← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.179

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.179 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191114.5 Arrest- Rolnummer: 179/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-11-20 Raadplegingen: 314 - laatst gezien 2026-06-28 21:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof vernietigt de artikelen 77 en 79 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 december 2017 « houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving ». UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENSCHAPPEN - GEWESTEN - Bevoegdheidsverdeling - Gewesten - Ruimtelijke ordening PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 77 en 79 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 december 2017 « houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving », ingesteld door de nv « Pelckmans Turnhout ». Ruimtelijke ordening - Vlaams Gewest - Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Vergunningenbeleid - Afwijkingen van stedenbouwkundige voorschriften - Planologische attesten - Tuincentrum in agrarisch gebied. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 08-12-2017 - 77 - 06 ELI link Pub nr 2017040986 Decreet Vlaamse Raad - 08-12-2017 - 79 - 06 ELI link Pub nr 2017040986 Tekst van de beslissing Rolnummer 6952 Arrest nr. 179/2019 van 14 november 2019 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 77 en 79 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 december 2017 « houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving », ingesteld door de nv « Pelckmans Turnhout ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul, T. Giet en J. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 15 juni 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 juni 2018, heeft de nv « Pelckmans Turnhout », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Sebreghts, Mr. C. Smeyers en Mr. J.-C. Beyers, advocaten bij de balie te Antwerpen, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 77 en 79 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 december 2017 « houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 december 2017, tweede editie). Memories zijn ingediend door : - de nv « Proost - Van Gorp », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Surmont en Mr. K. Van den Wyngaert, advocaten bij de balie te Antwerpen; - de vzw « Belgische Tuincentra Vereniging - Association Belge des Jardineries », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. K. Beké, Mr. L. Dedecker en Mr. S. Boullart, advocaten bij de balie te Gent; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de nv « Proost - Van Gorp »; - de vzw « Belgische Tuincentra Vereniging - Association Belge des Jardineries ». Bij beschikking van 17 juli 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 31 juli 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de Vlaamse Regering om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 18 september 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 9 oktober

  1. Op de openbare terechtzitting van 9 oktober 2019 : - zijn verschenen : . Mr. J.-C. Beyers, tevens loco Mr. F. Sebreghts en Mr. C. Smeyers, voor de verzoekende partij; . Mr. S. Boullart, voor de vzw « Belgische Tuincentra Vereniging - Association Belge des Jardineries »; 3 . Mr. B. Martel, tevens loco Mr. K. Caluwaert, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van memories tot tussenkomst A.1.
  2. De vzw « Belgische Tuincentra Vereniging - Association Belge des Jardineries » heeft als doelstelling de beroepsbelangen van de zaakvoerders van tuin- en plantencentra te behartigen. A.1.
  3. De nv « Proost – Van Gorp » is de uitbater van een tuincentrum en is in het bezit van een planologisch attest waarvan de wettigheid in het geding wordt gebracht door de verzoekende partij, met wie de nv « Proost – Van Gorp » reeds jaren in een juridisch conflict is verwikkeld. Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.2.
  4. De tussenkomende partijen betwisten het belang van de verzoekende partij, dat uitsluitend commercieel en concurrentieel van aard zou zijn. Zij verwijzen naar rechtspraak van de Raad van State waaruit zij afleiden dat een dergelijk belang niet rechtmatig is. De verzoekende partij is zelf niet langer gevestigd in agrarisch gebied, en wordt voor het overige niet rechtstreeks en persoonlijk door de bestreden bepalingen geraakt. A.2.
  5. De nv « Proost – Van Gorp » betwist bovendien het belang van de verzoekende partij bij de eerste twee onderdelen van het eerste middel, aangezien zij noch een tuincentrum in agrarisch gebied, noch een ander zonevreemd bedrijf in agrarisch gebied uitbaat. Zij betwist eveneens het belang bij het tweede middel, omdat de verzoekende partij als rechtspersoon niet geraakt zou worden door een eventuele vermindering van het beschermingsniveau inzake leefmilieu. A.2.
  6. De verzoekende partij antwoordt dat de mogelijke impact van de bestreden bepalingen op haar omzet wel degelijk een wettig belang uitmaakt, en verwijst daarbij naar de rechtspraak van het Hof. Daarnaast is het niet vereist om bij elk middel afzonderlijk een belang aan te tonen. Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.3.
  7. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 77 en 79 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 december 2017 « houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving » (hierna : het decreet van 8 december 2017), van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, doordat de bestreden bepalingen verschillende onverantwoorde verschillen in behandeling invoeren. 4 A.3.
  8. In het eerste onderdeel klaagt de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen erin voorzien dat het systeem van het planologisch attest kan worden toegepast op tuincentra in agrarisch gebied waarvan de functie niet vergund is, terwijl dit niet het geval is voor andere zonevreemde bedrijven in agrarisch gebied. Bovendien is het enige criterium van onderscheid, namelijk de vraag of het al dan niet gaat om een « tuincentrum », niet gedefinieerd, wat aanleiding geeft tot rechtsonzekerheid. A.3.
  9. De Vlaamse Regering en de tussenkomende partijen benadrukken dat het onderscheid gebaseerd is op objectieve en pertinente criteria, namelijk enerzijds het historisch gegroeid karakter van de situatie van de tuincentra, en anderzijds hun specifieke ruimtebehoefte, die herlokalisatie erg moeilijk maakt. Bovendien zijn veel tuincentra mogelijk toch ruimtelijk inpasbaar op hun huidige locatie, wat mede gewaarborgd wordt door de bijkomende voorwaarden die door de bestreden bepalingen worden opgelegd. Daarnaast beschikt de decreetgever over een ruime beoordelingsvrijheid wat de invulling van de goede ruimtelijke ordening betreft. Tot slot gaat het niet om een algemene regularisatie, maar een maatregel die toelaat om geval per geval te beoordelen. A.3.
  10. In het tweede onderdeel klaagt de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen zonevreemde tuincentra in agrarisch gebied bevoordelen ten opzichte van tuincentra in agrarisch gebied die zich wel aan de bestemmingsvoorschriften houden, en daardoor bijvoorbeeld minder mogelijkheden hebben om meer winstgevende artikelen aan te bieden. De bijkomende voorwaarde dat minstens de helft van de nettohandelsoppervlakte bestemd moet zijn voor de verkoop van planten, bloemen of bomen kan dit niet verhelpen, aangezien de aanverwante artikelen veel meer winst opleveren in verhouding tot de vereiste oppervlakte. Ook de datum die wordt gehanteerd om te bepalen of het gaat om een historisch gegroeid tuincentrum, is niet pertinent. A.3.
  11. In het derde onderdeel klaagt de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen, door de zonevreemde tuincentra in agrarisch gebied een mogelijkheid te bieden om hun activiteiten verder uit te oefenen, die tuincentra bevoordelen ten opzichte van tuincentra die zich bevinden in bestemmingsgebieden waar hun activiteiten niet zonevreemd zijn, aangezien het in die gebieden vaak duurder is om die activiteiten uit te oefenen. Voor alle drie de onderdelen verwijst de verzoekende partij naar de parlementaire voorbereiding en de adviezen die in het kader daarvan werden uitgebracht. A.3.
  12. De Vlaamse Regering en de tussenkomende partijen antwoorden op de laatste twee onderdelen van het eerste middel dat tuincentra in agrarisch gebied die zonevreemde activiteiten uitoefenen, oorspronkelijk niet op de hoogte waren dat de evolutie van hun activiteiten onwettig was. Daarnaast benadrukken zij dat die tuincentra, indien zij een bestemmingswijziging kunnen verkrijgen ten gevolge een gunstig planologisch attest, ook planbatenheffing verschuldigd zijn, waardoor het concurrentiële voordeel waarop de verzoekende partij zich baseert, in werkelijkheid niet bestaat. Tot slot leidt het feit dat er andere criteria mogelijk zijn er niet toe dat de handelsoppervlakte geen legitiem criterium zou zijn om de activiteiten van de betrokken tuincentra te beoordelen. Wat betreft het tweede middel A.4.
  13. Het eerste onderdeel van het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepalingen, van artikel 23 van de Grondwet, doordat de openstelling van het instrument van het planologisch attest voor tuincentra waarvan de functie niet vergund is het bestaande beschermingsniveau aanzienlijk vermindert, zonder dat daarvoor afdoende redenen van algemeen belang voorhanden zijn. De decreetgever zou volgens de verzoekende partij met de bestreden bepalingen immers een fundamentele versoepeling van het planologisch attest hebben doorgevoerd. A.4.
  14. De Vlaamse Regering en de tussenkomende partijen antwoorden dat er geen sprake is van een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau. De bestreden bepalingen laten enkel toe bestaande toestanden te bestendigen, maar bieden niet de mogelijkheid om nieuwe zonevreemde activiteiten te ontwikkelen. Bovendien bieden de bestreden bepalingen enkel een ruimere mogelijkheid voor de aanvraag van een planologisch attest, zonder dat de betrokken overheid verplicht is een dergelijk attest toe te kennen. 5 A.4.
  15. In het tweede onderdeel van het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan, door de bestreden bepalingen, van artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 3 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 « betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s ». De verzoekende partij klaagt aan dat de bestreden bepalingen niet onderworpen werden aan een milieueffectenbeoordeling en verwijst hierbij naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij om aan dat Hof een prejudiciële vraag te stellen omtrent de kwalificatie van de wijziging van vergunningsvoorwaarden als « plan of programma ». A.4.
  16. De Vlaamse Regering en de tussenkomende partijen antwoorden dat de bestreden bepalingen niet als een « plan of programma » kunnen worden beschouwd. Bovendien moet een aanvraag tot een planologisch attest voldoen aan de verplichtingen inzake milieueffectenrapportage. -B- Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.1.
  17. De tussenkomende partijen betwisten het belang van de verzoekende partij, dat uitsluitend van commerciële aard zou zijn. Daarnaast zou de verzoekende partij als uitbater van een tuincentrum dat niet zonevreemd is, geen belang hebben bij het aanvechten van bepalingen die de mogelijkheden voor zonevreemde tuincentra regelen. Tot slot betwisten zowel de Vlaamse Regering als de tussenkomende partijen het belang van de verzoekende partij bij de middelen. B.1.
  18. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.1.
  19. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij een tuincentrum uitbaat en dat zij reeds gedurende enkele jaren is betrokken in een juridisch conflict met een van de tussenkomende partijen, die eveneens een tuincentrum uitbaat, gelegen in agrarisch gebied. De mogelijkheid voor die tussenkomende partij om al dan niet een planologisch attest te verkrijgen, speelt, zoals die tussenkomende partij zelf aanhaalt, mogelijk een rol in dit conflict. Bijgevolg doet de verzoekende partij blijken van een belang bij haar beroep. 6 B.1.
  20. In zoverre de Vlaamse Regering en de tussenkomende partijen het belang van de verzoekende partij bij sommige middelen betwisten, volstaat het eraan te herinneren dat, wanneer de verzoekende partij een belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, zij daarbovenop niet moet doen blijken van een belang bij elk van de middelen. B.1.
  21. De excepties worden verworpen. Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.2.
  22. Het beroep is in wezen gericht tegen de versoepeling, voor tuincentra gelegen in agrarisch gebied, van de toegang tot het instrument van het planologisch attest. Een planologisch attest vermeldt of een bestaand zonevreemd bedrijf al dan niet behouden kan blijven op de plaats waar het is gevestigd. Bij behoud vermeldt het planologisch attest welke ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden er op korte en op lange termijn zijn. Een eigenaar van een zonevreemd bedrijf krijgt hierdoor een mogelijkheid om de overheid te verplichten zich uit te spreken over eventuele wijzigingen van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg. Krachtens artikel 4.4.24 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : de VCRO) moet het betrokken bedrijf hoofdzakelijk vergund of vergund geacht zijn voor wat zowel de constructies als de functie betreft. Artikel 77 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 december 2017 « houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving » (hierna : het decreet van 8 december 2017) bepaalt dat het instrument van het planologisch attest onder bepaalde voorwaarden ook kan worden aangevraagd door een tuincentrum gelegen in agrarisch gebied. In dat geval is niet vereist dat de functie hoofdzakelijk vergund of vergund geacht is. Het aldus gewijzigde artikel 4.4.24 van de VCRO luidt : 7 « Een planologisch attest vermeldt of een bestaand, hoofdzakelijk vergund en niet-verkrot bedrijf al dan niet behouden kan worden op de plaats waar het gevestigd is. Bij behoud vermeldt het planologisch attest welke ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden er op korte en op lange termijn mogelijk zijn. Zowel aan het behoud als aan de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden kunnen voorwaarden worden verbonden. Dit artikel kan ook toegepast worden op een tuincentrum waarvan de functie niet vergund of vergund geacht is, als voldaan is aan al de volgende voorwaarden : 1° het tuincentrum ligt in agrarisch gebied in de ruime zin; 2° de constructies die noodzakelijk zijn voor een normale bedrijfsvoering zijn vergund of vergund geacht; 3° de wijziging van de hoofdfunctie land- en tuinbouw in detailhandel heeft uiterlijk op 1 mei 2000 plaatsgevonden; 4° minstens vijftig procent van het terrein bestaat uit serres of gronden die actief gebruikt worden voor het kweken of conditioneren van bloemen, planten of bomen en de serres of gronden sluiten aan bij de grond waarop het tuincentrum gevestigd is. Onder conditioneren wordt verstaan : het in de ruime zin klaarmaken van bloemen, planten en bomen voor de verkoop ervan; 5° minstens vijftig procent van de nettohandelsoppervlakte bestaat uit de verkoop van planten, bloemen of bomen, en maximaal vijftig procent van de nettohandelsoppervlakte bestaat uit de verkoop van aanverwante producten. Het planologisch attest vermeldt, rekening gehouden met de uitspraak over het behoud en de ontwikkelingsmogelijkheden, of een procedure tot opmaak of tot wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg zal worden opgestart. In het planologisch attest worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Daarenboven houdt het planologisch attest rekening met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu, en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Het planologisch attest kan worden aangevraagd door en voor een bedrijf dat voldoet aan een van de volgende voorwaarden : 1° het bedrijf is onderworpen aan de vergunnings- of meldingsplicht, voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning; 2° het bedrijf betreft een volwaardig land- of tuinbouwbedrijf; 3° het bedrijf is een tuincentrum ». 8 B.2.
  23. Krachtens artikel 4.4.29 van de VCRO bepaalt de Vlaamse Regering de nadere regelen voor de toepassing van het planologisch attest. Bij artikel 79 van het decreet van 8 december 2017, de tweede bestreden bepaling, wordt hieraan toegevoegd dat de Vlaamse Regering de begrippen en voorwaarden met betrekking tot de afgifte van een planologisch attest aan een tuincentrum kan verfijnen en uitbreiden. Het aldus gewijzigde artikel 4.4.29 van de VCRO luidt : « De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen voor de toepassing van deze afdeling, in het bijzonder : 1° [...]; 2° de regeling van de termijnen doorheen de procedure; 3° de procedureregeling voor het administratief beroep, vermeld in artikel 4.4.25, §
  24. De Vlaamse Regering kan de begrippen, vermeld in artikel 4.4.24, tweede lid, verfijnen en kan verdere voorwaarden verbinden aan de afgifte van een planologisch attest aan een tuincentrum ». B.2.
  25. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever de bedoeling had een antwoord te bieden aan de problematiek van tuincentra gelegen in agrarisch gebied, waarvan de functie geëvolueerd is van zone-eigen grondgebonden activiteiten naar een hoofdzakelijk zonevreemde handelsfunctie. Die functiewijziging was en is in vele gevallen onvergund en onvergunbaar : « Dit heeft tot gevolg dat een dergelijk bedrijf geen toepassing kan maken van de basisrechten voor zonevreemde constructies, noch de mogelijkheid heeft om een planologisch attest of regularisatievergunning aan te vragen. Aangezien de situatie historisch gegroeid is, een aantal tuincentra niet herlocaliseerbaar zijn door hun specifiek ruimtegebruik én zij mogelijks toch ruimtelijk inpasbaar zijn op de huidige locatie, wordt het wenselijk geacht om hen minstens toegang te verlenen tot het instrument van het planologisch attest. Dit is mogelijk door niet langer te vereisen dat het bedrijf ook wat betreft de functie vergund moet zijn » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1149/1, p. 107). 9 Ten gronde Wat betreft het eerste onderdeel van het eerste middel B.3.
  26. Het eerste onderdeel van het eerste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 77 van het decreet van 8 december 2017, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, doordat de bestreden bepaling erin voorziet dat het systeem van het planologisch attest kan worden toegepast op tuincentra in agrarisch gebied waarvan de functie niet vergund is, terwijl dit niet het geval is voor andere zonevreemde bedrijven in agrarisch gebied. B.3.
  27. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.3.
  28. Zoals is vermeld in B.2.3, is de uitzondering voor zonevreemde tuincentra in agrarisch gebied, in vergelijking met andere zonevreemde bedrijven, gebaseerd op drie overwegingen : het historisch gegroeid karakter van de zonevreemde activiteiten, de moeilijkheden om de betrokken tuincentra te herlokaliseren, en de inpasbaarheid van hun activiteiten in de agrarische context. B.3.
  29. Krachtens de bestreden bepaling is vereist dat de wijziging van de hoofdfunctie land- en tuinbouw in detailhandel uiterlijk op 1 mei 2000 heeft plaatsgevonden. De vaststelling dat een bedrijf reeds bijna 20 jaar onvergunde en onvergunbare activiteiten uitoefent, is geen pertinent criterium om dergelijke bedrijven een vereenvoudigde toegang te verlenen tot het instrument van het planologisch attest. Het historisch gegroeid karakter van de zonevreemde tuincentra verantwoordt bijgevolg het verschil in behandeling met andere zonevreemde bedrijven niet. 10 B.3.
  30. Wat betreft de ruimtelijke inpasbaarheid van de betrokken tuincentra in agrarisch gebied, argumenteert de Vlaamse Regering dat de vastgestelde voorwaarden waarborgen dat er nog een voldoende band blijft bestaan met het agrarisch gebied, met als doelstelling de verdere aansnijding van het agrarisch gebied door kleinhandel te vermijden (ibid., p. 108). De vereiste dat minstens vijftig procent van het terrein moet bestaan uit serres of gronden die actief gebruikt worden voor het kweken of conditioneren van bloemen, planten of bomen, wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt gepreciseerd : « Aangezien er vele behandelingen mogelijk zijn, wordt gekozen voor een ruime begripsomschrijving. Het feit dat minstens vijftig procent van het terrein actief gebruikt moet worden voor het kweken of conditioneren geeft dit aan. Daarbij moet duidelijk zijn dat conditioneren meer is dan louter bloemen, planten en bomen aankopen en deze water geven om ze in dezelfde conditie te houden voor de verkoop. Conditioneren betekent dat er handelingen en bewerkingen worden gedaan, zoals het geven van voedings- en meststoffen, ompotten en dergelijke meer om de bloemen, planten en bomen klaar te maken voor de verkoop » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1149/3, p. 30). Die voorwaarde is echter zo ruim omschreven dat zij nauwelijks kan worden onderscheiden van het louter in leven houden van de planten voor verkoop. Dit blijkt eveneens uit de parlementaire voorbereiding, waarin oorspronkelijk het gebruik van de term « conditioneren » werd uitgesloten, net omdat er onvoldoende verband bestaat met de kweek of doorkweek, en dus met agrarische activiteiten (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1149/1, p. 108). B.3.
  31. Wat betreft de moeilijkheid om de zonevreemde tuincentra te herlokaliseren, is niet aangetoond waarom dit niet zou gelden voor andere zonevreemde bedrijven. De vaststelling dat er in vele gevallen onvoldoende alternatieven voorhanden zijn voor de herlokalisatie van zonevreemde bedrijven, was precies een van de motieven voor de invoering van het planologisch attest (Parl. St., Vlaams Parlement, 2001-2002, nr. 1203/4, p. 3). Bovendien wordt het moeilijk te herlokaliseren karakter in de parlementaire voorbereiding gesitueerd in het kader van de ruimtelijke behoefte die ontstaat door de kweek of doorkweek van de planten, terwijl dit niet langer een noodzakelijke voorwaarde uitmaakt voor het aanvragen van een planologisch attest zonder dat de functie hoofdzakelijk vergund is (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1149/1, p. 108). 11 Tot slot gelden de argumenten gebaseerd op de concrete evaluatie van de aanvraag door de overheid, alsook op het feit dat op die overheid geen verplichting rust om een positief planologisch attest toe te kennen, voor andere zonevreemde bedrijven. B.3.
  32. Het eerste middel, in zijn eerste onderdeel, is gegrond. B.
  33. Aangezien artikel 79 van het decreet van 8 december 2017 bepaalt dat de Vlaamse Regering de begrippen en voorwaarden met betrekking tot artikel 77 van dat decreet kan verfijnen en uitbreiden, dient die bepaling eveneens te worden vernietigd. B.
  34. Daar de overige grieven niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden, dienen ze niet te worden onderzocht. B.
  35. Er is geen aanleiding om in te gaan op het verzoek van de Vlaamse Regering om de gevolgen van de te vernietigen bepalingen te handhaven. 12 Om die redenen, het Hof vernietigt de artikelen 77 en 79 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 december 2017 « houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving ». Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 november
  36. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.179 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.