← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.187

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.187 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191120.5 Arrest- Rolnummer: 187/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-20 Raadplegingen: 282 - laatst gezien 2026-06-29 03:39 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 52-3 van het Wetboek der successierechten, zoals ingevoegd bij artikel 2 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 oktober 2003 « houdende aanvulling van artikel 48 van het Wetboek der successierechten, vastgelegd bij het koninklijk besluit nr. 308 van 31 maart 1936, met het oog op de vermindering van de ongelijkheden i.v.m. de te betalen successierechten bestaande tussen de meerder- of minderjarige kinderen opgevoed binnen een wedersamengesteld gezin », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Basiswetgeving - Waalse Gewest - Tarief der successierechten Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 52-3 van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Waalse Gewest, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Successierechten - Waals Gewest - Tarief van de successierechten - Gelijkstelling van een relatie in de rechte lijn - Stiefouder / Stiefkind - Uitsluiting - Stiefgrootouder / Stiefkleinkind. Tekst van de beslissing Rolnummer 7011 Arrest nr. 187/2019 van 20 november 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 52-3 van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Waalse Gewest, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul en J. Moerman, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 14 september 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 september 2018, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 52-3 van het Wetboek der successierechten (koninklijk besluit nr. 308), zoals van toepassing in het Waalse Gewest, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de verkrijgingen tussen een persoon en het kind van een vooroverleden kind van de echtgenoot van die persoon uitsluit van de toepassing ervan, en in het bijzonder in het geval waarin er tijdens de kinderjaren van de legataris een levensgemeenschap tussen die personen heeft bestaan, in vergelijking : - met de verkrijging tussen een persoon en het kind van zijn echtgenoot en/of; - met de verkrijging tussen een persoon en zijn eigen kleinkind en/of; - met de verkrijging tussen een persoon en het kind van zijn echtgenoot die, bij het overlijden van dat kind, is gevolgd door de verkrijging tussen dat laatste en zijn eigen kind ? ». Memories zijn ingediend door : - Emmanuel Depersenaire, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Segier, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Taquin, advocaat bij de balie te Bergen. Bij beschikking van 25 september 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 9 oktober 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 9 oktober 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De betwisting voor het verwijzende rechtscollege betreft het toe te passen tarief inzake successierechten tussen stiefgrootouders en stiefkleinkinderen. De appellant voor het verwijzende rechtscollege is het wettige kind van het vooroverleden kind van de tweede echtgenoot van wijlen A.D. 3 Na het overlijden van haar echtgenoot en van diens zoon heeft A.D. een testament opgesteld ten gunste van de kleinzoon van haar echtgenoot, de appellant voor het verwijzende rechtscollege, waarbij die laatste als haar algemene legataris is aangesteld. Overeenkomstig artikel 52-3 van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Waalse Gewest, werden de door de appellant betaalde successierechten berekend volgens het tarief dat toepasselijk is tussen andere personen dan personen in de rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden. Het ingediende verzoek om het voordelige tarief te genieten dat wordt toegekend bij vererving in de rechte lijn, werd door de gewestelijke directie afgewezen. De Rechtbank van eerste aanleg, waarbij de zaak door de appellant aanhangig is gemaakt, heeft het beroep ontvankelijk en niet gegrond verklaard. De Rechtbank heeft in essentie geoordeeld dat, enerzijds, de fiscale bepalingen strikt moeten worden geïnterpreteerd en, anderzijds, de bij de artikelen 739 en volgende van het Burgerlijk Wetboek geregelde plaatsvervulling zonder gevolg blijft voor de autonome fiscale regels inzake de successierechten, die worden bepaald op grond van het al dan niet bestaan van banden van verwantschap (en van de graad ervan) of van aanverwantschap (of van samenwoning) die bestaan tussen de persoon die tot de nalatenschap komt en de overledene. De appellant voor het Hof van Beroep te Bergen heeft dat Hof verzocht om het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen, na te hebben vastgesteld dat het Hof zich in zijn eerdere arresten niet had uitgesproken over het verschil in behandeling dat te dezen net wordt aangeklaagd, namelijk het verschil in behandeling dat zou voortvloeien uit de toepassing, op het kind van het vooroverleden kind van een tweede echtgenoot, van het tarief van de successierechten in de rechte lijn, bij het verkrijgen van de nalatenschap van zijn stiefgrootmoeder. III. In rechte -A- A.1.

  1. De appellant voor het verwijzende rechtscollege brengt in herinnering dat artikel 52-3 van het Wetboek der successierechten, zoals ingevoegd bij artikel 2 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 oktober 2003 « houdende aanvulling van artikel 48 van het Wetboek der successierechten, vastgelegd bij het koninklijk besluit nr. 308 van 31 maart 1936, met het oog op de vermindering van de ongelijkheden i.v.m. de te betalen successierechten bestaande tussen de meerder- of minderjarige kinderen opgevoed binnen een wedersamengesteld gezin », een vererving tussen een stiefouder en een stiefkind gelijkstelt met een vererving in de rechte lijn. A.1.
  2. Uit de memorie van toelichting bij het voormelde decreet blijkt dat het doel van de gelijkstelling van een niet-biologische afstammeling met een biologische afstammeling erin bestaat alle kinderen van nieuw samengestelde gezinnen de mogelijkheid te bieden om eveneens het tarief in de rechte lijn te genieten ten opzichte van de echtgenoot of de echtgenote met wie zij geen bloedband hebben, opdat de kinderen die deel uitmaken van een nieuw samengesteld gezin, op dezelfde wijze worden behandeld met betrekking tot het op de successierechten toepasselijk tarief. De Waalse decreetgever heeft eveneens rekening willen houden met de affectieve banden die binnen die « nieuwe gezinssamenstelling » worden ontwikkeld. A.1.
  3. De appellant voert aan dat de in het geding zijnde bepaling, die het niet mogelijk maakt om het op het – vooroverleden - kind van de echtgenoot van de stiefgrootouder toepasselijk tarief in de rechte lijn toe te passen op het stiefkleinkind van de stiefgrootouder van wie het erft, niet verantwoord is ten aanzien van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. In een dergelijk geval wordt het stiefkleinkind immers aan een buitensporige belasting (die tot 80 % kan bedragen) onderworpen, terwijl, in de natuurlijke volgorde van overlijden, het kind van de echtgenoot het tarief in de rechte lijn geniet indien het wordt vermeld in het testament van de echtgenoot van zijn biologische ouder, voor het aandeel dat dat kind verkrijgt in de nalatenschap van die laatste, en terwijl zijn eigen kinderen, bij het openvallen van zijn nalatenschap, het tarief in de rechte lijn toegepast zien. Geen enkel objectief of redelijk criterium verantwoordt dat verschil in behandeling, zo meent de appellant. Die heeft niet alleen zijn hele kindertijd in hetzelfde huis als zijn « stiefgrootmoeder » doorgebracht, maar heeft bovendien geen enkele band met zijn « biologische grootmoeder » ontwikkeld, die tien jaar vóór zijn geboorte is overleden. De appellant verwijst naar het arrest nr. 163/2012 van het Hof van 20 december 2012 waarbij het de volgorde van overlijden in 4 aanmerking heeft genomen als een van de motieven die hebben geleid tot de vernietiging van artikel 50 van het Wetboek der successierechten, zoals het in het Vlaamse Gewest van toepassing was. De omstandigheden zijn gewijzigd sedert een ander arrest dat op 18 februari 2010 door het Hof is gewezen (arrest nr. 15/2010) in een zaak waarvan de omstandigheden niet identiek waren, zo voert de appellant aan, en zulks rekening houdend in het bijzonder met de evolutie van het gezinsmodel. A.2.
  4. Wat betreft het verschil in behandeling tussen het kind van een vooroverleden kind van de echtgenoot van de overledene dat erft van zijn stiefgrootouder, in het bijzonder in het geval waarin er tijdens de kinderjaren van dat kind een levensgemeenschap tussen die personen heeft bestaan, en het stiefkind dat erft van zijn stiefouder, voert de Ministerraad aan dat het verschil in behandeling op een objectief criterium berust aangezien het, met betrekking tot de eerste categorie, gaat om een band tussen « ouder » en « kind », dus binnen een kerngezin, hetgeen niet het geval is met betrekking tot de tweede categorie. Het kind van een kind, ongeacht of het al dan niet vooroverleden is, van de echtgenoot van de overledene maakt in beginsel immers geen deel uit van het kerngezin van zijn stiefgrootouder. Er kan worden aangenomen dat de Waalse decreetgever geen rekening heeft gehouden met het uitzonderlijke geval waarin de stiefgrootouder zijn stiefkleinkind opvoedt. In dat geval kan de verkrijging, krachtens artikel 52-3, 2°, van het Wetboek der successierechten, worden onderworpen aan de tariefschaal in de rechte lijn. A.2.
  5. Wat betreft het verschil in behandeling tussen het kind van een vooroverleden kind van de echtgenoot van de overledene dat erft van zijn stiefgrootouder en het kind dat erft van zijn grootouder, voert de Ministerraad aan dat de situatie niet vergelijkbaar is, aangezien er geen bloedband met de overledene bestaat in het eerste geval, terwijl een dergelijke band wel bestaat in het tweede geval. A.2.
  6. Wat betreft het verschil tussen de verkrijging door het kind van een vooroverleden kind van de echtgenoot van de overledene dat erft van zijn stiefgrootouder en de verkrijging van een stiefkind dat erft van zijn stiefouder, gevolgd door de verkrijging tussen dat stiefkind en zijn eigen kind, voert de Ministerraad aan dat de situaties volstrekt niet vergelijkbaar zijn, aangezien er, in het eerste geval, maar één overdracht door overlijden is die de inning van de erfbelasting voor alleen die overdracht verantwoordt, terwijl er, in het tweede geval, twee overdrachten door overlijden zijn. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. -B- B.
  7. Artikel 52-3 van het Wetboek der successierechten, zoals ingevoegd bij artikel 2 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 oktober 2003 « houdende aanvulling van artikel 48 van het Wetboek der successierechten, vastgelegd bij het koninklijk besluit nr. 308 van 31 maart 1936, met het oog op de vermindering van de ongelijkheden i.v.m. de te betalen successierechten bestaande tussen de meerder- of minderjarige kinderen opgevoed binnen een wedersamengesteld gezin », bepaalt : « Voor de toepassing van dit Wetboek worden de volgende verkrijgingen gelijkgesteld met verkrijgingen in rechte lijn, mits bewijs te verstrekken door de belanghebbenden : 1° de verkrijgingen tussen een persoon en het kind van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende; die gelijkstelling geldt eveneens als de verkrijging plaatsvindt na het overlijden van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende; 5 2° de verkrijgingen tussen een persoon en het kind dat hij als opvangouder opgevoed heeft in de zin van artikel 1, 5°, van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, of als voogd, toeziend voogd of pleegvoogd in de zin van titel X van boek I van het Gerechtelijk Wetboek, op voorwaarde dat het kind vóór de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt te hebben en gedurende zes onafgebroken jaren, uitsluitend of hoofdzakelijk van die persoon, of eventueel van die persoon en zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende tezamen, de hulp en de verzorging heeft gekregen welke kinderen normaal van hun ouders krijgen ». B.
  8. Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of artikel 52-3 van het Wetboek der successierechten bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de gelijkstelling van een relatie in de rechte lijn, met betrekking tot het tarief van de successierechten, wordt beperkt tot de relatie tussen een stiefouder en zijn stiefkind, met uitsluiting van de relatie tussen een stiefgrootouder en zijn stiefkleinkind, in het bijzonder wanneer de ouder die het kind van de echtgenoot van de stiefgrootouder was, vooroverleden is. Uit het dossier van de rechtspleging blijkt dat de appellant het kleinkind is van de tweede vooroverleden echtgenoot van de overledene en dat die dus de stiefgrootmoeder is met wie de appellant tijdens zijn kindertijd een levensgemeenschap heeft onderhouden. Die stiefgrootmoeder heeft de appellant aangesteld als algemene legataris na het overlijden van het kind van haar echtgenoot. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval. B.
  9. Het bepalen van het belastingtarief en het vaststellen van de modalisering ervan komt de bevoegde fiscale wetgever toe. Wanneer hij daartoe criteria van onderscheid hanteert, moeten die objectief en redelijk kunnen worden verantwoord. De tarieven en de modaliteiten ervan moeten op gelijke wijze worden toegepast ten aanzien van eenieder die zich ten opzichte van de beschouwde maatregel en het nagestreefde doel in een gelijkwaardige positie bevindt, zij het dat de fiscale wetgever een verscheidenheid aan toestanden kan dienen op te vangen in categorieën die, noodzakelijkerwijze, slechts bij benadering met de werkelijkheid overeenstemmen. 6 B.4.
  10. Luidens artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek komen de erfenissen toe aan de kinderen en afstammelingen van de overledene, aan zijn noch uit de echt, noch van tafel en bed gescheiden echtgenoot, aan zijn bloedverwanten in de opgaande lijn, aan zijn bloedverwanten in de zijlijn en aan zijn wettelijk samenwonende binnen de grenzen van de rechten die hem zijn toegekend, in de orde en overeenkomstig de regels die de wet bepaalt. Aldus hanteert de wetgever bij het bepalen wie erfgenaam is twee criteria, namelijk de bloedband en de huwelijksband of de band van wettelijk samenwonen. Alle andere personen kunnen slechts tot de nalatenschap van een persoon worden geroepen bij wege van testament van de erflater of bij wege van contractuele erfstelling. B.4.
  11. Vóór de invoeging van artikel 52-3 van het Wetboek der successierechten bij het decreet van 22 oktober 2003 werd in het Waalse Gewest het laagste tarief in de successierechten voorbehouden aan welbepaalde categorieën van wettige erfgenamen, zijnde de erfgenamen in de rechte lijn en de langstlevende echtgenoot. Behalve in geval van adoptie door de stiefouder of door de stiefgrootouder vererfden de stiefkinderen en de stiefkleinkinderen, die bij gebrek aan bloedband naar de regels van het burgerlijk recht geen wettige erfgenamen van hun stiefouder of van hun stiefgrootouder zijn, de nalatenschap tegen het hoogste tarief « tussen andere personen ». B.
  12. In de toelichting bij het voorstel dat aan de oorsprong van het in het geding zijnde decreet ligt, wordt vermeld : « Uit de maatschappelijke evolutie blijkt evenwel dat de term ‘ gezin ’ ontzettend veel verschillende situaties omvat. Een gezin wordt minstens evenzeer in termen van menselijke keuzes en affectieve banden als in termen van bloedbanden omschreven. Wij stellen vast dat de ‘ gezinscel ’ niet meer onaantastbaar is, dat zij niet meer de stabiliteit heeft die zij gedurende eeuwen heeft gehad. Het is een onmiskenbare evolutie waarmee de wetgeving in het algemeen, en dus de wetgeving die de erfenissen in het bijzonder regelt, rekening dient te houden. Aangezien het traditionele en uniforme gezinsmodel is verdwenen, door plaats te maken voor tal van diverse situaties, kan de vraag worden gesteld wie kan worden geacht deel uit te maken van het gezin. Indien men zich houdt aan de lopende wetgeving, gaat het enkel om de rechtstreekse bloedverwanten in de opgaande lijn, de afstammelingen, de echtgenoot en de bloedverwanten in de zijlijn tot en met de vierde graad. Die zienswijze is te restrictief om aan de huidige situaties te worden aangepast. 7 Het huidige gezin is vaak een ‘ kerngezin ’, uiteengevallen of, om een explicietere term te gebruiken, ‘ nieuw samengesteld ’. Aangezien de affectieve banden tussen mannen en vrouwen veranderlijker zijn dan vroeger, bestaan gezinnen vaak niet alleen uit volwassenen die niet met elkaar zijn gehuwd (en die dus niet dezelfde rechten, noch dezelfde plichten als een gehuwd paar hebben), maar ook uit kinderen uit een vorige verbintenis, uit kinderen over wie een van de leden van het paar het co-ouderschap uitoefent, uit gemeenschappelijke kinderen, enz. Het staat dus niet meer aan de wetgever om een weliswaar historische maar volledig verouderde zienswijze van het gezin te verdedigen. In die zin komt het hem evenmin toe te beslissen dat bepaalde affectieve en gezinsbanden belangrijker zijn dan andere. Het is logisch dat het erfenisrecht, dat de erfenissen regelt teneinde tot een zekere feitelijke gelijkheid tussen de erfgerechtigden te komen, aan zij die dat wensen de mogelijkheid biedt om hun eventuele band met een kind of met kinderen van wie zij niet de rechtstreekse bloedverwant in de opgaande lijn zijn, te officialiseren. Voor het ogenblik hebben kinderen die in nieuw samengestelde gezinnen zijn opgevoed, bijna geen recht op de erfenis van een persoon die hen soms gedurende vele jaren heeft opgevoed, gewoonweg omdat zij zijn bloed niet hebben. En indien de overledene zijn testament in hun voordeel heeft geregeld, zullen die personen aan de Staat het maximumtarief van successierechten moeten betalen alsof zij voor de overledene volslagen vreemden (in de wettelijke zin van het woord) waren. Dat tarief kan in bepaalde gevallen oplopen tot 80 % aan te betalen rechten ! […] Zonder zich op het ogenblik te buigen over een noodzakelijke hervorming die de successierechten grondig zou reorganiseren, noch over de in het Waalse Gewest van kracht zijnde tarieven, noch over de mogelijkheid om een ‘ samenlevingscontract ’ in het leven te roepen dat vergelijkbaar is met het contract dat in verschillende Europese landen bestaat, wil het voorliggend decreet een van de ongelijkheden aanpakken die door de huidige wetgeving worden veroorzaakt : die welke de kinderen treft die in een nieuw samengesteld gezin zijn opgevoed, die wij ‘ de opgevangen kinderen ’ zullen noemen. Indien een persoon van een kind dat niet zijn kind is, zijn erfgenaam wil maken, zal thans enkel de adoptie het mogelijk maken dat dat kind rechten heeft die gelijkwaardig zijn aan die van de andere wettelijke erfgenamen en niet het maximale successietarief betaalt. Adoptie is uiteraard niet altijd mogelijk. Zelfs indien het doorgaans wordt opgevoed door een volwassene die niet zijn rechtstreekse bloedverwant is, zijn de twee biologische ouders van het kind vaak nog in leven. Zulks is vaak het geval bij een echtscheiding gevolgd door een nieuw huwelijk bijvoorbeeld. Het kan dus niet worden geadopteerd, behoudens gevallen van ontzetting uit het ouderlijk gezag. Indien men een zekere erfgelijkheid binnen die nieuw samengestelde gezinnen, die steeds talrijker zijn, wenst te herstellen, moet dus een tweede weg worden gevonden, naast die van de adoptie maar die haar niet vervangt, die het mogelijk maakt een kind te ‘ erkennen ’ dat niet zijn kind is. Het bij dit decreet voorgestelde middel daartoe bestaat erin het de opgevangen kinderen mogelijk te maken het tarief van successierechten te genieten dat thans wordt voorbehouden aan de erfgerechtigden in de rechte lijn en tussen echtgenoten » (Parl. St., Waals Parlement, 2000-2001, 176, nr. 1, pp. 2 en 3). 8 B.
  13. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de decreetgever de verkrijging tussen een stiefouder en een stiefkind en de verkrijging tussen een kind van een persoon die met de overledene samenwoont, of die de tweede echtgenoot van de overledene is, en de overledene op dezelfde wijze wenste te behandelen. Hij wou aldus het gelijkheidsbeginsel inzake successierechten herstellen ten gunste van kinderen die in nieuw samengestelde gezinnen zijn opgevoed, rekening houdend met de verscheidenheid van samenlevingsvormen buiten het huwelijk en binnen het huwelijk, en rekening houdend met het veranderlijke karakter van de affectieve banden tussen personen. Uit geen enkel element in de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever de gelijkstelling waarin ten gunste van de stiefkinderen is voorzien, heeft willen toepassen op legaten door de stiefgrootouders ten voordele van hun stiefkleinkinderen. B.7.
  14. Het successierechtelijk verschil in behandeling tussen stiefkinderen die erven van hun stiefouders en stiefkleinkinderen die erven van hun stiefgrootouders berust op een objectief en pertinent criterium, namelijk de hechtheid van de gezinsband, nu het in het eerste geval gaat om leden van een kerngezin, terwijl dat in het tweede geval in beginsel niet zo is. Uit de bloedverwantschap tussen grootouders en kleinkinderen vloeit voort dat zij ten opzichte van elkaar tot de onderhoudsverplichting zijn gehouden waarin de artikelen 205 en 207 van het Burgerlijk Wetboek voorzien. Die onderhoudsverplichting geldt niet tussen stiefgrootouders en stiefkleinkinderen. B.7.
  15. Doordat de toekenning van het voordelige tarief aan stiefkinderen een uitzondering vormt op de voorheen geldende regeling, krachtens welke enkel bepaalde categorieën van wettige erfgenamen dat tarief konden genieten, vermocht de decreetgever, in de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid, die uitzondering restrictief op te vatten. 9 B.7.
  16. De stiefkleinkinderen worden niet op een onevenredige wijze geraakt door het hogere bedrag van de successierechten, aangezien ervan kan worden uitgegaan dat zij, doordat zij in beginsel geen deel uitmaken van het kerngezin van de erflater, niet dezelfde band hebben als de stiefkinderen met het gezinspatrimonium dat de erflater bij zijn overlijden nalaat. In het geval waarin het stiefkleinkind samenwoonde met de stiefgrootouder en het door hem zou zijn opgevoed, zou het overeenkomstig de voorwaarden bepaald in artikel 52-3, 2°, van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Waalse Gewest, het tarief van de successierechten kunnen genieten dat geldt voor kinderen wier ouders in die bepaling als « opvangouders » worden aangemerkt of voor kinderen die zijn opgevoed door een voogd in de zin van diezelfde bepaling. De overdracht bij testament van het vermogen van de overledene aan zijn stiefkleinkind bewijst op zich niet dat er tussen de overledene en de legataris een affectieve band bestaat die dermate bijzonder is dat die de toepassing van het « tarief in de rechte lijn » op die nalatenschap zou verantwoorden. Zoals in de B.5 aangehaalde parlementaire voorbereiding wordt aangegeven, vermocht de decreetgever te oordelen dat het instituut van de adoptie de rol van erkenning van die bevoorrechte band tussen de stiefgrootouder en het stiefkleinkind vervulde zonder dat die band op zich de toepassing verantwoordt van het afwijkend tarief waarin voortaan tussen stiefouders en stiefkinderen is voorzien. B.7.
  17. De omstandigheid dat de erfgenaam het kind is van een vooroverleden kind van de echtgenoot van de overledene heeft geen invloed, aangezien, zoals in B.7.1 wordt aangegeven, ongeacht of de ouder van het kind al dan niet vooroverleden is, enkel het bestaan van een juridisch vastgestelde band van verwantschap in de rechte lijn tussen het kleinkind en de overledene de toepassing van de tariefschaal « in de rechte lijn » verantwoordt, waarbij die band gepaard gaat met een onderhoudsverplichting. B.7.
  18. Ten slotte kan de verkrijging door erfopvolging door het kind van een vooroverleden kind van de echtgenoot dat erft van zijn stiefgrootouder, niet op nuttige wijze worden vergeleken met de verkrijging door een stiefkind dat erft van zijn stiefouder, gevolgd door de verkrijging tussen dat stiefkind en zijn eigen kind. 10 Terwijl er in het eerste geval maar één overdracht door overlijden is geweest, zijn er in het tweede geval immers twee overdrachten in de rechte lijn, die elk het voorwerp van de betaling van successierechten tegen dat tarief uitmaken. B.
  19. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 52-3 van het Wetboek der successierechten, zoals ingevoegd bij artikel 2 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 oktober 2003 « houdende aanvulling van artikel 48 van het Wetboek der successierechten, vastgelegd bij het koninklijk besluit nr. 308 van 31 maart 1936, met het oog op de vermindering van de ongelijkheden i.v.m. de te betalen successierechten bestaande tussen de meerder- of minderjarige kinderen opgevoed binnen een wedersamengesteld gezin », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 november
  20. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.