id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.195 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191205.5 Arrest- Rolnummer: 195/2019 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-12-13 Raadplegingen: 463 - laatst gezien 2026-06-28 21:46 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Gezinsbijslag - Werknemer - Bijslagen - Kinderbijslag PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 3 en 120 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 februari 2018 « betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen », ingesteld door Nicolas Deswysen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Waals Gewest - Kinderbijslag - Rechtgevende kinderen - Bedrag - Oud regeling / Nieuw regeling - Overgangsrecht - Kinderen onderworpen aan de overgangsregeling tot het verval van hun recht op kinderbijslag. Tekst van de beslissing Rolnummer 6910 Arrest nr. 195/2019 van 5 december 2019 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 3 en 120 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 februari 2018 « betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen », ingesteld door Nicolas Deswysen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter E. Derycke, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 april 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 april 2018, heeft Nicolas Deswysen beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 3 en 120 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 februari 2018 « betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 maart 2018). Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. L. Goossens, advocaten bij de balie te Brussel; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré, Mr. M. Lambert de Rouvroit en Mr. C. Pietquin, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 15 mei 2019 heeft het Hof beslist : - dat de zaak niet in staat van wijzen is; - de partijen uit te nodigen, in een uiterlijk op 17 juni 2019 in te dienen aanvullende memorie die ze binnen dezelfde termijn uitwisselen, hun standpunt kenbaar te maken over de kwestie van de mogelijke gevolgen, voor het onderhavige beroep tot vernietiging, van de wijziging van het bestreden artikel 120 van het voormelde decreet van het Waalse Gewest van 8 februari 2018 bij artikel 13 van het decreet van het Waalse Gewest van 20 december 2018. Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partij; - de Waalse Regering. Bij beschikking van 17 juli 2019 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 18 september 2019. Op de openbare terechtzitting van 18 september 2019 : - zijn verschenen : . Mr. B. Martel, voor de Vlaamse Regering; . Me S. Depré et Me C. Pietquin, voor de Waalse Regering; - hebben rechter J.-P. Moerman, verslaggever ter vervanging van rechter-verslaggever J.-P. Snappe, wettig verhinderd voor het beraad, en rechter-verslaggever L. Lavrysen verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang om in rechte te treden A.1.1. De verzoekende partij voert haar hoedanigheid aan van vader van een kind dat op 27 oktober 2013 is geboren en recht zal geven op kinderbijslag waarvan het bedrag lager ligt dan dat voor de kinderen die zijn geboren na de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen. A.1.2. De Waalse Regering merkt op dat de verzoekende partij als ouder en bijslagtrekkende doet blijken van een belang bij het beroep, en niet als begunstigde van de kinderbijslag. Ten aanzien van de gevolgen van de vervanging van het bestreden artikel 120, eerste lid, van het decreet van 8 februari 2018 bij artikel 13, 1°, van het decreet van 20 december 2018, voor het beroep tot vernietiging A.2.1. In een aanvullende memorie betreffende de gevolgen van de vervanging van het bestreden artikel 120, eerste lid, van het decreet van 8 februari 2018 « betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen » (hierna : het decreet van 8 februari 2018) bij artikel 13, 1°, van het decreet van 20 december 2018 « tot wijziging van het decreet van 8 februari 2018 betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen » (hierna : het decreet van 20 december 2018), voor het door haar ingestelde beroep, vraagt de verzoekende partij het beroep tot vernietiging uit te breiden tot artikel 13, 1°, van het decreet van 20 december 2018 en, bijgevolg, tot artikel 120, eerste lid, van het decreet van 8 februari 2018, zoals gewijzigd bij die bepaling. Bij haar memorie wil zij overigens een nieuw beroep instellen, voor zover nodig, tegen artikel 120, eerste lid, van het decreet van 8 februari 2018, zoals gewijzigd. Zij is ten slotte van mening dat de decreetswijziging de bij het beroep aangeklaagde schendingen niet wegneemt, zodat het aan het Hof staat zich uit te spreken over de grondwettigheid van de bestreden bepalingen. A.2.2. In een aanvullende memorie over hetzelfde onderwerp geeft de Waalse Regering aan dat het doel van de decreetswijziging erin bestond de lacunes op te vangen die gebleken waren tijdens de operationaliseringsfases en het mogelijk te maken sommige bepalingen van het decreet van 8 februari 2018 in werking te laten treden op een andere datum dan de inwerkingtreding van het decreet. Volgens haar tast de wijziging de geest van de overgangsregeling waarin het decreet van 8 februari 2018 voorziet, niet aan. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het enige middel A.3.1 De verzoekende partij leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 22bis en 23 van de Grondwet. A.3.2. De Vlaamse Regering voert de onontvankelijkheid aan van het middel in zoverre daarin de schending van de artikelen 22bis en 23 van de Grondwet wordt aangevoerd. De verzoekende partij zou niet uiteenzetten in welke zin die bepalingen zijn geschonden, zoals artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en de desbetreffende rechtspraak van het Hof dat vereisen. 4 A.3.3. De verzoekende partij antwoordt dat de grief betrekking heeft op de ontoereikende verantwoording, voornamelijk van budgettaire aard, die de Waalse Regering aanvoert voor het aangeklaagde verschil in behandeling. Zij onderstreept dat zij ter ondersteuning van haar argumentatie uitdrukkelijk heeft verwezen naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. De aangevoerde schending van de artikelen 22bis en 23 van de Grondwet maakt integraal deel uit van het beroep tot vernietiging in zoverre de verzoekende partij de achteruitgang in de bescherming van de met name geldelijke rechten van haar kind opwerpt. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft in haar advies zelf onderstreept dat de artikelen 10, 11, 22bis en 23 van de Grondwet met elkaar zijn verbonden. De verzoekende partij merkt voorts op dat de andere partijen in staat zijn geweest zich nuttig te verweren, waarbij de Waalse Regering de ontvankelijkheid van het beroep voor het overige niet heeft betwist. A.3.4. De Waalse Regering antwoordt dat de verzoekende partij alleen in deel B van haar memorie van antwoord kritiek uit ten aanzien van de schending van de artikelen 22bis en 23 van de Grondwet, hetgeen zou neerkomen op een nieuw en derhalve onontvankelijk middel. A.3.5. De Vlaamse Regering merkt eveneens op dat alleen in de memorie van antwoord van de verzoekende partij de aangevoerde schending van de artikelen 22bis en 23 van de Grondwet wordt uiteengezet. Ten gronde A.4. Volgens de verzoekende partij bestaat er een tegenstrijdigheid tussen de handhaving, door de decreetgever, van twee stelsels van kinderbijslag, die van toepassing zijn naar gelang van de geboortedatum van het rechtgevende kind, tot de uitdoving van het eerste stelsel in 2043, en de verklaring van de Waalse Regering tijdens de totstandkoming van het decreet volgens hetwelk « een kind = een kind ». De verzoekende partij verwijst naar het advies nr. 62.338/2 van 13 december 2017 van de afdeling wetgeving van de Raad van State, waarin de aandacht van de decreetgever wordt gevestigd op het onevenredige karakter van het verschil in behandeling dat het decreet invoert ten aanzien van het vóór 1 januari 2019 geboren kind. A.5.1. De Waalse Regering antwoordt dat voor de kinderen die zijn geboren vóór de door haar vastgestelde datum een overgangsregeling bestaat, die maximaal 25 jaar van toepassing is, daar het kind recht heeft op kinderbijslag tot de leeftijd van 25 jaar. De Waalse Regering verwijst naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof volgens welke, in de hypothese van een wijziging in de wetgeving, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet alleen zijn geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis ervan leidt tot een verschil in behandeling dat niet redelijk kan worden verantwoord of indien op overdreven wijze afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van het gewettigd vertrouwen (arresten nrs. 32/2016 van 3 maart 2016, B.6, en 30/2018 van 15 maart 2018, B.8). Zij voegt eraan toe dat, naar aanleiding van het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, de memorie van toelichting van het decreet is aangevuld teneinde tegemoet te komen aan de opmerkingen van die afdeling. A.5.2. De Waalse Regering merkt op dat het aangeklaagde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de geboortedatum van het rechtgevende kind. Dat criterium is relevant in zoverre de toekenning van gezinsbijslag afhangt van de geboorte van het rechtgevende kind. A.5.3. De Waalse Regering zet uiteen dat de goedkeuring van de bestreden bepalingen drie gewettigde doelstellingen nastreeft die onder het algemeen belang ressorteren. De eerste doelstelling is de invoering van een eenvoudig en transparant systeem waarin geen verschil in rang meer bestaat tussen de kinderen van eenzelfde gezin. Een en ander maakt het mogelijk zich aan te passen aan de ontwikkeling en aan de verscheidenheid van de gezinsmodellen, daar ieder kind voortaan recht zal hebben op een identiek bedrag, los van de latere ontwikkeling van de gezinssituatie. De tweede stelling bestaat erin de budgettaire en financiële leefbaarheid van het nieuwe model te verzekeren. 5 De derde doelstelling bestaat erin de verworven rechten van de rechtgevende kinderen die zijn geboren vóór de door de Waalse Regering vastgestelde datum, alsook de standstill-verplichting inzake het niveau van bescherming van het recht op kinderbijslag waarin de nieuwe regeling voorziet, in acht te nemen, overeenkomstig artikel 23, derde lid, 6°, van de Grondwet. A.5.4. Ten aanzien van het evenredige karakter van het verschil in behandeling werpt de Waalse Regering op dat de toekenning van hetzelfde basisbedrag van 155 euro aan alle kinderen, los van hun geboortedatum, een meerkost van bijna 10 % van de totale begroting van de kinderbijslagen in het Waalse Gewest met zich mee zou hebben gebracht, meerkost die het niet mogelijk zou hebben gemaakt de leefbaarheid en duurzaamheid van het systeem te verzekeren. Om de budgettaire perken in acht te nemen, had het basisbedrag moeten worden beperkt tot 125 euro, hetgeen een betekenisvolle achteruitgang zou hebben veroorzaakt voor zowel de bestaande gezinnen als de nieuwe gezinnen, in het licht van de standstill-verplichting, en ernstig afbreuk zou hebben gedaan aan de verworven rechten en gewettigde verwachtingen van de bestaande rechtgevenden. Een andere optie had kunnen zijn van de vroegere naar de nieuwe regeling over te gaan naar gelang van de meest voordelige situatie voor het gezin op een gegeven ogenblik. Die optie is afgewezen daar die de gezinnen met jonge kinderen bij de inwerkingtreding van het decreet benadeelde. Die laatsten zouden immers niet de ontwikkeling hebben genoten waarin het vroegere model inzake leeftijdsbijslagen voorziet. Die optie zou eveneens een administratieve chaos met zich hebben meegebracht. De Waalse Regering erkent dat het nadeel van de overgangsregeling waarbij de handhaving van het vroegere model wordt opgelegd, vooral tot uiting komt voor de kinderen jonger dan zes jaar. Zij onderstreept evenwel dat de nadelen daarna verdwijnen wegens de toepassing van de leeftijdsbijslagen waarin is voorzien wanneer het kind de leeftijden bereikt van zes, twaalf en achttien jaar, maar ook, in voorkomend geval, wegens de toepassing van de sociale toeslag. Zij voegt eraan toe dat sommige elementen van de nieuwe regeling van toepassing zijn gemaakt op de kinderen die zijn geboren vóór de door de Waalse Regering vastgestelde datum, en stelselmatig in hun voordeel zijn. De Waalse Regering voert aan dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij suggereert, haar dochter, die recht geeft op gezinsbijslag, geen geld zal verliezen ten opzichte van wat zij ontvangt sinds haar geboorte, zodat er geen sprake is van een achteruitgang van het niveau van bescherming van haar recht op kinderbijslag die strijdig zou zijn met de artikelen 22bis en 23 van de Grondwet. Ten slotte, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies heeft aangegeven, neemt de overgangsregeling die bij het decreet van 8 februari 2018 is ingevoerd, het beginsel van gewettigd vertrouwen, dat verbonden is met het beginsel van rechtszekerheid, in acht. A.6.1. De Waalse Regering herinnert eraan dat de schending van het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie alleen kan worden aangevoerd indien het aangeklaagde verschil of de aangeklaagde gelijkheid van behandeling kennelijk onredelijk is. Het staat eveneens aan de wetgever om te bepalen of een wijziging in de wetgeving al dan niet gepaard moet gaan met overgangsmaatregelen teneinde rekening te houden met de gewettigde verwachtingen van de betrokken personen en om, in voorkomend geval, de voorwaarden daarvan te definiëren. De Vlaamse Regering voegt eraan toe dat het inherent is aan een overgangsregeling dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de personen wier rechtstoestand valt onder het toepassingsgebied van die regeling en de personen wier rechtstoestand valt onder het toepassingsgebied van een nieuwe regeling. Het Hof zou een dergelijke keuze alleen kunnen afkeuren indien die zou berusten op een kennelijke vergissing of indien die kennelijk onredelijk zou zijn, hetgeen te dezen niet het geval is. Volgens de Vlaamse Regering kan uit te twijfels die de afdeling wetgeving van de Raad van State in het kader van haar preventieve controle heeft geuit, niet worden afgeleid dat de in het geding zijnde overgangsregeling automatisch ongrondwettig zou zijn, te meer daar zij haar opmerkingen heeft geformuleerd « onder voorbehoud » van een aanvullende verantwoording door de decreetgever, hetgeen die laatste heeft gedaan door de memorie van toelichting in grote mate aan te vullen met behulp van onder meer vergelijkende tabellen. 6 A.6.2. De Vlaamse Regering voert aan dat de in het geding zijnde overgangsregeling voortvloeit uit de wil om verschillende doelen van algemeen belang met elkaar te verzoenen, namelijk tegemoetkomen aan de gewettigde verwachtingen van de betrokken rechthebbenden, alsook rekening houden met het budgettaire gevolg van de hervorming. De decreetgever heeft ook getracht het administratieve gevolg van de hervorming voor de betrokken kinderbijslagfondsen te beperken, waarbij die laatste immers geen nieuwe volledige berekeningen moeten uitvoeren voor de kinderen die zijn geboren vóór de inwerkingtreding van de hervorming. De Vlaamse Regering is van mening dat de in het geding zijnde overgangsregeling redelijk verantwoord is in het licht van zowel de voormelde doelstellingen als de finaliteit van de gezinsbijslagen, die ertoe strekken de kosten inzake onderhoud en opvoeding van de kinderen van een gezin gedeeltelijk te compenseren. Volgens haar berust het aangeklaagde verschil in behandeling op een objectief en relevant criterium, namelijk de geboortedatum van het kind en de objectieve vaststelling dat het is geboren vóór of vanaf de inwerkingtreding van het bestreden decreet. A.6.3. De Vlaamse Regering voegt eraan toe dat het verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt en niet kennelijk onredelijk is, daar de decreetgever redelijkerwijs vermocht ervan uit te gaan dat de bescherming van de gewettigde verwachtingen van de betrokken rechtgevenden die zijn geboren vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling, niet vereist dat die laatstgenoemden op dezelfde manier worden behandeld als de rechtgevenden die na die datum zijn geboren. Dat geldt des te meer daar het nieuwe systeem niet voordelig is voor alle gezinnen in elke hypothese. Aldus zouden sommige gezinnen met minstens één kind dat is geboren vóór de inwerkingtreding van de hervorming slechts lagere bijslagen ontvangen indien het nieuwe systeem op hen van toepassing zou zijn geweest. De decreetgever kan moeilijk worden verweten een dergelijke achteruitgang in de bescherming van het recht op gezinsbijslag voor die gezinnen te hebben willen voorkomen. Dat geldt des te meer in het licht van de rechtspraak van het Hof, dat aanvaardt dat de wetgever de verscheidenheid van de situaties opvangt door gebruik te maken van categorieën die slechts op vereenvoudigde wijze en bij benadering overeenstemmen met de werkelijkheid. Er anders over beslissen, zou leiden tot een aanzienlijke toename van het aantal overgangsbepalingen, gelet op de verscheidenheid van de gezinssituaties en de ontwikkeling(
- en)ervan, die waarschijnlijk onmogelijk of op zijn minst uiterst moeilijk op te vangen zou zijn, tevens om redenen van administratieve aard. De Vlaamse Regering dringt aan op de noodzaak om rekening te houden met de algemene regeling van de kinderbijslag in het kader van het onderzoek van de bestreden overgangsregeling in het licht van het gelijkheidsbeginsel. Hoewel de in de nieuwe regeling toegekende basisbedragen in sommige gevallen gunstiger zijn dan in de vroegere regeling, geeft die vaststelling slechts een gedeeltelijk overzicht van het in het beroep aangeklaagde verschil in behandeling. Er dient ook rekening te worden gehouden met de nieuwe (soepelere) regeling betreffende de sociale toeslagen en met het behoud van de leeftijdsbijslagen voor de rechthebbenden die zijn geboren vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling. Wanneer met die toeslagen en bijslagen rekening wordt gehouden, blijkt dat, in de meeste gevallen, alleen minieme verschillen bestaan tussen de bedragen die worden toegekend in de nieuwe regeling en die welke worden toegekend in de vroegere. In sommige gevallen zal een kind dat is geboren vóór de inwerkingtreding van die nieuwe regeling, zelfs aanspraak kunnen maken op een totaalbedrag dat hoger is dan het basisbedrag van de nieuwe regeling. A.7.1. De verzoekende partij zet uiteen dat het verschil in behandeling in het bijzonder nadelig is voor de gezinnen met een enkel kind vóór de inwerkingtreding van de hervorming. Zij verwijt de decreetgever de situaties die zich kunnen voordoen niet in detail met elkaar te hebben vergeleken en zich ertoe te hebben beperkt sommige situaties van het nieuwe systeem te vergelijken met het vroegere systeem en een verondersteld systeem waarin de basisbedragen lager zouden zijn. De verzoekende partij herinnert eraan dat, hoewel de geboortedatum door de Waalse Regering wordt voorgesteld als een objectief criterium in het licht van het aangeklaagde verschil in behandeling, de geboorte en de leeftijd beschermde criteria zijn die worden beoogd in de artikelen 3, 3°, en 4, 5°, van het decreet van 6 november 2008 « ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie ». Het verschil in behandeling dient bijgevolg in het licht van dat decreet te worden beoordeeld. 7 De verzoekende partij verwondert zich erover dat het Waalse Gewest het aangeklaagde verschil in behandeling verantwoordt door overwegingen in verband met het standstill-beginsel, terwijl de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies heeft gepreciseerd dat het gaat om twee onderscheiden vragen. Volgens de verzoekende partij strekt de memorie van toelichting zoals die is aangevuld naar aanleiding van het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, ertoe aan te tonen dat de overgangsregeling voordeliger is dan de toepassing van het nieuwe systeem op alle kinderen, los van hun geboortedatum. Die vergelijking gaat evenwel niet op in zoverre die steunt op budgettaire overwegingen die, volgens het Waalse Gewest, niet kunnen worden gewijzigd. De verzoekende partij onderstreept dat de Waalse Regering niet uitlegt waarom zij voor een vaste begroting kiest, terwijl het Waalse Gewest beschikt over een budgettaire ruimte wegens zijn fiscale autonomie. In de veronderstelling dat het Hof de budgettaire verantwoording aanvaardt, dan zouden de keuzes die aanleiding hebben gegeven tot de budgettaire beperkingen, niet verantwoord zijn. Niets zou concreet erop wijzen dat de begroting van de hervorming is geïnspireerd op het bedrag van die vaste (te indexeren) begroting. De Waalse Regering zou niet aantonen dat een aan alle kinderen toegekend basisbedrag van 155 euro zou leiden tot een meerkost van bijna 10 % van de totale begroting van de kinderbijslagen in het Waalse Gewest. De makkelijk te berekenen bijslagen of de verbeteringen op administratief vlak zouden niet volstaan om het aangeklaagde verschil in behandeling te verantwoorden. De verzoekende partij voert voorts aan dat de bescherming van de verworven rechten evenmin een geldige verantwoording is, aangezien de bescherming van die rechten een groot deel van de kinderen en gezinnen discrimineert door de aanzienlijke achteruitgang die zij met zich meebrengt. Het zou gedeeltelijk fout zijn om te beweren dat de optie die erin bestaat de gezinnen met een of meer kinderen die vóór de inwerkingtreding van het decreet zijn geboren, te laten overgaan van het vroegere naar het nieuwe model wanneer dat laatste gunstiger is, die gezinnen zou benadelen. De tabel waarin de Waalse Regering het nieuwe systeem en het vroegere systeem met elkaar vergelijkt, zou aantonen dat, met uitzondering van drie gevallen in verband met de bijslag voor invaliditeit, een gezin met een kind, ongeacht of het jonger is dan zes jaar of ouder, zich stelselmatig bevindt in een situatie die minder gunstig is dan wanneer die kinderbijslag in het nieuwe systeem zou zijn gestort, zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de toepassing van de leeftijdsbijslagen of andere. De verzoekende partij vermeldt de bijzondere situatie van een gezin dat op 1 januari 2019 een jong kind en een meerderjarig kind telt. Dat gezin wordt voordeliger behandeld bij de inwerkingtreding van de hervorming, maar zulks is niet langer het geval zodra het oudste kind niet meer rechtgevend is, daar het jongste kind alleen nog het recht opent in de minimumrang van de vroegere regeling. Er kan niet worden aangevoerd dat alleen minieme verschillen bestaan tussen de bedragen die worden toegekend onder het nieuwe systeem en onder het vroegere. A.7.2. Volgens de verzoekende partij is het verschil in behandeling niet evenredig, noch in overeenstemming met het algemeen belang, in zoverre de gezinnen met één kind, volgens de door de Waalse Regering voorgelegde cijfers, 51 % van de gezinnen uitmaken. De kostprijs van de overgangsregeling wordt voornamelijk gedragen door de gezinnen met slechts één kind vóór de inwerkingtreding van het decreet, terwijl het eerste kind wordt erkend als zijnde het duurste. Die gezinnen zullen dus in de meeste gevallen dubbel bestraft worden wanneer andere kinderen worden geboren, daar zij minder hoge bijslagen zullen ontvangen dan die welke worden ontvangen door een gezin met hetzelfde aantal kinderen die allen vóór, ofwel na de inwerkingtreding van de hervorming zijn geboren. Op die manier zou afbreuk worden gedaan aan de gewettigde verwachtingen van een bepaalde categorie van rechtzoekenden zonder dat een dwingende reden van algemeen belang bestaat om de maatregel te verantwoorden. De Waalse Regering zou evenmin het bestaan aantonen van de administratieve moeilijkheden die zij aanvoert. 8 De verzoekende partij verwijst naar artikel 111 van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 23 april 2018 « betreffende de gezinsbijslagen », alsook naar de hervorming die is aangekondigd door het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in het kader waarvan alle kinderen zullen worden onderworpen aan het nieuwe systeem, onder voorbehoud van een mechanisme dat ertoe strekt de gezinnen te vrijwaren van elke vermindering ten opzichte van het bedrag dat zij thans ontvangen. Ten slotte onderstreept de verzoekende partij dat de zogenaamde « overgangsbepaling » het in geen geval mogelijk maakt over te gaan van de vroegere regeling naar de nieuwe regeling, daar zij de kinderen die zijn geboren vóór de hervorming onder de vroegere wetgeving « vasthoudt ». A.8.1. De Waalse Regering voert aan dat het beroep tot vernietiging losstaat van de begroting die het Waalse Gewest heeft beslist te wijden aan de kinderbijslagen en dat de in verband met het budgettair aspect geformuleerde kritiek louter opportunistisch is. De Waalse Regering onderstreept de verplichting die weegt op het Gewest om een begroting in evenwicht te houden, overeenkomstig het samenwerkingsakkoord van 29 november 2013 tussen de Federale Overheid, de Gemeenschappen, de Gewesten en de Gemeenschapscommissies « betreffende de uitvoering van artikel 3, § 1, van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie ». A.8.2. De Waalse Regering wijst nogmaals nadrukkelijk op de bijzonder zware budgettaire gevolgen van de keuze om onmiddellijk alle kinderen te laten overgaan naar de nieuwe regeling, zoals de verzoekende partij dat wenst. Volgens de Waalse Regering heeft het gegeven dat de leeftijd en de geboortedatum criteria zijn die worden beoogd in het voormelde decreet van 6 november 2008, geen gevolgen. Artikel 7, § 2, aangehaald door de verzoekende partij, legt immers uitsluitend op dat een verschil in behandeling dat steunt op een van die criteria objectief wordt verantwoord door een gewettigd doel en dat de middelen om dat doel te verwezenlijken, gepast en noodzakelijk zijn. De Waalse Regering is van mening dat het Gewest daadwerkelijk handelt teneinde een gewettigd doel te verwezenlijken en dat de aangewende middelen evenredig zijn met dat doel. Zij voegt eraan toe dat dergelijke criteria overigens reeds zijn aanvaard door het Grondwettelijk Hof, met name op het gebied van de kinderbijslagen (arrest nr. 66/2007 van 26 april 2007, B.6). A.8.3. Ten aanzien van de evenredigheid van de maatregel onderstreept de Waalse Regering dat de in het geding zijnde regeling precies door de decreetgever is gekozen omdat die het minst afbreuk doet aan de rechten van de gezinnen. De Waalse Regering voert aan dat de voorbeelden die de verzoekende partij geeft in de verschillende vergelijkende tabellen die bij haar memorie van antwoord zijn gevoegd, dienen te worden gerelativeerd, daar de gevolgen van de hervorming zeer gevarieerd kunnen zijn naar gelang van de gezinssituatie en de socio- professionele situatie van het gezin. De Waalse Regering dringt aan op de noodzaak om rekening te houden met de algemene economie van elke regeling om de situaties te vergelijken. Zij geeft verschillende voorbeelden waaruit blijkt dat de overgangsregeling ofwel een positieve, ofwel een negatieve weerslag heeft op de gezinnen, naar gelang van hun bijzondere situatie. Die voorbeelden tonen de aanzienlijke gevolgen van de familiale ontwikkeling in de loop der jaren aan, alsook de financiële gevolgen ervan, waarbij een nadelige situatie op het eerste gezicht later voordelig kan blijken. De Waalse Regering weerlegt de vergelijking met de regelingen die zijn uitgewerkt in Brussel en in de Duitstalige Gemeenschap. Volgens haar zijn de familiale en budgettaire werkelijkheden zeer verschillend. Zij voegt eraan toe dat het Hof van oordeel is dat het federalisme per hypothese impliceert dat eenzelfde aangelegenheid verschillend kan worden behandeld door de verschillende gewesten of gemeenschappen, zonder dat daarom sprake is van discriminatie. A.8.4. Volgens de Waalse Regering zou het beginsel van gewettigd vertrouwen, tenzij elke hervorming onmogelijk wordt gemaakt, de wetgever niet ertoe kunnen verplichten te voorzien in overgangsbepalingen die in werkelijkheid tot gevolg hebben de vroegere regeling voor onbepaalde duur te handhaven. A.8.5. De Waalse Regering verzoekt de gevolgen van de bestreden bepalingen, in de hypothese van de eventuele vernietiging ervan, te handhaven tot de aanneming van nieuwe bepalingen. 9 A.9. De Vlaamse Regering stelt vast dat de door de verzoekende partij opgeworpen grieven hoofdzakelijk betrekking hebben op het feit dat de decreetgever onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de gevolgen van de bestreden overgangsregeling voor bepaalde soorten van gezinnen en met hun ontwikkeling, in het bijzonder de gezinnen met een enkel kind geboren vóór de inwerkingtreding van het decreet, wanneer daarna andere kinderen zouden worden geboren. Bij de totstandkoming van een nieuw model van gezinsbijslagen - en van de desbetreffende overgangsregeling - dient rekening te worden gehouden met een groot aantal variabelen (aantal kinderen, geboortedatum(-data), gezinsconfiguratie, al dan niet sociale toeslagen, recht op een schooltoelage of niet). Voor eenzelfde gezin, afhankelijk van de ontwikkeling ervan, is het mogelijk diverse situaties aan te geven waarin verschillen tussen de bedragen van de vroegere en van de nieuwe regeling worden vastgesteld. Die verschillen in behandeling zijn evenwel niet per definitie onevenredig en nog minder kennelijk onredelijk. Met de bestreden overgangsregeling heeft de decreetgever een billijk evenwicht bereikt tussen de verwachtingen van de rechthebbenden, enerzijds, en de budgettaire overwegingen, anderzijds. De Vlaamse Regering merkt op dat uit het loutere gegeven dat de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie hebben gekozen voor een andere overgangsregeling niet kan worden afgeleid dat de in het geding zijnde overgangsregeling (kennelijk) onredelijke gevolgen zou hebben. Die keuze vloeit voort uit de autonomie waarover elke wetgever beschikt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en zou op zich geen schending kunnen inhouden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (cf., met name, arrest nr. 66/2007, voormeld). De kritiek die de verzoekende partij formuleert tegen het gekozen systeem, is opportunistisch ten aanzien van de politieke keuze die de decreetgever ter zake heeft gemaakt, hetgeen het Hof niet vermag te controleren. -B- Ten aanzien van het onderwerp van het beroep B.1.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen de artikelen 3 en 120 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 februari 2018 « betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen » (hierna : het decreet van 8 februari 2018). Wat die tweede bepaling betreft, blijkt uit het verzoekschrift en uit de uiteenzetting van het enige middel dat het beroep alleen betrekking heeft op het eerste lid ervan. De artikelen 3 en 120, eerste lid, van het decreet van 8 februari 2018 bepalen : « Art. 3. Behalve uitdrukkelijk voorziene uitzondering is dit decreet van toepassing op de rechtgevende kinderen geboren vanaf de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid ». 10 « Art. 120. De algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (AKBW) en de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag worden opgeheven op de door de Regering bepaalde datum bedoeld in artikel 136, § 1, met uitzondering van de artikelen 40 tot 50septies, 52 tot 55 en 56ter tot 76bis van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (AKBW) die na deze datum van toepassing blijven voor de kinderen geboren uiterlijk de dag voor bedoelde datum die door de Regering is bepaald ». B.1.2. Het voormelde artikel 120 is gewijzigd bij artikel 13 van het decreet van het Waalse Gewest van 20 december 2018 « tot wijziging van het decreet van 8 februari 2018 betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen » (hierna : het decreet van 20 december 2018), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 2 januari 2019, dat bepaalt : « In artikel 120 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : ‘ De algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (AKBW) en de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag worden opgeheven op de door de Regering bepaalde datum bedoeld in artikel 136, eerste lid, met uitzondering van de artikelen 40 tot 50septies, 52 tot 55, en 56bis, § 2, tot 64, 66, 70, 70bis, leden 1 tot 3, en lid 4, tweede zin, en 70ter tot 76bis, van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (AKBW) die van toepassing blijven voor de kinderen geboren uiterlijk de dag voor de datum die door de Regering is bepaald krachtens artikel 136, tweede lid, en die een recht openen op gezinsbijslagen op basis van de criteria bepaald bij artikel 4 van dit decreet. ’; 2° in het tweede lid, worden de woorden ‘ , voor zover de aangewezen bijslagtrekkende de in artikel 21 van dit decreet bepaalde voorwaarden naleeft, ’ ingevoegd tussen de woorden ‘ worden gehandhaafd ’ en de woorden ‘ totdat een nieuw element ’; 3° in het derde lid worden de woorden ‘ of in geval van handhaving ervan overeenkomstig artikel 22, § 1, zevende lid, ’ ingevoegd tussen de woorden ‘ Indien het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend ’ en de woorden ‘ wordt de bloedverwant die geen deel uitmaakt ’ ». Die wijziging is in werking getreden op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 20 van het decreet van 20 december 2018. B.1.3. Volgens artikel 2 van het besluit van de Waalse Regering van 20 december 2018 « tot uitvoering van artikel 136 van het decreet van 8 februari 2018 betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen », bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 14 januari 2019, zijn de artikelen 3 en 120 van het decreet van 8 februari 2018 in werking getreden op 1 januari 2019. 11 B.1.4. Wegens de in B.1.2 vermelde wijziging wordt het beroep in beginsel zonder voorwerp in zoverre het is gericht tegen artikel 120, eerste lid, van het decreet van 8 februari 2018. B.2.1. In haar aanvullende memorie vraagt de verzoekende partij het beroep tot vernietiging uit te breiden tot artikel 13, 1°, van het decreet van 20 december 2018 en bijgevolg tot artikel 120, eerste lid, van het decreet van 8 februari 2018, zoals vervangen bij die bepaling. Zij wil overigens, voor zover nodig, bij wege van haar memorie een nieuw beroep instellen tegen artikel 120, eerste lid, van het decreet van 8 februari 2018, zoals vervangen bij artikel 13, 1°, van het decreet van 20 december 2018. B.2.2. Het Hof dient zijn onderzoek te beperken tot de bepalingen waarvan de vernietiging in het verzoekschrift is gevorderd. De uitbreiding van het beroep, zoals gevraagd door de verzoekende partij in de aanvullende memorie, tot een bepaling die niet in het verzoekschrift wordt bestreden, is derhalve niet ontvankelijk. Een aanvullende memorie, gericht aan het Hof in het kader van een zaak ingeschreven op de rol van het Hof onder een bepaald nummer, is overigens geen verzoekschrift in de zin van artikel 5 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en vormt dus geen nieuw beroep tot vernietiging. B.2.3. Tegen artikel 13 van het decreet van 20 december 2018 is geen enkel beroep tot vernietiging ingesteld. Hieruit vloeit voort dat het onderhavige beroep, in zoverre het betrekking heeft op artikel 120, eerste lid, van het decreet van 8 februari 2018, definitief zonder voorwerp is geworden. B.2.4. Het Hof beperkt zich dus ertoe het beroep te onderzoeken in zoverre het is gericht tegen artikel 3 van het decreet van 8 februari 2018. Om de draagwijdte van die bepaling te beoordelen, houdt het Hof niettemin rekening met het decreet van 20 december 2018. 12 Ten aanzien van artikel 3 van het decreet van 8 februari 2018 en de context ervan B.3. Het decreet van 8 februari 2018 voert een nieuw model voor gezinsbijslagen in. In tegenstelling tot het vroegere model beoogt het nieuwe « eenvoudig en transparant » te zijn (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 989/1, p. 5). Het gaat erom het model van de gezinsbijslagen aan te passen aan de evolutie van het gezinsmodel en een gelijkheid tot stand te brengen tussen de kinderen, ongeacht hun rang binnen het gezin, waarbij tegelijk de billijkheid en de solidariteit worden bevorderd (ibid., pp. 5-6). De kinderbijslag strekt niet langer ertoe geboorten aan te moedigen, in het kader van een geboortebeleid, maar vormt voortaan een regeling ter ondersteuning van het ouderschap, teneinde de personen die ervoor hebben gekozen kinderen te hebben, toe te laten in waardige omstandigheden te leven (ibid., p. 11). B.4.1. In het vroegere model is het bedrag van de maandelijkse basisbijslag progressief volgens de rang van het betrokken kind in het gezin. Aldus bepaalt artikel 40 van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (hierna : AKBW) : « De kinderbijslagfondsen, alsook de in artikel 18 bedoelde overheden en openbare instellingen, verlenen ten behoeve van de rechtgevende kinderen een maandelijkse bijslag van : 1° 68,42 EUR voor het eerste kind; 2° 126,60 EUR voor het tweede kind; 3° 189,02 EUR voor het derde kind en voor elk volgend kind ». Vanaf 1 september 2018 zijn die bedragen respectievelijk vastgesteld op 95,80 euro voor het eerste kind, 177,27 euro voor het tweede kind en 264,67 euro voor het derde kind en elk daaropvolgend kind (zie officieel bericht van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, Belgisch Staatsblad, 11 oktober 2018). 13 Het begrip rang binnen het gezin en het dienovereenkomstige progressieve karakter van de bedragen van de uitbetaalde bijslag gaan, volgens het verslag aan de Koning dat het koninklijk besluit van 21 april 1997 « houdende sommige bepalingen betreffende de gezinsbijslag ter uitvoering van artikel 21 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels » voorafgaat, uit van « het beginsel dat de te dragen last door het gezin vergroot volgens de omvang » (Belgisch Staatsblad, 30 april 1997, p. 10514). B.4.2. Krachtens artikel 42, § 1, van de AKBW wordt de rang van het kind bepaald rekening houdend met de volgorde van de geboorten van de rechtgevende kinderen. De kinderbijslag wordt toegekend rekening houdend met het aantal rechtgevende kinderen, wanneer die wordt uitgekeerd aan een of, in bepaalde omstandigheden, meer bijslagtrekkenden in hetzelfde gezin. B.4.3. Artikel 44 van de AKBW voorziet in leeftijdsbijslagen die met name worden berekend volgens de leeftijd van het rechtgevende kind en zijn rang. Dat artikel bepaalt : « § 1. Het bedrag vermeld in artikel 40, 1° wordt voor een kind dat niet rechtgevend is op een bijslag bedoeld in artikel 41, 42bis, 47 of 50ter verhoogd met een leeftijdsbijslag van : 1° 11,92 EUR voor een kind van minstens 6 jaar; 2° 18,15 EUR voor een kind van minstens 12 jaar; 3° 20,92 EUR voor een kind van minstens 18 jaar. § 2. Het bedrag vermeld in artikel 40, 1° voor een kind dat rechtgevend is op een in artikel 41, 42bis, 47 of 50ter bedoelde bijslag en de bedragen vermeld in de artikelen 40, 2° en 3° en 50bis worden verhoogd met een leeftijdsbijslag van : 1° 23,77 EUR voor een kind van minstens 6 jaar; 2° 36,32 EUR voor een kind van minstens 12 jaar; 3° 46,18 EUR voor een kind van minstens 18 jaar ». Vanaf 1 september 2018 zijn die verschillende bedragen respectievelijk vastgesteld op 16,69, 25,41, 29,29, 33,28, 50,86 en 64,66 euro (zie officieel bericht van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, Belgisch Staatsblad, 11 oktober 2018). 14 B.4.4. De basisbijslag kan worden vermeerderd met een bijslag voor sommige categorieën van rechtgevenden, met name voor de eenoudergezinnen (artikel 41 van de AKBW), voor de kinderen met een aandoening (artikel 44bis), of nog, in sommige sociale situaties (artikel 42bis). B.5.1. In het nieuwe model krijgen alle kinderen een maandelijkse basisbijslag toegekend waarvan het bedrag identiek is, los van het aantal kinderen binnen het gezin en de ontwikkeling van de samenstelling ervan. Artikel 9, § 1, van het decreet van 8 februari 2018 bepaalt aldus : « Er wordt maandelijks ten gunste van het rechtgevend kind een basisbijslag toegekend aan de overeenkomstig artikel 22 aangewezen bijslagtrekkende; het bedrag van die bijslag bedraagt : 1° 155 euro tot het einde van de maand waarin hij/zij de leeftijd van achttien jaar bereikt; 2° 165 euro vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand van zijn/haar achttiende verjaardag tot en met uiterlijk de maand waarin hij/zij de leeftijd van vijfentwintig jaar bereikt ». Er is voorzien in een afzonderlijke basisbijslag voor het kind dat wees is (artikel 9, § 2). B.5.2. De basisbijslag kan worden vermeerderd met een toeslag in sommige situaties die bijzondere lasten met zich meebrengen, met name voor de eenoudergezinnen (rekening houdend met hun inkomsten) (artikel 12 van het decreet van 8 februari 2018), of nog, de gezinnen met een laag inkomen (artikel 13). Er is eveneens voorzien in een specifieke toeslag in de bijzondere hypothese van een gezin met minstens drie kinderen, wanneer de inkomsten van dat gezin lager liggen dan de vastgestelde inkomensgrenzen (artikel 11). De invoering van die toeslag wordt verklaard door « de afschaffing van de progressiviteit van de rangen en rekening houdend met het risico van armoede dat bestaat voor grote gezinnen, de kosten of de verminderde inkomsten van het gezin verbonden aan het aantal kinderen in het gezin » (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 989/1, p. 11). 15 B.5.3. Krachtens het bestreden artikel 3 van het decreet van 8 februari 2018 genieten alleen de rechtgevende kinderen die zijn geboren vanaf de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid, behalve uitdrukkelijk voorziene uitzondering, de nieuwe regeling van de gezinsbijslagen. B.6.1. Artikel 120 van het decreet van 8 februari 2018, zoals gewijzigd bij artikel 13 van het decreet van 20 december 2018, bepaalt : « De algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (AKBW) en de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag worden opgeheven op de door de Regering bepaalde datum bedoeld in artikel 136, eerste lid, met uitzondering van de artikelen 40 tot 50septies, 52 tot 55, en 56bis, § 2, tot 64, 66, 70, 70bis, leden 1 tot 3, en lid 4, tweede zin, en 70ter tot 76bis, van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (AKBW) die van toepassing blijven voor de kinderen geboren uiterlijk de dag voor de datum die door de Regering is bepaald krachtens artikel 136, tweede lid, en die een recht openen op gezinsbijslagen op basis van de criteria bepaald bij artikel 4 van dit decreet. De rechten geopend krachtens de overeenkomstig het eerste lid opgeheven wetgevingen worden gehandhaafd, voor zover de aangewezen bijslagtrekkende de in artikel 21 van dit decreet bepaalde voorwaarden naleeft, totdat een nieuw element dat het nieuwe onderzoek van het dossier zich voordoet. In dit geval wordt het recht op de gezinsbijslagen op grond van de artikelen 40 tot 76bis van de AKBW overeenkomstig deze Titel onderzocht. Voor de toepassing van de artikelen 40 tot 76bis van de AKBW verwijst de term ‘ gerechtigde ’ vanaf de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid, naar een bloedverwant in de eerste graad, een schoonouder of een persoon met wie bedoelde bloedverwant een feitelijk gezin vormt. Indien het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend of in geval van handhaving ervan overeenkomstig artikel 22, § 1, zevende lid, wordt de bloedverwant die geen deel uitmaakt van het gezin van het rechtgevend kind, geacht daarvan deel uit te maken. Bij gebrek aan de hierboven vermelde personen wordt de persoon die het kind werkelijk opvoedt of de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, in aanmerking genomen. Wat betreft de handhaving van het recht van de kinderen die uiterlijk op de dag vóór de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid, ressorteren onder de opgeheven wet van 20 juli 1971, wordt de in artikel 42bis van de AKBW bedoelde toeslag provisioneel gehandhaafd en geregulariseerd na ontvangst van de fiscale gegevens betreffende het gezin van het rechtgevend kind. Alle andere voorwaarden betreffende de handhaving van het recht worden krachtens het decreet onderzocht. De in artikel 10, § 3, van de bovenvermelde wet van 20 juli 1971 bedoelde bijzondere bijslag wordt ten gunste van het geplaatste kind provisioneel gehandhaafd en geregulariseerd na ontvangst van de fiscale gegevens waaruit blijkt dat het gezin van de persoon die bedoelde bijslag ontvangt, zonder inkomen is; in het tegenovergestelde geval wordt de bijzondere bijslag teruggevorderd en wordt het recht op de kinderbijslagen overeenkomstig deze Titel onderzocht. 16 Wat betreft nieuwe aanvragen ingediend vanaf de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid, voor kinderen geboren uiterlijk de dag voor deze datum, worden de voorwaarden m.b.t. de opening van het recht onderzocht overeenkomstig dit decreet terwijl de basisbedragen en toeslagen degene zijn die in het kader van de AKBW binnen de grenzen bedoeld in deze Titel bepaald zijn ». Uit die bepaling vloeit voort dat de vroegere regeling waarin de AKBW voorzag, bij wijze van overgangsregeling gedeeltelijk wordt behouden door de rechtgevende kinderen die zijn geboren uiterlijk op de dag vóór de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, tweede lid, van het decreet. B.6.2. De artikelen 121 en volgende van het decreet van 8 februari 2018 strekken ertoe op de aan die overgangsregeling onderworpen kinderen bepaalde maatregelen van de nieuwe regeling toe te passen die in wezen gunstiger zijn : « Art. 121. Artikel 120 doet geen afbreuk aan de toepassing vanaf de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid, op de kinderen die tijdens hetzelfde jaar de leeftijd van 18 jaar bereiken, van het primerend artikel 5. Art. 122. Voor de toekenning van de toeslagen bedoeld in artikel 41 van de AKBW alsook voor de toekenning aan één bijslagtrekkende bedoeld in artikel 41 van de AKBW, eerste en tweede streepjes, van de in de artikelen 42bis en 50ter, van de AKBW bedoelde toeslagen, ten gunste van de kinderen geboren uiterlijk op 31 december van het jaar vóór de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid, wordt, vanaf de datum bepaald door de Regering, alleen rekening gehouden met het inkomensplafond bedoeld in artikel 13, § 1, 1°. Artikel 120 doet geen afbreuk aan de toepassing, in geval van overlijden dat ten vroegste op de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid, plaatsgevonden heeft, van het prevalerend percentage bedoeld in artikel 50bis van de AKBW, op de kinderen geboren uiterlijk op de dag voor de door de Regering bepaalde datum, zonder toepassing van de beperkingen bedoeld in artikel 56bis, § 2, van de AKBW. Art. 123. Voor de toekenning van de toeslagen bedoeld in artikel 42bis, § 2, van de AKBW, ten gunste van de kinderen geboren uiterlijk op 31 december van het jaar vóór de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid, wordt, vanaf de datum bepaald door de Regering, geen rekening meer gehouden met de specifieke statuten bedoeld in § 1, van bedoeld artikel maar alleen met het inkomensplafond bedoeld in artikel 13, § 1, 1°. Voor dezelfde kinderen zijn de toeslagen bedoeld in artikel 42bis, § 2, van de AKBW en de toeslagen bedoeld in artikel 50bis van de AKBW niet cumuleerbaar, waarbij de [toeslagen bedoeld] in artikel 50bis prevaleren. 17 Art. 124. De in artikel 50ter van de AKBW bedoelde toeslagen worden toegekend ten gunste van de kinderen geboren uiterlijk de dag voor de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid, onder dezelfde voorwaarden als die bedoeld in artikel 13, § 2, van het decreet. Art. 125. Artikel 120 doet geen afbreuk aan de toekenning vanaf de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, tweede lid, van de in artikel 10 van dit decreet bedoelde forfaitaire bijslag in geval van plaatsingen in opvanggezin vanaf dezelfde datum die besloten zijn ten opzichte van kinderen geboren uiterlijk op de dag voor de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, tweede lid. Art. 126. Voor de berekening van de proportionele toewijzing van de bijslagen en toeslagen bedoeld in artikel 70bis, vierde lid, van de AKBW, wordt geen rekening gehouden met de bijslagen verschuldigd ten gunste van de kinderen geboren van de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, tweede lid, noch met de bijslagen verschuldigd ten gunste van de kinderen geboren vanaf die datum, die in aanmerking komen voor de storting van het derde van hun kinderbijslagen op een spaarrekening geopend op hun naam overeenkomstig artikel 22, § 4. Art. 127. Voor de toepassing van artikel 11 wordt rekening gehouden met de kinderen geboren voor de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, tweede lid, in de samenstelling van het gezin. Deze kinderen komen nochtans niet in aanmerking voor de in bedoeld artikel bedoelde toeslag. Art. 128. De toeslagen verschuldigd in het kader van de algemene kinderbijslagwet worden niet gecumuleerd met de in het kader van dit decreet verschuldigde toeslagen. Art. 129. Artikel 120 doet geen afbreuk aan de toepassing, voor elk evenement dat zich vanaf de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid, voordoet, van het primerend artikel 84. Art. 130. Artikel 54 van de AKBW heeft geen uitwerking meer vanaf de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid ». B.6.3. Onder voorbehoud van die aanpassingen heeft het door de decreetgever ingevoerde overgangsmechanisme een bijzonder karakter, in zoverre het niet voorziet in de geleidelijke omschakeling van de kinderen die zijn geboren uiterlijk op de dag vóór de door de Regering te bepalen datum naar de nieuwe regeling. Die kinderen zullen onderworpen blijven aan de overgangsregeling tot het verval van hun recht op kinderbijslag, namelijk uiterlijk totdat zij de leeftijd van vijfentwintig jaar bereiken, zoals artikel 62 van de AKBW bepaalt. 18 B.6.4. Volgens de parlementaire voorbereiding is de overgangsregeling verantwoord door de noodzaak om, in een beperkt budgettair kader, de uitvoering van de hervorming van het model van de gezinsbijslagen te verzoenen met de bescherming van de gewettigde verwachtingen van de gezinnen van de rechtgevenden die zijn geboren vóór de datum van inwerkingtreding van het decreet. Meer aanvullend maakt zij het mogelijk om de administratieve last die de hervorming voor de kinderbijslagfondsen met zich meebrengt, in zekere mate te beperken : « De geboortedatum van het kind dat recht geeft op de gezinsbijslagen is die van het behoud van de bijslagbedragen bepaald door de vroegere regeling voor de kinderen die zijn geboren gedurende de toepassing van die vroegere regeling, namelijk vóór de datum van inwerkingtreding van het Waalse decreet. Die rechtgevenden genieten dus een andere overgangsregeling, die blijft bestaan totdat zij de leeftijd van 25 jaar bereiken. Alleen de kinderen die zijn geboren na de datum van inwerkingtreding van het decreet zullen de nieuwe bedragen van de kinderbijslag van de Waalse regeling kunnen genieten. De overwogen overgangsregeling bestaat in een behoud van de vroegere regeling, met enkele door de nieuwe regeling ingevoerde aanpassingen. Die aanpassingen hebben voornamelijk betrekking op de voorwaarden inzake het recht op de gezinsbijslag en zijn stelselmatig gunstig voor de kinderen, op één uitzondering na, die van de afschaffing van de ‘ trimestrialisering ’ van de sociale bijslagen. Aldus zal de toekenning van de sociale bijslagen, voor de kinderen die zijn geboren vóór de datum van inwerkingtreding van het decreet, eveneens alleen afhangen van het inkomen van het gezin. Op de kinderen die zijn geboren vanaf 1 januari 2001 of vanaf 1 januari 2002 naargelang het decreet in werking treedt op 1 januari 2019 of op 1 januari 2020, datum waarop zij de leeftijd van achttien jaar zullen hebben bereikt, zullen nieuwe voorwaarden inzake het recht op de bijslag worden toegepast die verder gaan dan het onvoorwaardelijke recht, waarbij een automatisch karakter van de rechten wordt beoogd. Een betere gerichtheid van de betaling van de forfaitaire bijslag in geval van plaatsing in een opvanggezin vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet zal eveneens van toepassing zijn op de kinderen, zelfs indien zij zijn geboren vóór die datum. Ten aanzien van de voorwaarden inzake het recht op bijslag voor een wees, zal dat recht openstaan voor het kind in geval van overlijden van de ouder vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet, op basis van het vroegere bedrag, maar los van het eenouderschap van de langstlevende ouder. De hervorming van het model van de kinderbijslag beoogt het systeem van de kinderbijslag te moderniseren teneinde het aan te passen aan de evolutie van het gezinsmodel, alsook een gelijkheid tot stand te brengen tussen de rechtgevenden ongeacht hun rang binnen het gezin. Dat doel moet worden verzoend met de bescherming van de verworven rechten en van de gewettigde verwachtingen van de gezinnen van de rechtgevenden die zijn geboren vóór de datum van inwerkingtreding van het decreet en die aan de vroegere regeling zijn onderworpen. 19 Alle kinderbijslagtrekkenden opnemen, ongeacht of de rechtgevenden zijn geboren vóór of na de datum van inwerkingtreding van het decreet, waarbij de verworven rechten worden gevrijwaard door een betaling van een verschil voor de kinderen die zijn geboren vóór de datum van inwerkingtreding van het decreet, zelfs na een overgangsperiode van enkele jaren waarin eventueel om administratieve redenen wordt voorzien, zou immers een meerkost met zich meebrengen die wordt geraamd op 200 miljoen euro volgens het voorgestelde model. Indien de budgetten constant worden gehouden, zou dit ertoe leiden de bedragen van het basistarief en van de verschillende bijslagen te verminderen, hetgeen nadelig zou zijn voor alle gezinnen gevormd vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet. In die hypothese zou het basistarief moeten worden teruggebracht tot 125 euro. De tabel hieronder illustreert de financiële gevolgen, voor de gezinnen, van een dergelijke omschakelingsoptie, uitgaande van een basistarief van 125 euro en een leeftijdsbijslag van 10 euro vanaf 18 jaar. Gezin vóór Gezin na Impact voor de 1/1/2019 of 1/1/2019 of nieuwe gezinnen 1/1/2020 1/1/2020 1 kind jonger dan 6 jaar 93,93 € 125 € 31,07 € 1 kind van 6 tot 11 jaar, 110,29 € 125 € 14,71 € leeftijdsbijslag indien geen sociale bijslag 1 kind van 6 tot 11 jaar, 126,56 € 125 € -1,56 € leeftijdsbijslag indien sociale bijslag 1 kind van 12 tot 17 jaar, 118,85 125 € 6,15 € leeftijdsbijslag indien geen sociale bijslag 1 kind van 12 tot 17 jaar, 143,79 € 125 € -18,79 € leeftijdsbijslag indien sociale bijslag 1 kind van 18 tot 24 jaar, 122,65 € 135 € 12,35 € leeftijdsbijslag indien geen sociale bijslag 1 kind van 18 tot 24 jaar, 157,33 € 135 € -22,33 € leeftijdsbijslag indien sociale bijslag 2 kinderen jonger dan 6 jaar 267,73 € 250 € -17,73 € 2 kinderen van 6 tot 11 jaar, 316,72 € 250 € -66,72 € leeftijdsbijslag indien geen sociale bijslag 2 kinderen van 6 tot 11 jaar, 332,99 € 250 € -82,99 € leeftijdsbijslag indien sociale bijslag 2 kinderen van 12 tot 17 jaar, 342,51 € 250 € -92,51 € leeftijdsbijslag indien geen sociale bijslag 20 2 kinderen van 12 tot 17 jaar, 367,45 € 250 € -117,45 € leeftijdsbijslag indien sociale bijslag 2 kinderen van 18 tot 24 jaar, 359,85 € 270 € -89,85 € leeftijdsbijslag indien geen sociale bijslag 2 kinderen van 18 tot 24 jaar, 394,53 € 270 € -124,53 € leeftijdsbijslag indien sociale bijslag 3 kinderen jonger dan 6 jaar 527,22 € 375 € -152,22 € 3 kinderen van 6 tot 11 jaar, 608,84 € 375 € -é,84 € leeftijdsbijslag indien geen sociale bijslag 3 kinderen van 6 tot 11 jaar, 625,11 € 375 € -250,11 € leeftijdsbijslag indien sociale bijslag 3 kinderen van 12 tot 17 jaar, 651,86 € 375 € -276,86 € leeftijdsbijslag indien geen sociale bijslag 3 kinderen van 12 tot 17 jaar, 676,80 € 375 € -301,80 € leeftijdsbijslag indien sociale bijslag 3 kinderen van 18 tot 24 jaar, 682,74 € 405 € -277,74 € leeftijdsbijslag indien geen sociale bijslag 3 kinderen van 18 tot 24 jaar, 717,42 € 405 € -312,42 € leeftijdsbijslag indien sociale bijslag De voorbeelden hiervoor illustreren de aanzienlijke achteruitgang voor de gezinnen die zijn gevormd vóór de datum van inwerkingtreding van het decreet indien wordt omgeschakeld zonder het verschil te compenseren, alsook het inkomstenverlies voor alle gezinnen die gevormd worden vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet. Een en ander vloeit hoofdzakelijk voort uit twee factoren : enerzijds, het evolutieve aspect van de gezinnen en, anderzijds, het effect van de leeftijdsbijslag in het vroegere model, nog vermeerderd wanneer een recht op sociale bijslagen bestaat. In het overgangssysteem waarin het decreet voorziet, blijft de hefboom van de leeftijdsbijslag onveranderd voor de kinderen die zijn geboren vóór de datum van inwerkingtreding van het decreet, en wordt die zelfs versterkt door de uitbreiding van het recht op sociale bijslagen tot alle gezinnen waarvan de inkomsten niet hoger liggen dan een bepaalde grens. Het beginsel van gelijkheid kan dus duidelijk niet worden geëvalueerd indien alleen de basistarieven worden vergeleken. De tabel hieronder illustreert de gevolgen, voor de gezinnen, van de toepassing van het vroegere model en van het model waarin het decreet voorziet, rekening houdend met de sociale correcties en de leeftijdsbijslagen. 21 Gezin vóór Gezin na Impact voor de 1/1/2019 of 1/1/2019 nieuwe gezinnen 1/1/2020 of 1/1/2020 Gezin 1 kind van 0 tot 5 jaar, 93,93 155 61,07 € gewoon tarief Gezin 1 kind van 0 tot 5 jaar, 141,74 210 68,26 € met sociale bijslag Gezin 1 kind van 0 tot 5 jaar, 196,81 220 23,19 € met invaliditeitsbijslag Gezin 1 kind van 6 tot 11 jaar, 110,29 155 44,71 € gewoon tarief Gezin 1 kind van 6 tot 11 jaar, 174,37 210 35,63 € met sociale bijslag Gezin 1 kind van 6 tot 11 jaar, 229,44 220 -9,44 € met invaliditeitsbijslag Gezin 1 kind van 12 tot 17 jaar, 118,85 155 36,15 € gewoon tarief Gezin 1 kind van 12 tot 17 jaar, 191,6 210 18,40 € met sociale bijslag Gezin 1 kind van 12 tot 17 jaar, 246,67 220 -26,67 € met invaliditeitsbijslag Gezin 1 kind van 18 tot 24 jaar, 122,65 165 42,35 € gewoon tarief Gezin 1 kind van 18 tot 24 jaar, 205,14 220 14,86 € met sociale bijslag Gezin 1 kind van 18 tot 24 jaar, 260,21 230 -30,21 € met invaliditeitsbijslag Gezin 2 kinderen van 0 tot 5 jaar, 267,73 310 42,27 € gewoon tarief Gezin 2 kinderen van 0 tot 5 jaar, 345,18 420 74,82 € met sociale bijslag Gezin 2 kinderen van 0 tot 5 jaar, 400,25 440 39,75 € met invaliditeitsbijslag Gezin 2 kinderen van 6 tot 11 jaar, 316,72 310 -6,72 € gewoon tarief Gezin 2 kinderen van 6 tot 11 jaar, 410,44 420 9,56 € met sociale bijslag Gezin 2 kinderen van 6 tot 11 jaar, 465,51 440 -25,51 € met invaliditeitsbijslag Gezin 2 kinderen van 12 tot 17 jaar, 342,51 310 -32,51 € gewoon tarief Gezin 2 kinderen van 12 tot 17 jaar, 444,9 420 -24,90 € met sociale bijslag Gezin 2 kinderen van 12 tot 17 jaar, 499,97 440 -59,97 € met invaliditeitsbijslag 22 Gezin 2 kinderen van 18 tot 24 jaar, 359,85 330 -29,85 € gewoon tarief Gezin 2 kinderen van 18 tot 24 jaar, 471,98 440 -31,98 € met sociale bijslag Gezin 2 kinderen van 18 tot 24 jaar, 527,05 460 -67,05 € met invaliditeitsbijslag Gezin 3 kinderen van 0 tot 5 jaar, 527,22 465 -62,22 € gewoon tarief Gezin 3 kinderen van 0 tot 5 jaar, 609,87 735 125,13 € met sociale bijslag Gezin 3 kinderen van 0 tot 5 jaar, 664,94 765 100,06 € met invaliditeitsbijslag Gezin 3 kinderen van 6 tot 11 jaar, 608,84 465 -143,84 € gewoon tarief Gezin 3 kinderen van 6 tot 11 jaar, 707,76 735 27,24 € met sociale bijslag Gezin 3 kinderen van 6 tot 11 jaar, 762,83 765 2,17 € met invaliditeitsbijslag Gezin 3 kinderen van 12 tot 17 jaar, 651,86 465 -186,86 € gewoon tarief Gezin 3 kinderen van 12 tot 17 jaar, 759,45 735 -24,45 € met sociale bijslag Gezin 3 kinderen van 12 tot 17 jaar, 814,52 765 -49,52 € met invaliditeitsbijslag Gezin 3 kinderen van 18 tot 24 jaar, 682,74 495 -187,74 € gewoon tarief Gezin 3 kinderen van 18 tot 24 jaar, 800,07 765 -35,07 € met sociale bijslag Gezin 3 kinderen van 18 tot 24 jaar, 855,14 795 -60,14 € met invaliditeitsbijslag Die situaties tonen aan dat de verschillende variabelen van het nieuwe model de verschillen tussen beide modellen beperken. Het nadeel om in het vroegere model te blijven, komt voornamelijk tot uiting voor de kinderen jonger dan zes jaar, voor wie in geen enkele leeftijdsbijslag is voorzien. De kinderen worden ouder en zullen allen de leeftijd van zes jaar bereiken in 2024 of in 2025 naar gelang van de datum van inwerkingtreding van het decreet. Een onmiddellijke omschakeling van alle kinderen naar het nieuwe model indien dat laatste gunstiger blijkt, zou bijgevolg erop neerkomen de gezinnen met jonge kinderen die zijn gevormd vóór de inwerkingtreding van het decreet te benadelen, gezinnen die de ontwikkeling waarin het vroegere model voorzag, niet langer zouden genieten. Het overgangssysteem waarin in het kader van de hervorming is voorzien, met behoud van de vroegere regeling voor de rechtgevenden die zijn geboren vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling, maakt het mogelijk een verzoening tot stand te brengen tussen : 23 - de bescherming van de verworven rechten van de rechtgevenden die zijn geboren vóór de inwerkingtreding van het decreet, waarbij de onevenredige gevolgen worden vermeden die de nieuwe regeling zou kunnen hebben voor die rechten, los van de bijzondere situatie van ieder kind en van de gezinnen waaraan zij zijn verbonden; - de modernisering en de hervorming van het systeem van de kinderbijslag, met name op het vlak van de berekening van de bijslagen; - het optimaliseren van het gebruik van de budgettaire middelen, waarbij rekening wordt gehouden met de dotatie die aan het Waalse Gewest wordt toegekend in het kader van de zesde Staatshervorming, in het belang van de gezinnen en met het nieuwe model van de kinderbijslag op kruissnelheid. Ten slotte, ook al is dat anekdotischer, heeft de gekozen formule de verdienste dat die geen enkele nieuwe berekening inhoudt voor de kinderbijslagfondsen om een nieuw bedrag vast te stellen dat moet worden betaald voor de kinderen die zijn geboren vóór de inwerkingtreding van het decreet op een ogenblik dat hun werklast zeer groot zal zijn. Die keuze waarborgt dus, nog iets meer, de continuïteit van de betalingen voor die gezinnen. Het verschil in behandeling kan dus redelijk verantwoord worden en doet geen afbreuk aan het beginsel van het gewettigd vertrouwen, dat nauw verbonden is met het beginsel van rechtszekerheid » (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 989/1, pp. 6-8). B.7. Artikel 2 van het besluit van de Waalse Regering van 20 december 2018 « tot uitvoering van artikel 136 van het decreet van 8 februari 2018 betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen », hiervoor aangehaald, legt de inwerkingtreding van de bepalingen van het decreet van 8 februari 2018 vast op verschillende data, namelijk op 1 januari 2019 (met toepassing van artikel 136, eerste lid, van het decreet) en op 1 januari 2020 voor verschillende bepalingen die verder worden opgesomd (met toepassing van artikel 136, tweede lid, van het decreet). Uit die bepaling vloeit voort dat de nieuwe regeling inzake gezinsbijslag van toepassing is op de rechtgevende kinderen die worden geboren vanaf 1 januari 2020 en dat de kinderen die zijn geboren uiterlijk op de dag vóór die datum onderworpen blijven aan de regeling waarin de AKBW voorziet, behoudens de overgangsbepalingen waarin de artikelen 120 en volgende van het decreet van 8 februari 2018 voorzien, vermeld in B.6. 24 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het enige middel B.8. De verzoekende partij leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 22bis en 23 van de Grondwet door het bestreden artikel 3 van het decreet van 8 februari 2018. B.9.1. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.9.2. Zoals de Waalse Regering en de Vlaamse Regering opmerken, legt de verzoekende partij in haar verzoekschrift niet uit in welke zin de bestreden bepalingen de artikelen 22bis en 23 van de Grondwet zouden schenden. Alleen in haar memorie van antwoord zet zij een dergelijke kritiek uiteen. Het staat niet aan de verzoekende partij in haar memorie van antwoord het middel van het beroep, zoals door haarzelf omschreven in het verzoekschrift, te wijzigen. Een bezwaar dat, zoals te dezen, in een memorie van antwoord wordt aangebracht maar dat verschilt van datgene dat in het verzoekschrift is geformuleerd, is dan ook een nieuw middel en is onontvankelijk. B.9.3. Het Hof beperkt bijgevolg zijn toetsing tot die van de bestaanbaarheid van het bestreden artikel 3 van het decreet van 8 februari 2018 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ten gronde B.10. In haar enige middel klaagt de verzoekende partij het verschil in behandeling aan tussen, enerzijds, de kinderen die recht geven op gezinsbijslag en zijn geboren vanaf de door de Waalse Regering vastgestelde datum en, anderzijds, diegenen die zijn geboren uiterlijk op de dag vóór die datum : terwijl de eerstgenoemden de nieuwe regeling inzake gezinsbijslag genieten en aanspraak kunnen maken op de desbetreffende bijslagen, zijn de laatstgenoemden 25 onderworpen aan een overgangsregeling op basis waarvan zij aanspraak kunnen maken op bijslagen waarvan het bedrag verschilt volgens met name de rang van het kind binnen het gezin en zijn leeftijd, zodat de bijslag, naar gelang van het geval, hoger of lager zal zijn dan die waarop een kind recht geeft dat aan de nieuwe regeling is onderworpen. De verzoekende partij preciseert dat het verschil in behandeling in het bijzonder nadelig is voor de gezinnen met een enkel kind dat is geboren vóór de inwerkingtreding van de hervorming. Aldus zal een enig kind dat is geboren uiterlijk op de dag vóór de door de Regering bepaalde datum, recht geven op een lagere basisbijslag dan een kind dat vanaf die datum is geboren, waarbij dat verschil in behandeling kan blijven bestaan totdat het kind in het eerste geval de leeftijd van vijfentwintig jaar bereikt. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de andere kinderen die zijn geboren vanaf de inwerkingtreding van de hervorming binnen die gezinnen recht zullen geven op de bijslag waarin de nieuwe regeling voorziet, zodat de betrokken gezinnen, die gelijktijdig aan de twee regelingen zijn onderworpen, minder goed zullen worden behandeld dan de gezinnen met hetzelfde aantal kinderen die allen zijn geboren ofwel vóór, ofwel na de inwerkingtreding van de hervorming. B.11. Het staat in beginsel aan de wetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. B.12. Het verschil in behandeling dat voortvloeit uit artikel 3 van het decreet van 8 februari 2018 berust op een objectief criterium, namelijk de geboortedatum van het kind dat recht geeft op gezinsbijslag. B.13. In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Het Hof vermag de beleidskeuze die de wetgever heeft gemaakt en de motieven die daaraan ten grondslag liggen slechts af te keuren indien zij niet redelijk verantwoord zijn. 26 B.14. Uit de in B.6.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de keuze van de decreetgever om de toepassing van de nieuwe regeling inzake gezinsbijslag voor te behouden aan de kinderen die zijn geboren vanaf de door de Regering bepaalde datum, verantwoord wordt door de noodzaak om, in een beperkt budgettair kader, de invoering van de hervorming van het model van de gezinsbijslag te verzoenen met de bescherming van de gewettigde verwachtingen van de gezinnen van de rechtgevenden die zijn geboren vóór de datum van inwerkingtreding van het decreet, alsook, meer bijkomend, door de wil om de administratieve last die de hervorming impliceert, te beperken. Volgens de Waalse Regering vloeit het overgangsmechanisme eveneens voort uit de wil van de decreetgever om tegemoet te komen aan de standstill-verplichting, verankerd in artikel 23, tweede lid, en derde lid, 6°, van de Grondwet, ten aanzien van het beschermingsniveau van het recht op gezinsbijslag waarin de nieuwe regeling voorziet. B.15.1. De verzoekende partij verwijt de decreetgever ervoor te hebben gekozen de begroting van de gezinsbijslag constant te houden, terwijl het Waalse Gewest beschikt over de mogelijkheid om belastingen te heffen. Zij voert aan dat de Waalse Regering niet voldoende aantoont in welke zin de toekenning van een bijslag waarvan het basisbedrag identiek is voor alle kinderen, een aanzienlijke weerslag zou hebben op de begroting van het Gewest. B.15.2. Zoals de Waalse Regering onderstreept, staat het niet aan het Hof zich uit te spreken over het opportune karakter van de omvang van de middelen die de decreetgever, op het vlak van de begroting, wil besteden aan een bepaald beleid. B.16.1. De verzoekende partij voert aan dat de Duitstalige Gemeenschap, bij het decreet van 23 april 2018 betreffende de gezinsbijslagen, een nieuw systeem inzake gezinsbijslag heeft ingevoerd waarbij alle kinderen aan de nieuwe regeling zouden worden onderworpen, behoudens een overgangsmechanisme teneinde tegemoet te komen aan de gewettigde verwachtingen van de gezinnen ten aanzien van de bijslag die zij ontvingen onder het vroegere systeem, en dat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie heeft aangekondigd dat binnenkort een analoog mechanisme wordt ingevoerd. 27 B.16.2. Een verschil in behandeling in aangelegenheden waar de gemeenschappen en de gewesten over eigen bevoegdheden beschikken, is het mogelijke gevolg van een onderscheiden beleid, dat is toegelaten door de autonomie die hun door of krachtens de Grondwet is toegekend. Een zodanig verschil kan op zich niet geacht worden strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Die autonomie zou geen betekenis hebben, mocht een verschil in behandeling tussen adressaten van regels die in eenzelfde aangelegenheid in de verschillende gemeenschappen en gewesten toepasselijk zijn, als zodanig geacht worden strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.17.1. Wat betreft de vergelijking tussen de gezinnen met één kind, dat ofwel vóór, ofwel na de inwerkingtreding van de bestreden regeling werd geboren, impliceert het feit dat de gezinnen met één kind, volgens de in de parlementaire voorbereiding vermelde cijfers, 51 % van de gezinnen in het Waalse Gewest uitmaken, op zich niet dat het verschil in behandeling onevenredig zou zijn. Om te bepalen of een verschil in behandeling onevenredige gevolgen heeft, dient rekening te worden gehouden met de gevolgen ervan voor de situatie van de personen die het voorwerp van de bestreden nadelige behandeling uitmaken, en niet met het aantal betrokken personen. B.17.2. Zoals de Waalse Regering en de Vlaamse Regering onderstrepen, strekken de artikelen 121 en volgende van het decreet van 8 februari 2018 ertoe op de aan die overgangsregeling onderworpen kinderen bepaalde maatregelen van de nieuwe regeling toe te passen, die in wezen gunstiger zijn. Aldus, ter illustratie, genieten de aan de overgangsregeling onderworpen kinderen eveneens het mechanisme van het automatische karakter van de rechten, krachtens hetwelk het rechtgevende kind recht geeft op de gezinsbijslag van achttien tot eenentwintig jaar, behoudens uitzondering (artikel 121 juncto artikel 5); zij genieten tevens de opheffing van de voorwaarde betreffende het socioprofessionele statuut van de ouders voor de toekenning van de sociale bijslag (artikel 123). De toepassing van de leeftijdsbijslagen vanaf het ogenblik dat het kind de leeftijd van zes jaar bereikt, strekt overigens ertoe het verschil in behandeling geleidelijk te verminderen. Het verschil in behandeling is bijgevolg niet onevenredig ten opzichte van de nagestreefde doelstellingen. 28 B.18.1. Voor gezinnen met meerdere kinderen waarvan enkel het eerste kind vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling is geboren, is er ten opzichte van gezinnen die volledig onder de nieuwe regeling vallen, enkel een verschil wat betreft de basisbijslag voor het eerste kind. Om dezelfde redenen als diegene die zijn vermeld inzake het verschil tussen enige kinderen, is dit verschil in behandeling niet onredelijk. B.18.2. Wat betreft de vergelijking tussen eerste kinderen, naar gelang de andere kinderen in het gezin vóór, dan wel na de inwerkingtreding van de nieuwe regeling zijn geboren, geldt voor die kinderen persoonlijk dezelfde basisbijdrage. Het feit dat een gezin, in zijn geheel, meer kan ontvangen indien de andere kinderen onder de oude regeling vallen, kan worden verantwoord door de noodzaak om tegemoet te komen aan hun gewettigde verwachtingen. Die zorg heeft de decreetgever ertoe gebracht het mechanisme in te voeren volgens hetwelk de gezinnen met meerdere kinderen die zijn geboren vóór de inwerkingtreding van de hervorming en die benadeeld zouden zijn geweest indien zij onderworpen zouden zijn aan het nieuwe model, de gezinsbijslag kunnen blijven ontvangen zoals die volgens het vroegere systeem wordt berekend. B.19. Het enige middel is niet gegrond. 29 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 5 december 2019. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.195 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.010 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.137 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.172 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div