id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.180 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191114.6 Arrest- Rolnummer: 180/2019 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-11-20 Raadplegingen: 316 - laatst gezien 2026-06-29 03:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.8 en B.9, verwerpt het beroep. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsreglement - W. 8 april 1965 - Overheidsdiensten SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Uitzendarbeid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van het Vlaamse decreet van 27 april 2018 « betreffende de uitzendarbeid in de Vlaamse overheidsdiensten en de lokale besturen », ingesteld door het Algemeen Christelijk Vakverbond Openbare Diensten. Vlaams overheidsdiensten en lokale besturen - Uitzendarbeid - Regeling en modaliteiten - 1. Ontstentenis van betrokkenheid van representatieve vakorganisaties bij toepassing van en controle op de regeling - 2. Staking of lock-out. Tekst van de beslissing Rolnummer 7022 Arrest nr. 180/2019 van 14 november 2019 In zake : het beroep tot vernietiging van het Vlaamse decreet van 27 april 2018 « betreffende de uitzendarbeid in de Vlaamse overheidsdiensten en de lokale besturen », ingesteld door het Algemeen Christelijk Vakverbond Openbare Diensten. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 15 oktober 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 oktober 2018, heeft het Algemeen Christelijk Vakverbond Openbare Diensten, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Lahousse, advocaat bij de balie te Antwerpen, beroep tot vernietiging ingesteld van het Vlaamse decreet van 27 april 2018 « betreffende de uitzendarbeid in de Vlaamse overheidsdiensten en de lokale besturen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 mei 2018). De Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. V. Pertry, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 25 september 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 9 oktober 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 9 oktober 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1. Het Algemeen Christelijk Vakverbond Openbare Diensten voert aan dat het Vlaamse decreet van 27 april 2018 « betreffende de uitzendarbeid in de Vlaamse overheidsdiensten en de lokale besturen » (hierna : het decreet van 27 april 2018) een schending inhoudt van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet en van artikel 2, § 1, 2°, van de wet van 19 december 1974 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel » (hierna : de wet van 19 december 1974). 3 A.2. Het eerste onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending, door het bestreden decreet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het artikel 2, § 1, 2°, van de wet van 19 december 1974 niet zou naleven. De verzoekende partij acht dit niet alleen onwettig, maar ook discriminatoir ten aanzien van het koninklijk besluit van 7 december 2018 « inzake de toepassing van uitzendarbeid in bepaalde federale diensten, in overheidsbedrijven en in HR Rail in uitvoering van artikel 48 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers » (hierna : het koninklijk besluit van 7 december 2018). Naar analogie met de privésector, geregeld door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 108 van 16 juli 2013 « betreffende de tijdelijke arbeid en uitzendarbeid », kan er binnen de federale overheidsdiensten enkel via uitzendarbeid worden gewerkt wanneer er met de representatieve vakorganisaties voorafgaandelijk wordt onderhandeld. Het decreet van 27 april 2018 bepaalt daarentegen enkel dat de vakorganisaties op de hoogte worden gebracht. Het is niet verantwoord dat de prerogatieven van de representatieve vakorganisaties op federaal niveau wel worden gerespecteerd, terwijl dit niet gebeurt op het Vlaamse en het lokale niveau. Evenmin wordt voorzien in de uitdrukkelijke uitsluiting van het gebruik van uitzendkrachten in het geval van een staking of een lock-out, terwijl daarin wel wordt voorzien in het koninklijk besluit van 7 december 2018 en in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 108. Volgens de verzoekende partij is het niet voldoende dat dit verbod reeds is ingeschreven in het decreet van 10 december 2010 « betreffende de private arbeidsbemiddeling » (hierna : het decreet van 10 december 2010). De uitzendkantoren zullen immers niet steeds kunnen weten dat er in een bepaalde overheidsdienst een staking gaande is. A.3. Het tweede onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending, door het bestreden decreet, van artikel 23 van de Grondwet, doordat het de verzoekende partij verhindert haar prerogatieven uit te oefenen, wat een aanzienlijke achteruitgang teweegbrengt van het niveau van sociale bescherming van de ambtenaren en de uitzendkrachten. Ingevolge het bestreden decreet, kan zij zelfs oneigenlijk gebruik of misbruiken van uitzendarbeid niet verhinderen, bijvoorbeeld in het geval van een staking of een lock-out, aangezien dit niet uitdrukkelijk wordt uitgesloten. Een dergelijke vermindering van het beschermingsniveau dient niet het algemeen belang zodat geen verantwoording wordt gegeven voor een dergelijke drastische achteruitgang. A.4.1. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het eerste onderdeel van het enige middel niet gegrond is. Allereerst betwist de Vlaamse Regering dat de regeling die van toepassing is op de private sector en op de federale publieke sector vergelijkbaar is met het bestreden decreet. De Vlaamse decreetgever oefent met het bestreden decreet een van de bevoegdheden uit die werden overgeheveld met de Zesde Staatshervorming, namelijk de mogelijkheid om procedures, voorwaarden of regels inzake uitzendarbeid in de Vlaamse publieke sector en voor de Vlaamse lokale besturen in te voeren. De bijzondere wetgever heeft met artikel 87, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de gemeenschappen en gewesten bevoegd gemaakt om zelf een regeling inzake uitzendarbeid uit te werken. Zij kunnen dan ook autonoom bepalen hoe zij de aan hen toegewezen bevoegdheden wensen uit te oefenen. Volgens de vaste rechtspraak van het Hof is een verschillende behandeling die voortvloeit uit het bestaan van een verschillende regeling die door verschillende bevoegde overheden, elk wat haar betreft, werd aangenomen, niet strijdig met het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie. A.4.2. Voorts wijst de Vlaamse Regering erop dat uit artikel 48 van de wet van 24 juli 1987 « betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers » (hierna : de wet van 24 juli 1987) zelf volgt dat er voor de publieke sector andere regels kunnen gelden dan voor de private sector. De Raad van State heeft in zijn advies over het voorontwerp van het bestreden decreet uitdrukkelijk bevestigd dat de bestaansreden van artikel 48 van de wet van 24 juli 1987 en dus ook van artikel 87, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, er precies in bestaat bij de regeling van de uitzendarbeid in de overheidssector andere procedures mogelijk te maken op het vlak van het collectief overleg dan diegene die gelden in de privésector. 4 A.4.3. De Vlaamse Regering begrijpt evenmin de kritiek van de verzoekende partij dat het bestreden decreet onwettig zou zijn, omdat het de wet van 19 december 1974 zou schenden. Het Hof beschikt niet over de bevoegdheid om een decreet aan een wettelijke bepaling te toetsen. Daarenboven verduidelijkt de memorie van toelichting bij het bestreden decreet op welke manier de wet van 19 december 1974 bij de totstandkoming werd nageleefd en moet worden nageleefd bij de toepassing ervan. De afdeling wetgeving van de Raad van State wees er in haar advies van 3 juli 2017 bij het voorontwerp van decreet op dat de Vlaamse Regering over het voorontwerp diende te onderhandelen met de representatieve vakorganisaties, in het kader van artikel 2, § 2, van de wet van 19 december 1974. Ingevolge dat advies werd over het voorontwerp van decreet alsnog formeel onderhandeld met de representatieve vakorganisaties, zoals voorgeschreven door de voormelde wet. Voorts heeft de Vlaamse decreetgever ook de artikelen 5 en 6 van het bestreden decreet aangepast, opdat bij de toepassing van het decreet de wet van 19 december 1974 wordt nageleefd. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, wordt de wet van 19 december 1974 dus wel nageleefd door het bestreden decreet. A.4.4. Ten slotte beweert de verzoekende partij ten onrechte dat uitzendarbeid mogelijk zou zijn bij staking of lock-out in Vlaanderen, in tegenstelling tot de federale regeling in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 108 van 16 juli 2013 en het koninklijk besluit van 7 december 2018 voor de federale publieke sector. Allereerst vloeit uit de autonomie van de gemeenschappen en gewesten voort dat de Vlaamse decreetgever een andere regeling kan aannemen inzake uitzendarbeid. Daarenboven is het niet omdat het bestreden decreet niet in een expliciet verbod op uitzendarbeid bij staking voorziet, dat dit toegelaten zou zijn. Dat verbod is reeds opgenomen in artikel 9, § 2, 9°, van het decreet van 10 december 2010. Hierin wordt bepaald dat elk uitzendbureau dat diensten verricht in Vlaanderen over een erkenning moet beschikken. Een van de voorwaarden om een dergelijke erkenning te verkrijgen, is dat uitzendbureaus geen diensten mogen uitoefenen die verband houden met een staking, een uitsluiting of een schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens slecht weer of wegens gebrek aan werk om economische redenen. De Vlaamse overheidsdiensten kunnen dus geen beroep doen op een uitzendbureau in het geval van een staking, aangezien ieder uitzendbureau in Vlaanderen op basis van zijn erkenningsvoorwaarden geen diensten mag uitoefenen die verband houden met een staking of een lock-out. A.4.5. Naar het decreet van 10 december 2010 werd ook verwezen in de memorie van toelichting bij het bestreden decreet, waarin uitdrukkelijk werd bevestigd dat een uitzendkantoor niet als stakingsbreker mag optreden. Ook uitzendbureaus gevestigd in een ander gewest of in een andere lidstaat van de Europese Unie moeten een erkenning hebben van de Vlaamse overheid, wanneer ze een uitzendactiviteit wensen uit te oefenen in Vlaanderen. Het stakingsverbod geldt eveneens wanneer een Vlaamse overheidsdienst gevestigd in Brussel een beroep doet op een uitzendbureau gevestigd in Brussel. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is in de erkenningsvoorwaarden evenzeer erin voorzien dat de gebruiker geen beroep mag doen op een uitzendbureau om stakende werknemers of ambtenaren te vervangen, krachtens artikel 6, 13°, van de ordonnantie van 14 juli 2011 « betreffende het gemengd beheer van de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ». A.5. Wat betreft het tweede onderdeel van het enige middel, is de Vlaamse Regering van oordeel dat het bestreden decreet geen aanzienlijke achteruitgang teweegbrengt ten aanzien van het recht op collectief onderhandelen. Aangezien het gaat om een nieuwe regeling inzake de uitzendarbeid in de Vlaamse publieke sector, kan er geen sprake zijn van enige achteruitgang. Daarnaast herhaalt de Vlaamse Regering dat het bestreden decreet de voorschriften van de wet van 19 december 1974 naleeft, zowel wat de totstandkoming van het decreet, als de toepassing ervan betreft, en dat bij staking of lock-out bij de Vlaamse overheidsdiensten en lokale besturen geen beroep mag worden gedaan op een uitzendkracht. Artikel 8 van het bestreden decreet waarborgt bovendien dat de representatieve vakorganisaties betrokken worden bij de monitoring op de uitzendarbeid en dat zij globale informatie ontvangen over het gebruik van uitzendarbeid door de Vlaamse overheidsdiensten. In zoverre de verzoekende partij wijst op mogelijkerwijs oneigenlijk gebruik van het bestreden decreet, wijst de Vlaamse Regering erop dat de toepassing van het decreet aan de toetsing van het Hof ontsnapt. 5 -B- B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van het Vlaamse decreet van 27 april 2018 « betreffende de uitzendarbeid in de Vlaamse overheidsdiensten en de lokale besturen » (hierna : het decreet van 27 april 2018). Het enige middel is afgeleid uit de schending, door het bestreden decreet, van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet en van artikel 2, § 1, 2°, van de wet van 19 december 1974 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel » (hierna : de wet van 19 december 1974), doordat het bestreden decreet niet zou voorzien in de verplichting van voorafgaande onderhandelingen met de representatieve vakorganisaties wanneer de Vlaamse overheidsdiensten en de lokale besturen een beroep wensen te doen op uitzendarbeid en doordat het decreet het gebruik van uitzendkrachten in het geval van een staking of een lock-out niet zou uitsluiten. Allereerst zou hierdoor een niet-verantwoord verschil in behandeling ontstaan, aangezien het koninklijk besluit van 7 december 2018 « inzake de toepassing van uitzendarbeid in bepaalde federale diensten, in overheidsbedrijven en in HR Rail in uitvoering van artikel 48 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers » (hierna : het koninklijk besluit van 7 december 2018) en de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 108 van 16 juli 2013 « betreffende de tijdelijke arbeid en uitzendarbeid » wel zouden voorzien in de verplichting van voorafgaande onderhandelingen met de representatieve vakorganisaties wanneer een beroep wordt gedaan op uitzendarbeid in diensten die afhangen van de federale overheid en in de private sector. Daarenboven zou het bestreden decreet verhinderen dat de verzoekende partij haar prerogatieven als vakorganisatie kan uitoefenen, waardoor het niveau van sociale bescherming van de ambtenaren en de uitzendkrachten in de Vlaamse overheidsdiensten en lokale besturen aanzienlijk zou achteruitgaan, zonder dat redenen van algemeen belang dit kunnen verantwoorden. 6 B.2. Het bestreden decreet bepaalt het juridisch kader voor de invoering van uitzendarbeid in de Vlaamse overheidsdiensten en in de lokale besturen. Dat kader omvat het toepassingsgebied, de vormen van uitzendarbeid waarvan de betrokken besturen gebruik kunnen maken, de maximale duur van de uitzendarbeid, het beslissingskader binnen de Vlaamse overheidsdiensten en de lokale besturen en de wijze waarop de betrokken besturen jaarlijks globale informatie verstrekken over de uitzendkrachten (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1515/1, p. 3). B.3. Het decreet van 27 april 2018 bepaalt : « HOOFDSTUK 1. — Inleidende bepalingen Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid. Art. 2. Dit decreet is van toepassing op de volgende Vlaamse overheidsdiensten : 1° de departementen; 2° de intern verzelfstandigde agentschappen; 3° de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen met uitzondering van de Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn; 4° de strategische adviesraden; 5° de met rechtspersoonlijkheid beklede patrimonia; 6° de administratieve diensten van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs, afgekort als ‘ Raad GO ! ’; 7° de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, afgekort ‘ De Watergroep ’; 8° het Vlaams Fonds voor de Letteren; 9° de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Dit decreet is van toepassing op de volgende lokale besturen : 1° de provincies en de publiekrechtelijke agentschappen die ervan afhangen; 2° de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de openbare instellingen en publiekrechtelijke agentschappen en verenigingen die ervan afhangen; 3° de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden; 7 4° de openbare instellingen van de erkende erediensten zoals vermeld in het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten. Art. 3. In dit decreet wordt verstaan onder : 1° uitzendarbeid : de tijdelijke arbeid uitgevoerd door een uitzendkracht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid, in de zin van artikel 7 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers; 2° Vlaamse overheidsdienst : elk van de Vlaamse overheidsdiensten, vermeld in artikel 2, eerste lid; 3° lokaal bestuur : elk bestuur van de lokale besturen, vermeld in artikel 2, tweede lid; 4° de wet : de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. HOOFDSTUK 2. — Vormen van uitzendarbeid Art. 4. De Vlaamse overheidsdiensten en de lokale besturen kunnen een beroep doen op uitzendarbeid in de hierna volgende gevallen, vermeld in artikel 1, § 1 tot en met § 4, § 6 en § 7, van de wet : 1° tijdelijke vervanging van een contractueel personeelslid van wie de arbeidsovereenkomst is geschorst; 2° tijdelijke vervanging van een contractueel personeelslid van wie de arbeidsovereenkomst is beëindigd; 3° tijdelijke vervanging van een contractueel personeelslid met deeltijdse loopbaanonderbreking of met vermindering van de arbeidsprestaties in het kader van het zorgkrediet; 4° tijdelijke vervanging van een ambtenaar die zijn ambt niet of slechts deeltijds uitoefent; 5° een tijdelijke vermeerdering van werk; 6° uitvoering van uitzonderlijk werk; 7° in het kader van tewerkstellingstrajecten; 8° voor artistieke prestaties of artistieke werken. HOOFDSTUK 3. — Beslissingskader binnen de Vlaamse overheidsdiensten Art. 5. Het hoofd van een Vlaamse overheidsdienst is bevoegd om uitzendkrachten in dienst te nemen. 8 Het hoofd van een Vlaamse overheidsdienst of zijn gemachtigde brengt de representatieve vakorganisaties vooraf op de hoogte van de indienstnemingen van uitzendkrachten. HOOFDSTUK 4. — Beslissingskader binnen de lokale besturen Art. 6. In dit artikel wordt verstaan onder : 1° raad :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.