← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.200

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 december 2019 ECLI n

§ 3

, eerste lid, wanneer de schuldige, in de periode van 3 jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48 en 62bis, opnieuw één van deze overtredingen begaat. Wanneer de schuldige binnen 3 jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, twee van deze overtredingen opnieuw begaat, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste 6 maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier

§ 3, eerste lid.

11 Wanneer de schuldige binnen 3 jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, drie of meer van deze overtredingen opnieuw begaat, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste 9 maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier

§ 3, eerste lid ».

Die bepaling is in werking getreden op 1 januari 2015 (artikel 8 van het koninklijk besluit van 10 juni 2014 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen », gewijzigd bij artikel 1 van een koninklijk besluit van 21 juli 2014). B.13.1. Bij artikel 11, 6°, van de wet van 6 maart 2018 wordt artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 vervangen door de volgende bepaling : « De rechter moet het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier

§ 3

, eerste lid, wanneer de schuldige, in de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één of meer van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen opnieuw wordt veroordeeld voor één van deze overtredingen. Wanneer de schuldige binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis, waarin toepassing is gemaakt van het eerste lid, en dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, opnieuw veroordeeld wordt voor één of meer van deze overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste zes maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier

§ 3, eerste lid.

Wanneer de schuldige binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis, waarin toepassing is gemaakt van het tweede lid, en dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, opnieuw veroordeeld wordt voor één of meer van deze overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste negen maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier

§ 3, eerste lid ».

12 B.13.

  1. Aangezien zij in het Belgisch Staatsblad van 15 maart 2018 is bekendgemaakt, is die tweede versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 in werking getreden op 25 maart 2018, zijnde de tiende dag vanaf de dag van de bekendmaking ervan, krachtens artikel 4 van de wet van 31 mei
  2. B.
  3. In de tweede, derde, vierde en vijfde prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de grondwettigheid van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968, zoals het luidde ingevolge de vervanging ervan bij artikel 11, 6°, van de wet van 6 maart
  4. Uit de volledige bewoordingen van de eerste prejudiciële vraag en uit de motieven van de verwijzingsbeslissing in verband met die vraag blijkt dat het Hof in die vraag wordt verzocht zich uit te spreken over de grondwettigheid van artikel 26, eerste lid, van de wet van 6 maart 2018 in zoverre die bepaling vermeldt dat artikel 11, 6°, van dezelfde wet « in werking treedt » op 15 februari
  5. B.
  6. Bij artikel 2 van de wet van 2 september 2018 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer wat de verbeurdverklaring en immobilisering van voertuigen betreft » wordt de tweede versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 vervangen door de volgende bepaling : « De rechter moet het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier

§ 3

, eerste lid, wanneer de schuldige, na een veroordeling met toepassing van de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, één van deze bepalingen binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, opnieuw overtreedt. In geval van herhaling binnen drie jaar na een veroordeling waarin toepassing is gemaakt van het eerste lid, en die in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste zes maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier

§ 3, eerste lid.

In geval van nieuwe herhaling binnen drie jaar na een veroordeling waarin toepassing is gemaakt van het tweede lid of dit lid, en die in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste negen maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier

§ 3, eerste lid ».

13 Aangezien zij in het Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2018 is bekendgemaakt, is die derde versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 in werking getreden op de tiende dag vanaf de dag van de bekendmaking ervan, zijnde op 12 oktober 2018, krachtens artikel 4 van de wet van 31 mei

  1. B.
  2. Uit het voorgaande blijkt dat de versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 die het voorwerp van de tweede tot de vijfde prejudiciële vraag uitmaakt en waarvan de regeling betreffende de toepassing in de tijd in de eerste prejudiciële vraag in het geding wordt gebracht, sedert 12 oktober 2018 niet meer van kracht is. B.
  3. Artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 strekt ertoe de duur te regelen van het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig dat een rechter moet uitspreken. Een dergelijk verval is een straf in de zin van het Strafwetboek. B.18.
  4. Artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek bepaalt : « Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast ». B.18.
  5. Wanneer bij de opeenvolging van drie strafwetten in de tijd, de straf gesteld door de eerste wet, die van kracht was op het ogenblik van het plegen van het misdrijf, zwaarder is dan de straf gesteld door de derde wet, die van kracht is op het ogenblik van de uitspraak, maar deze straf eventueel, op haar beurt, strenger is dan de straf die op het misdrijf was gesteld tussen het ogenblik van het plegen ervan en de uitspraak, dient de straf te worden toegepast, die op het misdrijf was gesteld door de minst zware tweede tussenliggende wet (Cass., 7 mei 2013, P.12.0235.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130611.3). 14 B.18.
  6. Uit het voorgaande blijkt dat, ingevolge de inwerkingtreding van artikel 2 van de wet van 2 september 2018, de tweede van de drie voormelde versies van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 - van kracht van 25 maart 2018 tot 12 oktober 2018 - enkel kan worden toegepast op misdrijven die op 9 januari 2016 zijn gepleegd indien de straf die door die tweede versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 wordt bepaald, minder zwaar is dan die welke door de derde versie van dat artikel wordt bepaald. B.
  7. Volgens die derde versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 moet de beklaagde die, bij een vonnis dat op 17 oktober 2014 is uitgesproken en in kracht van gewijsde is gegaan, wegens een van de in dat artikel bedoelde misdrijven is veroordeeld en die op 9 januari 2016 de in artikel 33, § 1, 1°, en in artikel 34, § 2, 2°, van dezelfde wet bedoelde misdrijven pleegt, vervallen worden verklaard van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een periode van ten minste drie maanden, zelfs indien hij meer dan drie jaar na het vorige vonnis voor die feiten wordt berecht. Ook al verschillen de bewoordingen ervan, toch dient de tweede versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 op dezelfde wijze te worden geïnterpreteerd (Cass., 30 januari 2019, P.18.0879.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.8; Cass., 9 april 2019, P.18.1208.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.4). De straf die die tweede versie bepaalt voor de voormelde misdrijven, kan bijgevolg niet als minder zwaar worden beschouwd dan die welke wordt bepaald door de derde versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968, die sedert 12 oktober 2018 van kracht is. De tweede versie van dat artikel kan dus niet meer worden toegepast op misdrijven die op 9 januari 2016 zijn gepleegd. B.
  8. Aangezien de prejudiciële vragen betrekking hebben op een versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 die niet meer van toepassing is op het geschil dat het voorwerp van de verwijzingsbeslissing uitmaakt, is het antwoord op die vragen kennelijk niet nuttig voor de oplossing van dat geschil. B.
  9. De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 26, eerste lid, van de wet van 6 maart 2018 « ter verbetering van de verkeersveiligheid » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een retroactieve werking aan artikel 25, 1°, van dezelfde wet verleent. - De prejudiciële vragen die in de zaken nrs. 7001, 7002, 7007, 7012 en 7013 zijn gesteld, behoeven geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 december
  10. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.200 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961112.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130611.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.8 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.