id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.204 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191219.2 Arrest- Rolnummer: 204/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2020-01-07 Raadplegingen: 253 - laatst gezien 2026-06-28 21:43 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Organen en personeel OCMW Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 31, 3°, en 35, 1°, van het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 « houdende wijziging van sommige bepalingen van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten », ingesteld door de vzw « Santhea ». Publiek recht - Waals Gewest - OCMW - Vereniging Hoofdstuk XII -
- Beheersorganen van ziekenhuizen / Beheerscomités - Samenstelling -
- Regeling van het personeel - Statutair / Contractueel / Zelfstandig. Tekst van de beslissing Rolnummer 7051 Arrest nr. 204/2019 van 19 december 2019 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 31, 3°, en 35, 1°, van het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 « houdende wijziging van sommige bepalingen van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten », ingesteld door de vzw « Santhea ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 november 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 november 2018, heeft de vzw « Santhea », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Levert, advocaat bij de balie te Brussel, en door Mr. E. Lemmens en Mr. E. Kiehl, advocaten bij de balie te Luik, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 31, 3°, en 35, 1°, van het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 « houdende wijziging van sommige bepalingen van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 mei 2018). De Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Renders en Mr. E. Gonthier, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Waalse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 9 oktober 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 6 november 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de Waalse Regering om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 23 oktober 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 20 november
- Op de openbare terechtzitting van 20 november 2019 : - zijn verschenen : . Mr. E. Kiehl, tevens loco Mr. P. Levert en Mr. E. Lemmens, voor de verzoekende partij; . Mr. E. Gonthier, tevens loco Mr. D. Renders, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
- De vzw « Santhea » verzoekt het Hof om artikel 31, 3°, en artikel 35, 1°, van het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 « houdende wijziging van sommige bepalingen van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten » (hierna : het decreet van 29 maart 2018) te vernietigen. De verzoekende partij verklaart dat zij doet blijken van een collectief beroepsbelang dat niet samenvalt met het belang van haar leden. Zij is een beroeps- en werkgeversvereniging die als opdracht heeft de belangen van de in Wallonië en in Brussel gelegen niet-lucratieve verzorgingsinrichtingen en -diensten van de niet-confessionele privésector en van de openbare sector te behartigen en te bevorderen. A.1.
- De Waalse Regering antwoordt dat het beroep niet ontvankelijk is. Allereerst vergist de verzoekende partij zich in de draagwijdte van artikel 31 van het decreet, waarvan zij de vernietiging vordert. Dat artikel verbiedt niet dat de leden van het medisch korps vertegenwoordigd zijn in de beheersorganen van de ziekenhuizen. De toezichthoudende overheid heeft overigens de statuten van verenigingen « hoofdstuk XII » die voorzien in een vertegenwoordiging van het medisch korps in het beheerscomité van de ziekenhuizen die zij inrichten, goedgekeurd. De verzoekende partij beweert overigens dat artikel 35 van het bestreden decreet ziekenhuisartsen zou verbieden om als zelfstandige te werken. Artikel 128, § 5, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de wet van 8 juli 1976) bepaalde echter eveneens dat : « het personeel van de vereniging is onderworpen aan een statutair en/of contractueel stelsel ». Artikel 35 van het decreet wijzigt de voormelde organieke wet bijgevolg niet in zoverre zij bepaalt dat de personeelsleden van de verenigingen « hoofdstuk XII » worden aangeworven onder statuut of bij arbeidsovereenkomst, en de verzoekende partij beweert ten onrechte dat die bepaling de situatie van haar leden ongunstig zou raken. Voor het overige kunnen ziekenhuisartsen - die geen deel uitmaken van het « personeel van de vereniging » in de zin van die bepaling -, zoals dat het geval was vóór de aanneming van het bestreden artikel 35, medische prestaties verrichten onder het statuut van zelfstandige. A.1.
- De verzoekende partij antwoordt dat het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep samen met dat van de grond van de zaak dient te gebeuren. Ten gronde Wat het eerste middel betreft A.2.
- Het eerste middel is uitsluitend gericht tegen artikel 31 van het decreet in zoverre het de vertegenwoordigers van het medisch korps verbiedt om zitting te hebben in de beheersorganen van de ziekenhuisverenigingen « hoofdstuk XII » als permanente genodigde, met raadgevende stem, terwijl die participaties zijn vastgelegd bij de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen (hierna : de wet van 10 juli 2008) en bij het koninklijk besluit van 7 juni 2004 « tot vaststelling van de voorwaarden om te worden aangewezen als universitair ziekenhuis, universitaire ziekenhuisdienst, universitaire ziekenhuisfunctie of universitair zorgprogramma ». De bestreden bepaling doet een discriminatie ontstaan omdat zij de vertegenwoordigers van het medisch korps van een ziekenhuis dat wordt beheerd door een vereniging « hoofdstuk XII » en de vertegenwoordigers van het personeel van dat ziekenhuis verschillend behandelt. Ook al maken de artsen strikt genomen geen deel uit van het personeel van het ziekenhuis wanneer zij als zelfstandige werken, toch kunnen zij met personeelsleden van het ziekenhuis worden gelijkgesteld. Het bestreden artikel beoogt die situatie echter niet, zodat het niet verantwoord is en volgens de verzoekende partij onevenredige gevolgen heeft. 4 De verzoekende partij voert verder nog aan dat het bestreden artikel 31 de bij artikel 27 van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van vereniging schendt doordat het de door de ziekenhuiswetgeving vereiste vertegenwoordigingen en participaties verhindert. A.2.
- De Waalse Regering antwoordt dat de door de verzoekende partij aangevoerde ziekenhuisnormen in de aanwezigheid van de artsen voorzien, niet in de beheersorganen van de rechtspersoon die een ziekenhuis inricht, maar wel in het beheerscomité van het ziekenhuis, dat onderscheiden moet zijn van die rechtspersoon. « Beheersorganen » van de verenigingen « hoofdstuk XII » en « beheerscomités » van de door die verenigingen beheerde ziekenhuizen mogen niet met elkaar worden verward. De verzoekende partij baseert zich dan ook ten onrechte op de beslissing van de toezichthoudende overheid van 25 januari 2019 betreffende de samenstelling van de beheerscomités van het « CHR Sambre et Meuse », die immers vaststelt dat de samenstelling van de beheerscomités van de door de betrokken vereniging ingerichte ziekenhuizen - en niet de samenstelling van de beheersorganen van de betrokken vereniging « hoofdstuk XII » -, zoals zij aan de toezichthoudende overheid wordt voorgelegd, niet overeenstemt met de samenstelling die is vastgelegd bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1985 « houdende bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ». De verzoekende partij klaagt eveneens ten onrechte de schending van de vrijheid van vereniging aan, zo antwoordt de Waalse Regering. Dergelijke vertegenwoordigingen en participaties worden door de ziekenhuiswetgeving immers niet vereist voor de beheersorganen, maar enkel voor de beheerscomités. In elk geval heeft artikel 27 van de Grondwet tot doel de oprichting van private verenigingen en de deelname aan hun activiteiten te waarborgen, en is het niet van toepassing op de publiekrechtelijke rechtspersonen. De Grondwetgever heeft uitsluitend de private verenigingen beoogd en het komt hem toe de bescherming die artikel 27 van de Grondwet aan de private verenigingen verleent, uit te breiden tot de openbare verenigingen. Wat het tweede middel betreft A.3.
- Het tweede middel, dat gericht is tegen artikel 35 van het bestreden decreet, is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, 1° en 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de vrijheid van handel en nijverheid, gewaarborgd bij de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, met de artikelen 35 en 143 van de Grondwet, met de artikelen 15 en 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 34 tot 36, 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met artikel 5, § 1, eerste lid, a), en artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, alsook uit de schending van het evenredigheidsbeginsel en van het beginsel van de federale loyauteit. In een eerste onderdeel zet de verzoekende partij uiteen dat de artikelen 144, 145 en 146 van de wet van 10 juli 2008 steeds zo zijn geïnterpreteerd dat zij de erkenning van ziekenhuisartsen onder het statuut van zelfstandige, en niet alleen als bediende met een arbeidsovereenkomst toelaten. De arbeidsduur van die artsen wordt overigens geregeld bij de wet van 12 december 2010 « tot vaststelling van de arbeidsduur van de geneesheren, de tandartsen, de dierenartsen, kandidaat-geneesheren in opleiding, kandidaat-tandartsen in opleiding en studenten-stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van deze beroepen ». Zij zijn voor het overige onderworpen aan een bijzonder stelsel van collectieve arbeidsverhoudingen dat is geregeld bij titel IV, hoofdstuk I, van de wet van 10 juli
- Artikel 35 van het bestreden decreet verplicht de ziekenhuisartsen die aan een door een vereniging « hoofdstuk XII » ingericht ziekenhuis zijn verbonden, om een statutair of contractueel stelsel te aanvaarden en verbiedt dat zij als zelfstandige worden tewerkgesteld. De ziekenhuisartsen worden bijgevolg, zonder verantwoording, op dezelfde manier behandeld als de andere personeelsleden van de verenigingen « hoofdstuk XII ». En diezelfde artsen worden, opnieuw zonder verantwoording, anders behandeld dan de ziekenhuisartsen die werkzaam zijn in privéziekenhuizen. 5 In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel 35 van het decreet, doordat het de ziekenhuisartsen die aan een vereniging « hoofdstuk XII » zijn verbonden, verhindert om te praktiseren onder het statuut van zelfstandige, afbreuk doet aan de vrijheid van ondernemen van die artsen en aan de vrijheid om hun recht op sociale zekerheid met betrekking tot hun activiteit te genieten, met inachtneming van de standstill-verplichting die voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet. A.3.
- Het is ten onrechte, zo antwoordt de Waalse Regering, dat de verzoekende partij kritiek uitoefent op artikel 35 van het decreet in zoverre het de ziekenhuisartsen zou verbieden hun functies uit te oefenen onder het statuut van zelfstandige. Dat is niet de draagwijdte van die bepaling, die erin voorziet dat de personeelsleden van de verenigingen « hoofdstuk XII » - en niet de ziekenhuisartsen - hun functie niet onder dat statuut mogen uitoefenen. Wat de medische prestaties betreft, worden de ziekenhuisartsen niet door de bekritiseerde bepaling beoogd. De wet van 8 juli 1976 bevatte reeds een identieke bepaling vóór de aanneming van het bestreden decreet. De bekritiseerde bepaling raakt dus niet aan de rechtssituatie van de verzoekende partij, zodat het tweede middel niet ontvankelijk en, in elk geval, niet gegrond is. A.3.
- In haar memorie neemt de verzoekende partij akte van het standpunt van de Waalse Regering en vraagt zij het Hof de aldus aan de bestreden bepaling gegeven interpretatie in zijn arrest te vermelden. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
- Artikel 31, 3°, van het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 « houdende wijziging van sommige bepalingen van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten » (hierna : het decreet van 29 maart 2018) wijzigt artikel 124 van de voormelde organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de wet van 8 juli 1976) als volgt : « er wordt een punt 8 [lees : achtste lid] ingevoegd, luidende : ‘ In de raad van bestuur kunnen één of meer personeelsafgevaardigden met raadgevende stem zetelen ’ ». Artikel 35, 1°, van hetzelfde decreet, dat artikel 128 van de voormelde wet van 8 juli 1976 wijzigt, bepaalt : « paragraaf 5 wordt vervangen als volgt : 6 ‘ §
- Het personeel van de [vereniging] is onderworpen aan een statutair [of] contractueel stelsel. […] ’ ». De twee voormelde bepalingen maken het voorwerp uit van het beroep tot vernietiging dat werd ingesteld door de vzw « Santhea ». B.2.
- De voormelde bepalingen, alsook de bepalingen van de wet van 8 juli 1976 waarin zij worden ingevoegd, zijn door het Waalse Gewest genomen naar aanleiding van het verslag dat werd uitgebracht door de zogenoemde onderzoekscommissie « Publifin ». Onder de wijzigingen die met name in de wet van 8 juli 1976 werden aangebracht, wordt voorzien in een vermindering van het aantal bestuurders en leden van de bestuursorganen van de verenigingen die zijn opgericht op grond van hoofdstuk XII van de wet van 8 juli 1976 (hierna : verenigingen « hoofdstuk XII ») en, in dat kader, in de vervanging van de zogenoemde « overtallige » bestuurders, die stemgerechtigd zijn, door « waarnemers », met een raadgevende stem. Het decreet van 29 maart 2018 verbiedt ook dat de titularissen van een leidinggevende functie in de vennootschappen met een significante lokale overheidsparticipatie - waaronder de verenigingen « hoofdstuk XII » - hun functie uitoefenen als zelfstandige of via een managementvennootschap. B.2.
- Het is in die context dat de draagwijdte moet worden begrepen van het bestreden artikel 31, 3°, van het decreet, dat in artikel 124 van hoofdstuk XII van de wet van 8 juli 1976 een achtste lid invoegt volgens hetwelk in de raad van bestuur van een vereniging « hoofdstuk XII » een of meer personeelsafgevaardigden met raadgevende stem zitting kunnen hebben. Het is in diezelfde context dat de draagwijdte moet worden begrepen van artikel 35, 1°, dat paragraaf 5 van artikel 128 van hetzelfde hoofdstuk XII vervangt, krachtens hetwelk het personeel van de vereniging onderworpen is aan een statutair of contractueel stelsel. 7 B.
- Luidens artikel 118 van de wet van 8 juli 1976 kan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beslissen een vereniging tot stand te brengen met andere openbare centra voor maatschappelijk welzijn of met andere openbare besturen of publiekrechtelijke rechtspersonen, om een van de opdrachten uit te voeren die door de wet aan die centra zijn toevertrouwd. De aldus opgerichte verenigingen bezitten rechtspersoonlijkheid en kunnen de vorm van een vzw aannemen (artikel 121). Zij zijn statutair georganiseerd en beschikken over een eigen vermogen (artikel 120). Zij kunnen onder meer ziekenhuizen beheren, in welk geval zij aan bijzondere regels, zoals bepaald in de artikelen 125/1, 125/2 en 126, worden onderworpen. Ten aanzien van het belang B.
- De Waalse Regering betwist het belang van de vzw « Santhea », verzoekende partij, om in rechte te treden. Zij is in wezen van oordeel dat die laatste zich vergist in de draagwijdte van de bepalingen die zij bestrijdt, die niet zouden verbieden dat het medisch korps wordt vertegenwoordigd in de organen van de ziekenhuizen, enerzijds, en die evenmin zouden verbieden dat artsen als zelfstandige kunnen werken in ziekenhuizen, anderzijds. B.
- De vzw « Santhea » is een beroeps- en werkgeversvereniging die als opdracht heeft de belangen van de in Wallonië en in Brussel gelegen non-profit verzorgingsinrichtingen en -diensten van de niet-confessionele privésector en van de openbare sector te behartigen en te bevorderen. Een van haar statutaire doelstellingen is meer bepaald « de vertegenwoordiging en de verdediging van haar leden, als gemeenschappelijke vertegenwoordiger en woordvoerder, bij de internationale, federale, gemeenschaps-, gewest- en lokale autoriteiten die bevoegd zijn voor volksgezondheid, alsook in het kader van de instanties van de ziekte- en invaliditeitsverzekering en de collectieve arbeidsverhoudingen ». 8 De verzoekende partij doet in dat opzicht blijken van het vereiste belang om een beroep in te stellen tegen decretale bepalingen die de regels wijzigen die van toepassing zijn op de verenigingen « hoofdstuk XII » die openbare ziekenhuizen kunnen beheren. Aangezien het onderzoek van de draagwijdte van die regels samenvalt met het onderzoek ten gronde, volstaat de vaststelling dat die bepalingen de belangen van de leden die de verzoekende partij verdedigt, ongunstig kunnen raken. Het beroep is ontvankelijk. Ten gronde Wat het eerste middel betreft B.
- Het eerste middel, dat uitsluitend gericht is tegen artikel 31, 3°, van het decreet van 29 maart 2018, is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 27 van de Grondwet. De verzoekende partij verwijt de bestreden bepaling dat zij de vertegenwoordigers van het medisch korps van de verenigingen « hoofdstuk XII » verbiedt om de vergaderingen van de beheersorganen van de ziekenhuizen van die verenigingen bij te wonen. Zodoende zou de bepaling de vertegenwoordigers van het medisch korps van een ziekenhuis dat wordt beheerd door een vereniging « hoofdstuk XII » en de vertegenwoordigers van het personeel van dat ziekenhuis die als enigen in die organen met raadgevende stem zitting zouden mogen hebben, zonder verantwoording verschillend behandelen, terwijl de participatie van het medisch korps is vastgelegd door de wetgeving op de ziekenhuizen. Dezelfde bepaling zou ook de bij artikel 27 van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van vereniging van het medisch korps aantasten. B.7.
- Artikel 8 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen (hierna : de wet van 10 juli 2008) definieert de « beheerder » van een ziekenhuis als « het orgaan dat volgens het juridisch statuut van het ziekenhuis belast is met het beheer van de uitbating van het ziekenhuis ». Artikel 15 van dezelfde wet bepaalt dat elk ziekenhuis een eigen beheer heeft. 9 Artikel 3 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1985 « houdende bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn » bepaalt dat elk ziekenhuis afzonderlijk wordt beheerd en over eigen financiële middelen beschikt die gescheiden zijn van die van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of van de inrichtende vereniging. Artikel 4, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt de samenstelling van het beheerscomité van een ziekenhuis als volgt : « Het beheerscomité, belast met het afzonderlijk beheer van het ziekenhuis, bestaat uit de voorzitter en uit zes, acht of tien leden. Deze leden zijn : 1° met raadgevende stem, de directeur van het ziekenhuis, de geneesheer verantwoordelijk voor de medische activiteiten, de persoon verantwoordelijk voor de verpleegkundige diensten, alsmede eventueel de persoon verantwoordelijk voor de administratief-financiële diensten en de persoon verantwoordelijk voor de technische diensten van het ziekenhuis. Zij worden hiertoe aangeduid door de Raad of door het bevoegd orgaan van de vereniging; 2° met beraadslagende stem, in gelijk aantal als de onder 1° bedoelde aangeduide leden en de voorzitter niet medegerekend, hetzij leden van de Raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, hetzij uit leden hiervoor aangewezen door het bevoegd orgaan van de vereniging, naargelang van het geval; 3° met raadgevende stem, een afgevaardigde van de gemeente wier openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn het ziekenhuis beheert ». Die samenstelling stemt niet overeen met die van de beheersorganen van een vereniging « hoofdstuk XII ». 10 Artikel 18 van de wet van 10 juli 2008 bepaalt overigens dat de hoofdarts wordt uitgenodigd en kan deelnemen aan de vergaderingen van het orgaan dat belast is met het beheer van het ziekenhuis. Artikel 133 van dezelfde wet bepaalt dat « de medische raad […] het vertegenwoordigend orgaan [is] waardoor de ziekenhuisartsen betrokken worden bij de besluitvorming in het ziekenhuis » en artikel 137 vermeldt de gevallen waarin de medische raad moet worden geraadpleegd door het beheersorgaan van het ziekenhuis. Uit het geheel van die bepalingen volgt dat de « beheersorganen » van de verenigingen « hoofdstuk XII », waarvan de samenstelling gedeeltelijk wordt geregeld bij de bestreden bepaling, niet mogen worden verward met de « beheerscomités » die worden vereist door de ziekenhuiswetgeving en waarvan de samenstelling de participatie van vertegenwoordigers van het medisch korps impliceert. B.7.
- Daaruit volgt dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij voorhoudt, de bestreden bepaling de verenigingen « hoofdstuk XII » niet verhindert om een beheerscomité te installeren zoals voorgeschreven door de voormelde ziekenhuiswetgeving, noch bijgevolg belet dat in dat comité vertegenwoordigers van het medisch korps van het betrokken ziekenhuis zitting hebben. B.7.
- Het aangeklaagde verschil in behandeling berust op een verkeerde lezing van de bestreden norm. B.7.
- Het eerste middel is niet gegrond. Wat het tweede middel betreft B.
- Het tweede middel beoogt de vernietiging van artikel 35 van het decreet van 29 maart 2018, in zoverre het bepaalt dat het personeel van de verenigingen « hoofdstuk XII » onderworpen is aan een statutair of contractueel stelsel. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, 1° en 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de vrijheid van handel en nijverheid, gewaarborgd bij de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, met de artikelen 35 en 143 van de Grondwet, met de artikelen 15 en 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de 11 artikelen 34 tot 36, 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met artikel 5, § 1, eerste lid, a), en artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, alsook uit de schending van het evenredigheidsbeginsel en van het beginsel van de federale loyauteit. De verzoekende partij verwijt de bestreden bepaling in hoofdzaak dat zij aan een vereniging « hoofdstuk XII » verbonden ziekenhuisartsen verbiedt om als zelfstandige te praktiseren en zodoende de in het middel aangevoerde bepalingen schendt. B.9.
- Artikel 35, 1°, van het bestreden decreet, dat bepaalt dat « het personeel van de [vereniging] […] onderworpen [is] aan een statutair [of] contractueel stelsel », heeft enkel betrekking op de personeelsleden van een vereniging « hoofdstuk XII » en niet op de ziekenhuisartsen die bevoegd zijn om medische prestaties te verrichten in een in die vorm opgericht ziekenhuis. Wat die prestaties betreft, worden de ziekenhuisartsen niet door de bestreden bepaling beoogd. Die bepaling staat een als vereniging « hoofdstuk XII » opgericht ziekenhuis dus toe om, voor de uitoefening van de medische prestaties die het de patiënten wil bieden, artsen aan te werven die de geneeskunde kunnen uitoefenen op grond van een statuut, een overeenkomst of als zelfstandige. Het aangeklaagde verschil in behandeling vloeit voort uit een verkeerde interpretatie van de bestreden bepaling. B.9.
- Het tweede middel is niet gegrond. 12 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 december
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.204 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div