeker vijf keer niet slaagt voor het examen inzake beroepsbekwaamheid

vijf keer voor het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage, gelet op zijn grote motivatie (die zou blijken uit het instellen van het beroep tot vernietiging), alsook op zijn zeer ruime ervaring als parketjurist. De Ministerraad ziet niet precies

objectief in waarom een ernstig voorbereide kandidaat ervoor zou moeten vrezen tien keer na elkaar niet te slagen. Hij wijst erop dat de kritiek van de verzoeker in verband met de zogenaamde lacunes in de organisatie van het examen

het vergelijkend examen losstaan van de bestreden bepalingen

dat de verzoeker steeds, zo nodig, het resultaat van die proeven zou kunnen betwisten voor de Raad van State. Hij merkt ook op dat het relatief lage slaagpercentage van de kandidaten voor die proeven verklaard wordt door de zorg om alleen te kiezen voor de meest bekwame deelnemers. De Ministerraad voegt eraan toe dat, in tegenstelling tot de bepalingen die werden bestreden in het beroep dat ten grondslag lag aan het arrest nr. 142/2006, de bepalingen die P.F. in het onderhavige beroep bestrijdt, niet tot gevolg hebben hem uit te sluiten van een toegang tot de magistratuur. De Ministerraad is daarnaast van mening dat de verzoeker, door zich niet in te schrijven voor het vergelijkend examen

het examen die sinds de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen zijn georganiseerd, zijn belang heeft verloren om de vernietiging daarvan te vorderen. De Ministerraad zet ten slotte uiteen dat P.F. niet doet blijken van een persoonlijk belang, omdat de vernietiging van de bestreden bepalingen geen rechtstreekse weerslag zou hebben op zijn situatie, daar die hem niet automatisch toegang zou verlenen tot de magistratuur. De Ministerraad onderstreept dat, zelfs in geval van vernietiging, P.F. nog zou moeten slagen voor het examen inzake beroepsbekwaamheid of voor het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage. 4 Ten aanzien van het eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10

11 van de Grondwet A.3. P.F. bekritiseert het feit dat de bestreden bepalingen een parketjurist die substituut-procureur des Konings wenst te worden, verbieden om meer dan vijf keer deel te nemen aan het examen inzake beroepsbekwaamheid of aan het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage, terwijl geen vergelijkbare beperking bestaat voor de parketsecretaris of de parketjurist die zich kandidaat wensen te stellen voor een benoeming door bevordering tot hoofdsecretaris bij het parket. P.F. verklaart dat die laatste benoeming een handeling is die vergelijkbaar is met de benoeming tot magistraat, daar het voor een parketjurist gaat om de

ige twee manieren van loopbaanevolutie. Volgens P.F. kan het aangevoerde doel, namelijk het niveau van voorbereiding van de kandidaten op het examen of op het vergelijkend examen verbeteren, niet worden beschouwd als een gewettigd doel dat zou toelaten de voormelde verschillen in behandeling tussen de parketsecretaris

de parketjurist of onder parketjuristen te verantwoorden. De verzoeker klaagt ook aan dat geen uitleg is gegeven bij de keuze van het aantal toegestane deelnames. Hij is van mening in elk geval dat de bij de bestreden bepalingen ingevoerde beperkingen van de toegang tot het examen

tot het vergelijkend examen het niet mogelijk maken het aangevoerde doel te bereiken. Hij voert aan dat, om de kwaliteit te verbeteren van de voorbereiding van de personen die aan die proeven deelnemen, de procedures inzake de evaluatie van de kwaliteit van die kandidaten objectiever hadden moeten worden gemaakt. P.F. wijst vervolgens nadrukkelijk op het verschil tussen de taken van de parketsecretaris

die van de parketjurist

onderstreept dat, bij de invoering van dat laatste ambt, de toegang tot de magistratuur werd voorgesteld als de ideale of natuurlijke bevordering voor de parketjurist. P.F. voegt eraan toe dat de afdeling wetgeving van de Raad van State bij gebrek aan tijd niet in staat is geweest de bestreden maatregelen grondig te onderzoeken

dat die laatste niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een overleg met de vakorganisaties. A.4. Het is slechts in ondergeschikte orde dat de Ministerraad uiteenzet dat het eerste middel niet gegrond is. Allereerst is hij van mening dat de bestreden bepalingen een louter politieke keuze weergeven die ressorteert onder de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de wetgevende macht, keuze die niet kan worden bekritiseerd door het Hof. Hij voegt eraan toe dat het gewettigd

verantwoord is ernaar te streven dat de meest gemotiveerde

meest bekwame kandidaten deelnemen aan de proeven voor de aanwerving van magistraten. Hij is van mening dat het niet onredelijk is ervan uit te gaan dat een persoon die vijf keer niet slaagt voor het examen inzake beroepsbekwaamheid

vijf keer voor het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage waarschijnlijk niet beschikt over de bekwaamheden, de competenties

de motivatie die vereist zijn om het ambt van magistraat uit te oefenen, los van de andere maatregelen die, volgens de verzoeker, meer geschikt zouden zijn geweest om het niveau van de voorbereiding van de kandidaten te verbeteren. De Ministerraad merkt ook op dat de vermeende afwezigheid van een overleg met de vakorganisaties vóór de aanneming van de bestreden maatregelen niet zou volstaan om de grondwettigheid van die laatste in het geding te brengen. De Ministerraad merkt in de tweede plaats op dat de parketjurist die magistraat wenst te worden, zich bevindt in een situatie die om talrijke redenen niet kan worden vergeleken met die van de parketjurist die zich kandidaat wil stellen voor een benoeming tot hoofdsecretaris bij het parket. Hij is van mening dat het statuut

het ambt van de magistraat

die van hoofdsecretaris bij het parket totaal verschillend zijn. Hij merkt op dat die laatste, net als de parketjurist, een ambtenaar van de Staat is die lid is van het « gerechtspersoneel »,

dat de benoeming van een parketjurist in dat ambt het resultaat is van een administratieve bevordering die wordt toegekend na afloop van een vergelijkende selectie georganiseerd door de federale administratie, terwijl de benoeming van een parketjurist tot magistraat geen bevordering is

aan de begunstigde ervan een heel ander statuut toekent na afloop van een selectie georganiseerd door de Hoge Raad voor de Justitie, die een instelling is die losstaat van de administratie. De Ministerraad wijst ook erop dat de bestreden bepalingen de parketjuristen niet anders behandelen dan alle andere categorieën van personen die wensen deel te nemen aan het examen inzake beroepsbekwaamheid of aan het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage. 5 De Ministerraad merkt in de derde plaats op dat de bestreden bepalingen redelijk evenredig zijn met het nagestreefde gewettigde doel, namelijk ernaar streven dat de best voorbereide

meest gemotiveerde kandidaten deelnemen aan het examen

aan het vergelijkend examen teneinde de kwaliteit van de magistraten van de rechterlijke orde te verbeteren. Ten aanzien van het tweede middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11

23, derde lid, 1°, van de Grondwet A.5. P.F. bekritiseert het feit dat de bestreden bepalingen het aantal « bevorderingen » door de toegang tot de magistratuur waarvoor de parketjurist zich kandidaat kan stellen, beperken, terwijl de jurist die ambtenaar van de Staat binnen een federale overheidsdienst is, zich zoveel keer als hij wenst kandidaat kan stellen voor een administratieve bevordering. Hij is van mening dat dat verschil in behandeling onder ambtenaren van de Staat een aanzienlijke beperking inhoudt van de mate van bescherming van het recht op billijke arbeidsvoorwaarden waarop de parketjurist die substituut-procureur des Konings wenst te worden, aanspraak kan maken. Hij voert aan dat dat grondrecht, dat verbonden is aan de « tevredenheid op het werk », het recht op de beroepsbevordering van de ambtenaren van de Staat omvat. Hij zet ook uiteen dat het ambt van parketjurist identiek is aan dat van jurist werkzaam in een federale overheidsdienst. Bovendien herhaalt P.F. dat het niet de bij de bestreden bepalingen ingevoerde beperkingen van de toegang tot het examen inzake beroepsbekwaamheid

tot het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage zijn die het mogelijk zullen maken de tijdens de parlementaire voorbereiding aangevoerde doelstelling te bereiken, namelijk het niveau van de voorbereiding van de kandidaten op een benoeming tot magistraat verbeteren. Hij wijst erop dat tijdens de parlementaire voorbereiding omtrent de keuze om het aantal deelnames tot vijf te beperken niet meer uitleg is gegeven dan aan het feit dat de procedures om de kwaliteit van de kandidaten te beoordelen niet objectiever zijn gemaakt. A.6. Alleen in ondergeschikte orde zet de Ministerraad uiteen dat het tweede middel niet gegrond is. Hij is van mening dat dat middel identiek is aan het eerste

dat het dezelfde opmerkingen oproept. Hij voegt evenwel eraan toe dat de beroepsbevordering geen recht is

dat artikel 23 van de Grondwet de wetgevende macht niet verbiedt dergelijke bevorderingsmogelijkheden te beperken. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen

de context ervan B.1. Een persoon die het beroep van advocaat niet heeft uitgeoefend gedurende minstens vijftien jaar, kan niet worden benoemd tot substituut-procureur des Konings indien hij niet is geslaagd voor het examen inzake beroepsbekwaamheid waarin artikel 259bis-9, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet, of geen houder is van het « getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies [van hetzelfde Wetboek] voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid » (artikel 194, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, laatst gewijzigd bij artikel 240 van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering

modernisering van bepalingen van burgerlijke recht

van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat,

houdende diverse bepalingen inzake justitie »

artikel 194bis van hetzelfde 6 Wetboek, gewijzigd bij artikel 10 van de wet van 23 maart 2019 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een betere werking van de rechterlijke orde

van de Hoge Raad voor de Justitie »). De gerechtelijke stage is

kel toegankelijk voor de geslaagden van het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage bepaald in de artikelen 259bis-9, § 1,

259octies, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 259bis-9, § 1/1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 244, 2°, van de wet van 6 juli 2017). Het examen inzake beroepsbekwaamheid

het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage zijn bedoeld om « de voor de uitoefening van het ambt van magistraat noodzakelijke maturiteit

bekwaamheid te beoordelen » (artikel 259bis-9, § 1, tweede lid, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek). B.2.

  1. Artikel 244, 1°, van de wet van 6 juli 2017 voegt in artikel 259bis-9, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek een vierde lid in, dat luidt : « De kandidaten die vijf keer niet geslaagd zijn voor het examen inzake beroepsbekwaamheid worden uitgesloten van elke latere deelname aan dat examen ». Artikel 244, 2°, van de wet van 6 juli 2017 voegt in artikel 259bis-9, § 1/1, van het Gerechtelijk Wetboek een vierde lid in dat luidt : « De kandidaten die vijf keer niet geslaagd zijn voor het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage worden uitgesloten van elke latere deelname aan het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage ». B.2.
  2. Artikel 291 van de wet van 6 juli 2017 bepaalt dat, in verband met de toepassing van beide voormelde teksten, « uitsluitend rekening [wordt] gehouden met examens van beroepsbekwaamheid of vergelijkende toelatingsexamens tot de gerechtelijke stage georganiseerd na de inwerkingtreding van deze wet ». Die wet is in werking getreden op 3 augustus
  3. 7 Ten aanzien van het belang van de verzoeker B.
  4. De Grondwet

de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks

ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.4.

  1. De verzoeker is parketjurist sinds
  2. Een parketjurist is lid van het « gerechtspersoneel » van niveau A dat een « gerechtelijk ambt » uitoefent dat erin bestaat de magistraten van het openbaar ministerie bij te staan, door het werk van die magistraten op juridisch vlak voor te bereiden, onder hun gezag

volgens hun aanwijzingen, met uitsluiting van de aan de griffiers of aan de secretarissen opgedragen taken (artikel 162, §§ 1

2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij artikel 18 van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers

de secretarissen

inzake de rechterlijke organisatie »). Een parketjurist kan, onder bepaalde voorwaarden, ertoe worden gemachtigd een aantal bevoegdheden van de magistraten van het openbaar ministerie uit te oefenen (artikel 162, § 2, derde tot zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 197 van de wet van 5 februari 2016 « tot wijziging van het strafrecht

de strafvordering

houdende diverse bepalingen inzake justitie »

gewijzigd bij artikel 38 van de wet van 4 mei 2016 « houdende internering

diverse bepalingen inzake Justitie »). B.4.2. Zowel de kandidaat voor het examen inzake beroepsbekwaamheid als de kandidaat voor het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage kunnen, in hun aanvraag tot deelname aan die selectieproeven, kiezen voor « strafrecht, met inbegrip van strafprocesrecht » als juridische referentiematerie voor een heel groot deel van de schriftelijke

mondelinge proeven van het examen of van het vergelijkend examen (bijlage bij het ministerieel besluit van 31 juli 2018 « houdende de bekrachtiging van de programma’s van het examen inzake beroepsbekwaamheid

van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage »). 8 Uit het dossier dat de verzoeker aan het Hof heeft voorgelegd, blijkt dat hij zonder succes heeft deelgenomen aan de schriftelijke proef van het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage georganiseerd in de loop van het gerechtelijk jaar 2013-2014, alsook aan die van het vergelijkend examen van het gerechtelijk jaar 2014-2015, waarbij hij telkens heeft gekozen voor de materie « strafrecht, met inbegrip van strafprocesrecht ». B.

  1. Zoals in B.2.2 is vermeld, zal de in artikel 259bis-9, § 1, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek opgenomen regel alleen op de verzoeker van toepassing zijn indien hij vijf keer niet slaagt voor een examen inzake beroepsbekwaamheid georganiseerd na 3 augustus 2017, terwijl de in artikel 259bis-9, § 1/1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek opgenomen regel op hem alleen van toepassing zal zijn indien hij nog vijf keer niet slaagt voor het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage georganiseerd na dezelfde datum. B.
  2. De verzoeker leidt zijn belang bij het vorderen van de vernietiging van die bepalingen af uit de omstandigheid dat, indien hij vijf keer niet slaagt voor zowel het examen als het vergelijkend examen, de in die bepalingen vervatte regels hem zullen beletten zich nog in te schrijven voor de

e of de andere van die selectieproeven, terwijl hij zonder die bepalingen nog bijna twintig keer had kunnen deelnemen aan zowel het examen als het vergelijkend examen vóór het einde van zijn loopbaan van parketjurist. B.7. De bestreden bepalingen kunnen het maximumaantal examens

vergelijkende examens waarvoor de verzoeker zich had kunnen inschrijven indien zij niet waren aangenomen, aanzienlijk verminderen. B.8. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, kunnen de bestreden bepalingen de verzoeker dus rechtstreeks

ongunstig in zijn situatie raken. Hij doet dus blijken van een belang bij het vorderen van de vernietiging van die bepalingen. B.

  1. Het beroep is ontvankelijk. 9 Ten aanzien van het eerste middel B.
  2. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10

11 van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepalingen, door een parketjurist die substituut-procureur des Konings wenst te worden, te verbieden om meer dan vijf keer deel te nemen aan het examen inzake beroepsbekwaamheid of aan het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage, een eerste niet te verantwoorden verschil in behandeling zouden invoeren tussen,

erzijds, dat lid van het « gerechtspersoneel »

, anderzijds, de parketsecretaris, die vrij blijft om zich zoveel keer als hij wenst kandidaat te stellen voor een benoeming door bevordering tot hoofdsecretaris bij het parket, alsook een tweede evenzeer niet te verantwoorden verschil in behandeling tussen,

erzijds, de voormelde parketjurist

de parketjurist die wenst te worden benoemd door bevordering tot hoofdsecretaris bij het parket. B.11. De bestreden bepalingen maken deel uit van een geheel van regels die de voorwaarden bepalen voor de benoeming van de magistraten van de rechterlijke orde. Zij maken als dusdanig geen

kel onderscheid tussen de parketjurist

de parketsecretaris of onder parketjuristen. B.12. De bestreden bepalingen beperken voortaan het aantal deelnames aan het examen inzake beroepsbekwaamheid

aan het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage, die worden georganiseerd voor « gemotiveerde

bekwame kandidaten » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2259/001, p. 177). Zij strekken ertoe te vermijden « dat kandidaten meermaals deelnemen [...], vaak onvoorbereid » (ibid.), hetgeen de werklast van de Hoge Raad voor de Justitie die die selecties van kandidaten voor een benoeming tot magistraat van de rechtelijke orde moet organiseren, nodeloos vergroot. B.13. Naar het voorbeeld van de parketjurist maken de leden van een parketsecretariaat deel uit van het « gerechtspersoneel ». Zowel de parketjurist als de parketsecretaris hebben de opdracht om de magistraten bij te staan (artikelen 162, § 1,

176 van het Gerechtelijk Wetboek, respectievelijk vervangen bij de artikelen 18

34 van de wet van 25 april 2007). 10 Het statuut van parketjurist verschilt niettemin aanzienlijk van dat van parketsecretaris. De eerste is lid van het « gerechtspersoneel » benoemd in niveau A (artikel 162, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek), terwijl de tweede is benoemd in niveau B (artikel 172, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij artikel 30 van de wet van 25 april 2007). De parketjurist maakt geen deel uit van het parketsecretariaat

zijn rol bestaat niet erin de taken uit te voeren die het Gerechtelijk Wetboek toekent aan de parketsecretaris (artikel 162, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Hij kan daarentegen, zoals is vermeld in B.4.1, ertoe worden gemachtigd een aantal bevoegdheden van de magistraten van het openbaar ministerie uit te oefenen. B.14. Het statuut van magistraat van de rechterlijke orde verschilt eveneens aanzienlijk van dat van hoofdsecretaris van het parketsecretariaat. In tegenstelling tot die laatstgenoemde maakt de magistraat geen deel uit van het « gerechtspersoneel ». De hoofdsecretaris oefent zijn opdrachten uit « onder gezag

toezicht » van een magistraat (artikel 173, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij artikel 31 van de wet van 25 april 2007, vervolgens gewijzigd bij artikel 46, 1°, van de wet van 1 december 2013 « tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen

tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde »). Het examen inzake beroepsbekwaamheid

het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage zijn selectieproeven die alleen toegankelijk zijn voor de personen die houder zijn van een universitair diploma « licentiaat of master in de rechten » (artikel 259bis-9, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 244, 1°, van de wet van 6 juli 2017; artikel 259octies, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij artikel 250 van dezelfde wet), terwijl de benoeming door bevordering tot hoofdsecretaris bij het parket toegankelijk is voor een lid van het gerechtspersoneel dat beschikt over een anciënniteit van tien jaar in het ambt van parketsecretaris waarvan de uitoefening niet het bezit van een diploma van dat niveau vereist (artikel 267, §§ 1

2, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij artikel 57 van de wet van 25 april 2007, vervolgens gewijzigd bij artikel 67, 1° tot 3°, van de wet van 4 mei 2016 « houdende internering

diverse bepalingen inzake Justitie »). 11 B.

  1. Ten slotte, in tegenstelling tot de handeling waarbij een parketsecretaris of een parketjurist wordt benoemd tot hoofdsecretaris bij het parket, zijn noch de benoeming van een parketjurist geslaagd voor het examen inzake beroepsbekwaamheid tot substituut-procureur des Konings, noch de benoeming van een parketjurist geslaagd voor het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage tot gerechtelijk stagiair, benoemingen door bevordering die voortvloeien uit de toepassing van de regels betreffende de evolutie van de loopbaan van een lid van het « gerechtspersoneel ». B.
  2. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat er voldoende elementen zijn die het door de verzoekende partij aangevoerde verschil in behandeling op objectieve

redelijke wijze kunnen verantwoorden. B.

  1. Het eerste middel is niet gegrond. Ten aanzien van het tweede middel B.
  2. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat dat laatste is afgeleid uit de schending van de artikelen 10

11, in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepalingen, door het aantal bevorderingen te beperken waarvoor de parketjurist die substituut-procureur des Konings wenst te worden, zich kandidaat kan stellen in het kader van zijn administratieve loopbaan, een onverantwoord verschil in behandeling zouden invoeren tussen die jurist,

erzijds,

de jurist die zijn functie in vaste dienst uitoefent binnen een federale overheidsdienst, anderzijds, omdat die bepalingen de mate van bescherming van het recht op billijke arbeidsvoorwaarden van alleen de voormelde parketjurist zouden verminderen. B.19.1. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de onderscheiden wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale

culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt niet wat die rechten, waarvan

kel het beginsel wordt uitgedrukt, impliceren, waarbij elke wetgever ermee is belast die rechten te waarborgen, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten. 12 Artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet neemt het « recht op billijke arbeidsvoorwaarden » op onder de economische

sociale rechten die de wetskrachtige normen moeten waarborgen teneinde het recht te verzekeren dat eenieder een menswaardig leven kan leiden, zoals erkend in het eerste lid van dat artikel. Het billijke karakter van de arbeidsvoorwaarden dient bijgevolg te worden beoordeeld in het licht van de vereisten van het « menswaardig leven ». Om billijk te zijn moeten de arbeidsvoorwaarden « van die aard zijn dat de arbeid de werknemer een arbeidsvoldoening schenkt, hem de mogelijkheid biedt zich volledig te ontplooien, zijn gezondheid beschermt

aan hem

aan zijn familie de mogelijkheid biedt om een onafhankelijk

fatsoenlijk bestaan te leiden » (Parl. St., Senaat, 1991-1992, nr. 100-2/3°, p. 16). In die arbeidsvoorwaarden zijn « o.a. begrepen » de « arbeidsduur », de « betaalde feestdagen », de « arbeidsduurvermindering voor de werknemers die gevaarlijk of ongezond werk verrichten », de « wekelijkse rust », de « veiligheid

gezondheid », de « ontslagvoorwaarden », de « sociale promotie »

de « beroepsoriëntatie

-vorming » (ibid.). B.19.

  1. Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. B.
  2. De bestreden bepalingen streven de in B.12 omschreven doelstelling na. Zij bieden de betrokkenen de mogelijkheid om vijf keer deel te nemen aan het examen inzake beroepsbekwaamheid

evenveel keer aan het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2259/001, p. 177). B.21. Zonder dat het Hof dient na te gaan of de bestreden bepalingen de « bevordering » van een parketjurist regelen

het niveau van bescherming van het recht van die persoon op billijke arbeidsvoorwaarden in aanzienlijke mate beperken, berusten die bepalingen op een reden van algemeen belang. 13 Er wordt dus geen afbreuk gedaan aan het recht van de parketjurist op billijke arbeidsvoorwaarden. B.22. Het tweede middel is niet gegrond. 14 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands

het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 november 2019. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.176 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.