← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.206

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.206 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191219.4 Arrest- Rolnummer: 206/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-07 Raadplegingen: 267 - laatst gezien 2026-06-28 21:43 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingenwetgeving - Rechtsmiddelen Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Raad van State. Vreemdelingen - Toegang tot het grondgebied, verblijf, vestiging en verwijdering - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - Rechtspleging - Beroep tegen een beslissing tot weigering van een machtiging tot verblijf om medische redenen - Onderzoek ex tunc van de situatie van de verzoekende partij. Tekst van de beslissing Rolnummer 7219 Arrest nr. 206/2019 van 19 december 2019 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 244.687 van 4 juni 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 juni 2019, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, waarbij een beroep tot vernietiging is ingesteld tegen een beslissing tot weigering van een machtiging tot verblijf die is genomen op grond van artikel 9ter van dezelfde wet in het kader waarvan de aanvrager van de machtiging de schending aanvoert van artikel 3 van het voormelde Verdrag, niet toestaat om over te gaan tot een onderzoek ex nunc van de situatie van de betrokkene, terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een dergelijk onderzoek kan uitvoeren wanneer bij die Raad op grond van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 een beroep is ingesteld door personen die internationale bescherming aanvragen en tevens risico’s voor hun leven en risico’s van een onmenselijke en vernederende behandeling aanvoeren ? ». Memories zijn ingediend door : - F.H., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vanwelde, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Matray en Mr. J. Matray, advocaten bij de balie te Luik. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 6 november 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 november 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 20 november 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil F.H. heeft op 16 november 2012 een aanvraag voor een machtiging tot verblijf ingediend op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980). Op 2 februari 2016 heeft de Belgische Staat die aanvraag verworpen. 3 Het tegen die beslissing van 2 februari 2016 ingestelde beroep tot schorsing en tot vernietiging is verworpen bij het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 203 009 van 26 april

  1. In zijn arrest stelt de Raad vast dat, daar de zaak bij hem aanhangig is gemaakt op grond van artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980, hij moet overgaan tot een wettigheidstoetsing die hem niet toelaat om een onderzoek ex nunc van de situatie van de verzoekster uit te voeren en om rekening te houden met stukken die niet aan de instantie waren voorgelegd vooraleer die laatste uitspraak deed. Bij een verzoekschrift van 4 juni 2018 stelt F.H. bij de Raad van State een cassatieberoep in tegen dat verwerpingsarrest. Ten aanzien van de weigering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om de medische attesten in aanmerking te nemen die F.H. in de loop van de procedure heeft voorgelegd, merkt de Raad van State op dat, om daadwerkelijk te zijn in de zin van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het beroep dat openstaat voor een persoon die klaagt over een schending van artikel 3 van hetzelfde Verdrag, een aandachtige, volledige en strikte controle van zijn situatie door het bevoegde orgaan mogelijk moet maken. In die context stelt de Raad van State de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
  2. De Ministerraad verwijst naar het arrest van het Hof nr. 95/2008 van 26 juni 2008, waaruit blijkt dat het verschil in behandeling tussen de aanvragers van internationale bescherming en de aanvragers van een machtiging tot verblijf om medische redenen op objectieve en relevante criteria berust, daar die aanvragers niet hetzelfde moeten aantonen en de twee aanvragen verschillende controles impliceren : de aanvragen voor internationale bescherming houden een beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de aanvrager in, terwijl de aanvraag op grond van een ernstige ziekte steunt op een medisch advies of onderzoek. Uit hetzelfde arrest blijkt dat artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980) voldoende waarborgen biedt aan de aanvragers van een machtiging tot verblijf die afgewezen zouden zijn. Hij betoogt dat dat arrest is bevestigd bij de arresten nrs. 82/2012 en 43/
  3. Hij onderstreept dat artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 een nationale bescherming toekent, en niet een internationale bescherming in de zin van de richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) », en dat de vereiste van een beroep met volle rechtsmacht voor de aanvragers van internationale bescherming voortvloeit uit artikel 46, lid 3, van de richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 « betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) ». Volgens de Ministerraad is de Belgische wetgever niet ertoe gehouden die vereiste uit te breiden tot de aanvragers van een machtiging tot verblijf om medische redenen, waarin het nationaal recht voorziet. A.1.
  4. De Ministerraad verwijst naar het arrest van het Hof nr. 13/2016 van 27 januari 2016, waarbij het Hof zou hebben geoordeeld dat artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980 het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet schendt, in zoverre het voorziet in een wettigheidstoetsing, en niet met volle rechtsmacht, in geval van betwisting van een beslissing tot weigering die op grond van artikel 9ter van de wet is genomen. 4 A.1.
  5. De Ministerraad herinnert aan de draagwijdte van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en aan de toepassing die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens daarvan maakt. Hij voert aan dat het recht op een daadwerkelijk beroep noch de organisatie van een schorsend beroep met volle rechtsmacht, noch die van een controle met volle rechtsmacht ten aanzien van elke administratieve beslissing oplegt. Volgens hem dient rekening te worden gehouden met alle beroepen waarover de vreemdeling beschikt, om te bepalen of artikel 13 van het Verdrag is geschonden. Hij haalt artikel 39/82, § 4, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 aan, dat de rechter, bij wie een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is ingesteld, toelaat over te gaan tot een onderzoek ex nunc, alsook artikel 39/85, § 1, derde lid, van dezelfde wet. Hij besluit hieruit dat, te dezen, het geheel van de beroepen waarover de aanvragers van een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet beschikken, voldoet aan de vereisten van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.1.
  6. De Ministerraad voegt eraan toe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet beschikt over de vereiste medische competenties om zich uit te spreken over nieuwe medische elementen die niet voor advies zijn voorgelegd aan de ambtenaar-geneesheer. Die nieuwe medische elementen vergen niet een beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de aanvrager, zoals dat het geval is voor de aanvragen voor internationale bescherming, maar wel een beoordeling van medische gegevens. Het beroep dat voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is ingesteld tegen een beslissing tot weigering van een machtiging tot verblijf om medische redenen zou bijgevolg geen beroep met volle rechtsmacht kunnen zijn, daar het onderzoek van de nieuwe elementen plaatsheeft in het kader van het onderzoek van een nieuwe aanvraag. A.1.
  7. Volgens de Ministerraad heeft de vreemdeling die een beroep instelt tegen de beslissing tot verwerping van zijn aanvraag voor een machtiging tot verblijf om medische redenen en wiens gezondheidstoestand verslechtert, de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen. Artikel 9ter, § 3, 5°, van de wet van 15 december 1980, dat voorziet in de onontvankelijkheid van een aanvraag in bepaalde gevallen, strekt ertoe het indienen van opeenvolgende regularisatieaanvragen waarbij identieke elementen worden aangevoerd, te ontmoedigen. Wanneer de nieuwe aanvraag ontvankelijk wordt verklaard, wordt aan de vreemdeling een attest van immatriculatie verleend. Er kan hem geen enkel nieuw bevel om het grondgebied te verlaten, worden uitgevaardigd vooraleer zijn nieuwe aanvraag door de Dienst Vreemdelingenzaken wordt onderzocht (zie artikel 74/13 van de wet). Daaruit volgt dat het indienen van een nieuwe aanvraag om medische redenen de vreemdeling meer beschermt dan de keuze om nieuwe medische stukken aan de administratieve rechter voor te leggen. De Ministerraad besluit hieruit dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.2.
  8. De verzoekende partij voor de Raad van State herinnert allereerst aan de ontstaansgeschiedenis van artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980, dat is ingevoegd bij artikel 80 van de wet van 15 september
  9. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft, enerzijds, de bevoegdheid inzake het schorsings- en vernietigingscontentieux overgenomen die de Raad van State uitoefende op het vlak van individuele beslissingen over het verblijf van vreemdelingen en, anderzijds, de door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen uitgeoefende bevoegdheid inzake het asielcontentieux. De integratie van die twee categorieën van contentieux binnen dezelfde Raad heeft de invoering van twee soorten van beroep bij dat rechtscollege tot gevolg gehad. Het beroep met volle rechtsmacht wordt niet alleen gekenmerkt door de aard van de beslissing van de Raad (herziening, bevestiging of vernietiging), maar ook door de mogelijkheid voor de partijen om in de loop van de procedure aanvullende stukken over te leggen. A.2.
  10. Dezelfde partij betoogt dat hoewel de twee in het geding zijnde categorieën van vreemdelingen, namelijk de aanvragers van internationale bescherming en de kandidaten voor medische regularisatie, niet op dezelfde wijze moeten worden behandeld, zij niettemin vergelijkbaar zijn in zoverre die vreemdelingen allen een risico aanvoeren van een aantasting van hun leven, van foltering of van onmenselijke en vernederende behandeling, en, wanneer zij een verdedigbare grief aanvoeren die is afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zij het voordeel moeten genieten van een daadwerkelijk beroep in de zin van artikel 13 van hetzelfde Verdrag. Zij betoogt dat het Hof in zijn arrest nr. 13/2016 van 27 januari 2016 het thans voorliggende verschil in behandeling inzake daadwerkelijk beroep niet heeft onderzocht aangezien die grief niet ontvankelijk is verklaard in zoverre die buiten de saisine van het Hof valt. 5 A.2.
  11. De verzoekende partij voor de verwijzende rechter wijst vervolgens op de evolutie in de wetgeving en in de rechtspraak sinds het arrest van het Hof nr. 95/2008 van 26 juni
  12. Allereerst maakt artikel 39/82, § 4, vierde lid, van de wet van 15 december 1980, gewijzigd bij artikel 5 van de wet van 10 april 2014, de neerlegging mogelijk van aanvullende documenten in het kader van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Artikel 39/68-3, § 2, ingevoegd bij de wet van 2 december 2015, en artikel 9ter, § 8, ingevoegd bij de wet van 14 december 2015, impliceren vervolgens dat de vreemdeling die reeds een beroep tegen een « beslissing 9ter » bij de Raad aanhangig heeft gemaakt, over geen enkel middel beschikt om zijn dossier te actualiseren, omdat hij anders wordt geacht afstand te doen van zijn beroep en zijn belang bij de voortzetting van de procedure dient aan te tonen. Ten slotte heeft de Raad van State bij zijn arrest nr. 243.673 van 12 februari 2019 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag gesteld over de mogelijkheid voor de nationale rechter, in het kader van de Dublin-verordening, rekening te houden met elementen die dateren van na het besluit tot « Dublin-overdracht ». Die ontwikkelingen tonen de spanningen aan tussen de in het geding zijnde bepaling en de vereisten van het daadwerkelijk beroep. A.
  13. In zijn memorie van antwoord herhaalt de Ministerraad zijn argumentatie. In verband met de prejudiciële vraag die door de Raad van State aan het Hof van Justitie is gesteld, voegt hij eraan toe dat artikel 27, lid 1, van de Dublin III-verordening aan de lidstaten de bevoegdheid laat om de aard van het beroep ingesteld tegen een overdrachtsbesluit te bepalen en dat de in te voeren procedure dus onder het nationale recht valt. In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie daarenboven geoordeeld dat de vraag ontkennend moest worden beantwoord. -B– B.
  14. Bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is een beroep tot vernietiging ingesteld tegen een beslissing tot weigering van een machtiging tot verblijf die is genomen op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980). In dat kader voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verwijzende rechter stelt aan het Hof een prejudiciële vraag over de bestaanbaarheid van artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 13 van het voormelde Verdrag, in zoverre het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet toestaat om over te gaan tot een onderzoek ex nunc van de situatie van de verzoekende partij. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan een dergelijk onderzoek daarentegen uitvoeren wanneer bij die Raad krachtens artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 een beroep is ingesteld door personen die internationale bescherming aanvragen en tevens risico’s voor hun leven en risico’s van een onmenselijke en vernederende behandeling aanvoeren. 6 B.
  15. Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen ». Artikel 13 van hetzelfde Verdrag bepaalt : « Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie ». B.3.
  16. Zoals geïnterpreteerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens veronderstelt het bij artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht op daadwerkelijke rechtshulp dat de persoon die een verdedigbare grief aanvoert die is afgeleid uit de schending van een recht of een vrijheid erkend in hetzelfde Verdrag, toegang heeft tot een nationale instantie die bevoegd is om de inhoud van de grief te onderzoeken en om het gepaste herstel te bieden. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk geoordeeld dat, « gelet op het belang dat [het] hecht aan artikel 3 van het Verdrag en aan de onomkeerbare aard van de schade die kan worden veroorzaakt wanneer het risico van foltering of slechte behandelingen zich voordoet […], artikel 13 eist dat de betrokkene toegang heeft tot een van rechtswege opschortend beroep » (EHRM, grote kamer, 21 januari 2011, M.S.S. t. België en Griekenland, § 293; 2 februari 2012, I.M. t. Frankrijk, § 128). B.3.
  17. Om daadwerkelijk te zijn in de zin van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens moet het beroep dat openstaat voor de persoon die een schending van artikel 3 aanklaagt, een « aandachtige », « volledige » en « strikte » controle mogelijk maken van de situatie van de verzoeker door het bevoegde orgaan (EHRM, grote kamer, 21 januari 2011, M.S.S. t. België en Griekenland, §§ 387 en 389; 20 december 2011, Yoh-Ekale Mwanje t. België, §§ 105 en 107). In dat verband heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat « de controle-instantie zich niet fictief kon verplaatsen naar het ogenblik waarop de administratie de betwiste beslissing heeft genomen teneinde de geldigheid ervan te beoordelen in het licht van artikel 3 en aldus kon afzien van een aandachtig en strikt onderzoek van de individuele situatie van de betrokkene » (EHRM, 2 oktober 2012, Singh en anderen t. België, § 91; 20 december 2011, Yoh-Ekale Mwanje t. België, §§ 106 en 107; 7 juli 7 2015, V.M. en anderen t. België, § 200). Om een eventuele schending van artikel 3 van het Verdrag te beoordelen in geval van uitzetting van een ernstig zieke vreemdeling naar zijn land van herkomst, is het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met de actuele gezondheidstoestand van de vreemdeling, met name in het licht van de meest recente inlichtingen (EHRM, 2 mei 1997, D. t. Verenigd Koninkrijk, § 50; grote kamer, 13 december 2016, Paposhvili t. België, § 188). Ten slotte, zoals het Hof bij zijn arrest nr. 111/2015 van 17 september 2015 heeft geoordeeld, impliceert de vereiste van een daadwerkelijk beroep dat het aangewende rechtsmiddel van rechtswege een opschortende werking heeft en dat, in voorkomend geval, nieuwe bewijselementen kunnen worden voorgelegd, zodat de rechter de actuele situatie van de verzoeker kan onderzoeken op het ogenblik van de uitspraak. B.
  18. Wanneer bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een beroep wordt ingesteld tegen de beslissing tot weigering van een aanvraag voor een machtiging tot verblijf om medische redenen, op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, handelt de Raad in de hoedanigheid van een annulatierechter, overeenkomstig het in het geding zijnde artikel 39/2, § 2, van dezelfde wet. In het kader van die saisine controleert de Raad de wettigheid van de bestreden beslissing op basis van de elementen waarvan de instantie kennis had op het ogenblik dat zij uitspraak deed; de Raad vermag dus niet de eventuele nieuwe bewijselementen in aanmerking te nemen die de verzoeker aan hem voorlegt, noch de actuele situatie van de laatstgenoemde te onderzoeken, namelijk op het ogenblik dat hij uitspraak doet over een eventuele schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in de hypothese dat de betrokken vreemdeling zou worden teruggewezen naar zijn land van herkomst. B.
  19. Bijgevolg is het beroep tot vernietiging dat, overeenkomstig artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980, kan worden ingesteld tegen een beslissing tot verwerping van een aanvraag voor een machtiging tot verblijf om medische redenen, op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, geen daadwerkelijk beroep in de zin van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 8 B.
  20. Om na te gaan of die bepaling is geschonden, dient evenwel rekening te worden gehouden met alle beroepen waarover de verzoekers beschikken, met inbegrip van de beroepen die het mogelijk maken zich te verzetten tegen de tenuitvoerlegging van een maatregel tot verwijdering naar een land waar, luidens de grief die zij aanvoeren, te hunnen aanzien een risico bestaat dat artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou kunnen worden geschonden. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft immers herhaaldelijk geoordeeld dat « het geheel van de door het interne recht geboden beroepen kan voldoen aan de vereisten van artikel 13, zelfs wanneer geen enkele daarvan op zich daaraan helemaal beantwoordt » (zie met name EHRM, 5 februari 2002, Čonka t. België, § 75; 26 april 2007, Gebremedhin (Gaberamadhien) t. Frankrijk, § 53; 2 oktober 2012, Singh en anderen t. België, § 99; 14 februari 2017, S.K. t. Rusland, § 73). B.
  21. Wanneer de gezondheidstoestand van de verzoeker na de indiening van zijn beroep is gewijzigd, beschikt hij op elk ogenblik over de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor een machtiging tot verblijf om medische redenen in te dienen, waarbij nieuwe medische elementen kunnen worden aangevoerd. Wanneer de nieuwe aanvraag in voorkomend geval ontvankelijk wordt verklaard, is de vreemdeling ertoe gemachtigd tijdelijk op het Belgische grondgebied te verblijven en ontvangt hij daartoe een attest van immatriculatie, overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 « tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ». B.
  22. Wanneer, alvorens de nieuwe aanvraag ontvankelijk is verklaard, de tenuitvoerlegging van de maatregel tot verwijdering van het grondgebied imminent is, kan de vreemdeling die het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing tot verwerping van een aanvraag voor een machtiging tot verblijf om medische redenen, op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid instellen tegen de verwijderingsmaatregel, overeenkomstig artikel 39/82, § 4, tweede lid, van dezelfde wet. Wanneer de vreemdeling reeds een gewone vordering tot schorsing had ingesteld en de tenuitvoerlegging van de verwijderingsmaatregel imminent wordt, kan hij, bij wege van voorlopige maatregelen, verzoeken dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zo snel mogelijk uitspraak doet (artikel 39/85, § 1, van de wet van 15 december 1980). 9 B.
  23. Wanneer een van die twee gronden wordt aangevoerd in het kader van een zaak bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dan doet die Raad « een zorgvuldig en nauwgezet onderzoek van alle bewijsstukken die hem worden voorgelegd, inzonderheid die welke van dien aard zijn dat daaruit blijkt dat er redenen zijn om te geloven dat de uitvoering van de bestreden beslissing de verzoeker zou blootstellen aan het risico te worden onderworpen aan de schending van de grondrechten van de mens ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden » (artikelen 39/82, § 4, vierde lid, en 39/85, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980). Dat houdt voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de verplichting in om, op het ogenblik dat hij uitspraak doet, rekening te houden met de actuele gezondheidstoestand van de verzoeker en met de nieuwe bewijselementen die die laatstgenoemde in dat verband heeft voorgelegd. Het voorhanden zijnde rechtsmiddel heeft overigens van rechtswege een opschortende werking. B.
  24. Bij zijn arrest nr. 112/2019 van 18 juli 2019 heeft het Hof geoordeeld dat in de gevallen waarin een aanzienlijke tijd is verlopen tussen het nemen van het besluit tot verwijdering in de vorm van een bevel om het grondgebied te verlaten en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van dat bevel, de minister of zijn gemachtigde op het ogenblik van die tenuitvoerlegging van het bevel om het grondgebied te verlaten een nieuw onderzoek verricht van het risico op schending van de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het heeft eveneens geoordeeld dat het besluit tot daadwerkelijke verwijdering, ongeacht of het samenvalt met de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten dan wel of het wordt genomen na een voordien afgegeven bevel om het grondgebied te verlaten, een besluit inzake verwijdering vormt in de zin van artikel 12, lid 1, van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 « over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven » (de zogenaamde « Terugkeerrichtlijn »), dat schriftelijk moet worden uitgevaardigd, moet worden gemotiveerd en het voorwerp van een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan uitmaken. 10 B.
  25. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de persoon wiens aanvraag voor een machtiging tot verblijf om medische redenen, ingediend op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, is verworpen en wiens medische toestand sinds de instantie haar beslissing heeft genomen, is geëvolueerd, een daadwerkelijk beroep in de zin van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geniet. B.
  26. Gelet op hetgeen voorafgaat, dient de situatie van de vreemdeling die een beroep tot vernietiging instelt tegen een beslissing tot weigering van een machtiging tot verblijf om medische redenen die is genomen op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, niet te worden vergeleken met de situatie van de aanvrager van internationale bescherming die een beroep met volle rechtsmacht heeft ingesteld tegen een beslissing tot weigering van een machtiging tot verblijf, in de hypothese dat de ene en de andere risico’s voor hun leven aanvoeren, alsook risico’s van onmenselijke en vernederende behandelingen. B.
  27. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 december
  28. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.206 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.