← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.184

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.184 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191120.2 Arrest- Rolnummer: 184/2019 Rechtsgebied: Handelsrecht - Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-11-26 Raadplegingen: 272 - laatst gezien 2026-06-28 23:44 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : In zoverre artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen » het in B.5 en B.7 beschreven verschil in behandeling doet ontstaan, schendt het de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 172, eerste lid, van de Grondwet. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid - Eenpersoonsvennootschap SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen », zoals gewijzigd bij artikel 24 van de wet van 29 maart 2012 « houdende diverse bepalingen (I) », gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Eenhoofdige besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid starter - Handelsonderneming / Uitoefening van het beroep van advocaat - Bijdragen - Jaarlijkse forfaitaire bijdrage - Vrijstelling. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-12-1992 - 94,9° - 40 ELI link Pub nr 1993021370 Tekst van de beslissing Rolnummer 6857 Arrest nr. 184/2019 van 20 november 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen », zoals gewijzigd bij artikel 24 van de wet van 29 maart 2012 « houdende diverse bepalingen (I) », gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 9 februari 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 februari 2018, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, zoals gewijzigd bij artikel 24 van de wet van 29 maart 2012 houdende diverse bepalingen (I), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 170, 172 en 173 van de Grondwet, in zoverre het in een mogelijkheid tot tijdelijke vrijstelling van de jaarlijkse bijdrage voorziet ten gunste van de personenvennootschappen die als handelsonderneming in de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn ingeschreven, die na 1 januari 1991 zijn opgericht en waarvan de zaakvoerder of zaakvoerders, evenals de meerderheid van de werkende vennoten die geen zaakvoerder zijn, in de tien jaar voorafgaand aan de oprichting van de vennootschap, ten hoogste drie jaar onderworpen zijn geweest aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, terwijl het niet de vrijstelling, onder dezelfde voorwaarden, van burgerlijke vennootschappen die de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, beoogt, waardoor personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden, aldus verschillend worden behandeld ? ». De Ministerraad en de vzw « Partena », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. W. van Eeckhoutte, advocaat bij de balie te Gent, hebben een memorie ingediend. Bij beschikking van 25 september 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 9 oktober 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 9 oktober 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 24 mei 2012 doet Jimmy Lubana Mangwan de oprichtingsakte opstellen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid starter genaamd « Lubana Consulting & Management-Lawfirm » (bvba-s « LCMa »), waarvan hij de enige oprichter is en waarvan het statutair doel de uitoefening van het beroep van advocaat is. Op 30 augustus 2012 brengt de vrije socialeverzekeringskas voor zelfstandigen waarbij die nieuwe vennootschap is aangesloten die laatste ervan op de hoogte dat zij voor de jaren 2012, 2013 en 2014 is vrijgesteld van de jaarlijkse forfaitaire bijdrage ingesteld bij artikel 91 van de wet van 30 december 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen » (hierna : de wet van 30 december 1992). 3 Na die socialeverzekeringskas te hebben overgenomen met uitwerking op 1 januari 2014, onderzoekt de vereniging zonder winstoogmerk « Partena – Sociale verzekeringen voor zelfstandigen » het dossier van de bvba-s « LCMa » en is zij van mening dat het ten onrechte is dat die vennootschap van de voormelde jaarlijkse bijdrage werd vrijgesteld voor de jaren 2012, 2013 en

  1. Aangezien die vennootschap de drie bijdragen met betrekking tot die periode weigert te betalen, vordert de vzw « Partena – Sociale verzekeringen voor zelfstandigen » door middel van een dwangbevel de betaling van de verschuldigde bijdragen. Bij vonnis van 19 december 2016 verklaart de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel dat dwangbevel nietig op vordering van de bvba-s « LCMa ». Zij is van oordeel dat in zoverre artikel 7 van het koninklijk besluit van 15 maart 1993 « tot uitvoering van hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, met betrekking tot de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van de vennootschappen bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen » het voordeel van de vrijstelling van de voormelde bijdrage voorbehoudt aan enkel de vennootschappen van commerciële aard, het niet kan worden toegepast omdat het tussen die vennootschappen en de vennootschappen van burgerlijke aard, zoals de bvba-s « LCMa », een verschil in behandeling instelt dat onverenigbaar is met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het Arbeidshof te Brussel, waarbij het hoger beroep van de vzw « Partena – Sociale verzekeringen voor zelfstandigen » aanhangig is gemaakt, herinnert eraan dat het Grondwettelijk Hof bij het arrest nr. 103/2011 van 16 juni 2011 heeft geoordeeld dat de voormelde bijdrage als een belasting in de zin van de Grondwet moet worden beschouwd. Het Arbeidshof stelt vast dat het enkel is omdat de bvba-s LCMa een burgerlijke vennootschap is dat de vzw « Partena – Sociale verzekeringen voor zelfstandigen » haar de vrijstelling van die bijdrage weigert. Het Arbeidshof merkt op dat dat laatste standpunt steunt op artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992, dat die vrijstelling voorbehoudt aan de vennootschappen die als handelsondernemingen zijn ingeschreven en beslist, op voorstel van de bvba-s « LCMa », aan het Hof de hierboven weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.
  2. In hoofdorde zetten de Ministerraad en de vzw « Partena – Sociale verzekeringen voor zelfstandigen » uiteen dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord aangezien, ten aanzien van artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen », de situatie van een personenvennootschap die als handelsonderneming in de Kruispuntbank van Ondernemingen is ingeschreven, niet voldoende vergelijkbaar is met die van een burgerlijke vennootschap die de vorm van een handelsvennootschap heeft aangenomen. De Ministerraad en de vzw « Partena – Sociale verzekeringen voor zelfstandigen » onderstrepen dat, in tegenstelling tot artikel 91, eerste lid, van de wet van 30 december 1992 (dat de bijdrage in kwestie instelt) en in tegenstelling tot artikel 92bis van dezelfde wet (dat voorziet in een vrijstelling van bijdrage in geval van ontstentenis van handelsactiviteit of burgerrechtelijke activiteit), de in het geding zijnde wetsbepaling niet van toepassing is op elke soort van vennootschap. Zij zijn van mening dat de regel van vrijstelling die in de in het geding zijnde bepaling uitsluitend ten voordele van de vennootschappen is geformuleerd die een commerciële aard hebben, het logische gevolg is van artikel 94, 8°, van de wet van 30 december 1992, dat het enkel voor die vennootschappen mogelijk maakt te worden vrijgesteld van de inachtneming van de in de artikelen 88 tot 106 van dezelfde wet geformuleerde regels, wanneer zij zich in een toestand van faillissement of gerechtelijke reorganisatie bevinden. Zij betogen dat de in het geding zijnde bepaling tot doel heeft te beletten dat jonge vennootschappen van commerciële aard zich in dat soort van toestand bevinden wegens de grotere financiële kwetsbaarheid die hun eerste activiteitsjaren kenmerkt. Zij merken op dat, aangezien een vennootschap van burgerlijke aard niet de hoedanigheid van handelaar heeft, zij zich niet in een dergelijke toestand zou kunnen bevinden. A.
  3. In ondergeschikte orde zetten de Ministerraad en de vzw « Partena – Sociale verzekeringen voor zelfstandigen » uiteen dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord omdat het onderscheid dat bij artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992 wordt gemaakt tussen, enerzijds, de personenvennootschap die als handelsonderneming in de Kruispuntbank van Ondernemingen is ingeschreven en, anderzijds, de burgerlijke vennootschap die de vorm van een handelsvennootschap heeft aangenomen, redelijk verantwoord is. 4 Zij herinneren eraan dat de invoering van de bijdrage in kwestie is verantwoord door de financieringsmoeilijkheden van het socialezekerheidsstelsel van de zelfstandigen die het gevolg waren van de toename van het aantal vennootschappen welke die zelfstandigen oprichtten met het oog op de omkadering van de uitoefening van hun activiteiten. Zij betogen dat de door die zelfstandigen, waaronder zich beoefenaars van vrije beroepen bevonden, toen opgerichte vennootschappen teneinde te ontsnappen aan de verplichting om voor de financiering van het voormelde socialezekerheidsstelsel bestemde sociale bijdragen te betalen, burgerlijke vennootschappen waren die in sommige gevallen de vorm van een éénhoofdige besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid aannamen. De Ministerraad en de vzw « Partena – Sociale verzekeringen voor zelfstandigen » gaan dus ervan uit dat het niet adequaat zou zijn die burgerlijke vennootschappen gedurende de drie jaar na hun oprichting van de voormelde bijdrage vrij te stellen. Volgens de Ministerraad en de vzw « Partena – Sociale verzekeringen voor zelfstandigen » wordt het in de prejudiciële vraag vermelde verschil in behandeling, dat het gevolg is van de aard van de vennootschap, verantwoord door het feit dat, in tegenstelling tot de vennootschappen van commerciële aard, de burgerlijke vennootschappen niet het gevaar lopen failliet te worden verklaard. Zij gaan ervan uit dat die verantwoording redelijk is ten aanzien van de doelstelling die met de invoering van de genoemde bijdrage wordt nagestreefd, namelijk het streven naar een evenwichtige bijdrage van de vennootschappen aan de financiering van het socialezekerheidsstelsel van de zelfstandigen. De Ministerraad en de vzw « Partena – Sociale verzekeringen voor zelfstandigen » voegen tot slot eraan toe dat de in het geding zijnde bepaling deel uitmaakt van een evenwichtige regelgeving en dat het daarbij ingestelde verschil in behandeling tussen handelsvennootschappen en burgerlijke vennootschappen geen onevenredige beperking van de rechten van die laatste met zich meebrengt. Zij wijzen dienaangaande erop dat de vrijstelling die aan de burgerlijke vennootschap wordt ontzegd slechts geldt voor drie bijdragejaren en dat dat soort van vennootschap daarenboven van de betaling van de bijdrage kan worden vrijgesteld wanneer zij haar activiteiten tijdelijk staakt of wanneer zij zich in een toestand van vereffening bevindt. -B- B.
  4. Elke aan de vennootschapsbelasting onderworpen vennootschap is in beginsel een « jaarlijkse forfaitaire bijdrage » verschuldigd (artikel 91, eerste lid, van de wet van 30 december 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen », zoals vervangen bij artikel 279 van de programmawet van 22 december 2003, in samenhang gelezen met artikel 88, d), van de wet van 30 december 1992). Die bijdrage bedraagt maximaal 868 euro (artikel 91, tweede lid, van de wet van 30 december 1992, zoals vervangen bij artikel 279 van de wet van 22 december 2003). Bij de berekening van de vennootschapsbelasting kunnen van die bijdrage de beroepskosten worden afgetrokken (artikel 100 van de wet van 30 december 1992; Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 526-1, p. 29). Die bijdrage is een belasting in de zin van de Grondwet. 5 B.
  5. Zoals het is gewijzigd bij artikel 24 van de wet van 29 maart 2012 « houdende diverse bepalingen (I) », luidt artikel 94, 9°, van voormelde wet van 30 december 1992, dat deel uitmaakt van hetzelfde hoofdstuk als artikel 91 van die wet : « De Koning bepaalt : […] 9° volgens welke modaliteiten de personenvennootschappen, die ingeschreven zijn als handelsonderneming in de Kruispuntbank van Ondernemingen en opgericht zijn na 1 januari 1991, gedurende de eerste drie jaar te rekenen vanaf het jaar van hun oprichting, worden vrijgesteld van de krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk ingevoerde bijdrageplicht. Genoemde vennootschappen kunnen slechts van deze vrijstelling genieten wanneer hun zaakvoerder of zaakvoerders, evenals de meerderheid van hun werkende vennoten die geen zaakvoerder zijn, in de tien jaar voorafgaand aan de oprichting van de vennootschap, ten hoogste drie jaar onderworpen zijn geweest aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen; ». B.
  6. Ter uitvoering van die bepaling, bepaalt artikel 7 van het koninklijk besluit van 15 maart 1993 « tot uitvoering van hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, met betrekking tot de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van de vennootschappen bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen », de laatste keer gewijzigd bij artikel 5 van een koninklijk besluit van 31 juli 2004 : « De personenvennootschappen, die ingeschreven zijn als handelsonderneming in de Kruispuntbank van Ondernemingen en opgericht zijn na 1 januari 1991, kunnen, gedurende de eerste drie jaar te rekenen vanaf het jaar van hun oprichting, worden vrijgesteld van de bijdrageplicht. Ze kunnen slechts van deze vrijstelling genieten wanneer hun zaakvoerder of zaakvoerders, evenals de meerderheid van hun werkende vennoten die geen zaakvoerder zijn, in de tien jaar voorafgaand aan de oprichting van de vennootschap, ten hoogste drie jaar onderworpen zijn geweest aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. De personenvennootschappen, die van deze mogelijkheid wensen gebruik te maken, moeten aan de sociale verzekeringskas waarbij ze zijn aangesloten de bewijzen overmaken dat aan de in het eerste lid bepaalde voorwaarden voldaan is ». B.
  7. Noch de bewoordingen van de prejudiciële vraag, noch het onderzoek van de motivering van de verwijzingsbeslissing maken het voor het Hof mogelijk te begrijpen in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling onbestaanbaar zou zijn met de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met de artikelen 170, 172, tweede lid, en 173, van de Grondwet. 6 In zoverre zij betrekking heeft op de inachtneming van die bepalingen van de Grondwet, is de prejudiciële vraag niet ontvankelijk. B.
  8. Uit de motivering van de prejudiciële vraag en uit de stukken van het aan het Hof bezorgde dossier van de rechtspleging blijkt echter dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992 met de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 172, eerste lid, van de Grondwet, in zoverre, voor de bijdragejaren 2012 tot 2014, de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling doet ontstaan tussen twee categorieën van éénhoofdige besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid starter die in beginsel de « jaarlijkse forfaitaire bijdrage » verschuldigd zijn, en waarvan de zaakvoerder of de vennoot, in de tien jaar voorafgaand aan de oprichting van de vennootschap, ten hoogste drie jaar onderworpen is geweest aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 : enerzijds, diegene die als « handelsonderneming » in de zin van de in het geding zijnde bepaling kunnen worden aangemerkt en, anderzijds, diegene die de uitoefening van het beroep van advocaat als statutair doel hebben. B.
  9. Gedurende de bijdragejaren 2012 tot 2014 was de in de Kruispuntbank van Ondernemingen als « handelsonderneming » ingeschreven vennootschap een rechtspersoon die op Belgisch grondgebied over een vestigingseenheid beschikte waar zij « daden van koophandel » zoals bedoeld in het Wetboek van Koophandel uitoefende (artikel 2, 4°, van de wet van 16 januari 2003 « tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen », zoals vervangen bij artikel 178 van de wet van 30 december 2009 « houdende diverse bepalingen », en artikel 33 van de wet van 16 januari 2003; artikel I.2, 10°, van het Wetboek van economisch recht, vóór de opheffing ervan bij artikel 36, a), van de wet van 15 april 2018 « houdende hervorming van het ondernemingsrecht », en artikel III.49 van hetzelfde Wetboek, vóór de vervanging ervan bij artikel 70 van de wet van 15 april 2018). De uitoefening van het beroep van advocaat is geen daad die in het Wetboek van Koophandel als een daad van koophandel werd aangemerkt. 7 De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die de uitoefening van dat beroep als statutair doel had, werd bijgevolg beschouwd als een vennootschap van burgerlijke aard en niet als een vennootschap van commerciële aard, met toepassing van artikel 3, § 2, van het Wetboek van vennootschappen, zoals het was opgesteld vóór de opheffing ervan bij artikel 22 van de wet van 15 april
  10. Dezelfde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid kon evenmin als « handelsonderneming » aanvankelijk in de zin van de wet van 16 januari 2003 en vervolgens in die van het Wetboek van economisch recht worden aangemerkt. B.
  11. Gedurende de bijdragejaren 2012 tot 2014 konden de vennootschappen van de eerste van de twee in B.5 beschreven categorieën van vennootschappen, krachtens de in het geding zijnde bepaling, van de « jaarlijkse forfaitaire bijdrage » worden vrijgesteld, hetgeen niet het geval was voor de vennootschappen van de andere categorie. B.
  12. In de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie uitgedrukt, dat niet uitsluit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Artikel 172, eerste lid, van de Grondwet bevestigt dat beginsel in fiscale aangelegenheden. B.
  13. De tussenkomende partijen betwisten de bewering volgens welke de categorieën van personen ten aanzien van wie een ongelijkheid wordt aangevoerd, in voldoende mate vergelijkbaar zijn. B.
  14. De vennootschappen die tot de twee in B.5 beschreven categorieën van personen behoren die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, zijn in beginsel de « jaarlijkse forfaitaire bijdrage » verschuldigd. Zij zijn bijgevolg voldoende vergelijkbaar ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling, die ten doel heeft de vennootschappen te bepalen die gedurende de drie jaar na hun oprichting van die bijdrage kunnen worden vrijgesteld. 8 B.11.
  15. Met de invoering van de « jaarlijkse forfaitaire bijdrage » bij artikel 91 van de wet van 30 december 1992 werd dezelfde doelstelling nagestreefd als met de invoering van de « ‘ eenmalige ’ bijdrage van 7 000 frank […] bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen » die was geregeld bij de artikelen 76 tot 85 van de wet van 26 juni 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen » en werd beantwoord aan dezelfde bekommernissen als die welke aan de oorsprong lagen van die laatste bepalingen (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 526-1, pp. 27 en 162; ibid., nr. 526-3, pp. 13-15; Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 752/9, pp. 11-12). De invoering van die bijdrage berustte onder meer op de vaststelling dat, om hun activiteiten uit te oefenen, heel wat zelfstandigen een vennootschap en, in het bijzonder, een éénhoofdige besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid oprichtten. De onophoudelijke toename van die praktijk, vaak met als doel een belastingvoordeel te verkrijgen, bracht een aanzienlijke vermindering met zich mee van de waarde van de bijdragen die door de zelfstandigen worden betaald teneinde hun socialezekerheidsstelsel te financieren, hetgeen tot gevolg had dat het financieel evenwicht van dat laatste in gevaar werd gebracht (Parl. St., Senaat, 1991-1992, nr. 315-1, p. 28; ibid., nr. 315-4, pp. 10-11; Hand., Senaat, 22 mei 1992, nrs. 28-29, p. 783; Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 480/7, pp. 6, 7 en 9; Parl. St., Senaat, 1992- 1993, nr. 526-1, p. 27; ibid., nr. 526-3, p. 14; Hand., Senaat, 25 november 1992, nr. 14, p. 407; Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 752/9, p. 12). De voormelde bijdrage was dus opgevat als een extra bron voor de financiering van dat socialezekerheidsstelsel, die het mogelijk maakte het bedrag van de door de zelfstandigen verschuldigde sociale bijdragen niet te verhogen. De invoering van die bijdrage werd ook verkieslijk geacht boven een wijziging van het fiscaal statuut van de door die zelfstandigen opgerichte vennootschappen (Parl. St., Senaat, 1991-1992, nr. 315-4, p. 14; Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 480/7, p. 9; Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 526-3, p. 15). B.11.
  16. Door te voorzien in de vrijstelling van de « jaarlijkse forfaitaire bijdrage » gedurende de drie jaar na de oprichting van bepaalde vennootschappen, komt artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992 ten goede aan « starters » (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 526-3, p. 15). Die maatregel is een van de maatregelen die bedoeld waren om de regeling van die bijdrage aan bepaalde bijzondere gevallen aan te passen (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 752/9, p. 7). 9 B.11.
  17. Artikel 7 van het koninklijk besluit van 15 maart 1993, genomen ter uitvoering van artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992, preciseerde oorspronkelijk dat die vrijstelling kon worden aangevraagd door de vennootschappen « die ingeschreven zijn in het handelsregister ». Zoals het werd gewijzigd bij artikel 5 van een koninklijk besluit van 31 juli 2004, bepaalde dat artikel 7 gedurende de jaren 2012 tot 2014 dat de vennootschappen dienden te zijn ingeschreven « als handelsonderneming in de Kruispuntbank van Ondernemingen ». Die voorwaarde voor vrijstelling van de « jaarlijkse forfaitaire bijdrage » is in artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 2012 ingevoegd bij artikel 24 van de wet van 29 maart 2012 teneinde rekening te houden met het arrest nr. 103/2011, waarbij het Hof op 16 juni 2011 heeft geoordeeld dat artikel 172, tweede lid, van de Grondwet vereist dat dat soort van voorwaarde bij de wet wordt bepaald (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2097/001 en 53-2098/001, pp. 16-18). B.12.
  18. Voor de jaren 2012 tot 2014 was de « jaarlijkse forfaitaire bijdrage » in beginsel zowel door de vennootschappen van commerciële aard als door de vennootschappen van burgerlijke aard verschuldigd. Zij was verschuldigd zowel door de vennootschappen die als statutair doel hadden het stellen van daden die in het Wetboek van Koophandel daden van koophandel worden geacht, als door de vennootschappen die als statutair doel het stellen van andere soorten van daden hadden. Noch uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 juni 1992, noch uit die van de wet van 30 december 1992 blijkt dat het fenomeen van de toename van het aantal door zelfstandigen opgerichte vennootschappen, dat, zoals in B.11.1 is vermeld, aan de oorsprong ligt van de invoering van die bijdrage, enkel vennootschappen van burgerlijke aard betrof, die als statutair doel hadden het stellen van daden die in het Wetboek van Koophandel geen daden van koophandel worden geacht. 10 B.12.
  19. In de parlementaire voorbereiding van artikel 24 van de wet van 29 maart 2012 wordt niet verklaard waarom de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen als « handelsonderneming » een voorwaarde is voor de vrijstelling van de bijdrage voor de in artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992 bedoelde vennootschappen. B.12.
  20. De regels van het Wetboek van vennootschappen met betrekking tot de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid starter zijn van toepassing sinds de inwerkingtreding van de wet van 12 januari 2010 « tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en tot vaststelling van de modaliteiten van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ‘ Starter ’ », dat wil zeggen sinds 1 juni 2010 (artikel 4, 1°, van het koninklijk besluit van 27 mei 2010 « tot vaststelling van de essentiële criteria van het financiële plan van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ‘ Starter ’, tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen en van het koninklijk besluit van 22 juni 2009 houdende de nadere regels voor het inschrijven van niet-handelsondernemingen naar privaat recht in de Kruispuntbank van Ondernemingen »). Gedurende de jaren 2012 tot 2014 waren zowel de vennootschappen van burgerlijke aard als de vennootschappen van commerciële aard die de vorm van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid starter hadden aangenomen, per hypothese en per definitie, startende vennootschappen. B.12.
  21. Noch de omstandigheid dat een vennootschap van burgerlijke aard gedurende de jaren 2012 tot 2014 niet failliet kon worden verklaard, noch het recht van een dergelijke vennootschap om een vrijstelling van bijdrage aan te vragen in geval van ontstentenis van activiteit gedurende één of meer jaren (met toepassing van artikel 92bis van de wet van 30 december 1992, ingevoegd bij artikel 203 van de wet van 25 januari 1999 « houdende sociale bepalingen ») - zoals al diegenen die die bijdrage verschuldigd zijn, dat kunnen doen - volstaan om het onderzochte verschil in behandeling redelijk te verantwoorden. B.
  22. In zoverre artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992 het in B.5 en B.7 beschreven verschil in behandeling doet ontstaan, is het onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 172, eerste lid, van de Grondwet. B.
  23. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen » het in B.5 en B.7 beschreven verschil in behandeling doet ontstaan, schendt het de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 172, eerste lid, van de Grondwet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 november
  24. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.184 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.