← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.192

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.192 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191128.7 Arrest- Rolnummer: 192/2019 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-12-13 Raadplegingen: 923 - laatst gezien 2026-06-29 03:59 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Vrederechter van het kanton Kapellen. Gerechtelijk recht - Rechtsplegingsvergoeding - Toepassingsgebied / Forfaitair karakter - Onteigeningsprocedure - Kosten voor een technisch raadsman / Advocatenkosten (verdediging door een juridisch raadsman). Tekst van de beslissing Rolnummer 7039 Arrest nr. 192/2019 van 28 november 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Vrederechter van het kanton Kapellen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, de rechters L. Lavrysen, J.-P.-Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 6 november 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 november 2018, heeft de Vrederechter van het kanton Kapellen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1022 Ger. W. de artikelen 16 Grondwet juncto 1 EAP EVRM evenals de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de vergoeding voor de advocatenkosten (verdediging juridisch raadsman) - in tegenstelling tot de kosten voor een technische raadsman -, in de bijzondere procedure op grond van de wet van 26 juli 1962 voor de vrederechter, op een forfaitaire wijze/aan de hand van een begrensd maximum worden vergoed door middel van de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding, terwijl artikel 16 Grondwet zich verzet tegen een forfaitaire vergoeding bij onteigening en de onteigenden aldus geenszins een juist/correcte (lees : billijke) onteigeningsvergoeding krijgen in de zin van artikel 16 Grondwet, in de veronderstelling dat de advocatenkosten in rechtstreeks en oorzakelijk verband staan met de onteigeningsbeslissing en de noodzaak van juridische bijstand reeds in het verleden werd erkend ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de provincie Antwerpen, vertegenwoordigd door haar deputatie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. K. De Puydt, advocaat bij de balie te Brussel; - Guy Van De Wiel en Ankie Mestdagh, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Toury, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen en Mr. E. Loncke, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 25 september 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 9 oktober 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 9 oktober 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij vonnis van 10 oktober 2017 van de Vrederechter te Kapellen wordt het verzoek van de provincie Antwerpen op grond van artikel 3 van de wet van 26 juli 1962 « betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte », strekkende tot onteigening van twee percelen grond van Guy Van De Wiel en Ankie Mestdagh, ingewilligd. Voorts wordt een provisionele onteigeningsvergoeding vastgesteld en wordt een deskundige aangesteld voor de waardebepaling van de onteigende onroerende goederen. Na de neerlegging, door de deskundige, van het proces-verbaal van plaatsbeschrijving en het schattingsverslag betreffende de voormelde onteigening, dient de vrederechter zich uit te spreken over de definitieve vaststelling van de voorlopige onteigeningsvergoeding. Guy Van De Wiel en Ankie Mestdagh, verwerende partijen voor de verwijzende rechter, vorderen een volledige vergoeding van de advocatenkosten die zij hebben moeten maken in het kader van de procedure voor de vrederechter, dit op grond van artikel 16 van de Grondwet. Zij betwisten de zienswijze van het Hof van Cassatie bij zijn arrest van 14 april 2016 dat de advocatenkosten geen onderdeel kunnen uitmaken van de onteigeningsvergoeding vermits de wetgever heeft voorzien in een forfaitaire vergoeding van de advocatenkosten via de rechtsplegingsvergoeding. Zij verzoeken de rechter daarover desnoods een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. Het is in die omstandigheid dat de verwijzende rechter beslist de bovenvermelde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.

  1. Guy Van De Wiel en Ankie Mestdagh, verwerende partijen voor de verwijzende rechter, voeren aan dat de kosten die een onteigende aan zijn advocaat dient te betalen, rechtstreeks voortvloeien uit de onteigening zelf. Door de beslissing van de overheid om een goed te onteigenen, wordt de eigenaar van dat goed noodgedwongen partij in een gerechtelijke procedure. Vanwege het juridische en technische karakter van de onteigeningsprocedure, is het noodzakelijk dat hij zich laat bijstaan door een juridisch en een technisch raadsman teneinde zijn rechten te laten gelden. Gelet op het beginsel van de integrale vergoeding, zoals dat is neergelegd in artikel 16 van de Grondwet, dienen de werkelijke advocatenkosten door de onteigenaar te worden vergoed en is een forfaitaire vergoeding niet toegestaan. In ieder geval dient de vergoeding die de onteigende voor zijn advocatenkosten ontvangt, in een redelijke verhouding te staan tot de werkelijk betaalde kosten. De verwerende partijen benadrukken ter zake dat de werkelijke kostprijs van de juridische prestaties vaak substantieel hoger is dan het forfaitaire bedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Dit zou nog meer het geval zijn sinds de invoering van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : btw) op de erelonen van de advocaten, nu de forfaitaire rechtsplegingsvergoeding hieraan niet werd aangepast. Wanneer een onteigende wordt geconfronteerd met dermate hoge advocatenkosten dat er van de onteigeningsvergoeding vrijwel niets meer overblijft, is er geen integrale vergoeding en zelfs geen redelijke vergoeding voorhanden. De verwerende partijen verwijzen ter zake naar een arrest van 19 september 2002 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en naar een arrest van 28 juli 2016 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaruit zou volgen dat de toekenning van een te laag en geplafonneerd bedrag ter vergoeding van de advocatenkosten, niet als evenredig kan worden beschouwd. A.1.
  2. Volgens de verwerende partijen voor de verwijzende rechter is de gelijke behandeling van de gemeenrechtelijke procedure en de onteigeningsprocedure, wat de kosten van een juridisch raadsman betreft, niet bestaanbaar met het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel. De onteigeningsprocedure zou immers een uitzonderingsprocedure zijn, die niet kan worden vergeleken met enige andere gemeenrechtelijke procedure. 4 Terwijl de overheid in de gemeenrechtelijke procedure vrijwel steeds als verwerende partij optreedt, is de overheid in een onteigeningsprocedure zelf de eisende partij. De onteigende dient noodgedwongen aan die gerechtelijke procedure deel te nemen teneinde zijn eigendomsrecht te beschermen. Voorts is de wapengelijkheid die in de gemeenrechtelijke procedure gewaarborgd is, afwezig in een onteigeningsprocedure. Dat gebrek aan wapengelijkheid is het gevolg van het feit dat de onteigenende overheid haar openbare gezagsfunctie uitoefent, en brengt met zich mee dat de onteigenden een beroep moeten kunnen doen op een eigen juridisch en technisch raadsman. De kosten van een juridisch raadsman zijn in een onteigeningsprocedure aldus noodzakelijk om de ongelijkheid tussen de onteigende en de onteigenaar weg te werken en zijn - meer nog dan in enige andere gemeenrechtelijke procedure - het rechtstreekse gevolg van de beslissing van de overheid om te onteigenen. De kosten van een juridisch raadsman mogen om die reden in de onteigeningsprocedure niet op dezelfde wijze worden behandeld als in de gemeenrechtelijke procedure. A.1.
  3. De schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou des te meer vaststaan nu de kosten van een technisch raadsman wel integraal als schade worden vergoed in een onteigeningsprocedure. Aldus heeft het Hof van Cassatie bij een arrest van 5 mei 2006 erkend dat de kosten van technische bijstand in oorzakelijk verband staan met de onteigening en bijgevolg vergoedbaar zijn. Gelet op de noodzaak van zowel een technisch raadsman als een juridisch raadsman in het kader van een onteigeningsprocedure, zou het verschil in behandeling inzake de vergoedbaarheid van de kosten van beiden niet kunnen worden verantwoord. A.
  4. Het provinciebestuur van de provincie Antwerpen, eisende partij voor de verwijzende rechter, is van oordeel dat het verschil in behandeling tussen de kosten voor een technisch raadsman, die integraal worden vergoed, en de kosten voor een juridisch raadsman, die forfaitair worden vergoed, geen schending uitmaakt van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel. Zo heeft het Hof bij zijn arrest nr. 15/2009 van 5 februari 2009 reeds bevestigd dat een juridisch en een technisch raadsman niet met elkaar vergeleken kunnen worden. De aard van hun bijstand is immers fundamenteel verschillend : terwijl de bijstand van een technisch raadsman is gesitueerd in de materieelrechtelijke verhouding tussen de procespartijen, is de bijstand van een juridisch raadsman gesitueerd op procesrechtelijk niveau. Een juridisch raadsman vertegenwoordigt zijn procespartij in rechte, wat impliceert dat hij handelt in het kader van haar belangen in het geding. Een technisch raadsman daarentegen spreekt zich enkel uit over een welbepaalde techniciteit waarvoor hij is aangesteld, en dit in alle objectiviteit en onafhankelijkheid. Vanwege de eigen karakteristieken van de bijstand die wordt verleend, kan de wijze waarop de juridisch raadsman wordt vergoed niet worden getransponeerd naar andere technische raadgevers welke sporadisch optreden binnen eenzelfde procedure. In ieder geval is het systeem van de rechtsplegingsvergoeding een redelijk en gerechtvaardigd systeem dat gelijkheid en zekerheid bewerkstelligt. Vermits de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding zijn vastgesteld na raadpleging van de orden van de balies, kan met zekerheid worden gesteld dat die in verhouding staan met de erelonen die advocaten hanteren. Daarenboven kan de rechter, overeenkomstig artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding verhogen vanwege de complexiteit van de zaak. Ondanks het feit dat er sprake is van een forfaitaire vergoeding ter tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaten, is er aldus voldoende marge om eventuele disproportionaliteit te verhelpen, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het beschermingsmechanisme dat is ingebouwd in het systeem van de rechtsplegingsvergoeding en dat de rechtszekerheid enkel ten goede komt. A.3.
  5. De Ministerraad benadrukt dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het principe van een forfaitaire rechtsplegingsvergoeding niet in strijd is met het eigendomsrecht, ook niet in het onteigeningscontentieux. Het feit dat artikel 16 van de Grondwet een integrale vergoeding van de onteigeningsschade vereist, verzet zich niet tegen een systeem waarbij de advocatenkosten van de onteigende middels een forfaitaire tegemoetkoming worden vergoed. Evenmin schendt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek het principe van de wapengelijkheid, nu de rechtsplegingsvergoeding in onteigeningszaken steeds ten laste van de onteigenende overheid is en steeds gebaseerd is op het in geld waardeerbare gedeelte van de onteigeningsvordering, hetgeen resulteert in een hoge rechtsplegingsvergoeding. Het feit dat de onteigenende overheid een taak van algemeen belang moet behartigen, heeft niet tot gevolg dat er geen wapengelijkheid zou zijn. Dat gegeven zou enkel kunnen gelden als argument om geen enkele rechtsplegingsvergoeding ten laste van de overheid te leggen. 5 Bovendien is de omvang van de rechtsplegingsvergoeding redelijk, gelet op het feit dat de orden van de balies zijn geraadpleegd over de barema’s en de vrederechter de rechtsplegingsvergoeding kan verhogen tot het maximumbedrag indien hiervoor motieven voorhanden zijn. De bij het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 vastgestelde bedragen van de rechtsplegingvergoeding zijn bovendien gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, en werden voor het laatst aangepast op 1 juni
  6. Het feit dat de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding niet met 21 % zijn verhoogd ten gevolge van de invoering van de btw op het ereloon van de advocaat, leidt tot slot niet tot de vaststelling dat de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, geschonden zijn. Bij een arrest van 28 juli 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie immers vastgesteld dat er geen nauw verband kan worden gelegd tussen de onderwerping van diensten van advocaten aan btw enerzijds en een stijging van de prijs van die diensten anderzijds. A.3.
  7. Het Hof zou voorts reeds meermaals hebben geoordeeld dat een technisch raadsman en een juridisch raadsman zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, zodat zij verschillend behandeld kunnen worden, ook op het vlak van de verhaalbaarheid van de kosten. Die redenering geldt volgens de Ministerraad evenzeer in het kader van de onteigeningsprocedure. A.3.
  8. Tot slot zou de verweerder in de onteigeningsprocedure niet wezenlijk verschillen van de verweerder in de gemeenrechtelijke rechtspleging. Beiden vallen onder de regeling van het Gerechtelijk Wetboek, met inbegrip van artikel 1022 van dat Wetboek. Zowel het Hof van Cassatie als het Grondwettelijk Hof hebben reeds geoordeeld dat die bepaling van toepassing is op de onteigeningsprocedure. Zowel in de onteigeningsprocedure als in de gemeenrechtelijke procedure wordt de verweerder noodgedwongen in een gerechtelijke procedure betrokken door het initiatief van de eiser. Gelet op de steeds complexere juridische context is vrijwel elke verweerder verplicht zich te laten bijstaan door een advocaat. Er is in dat opzicht geen verschil tussen de verweerder in een onteigeningsprocedure en die in een andere procedure. Bijgevolg is er geen reden om die verweerders, wanneer zij in het gelijk worden gesteld, verschillend te behandelen door de ene een integrale vergoeding en de andere een forfaitaire rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. -B- B.1.
  9. De prejudiciële vraag betreft artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing op de hangende zaak voor de verwijzende rechter, dat bepaalde : « De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil. Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met : 6 - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen; - de complexiteit van de zaak; - de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij; - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt. Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld. Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij ». B.1.
  10. Die bepaling is, met ingang van 20 april 2019, gewijzigd bij artikel 2, 1° tot 3°, van de wet van 21 februari 2010 « tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering », zelf gewijzigd bij artikel 24 van de wet van 18 maart 2018 « houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht ». Die wijzigingen hebben geen weerslag op het onderwerp van de prejudiciële vraag. B.
  11. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de onteigende krachtens die bepaling in de procedure voor de vrederechter op grond van de wet van 26 juli 1962 « betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte » (hierna : de wet van 26 juli 1962) slechts aanspraak kan maken op een forfaitaire vergoeding van de kosten en erelonen van zijn advocaat, terwijl de kosten van een technisch raadgever volledig worden vergoed. 7 B.3.
  12. De wet van 26 juli 1962 regelt de rechtspleging voor onteigeningen bij hoogdringende omstandigheden. Wat de onteigeningsvergoeding betreft, verloopt die rechtspleging in verschillende fasen. In een eerste fase bepaalt de vrederechter, bij wijze van ruwe schatting, het bedrag van de provisionele vergoedingen die de onteigenaar globaal dient te storten aan ieder van de verweerders en van de als tussenkomend erkende partijen (artikel 8). In een tweede fase bepaalt de vrederechter, na de aanwezige partijen en de door hem aangestelde deskundige te hebben gehoord, voorlopig het bedrag van de vergoeding die voor de onteigening verschuldigd is (artikel 14). De voorlopige vergoedingen die de rechter toekent, worden onherroepelijk, tenzij een van de partijen de herziening ervan aanvraagt bij de rechtbank van eerste aanleg (artikel 16). De vordering tot herziening wordt door de rechtbank behandeld « overeenkomstig de regels van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering » (artikel 16, tweede lid), wat inhoudt dat tegen het vonnis van de rechtbank de beroepen - hoger beroep en cassatieberoep - kunnen worden ingesteld waarin het Gerechtelijk Wetboek voorziet. De procedure in herziening dient te worden beschouwd als een op zichzelf staande procedure (Cass., 3 februari 2000, Arr. Cass., 2000, nr. 88). B.3.
  13. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de fase betreffende de voorlopige onteigeningsvergoeding. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die fase. B.
  14. Volgens het in het geding zijnde artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Krachtens de artikelen 1017 en 1018 van hetzelfde Wetboek komt die rechtsplegingsvergoeding ten laste van de in het ongelijk gestelde partij. In navolging van het arrest van het Hof nr. 186/2011 van 8 december 2011, interpreteert de verwijzende rechter die bepalingen in die zin dat de onteigende als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd wanneer de vrederechter een voorlopige onteigeningsvergoeding vaststelt. Bijgevolg heeft de onteigende recht op een rechtsplegingsvergoeding als tegemoetkoming in de kosten en erelonen van zijn advocaat. 8 B.5.
  15. De onteigening biedt de overheid de mogelijkheid om voor doeleinden van algemeen nut de beschikking te krijgen over in het bijzonder onroerende goederen die niet middels de gewone wijzen van eigendomsoverdracht kunnen worden verworven. Ter waarborging van de rechten van de eigenaar bepaalt artikel 16 van de Grondwet evenwel dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling. Om billijk te zijn, moet de schadeloosstelling in beginsel een integraal herstel van het geleden nadeel waarborgen. B.5.
  16. De in de wet van 26 juli 1962 geregelde procedure beoogt in hoofdzaak de eigenaars te beschermen tegen onrechtmatig optreden van de overheid, en dit in het kader van het grondrecht gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet. Meer in het bijzonder beoogt die procedure de onteigende het recht op een billijke schadeloosstelling te waarborgen. B.5.
  17. Door de beslissing van de overheid om over te gaan tot de onteigening van een goed, wordt de eigenaar van dat goed noodgedwongen partij in een gerechtelijke procedure, die in essentie ertoe strekt het in artikel 16 van de Grondwet bedoelde grondrecht te waarborgen. Door die beslissing wordt de eigenaar, tegen zijn wil, geplaatst in een situatie waarin hij dient te waken over de naleving van zijn grondrechten. Vanwege het juridische en het technische karakter van het onderwerp van de onteigeningsprocedure, is het daarbij niet onredelijk dat hij van oordeel is dat hij zijn rechten slechts ten volle kan laten gelden wanneer hij zich laat bijstaan door een advocaat. De kosten en de erelonen van die advocaat dienen aldus te worden beschouwd als een gevolg van de beslissing van de overheid om over te gaan tot een onteigening, en dienen, opdat het geleden nadeel integraal kan worden hersteld, overeenkomstig artikel 16 van de Grondwet, door de onteigenende overheid te worden vergoed. B.6.
  18. In de interpretatie van de verwijzende rechter dat de kosten en erelonen van de advocaat van de onteigende in de procedure waarbij een voorlopige onteigeningsvergoeding wordt vastgesteld, op een forfaitaire wijze worden vergoed door de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding, kan het in het geding zijnde artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek ertoe leiden dat die kosten en erelonen niet volledig worden vergoed. 9 B.6.
  19. Zoals het Hof bij zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 en zijn arrest nr. 186/2011 van 8 december 2011 heeft geoordeeld, heeft de wetgever, door ervoor te kiezen de verhaalbaarheid van de kosten en de erelonen van de advocaat te regelen met de techniek van de forfaitaire bedragen, teneinde de wetgeving in overeenstemming te brengen met de vereisten van het eerlijk proces en van het gelijkheidsbeginsel, evenwel geen maatregel genomen die zonder verantwoording is. Door overigens erin te voorzien dat de forfaitaire bedragen na raadpleging van de orden van de balies worden vastgesteld, heeft de wetgever ervoor gezorgd dat die bedragen zouden worden vastgesteld in verhouding tot de door de meeste advocaten gehanteerde erelonen, zodat de toekenning van een forfaitaire rechtsplegingsvergoeding op zich niet kan worden geacht te leiden tot een onbillijke onteigeningsvergoeding. Uit artikel 1022, aangehaald in B.1.1, vloeit voort dat de rechter, op verzoek van een van de partijen, de vergoeding ofwel kan verminderen, ofwel verhogen, zonder evenwel de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter met name rekening met « het kennelijk onredelijk karakter van de situatie » (EHRM, 23 oktober 2018, Musa Tarhan t. Turkije, §§ 86-87). Anders dan de verwerende partijen voor de verwijzende rechter aanvoeren, leidt het feit dat de rechtsplegingsvergoeding niet werd verhoogd naar aanleiding van de onderwerping van de diensten van advocaten aan de belasting over de toegevoegde waarde (btw), niet tot een ander resultaat. Zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie bij zijn arrest C-543/14 van 28 juli 2016 heeft geoordeeld, « kan er geen nauw verband, laat staan een dwingend verband, worden gelegd tussen de onderwerping van diensten van advocaten aan btw enerzijds en een stijging van de prijs van deze diensten anderzijds » (punt 35). B.6.
  20. Voorts heeft het Hof bij zijn arrest nr. 15/2009 van 5 februari 2009 voor recht gezegd dat artikel 1022, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het aan een partij het recht ontzegt om haar werkelijke kosten van juridische bijstand volledig te recupereren, terwijl een partij van wie de schade bestaat uit andere elementen dan advocatenkosten, een volledige vergoeding kan verkrijgen van de door haar gemaakte kosten. Dat arrest berust op de volgende motieven : 10 « B.10.
  21. De deskundigen en technisch raadgevers die een procespartij adviseren, bevinden zich, in het licht van de in het geding zijnde wetgeving, in een situatie die wezenlijk verschilt van die van de advocaten die de partijen bijstaan en in rechte vertegenwoordigen. Terwijl het optreden van een advocaat vrijwel altijd vereist is in het kader van een gerechtelijke procedure, wordt minder frequent een beroep gedaan op een technisch raadgever. Evenzo treedt de advocaat doorgaans op gedurende de hele procedure, waardoor tussen hem en zijn cliënt een bijzondere verhouding ontstaat, terwijl het optreden van de technisch raadgever doorgaans zeer gericht is, wanneer hij advies moet uitbrengen over een welbepaald aspect van het geschil. B.10.
  22. Aangezien de keuze van de wetgever om de aangelegenheid te regelen door de vaststelling van forfaitaire bedragen die ten laste kunnen worden gelegd van de in het ongelijk gestelde partij, redelijk is verantwoord, rekening houdend met wat is vermeld in B.7.6.6 van het arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 betreffende de rechtzoekenden die de juridische tweedelijnsbijstand genieten, rechtvaardigen de verschillen die bestaan tussen de advocaten en de technisch raadgevers ten aanzien van hun plaats in het proces en de aard van hun optreden, dat de wetgever de specifieke reglementering die hij heeft aangenomen voor de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten, niet heeft uitgebreid tot alle andere raadgevers die mogelijk in een gerechtelijke procedure optreden ». B.
  23. Om dezelfde redenen dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 november
  24. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.192 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.079 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.