id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.186 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191120.4 Arrest- Rolnummer: 186/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-26 Raadplegingen: 249 - laatst gezien 2026-06-28 21:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingenwetgeving - Rechtsmiddelen Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Raad van State. Vreemdelingen - Toegang tot het grondgebied, verblijf, vestiging en verwijdering - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - Rechtspleging - Beroep tegen een beslissing tot weigering van een machtiging tot verblijf om medische redenen - Onderzoek ex tunc van de situatie van de verzoekende. partij Tekst van de beslissing Rolnummer 6950 Arrest nr. 186/2019 van 20 november 2019 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, de rechters L. Lavrysen, J.-P.-Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 241.737 van 7 juni 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 juni 2018, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, waarbij een beroep tot vernietiging is ingesteld tegen een beslissing tot weigering van een machtiging tot verblijf die is genomen op grond van artikel 9ter van dezelfde wet in het kader waarvan de verzoekster de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van het voormelde Verdrag, niet toestaat om over te gaan tot een onderzoek ex nunc van de situatie van de verzoekster, terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een dergelijk onderzoek kan uitvoeren wanneer bij die Raad op grond van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 een beroep is ingesteld door personen die internationale bescherming aanvragen en tevens risico’s voor hun leven en risico’s van een onmenselijke en vernederende behandeling aanvoeren ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Matray en Mr. J. Matray, advocaten bij de balie te Luik, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 25 september 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman, ter vervanging van rechter J.-P. Snappe, wettig verhinderd, en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 9 oktober 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 9 oktober 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verzoekende partij dient op 26 maart 2014 een aanvraag voor een machtiging tot verblijf in op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980). Op 14 oktober 2014 verwerpt de Belgische Staat die aanvraag. Op dezelfde dag vaardigt hij aan de verzoekende partij een bevel tot het verlaten van het grondgebied uit en legt hij haar een inreisverbod op. 3 Op 1 december 2014 stelt de verzoekende partij een vordering tot schorsing en een annulatieberoep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in tegen de beslissing tot verwerping van de aanvraag voor een machtiging tot verblijf en tegen het bevel tot het verlaten van het grondgebied. In haar verzoekschrift voert de verzoekende partij aan dat de weigering van de machtiging tot verblijf wegens haar ziekte een schending inhoudt van de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In de loop van de procedure legt de verzoekende partij nieuwe medische attesten voor betreffende de ontwikkeling van haar gezondheidstoestand. Op 13 april 2017 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep. In zijn arrest stelt de Raad vast dat, daar de zaak bij hem aanhangig is gemaakt op grond van artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980, hij moet overgaan tot een wettigheidstoetsing die hem niet toelaat om over te gaan tot een onderzoek ex nunc van de situatie van de verzoekende partij en om rekening te houden met stukken die niet aan de instantie waren voorgelegd vooraleer die laatste uitspraak deed. Bij een verzoekschrift van 18 mei 2017 stelt de verzoekende partij bij de Raad van State een cassatieberoep in tegen dat verwerpingsarrest. Ten aanzien van de weigering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om de medische attesten in aanmerking te nemen die de verzoekende partij in de loop van de procedure heeft voorgelegd, merkt de Raad van State op dat, om daadwerkelijk te zijn in de zin van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het beroep dat openstaat voor een persoon die klaagt over een schending van artikel 3 van hetzelfde Verdrag, een aandachtige, volledige en strikte controle van zijn situatie door het bevoegde orgaan mogelijk moet maken. In die context stelt de Raad van State de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad voert aan dat het verschil in behandeling tussen de aanvragers van internationale bescherming en de aanvragers van een machtiging tot verblijf op objectieve en relevante criteria berust, daar zij niet hetzelfde moeten aantonen en de twee aanvragen verschillende controles impliceren : de aanvragen voor internationale bescherming houden een beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de aanvrager in, terwijl de aanvraag die steunt op een ernstige ziekte op een medisch advies of onderzoek berust. De Ministerraad verwijst naar het arrest van het Hof nr. 95/2008 van 26 juni 2008, waarbij het Hof heeft geoordeeld dat artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980) voldoende waarborgen biedt aan de aanvragers van een machtiging tot verblijf die afgewezen zouden zijn. Hij onderstreept dat artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 een nationale bescherming toekent, en niet een internationale bescherming in de zin van de richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) », en dat de vereiste van een beroep met volle rechtsmacht voor de aanvragers van internationale bescherming voortvloeit uit artikel 46, lid 3, van de richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 « betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) ». Volgens de Ministerraad is de Belgische wetgever niet ertoe gehouden die vereiste uit te breiden tot de aanvragers van een machtiging tot verblijf om medische redenen, waarin het nationaal recht voorziet. A.2. De Ministerraad verwijst naar het arrest van het Hof nr. 13/2016 van 27 januari 2016, waarbij het Hof zou hebben geoordeeld dat artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980 het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie niet schendt, in zoverre het voorziet in een wettigheidstoetsing, en niet met volle rechtsmacht, in geval van betwisting van een beslissing tot weigering die op grond van artikel 9ter van de wet is genomen. 4 A.3. De Ministerraad herinnert aan de draagwijdte van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en aan de toepassing die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens daarvan maakt. Hij voert aan dat het recht op een daadwerkelijk beroep noch de organisatie van een schorsend beroep met volle rechtsmacht, noch die van een controle met volle rechtsmacht ten aanzien van elke administratieve beslissing oplegt. Volgens hem dient rekening te worden gehouden met alle beroepen waarover de vreemdeling beschikt om te bepalen of artikel 13 van het Verdrag is geschonden. Hij haalt artikel 39/82, § 4, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 aan, dat de rechter, bij wie een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is ingesteld, toelaat over te gaan tot een onderzoek ex nunc, alsook artikel 39/85, § 1, derde lid, van dezelfde wet. Hij besluit hieruit dat, te dezen, het geheel van de beroepen waarover de aanvragers van een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet beschikken, voldoet aan de vereisten van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.4. Volgens de Ministerraad heeft de vreemdeling die een beroep instelt tegen de beslissing tot verwerping van zijn aanvraag voor een machtiging tot verblijf om medische redenen en wiens gezondheidstoestand verslechtert, de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen. Artikel 9ter, § 3, 5°, van de wet van 15 december 1980, dat voorziet in de onontvankelijkheid van een aanvraag in bepaalde gevallen, strekt ertoe het indienen van opeenvolgende regularisatieaanvragen waarbij identieke elementen worden aangevoerd, te ontmoedigen. Wanneer de nieuwe aanvraag ontvankelijk wordt verklaard, wordt aan de vreemdeling een attest van immatriculatie verleend. Er kan hem geen enkel nieuw bevel om het grondgebied te verlaten, worden uitgevaardigd vooraleer zijn nieuwe aanvraag door de Dienst Vreemdelingenzaken wordt onderzocht (zie artikel 74/13 van de wet). A.5. De Ministerraad voegt eraan toe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet beschikt over de vereiste bevoegdheden om zich uit te spreken over nieuwe medische elementen die niet voor advies zijn voorgelegd aan de arts-ambtenaar. Die nieuwe medische elementen vergen een beoordeling, niet van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de aanvrager, zoals dat het geval is voor de aanvragen voor internationale bescherming, maar wel van medische gegevens. Het beroep dat voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is ingesteld tegen een beslissing tot weigering van een machtiging tot verblijf om medische redenen zou bijgevolg geen beroep met volle rechtsmacht kunnen zijn, daar het onderzoek van de nieuwe elementen plaatsheeft in het kader van het onderzoek van een nieuwe aanvraag. De Ministerraad besluit hieruit dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. -B- B.1. Bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is een beroep tot vernietiging ingesteld tegen een beslissing tot weigering van een machtiging tot verblijf die is genomen op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980). In dat kader voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verwijzende rechter stelt aan het Hof een prejudiciële vraag over de bestaanbaarheid van artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3 en 13 van het voormelde Verdrag, in zoverre het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet toestaat om over te gaan tot een onderzoek ex nunc van de situatie van de verzoekende partij. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan een dergelijk onderzoek daarentegen uitvoeren wanneer bij die Raad krachtens artikel 39/2, § 1, van de wet 5 van 15 december 1980 een beroep is ingesteld door personen die internationale bescherming aanvragen en tevens risico’s voor hun leven en risico’s van een onmenselijke en vernederende behandeling aanvoeren. B.2. Artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Het recht van eenieder op het leven wordt beschermd door de wet. Niemand mag opzettelijk van het leven worden beroofd, tenzij bij wege van tenuitvoerlegging van een vonnis, dat is uitgesproken door een rechtbank, wegens een misdrijf waarop de wet de doodstraf heeft gesteld. 2. De beroving van het leven wordt niet geacht in strijd met dit artikel te zijn geschied, ingeval zij het gevolg is van geweld, dat absoluut noodzakelijk is :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.