id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.199 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191205.9 Arrest- Rolnummer: 199/2019 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-12-13 Raadplegingen: 272 - laatst gezien 2026-06-28 21:45 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 2272, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - 1 jaar (verjaring) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk. Burgerlijk recht - Bijzondere verjaringen - Eenjarige verjaring - Toepassingsgebied - Vorderingen van scholen voor de betaling van schoolrekeningen. Tekst van de beslissing Rolnummer 7063 Arrest nr. 199/2019 van 5 december 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 23 november 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 november 2018, heeft de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt art. 2272 B.W. de artt. 10 en 11 van de Grondwet, door een verjaringstermijn van één jaar te bepalen voor de vordering van scholen in betaling van schoolrekeningen, terwijl voor andere leveranciers van goederen en diensten de tienjarige termijn bepaald in art. 2262bis B.W. geldt ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de vzw « Sint-Jozefs Vrije Beroepsschool », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Verschuere, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Ronse en Mr. T. Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. Bij beschikking van 17 juli 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Moerman, ter vervanging van rechter J.-P. Snappe, wettig verhinderd op die datum, te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 31 juli 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 18 september 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 6 november
- Op de openbare terechtzitting van 6 november 2019 : - zijn verschenen : . Mr. F. Verschuere, voor de vzw « Sint-Jozefs Vrije Beroepsschool »; . Mr. G. Vyncke, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, loco Mr. S. Ronse en Mr. T. Quintens, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het geschil heeft betrekking op achterstallige schoolfacturen voor de periode van 2013 tot
- De betrokken school vordert de betaling bij dagvaarding van 19 juni
- De ouders beroepen zich op de verjaring van die vordering, op grond van artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek. Alvorens uitspraak te doen stelt de Rechtbank de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- De verzoekende partij voor de verwijzende rechter merkt allereerst op dat het geschil betrekking heeft op 23 facturen, die niets met kost- of leergeld te maken hebben maar de betaling betreffen van maaltijden, schoolgerief, technische materialen en gereedschappen, studie-uitstappen en dergelijke. Zij ziet in dat opzicht geen verschil met andere leveranciers van goederen en diensten. Vervolgens schetst zij de gebruikelijke gang van zaken. Drie tot vier keer per jaar verstuurt de school een factuur, telkens voor een beperkt bedrag. In geval van problemen bij de betaling, worden die facturen aan het einde van het schooljaar gebundeld. Bij uitblijvende betaling, stuurt de school twee keer een schriftelijke herinnering aan de ouders, waarvoor geen extra kosten worden aangerekend. In januari stuurt de school een overzicht van de openstaande schoolfacturen van het vorige schooljaar. In februari-maart stuurt de school een aangetekende ingebrekestelling. Indien de ouders daarna nog steeds niet betalen, geeft de school het dossier in handen van een advocaat. Het begrip dat de school op die manier opbrengt voor haar wanbetalers kan niet worden volgehouden indien zij binnen het jaar de verjaring dient te stuiten. Het zou bovendien de proceseconomie en de goede werking van justitie niet ten goede komen indien de scholen voor alle individuele facturen binnen het jaar in rechte moeten treden. Bovendien zou dat voor alle betrokkenen tot een onevenredige verhoging van de kosten leiden. Om die redenen is de korte verjaringstermijn van één jaar voor de invordering van schoolfacturen niet alleen contraproductief, maar ook in strijd met het algemeen belang en het belang van de schuldenaars. De verzoekende partij voor de verwijzende rechter merkt ten slotte op dat de in het geding zijnde bepaling enkel kan worden toegepast indien de school geen geschrift heeft opgesteld. Het ondertekende schoolreglement voldoet aan de vereiste van een « onderhands geschrift » in de zin van artikel 2274, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. A.
- Volgens de Ministerraad bestaat een redelijke verantwoording voor het voorliggende verschil in behandeling. Hij verwijst naar het arrest nr. 88/2007 van 20 juni 2007, waaruit blijkt dat de verkorte verjaringstermijn zijn oorsprong vindt in een vermoeden van betaling van de betrokken facturen. Het al dan niet voorhanden zijn van een geschrift is geen wettelijke voorwaarde voor de toepassing van die verkorte verjaringstermijn. De Ministerraad verwijst voorts naar de argumentatie van het Hof van Beroep te Gent, in een arrest van 25 januari
- Daaruit blijkt onder meer dat een langere verjaringstermijn dan één jaar tot onevenredige intresten op de verschuldigde sommen zou kunnen leiden, waardoor de verhouding tussen de hoofdsom en de intresten volledig verloren kan gaan. -B- B.
- Artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : 4 « De rechtsvordering van gerechtsdeurwaarders tot betaling van hun loon voor de akten die zij betekenen, en voor de opdrachten die zij uitvoeren; Die van kooplieden, wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn; Die van kostschoolhouders, tot betaling van het kostgeld van hun leerlingen; en van andere meesters, tot betaling van het leergeld; Die van dienstboden die zich bij het jaar verhuren, tot betaling van hun loon, verjaren door verloop van een jaar ». B.
- Artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek voert een korte verjaringstermijn van één jaar in voor sommige rechtsvorderingen, waaronder die van kostschoolhouders, tot betaling van het kostgeld van hun leerlingen, en van andere meesters, tot betaling van het leergeld. Die bepaling wijkt af van artikel 2262bis van hetzelfde Wetboek, op grond waarvan alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar. De korte verjaringstermijn is gebaseerd op een vermoeden van betaling en wordt gemotiveerd door het feit dat van het ontstaan en de kwijting van dergelijke schulden doorgaans geen geschrift wordt opgesteld. Op grond van artikel 2274, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek houdt de verjaring op te lopen, « indien er een afgesloten rekening, een onderhandse of authentieke schuldbekentenis bestaat, ofwel een dagvaarding voor het gerecht, waarop geen verval van instantie is gevolgd ». Zoals het Hof reeds eerder heeft geoordeeld, dient artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek beperkend te worden geïnterpreteerd, aangezien de korte verjaringstermijn afwijkt van de algemene regel (arrest nr. 88/2007 van 20 juni 2007 en arrest nr. 42/2019 van 14 maart 2019). B.
- Het Hof van Cassatie heeft de in het geding zijnde bepaling in een arrest van 28 juni 2018 in die zin uitgelegd dat zij van toepassing is op alle vorderingen van scholen voor de betaling van schoolrekeningen : « Volgens artikel 2272, derde lid, Burgerlijk Wetboek verjaart de rechtsvordering van kostschoolhouders, tot betaling van het kostgeld van hun leerlingen en van andere meesters, tot betaling van het leergeld, door verloop van een jaar. 5 Uit deze bepaling blijkt de bedoeling van de wetgever om alle vorderingen die verband houden met het verschaffen van onderwijs te onderwerpen aan de eenjarige verjaringstermijn. Een grondwetconforme interpretatie van deze bepaling laat overigens niet toe hierbij een onderscheid te maken naargelang van de aard van in dat kader verstrekte prestaties en het toepassingsgebied te beperken tot louter kostgeld en leergeld » (Cass., 28 juni 2018, C.17.0705.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180628.11). B.
- De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het in een verjaringstermijn van één jaar voorziet voor de vordering van scholen tot betaling van schoolrekeningen, terwijl voor andere leveranciers van goederen en diensten de gewone verjaringstermijn van tien jaar geldt. B.
- Inzake verjaring is er een zodanige verscheidenheid aan situaties dat uniforme regels in het algemeen niet haalbaar zijn en dat de wetgever moet kunnen beschikken over een ruime beoordelingsbevoegdheid wanneer hij die aangelegenheid regelt. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende verjaringstermijnen in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die verjaringstermijnen, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.
- Het recht op toegang tot de rechter verzet zich niet tegen ontvankelijkheidsvoorwaarden zoals verjaringstermijnen, voor zover dergelijke beperkingen de essentie van dat recht niet aantasten en voor zover zij in een evenredige verhouding staan met een legitieme doelstelling. Het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden indien een beperking niet langer de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient, maar veeleer een barrière vormt die de rechtsonderhorige verhindert om zijn rechten door de bevoegde rechter te laten beoordelen (EHRM, 27 juli 2006, Efstathiou e.a. t. Griekenland, § 24; 24 februari 2009, L’Erablière ASBL t. België, § 35; 17 juli 2018, Ronald Vermeulen t. België, § 43). 6 De aard van een verjaringstermijn of de manier waarop hij wordt toegepast, zijn in strijd met het recht op toegang tot de rechter indien zij de rechtsonderhorige verhinderen om een rechtsmiddel aan te wenden dat in beginsel beschikbaar is (EHRM, 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 89; 7 juli 2009, Stagno t. België), indien de haalbaarheid ervan afhankelijk is van omstandigheden buiten de wil van de verzoeker (EHRM, 22 juli 2010, Melis t. Griekenland, § 28) of indien zij als gevolg hebben dat elke vordering bij voorbaat tot mislukken is gedoemd (EHRM, 11 maart 2014, Howald Moor e.a. t. Zwitserland). B.
- De korte verjaringstermijn van één jaar verhindert de betrokken verzoeker niet zijn vordering tijdig in te stellen. Het komt de wetgever toe de meest wenselijke verjaringstermijn in te voeren. Het Hof vermag niet de opportuniteit van die keuze af te keuren wanneer zij geen onevenredige gevolgen heeft. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2272, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 5 december
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.199 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180628.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div