← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.002

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.002 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200116.11 Arrest- Rolnummer: 2/2020 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-07 Raadplegingen: 663 - laatst gezien 2026-06-28 22:16 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 108 van de wet van 21 december 2018 « houdende diverse bepalingen betreffende justitie », schendt niet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het aan de grootouders geen vorderingsrecht toekent om het bij erkenning vastgestelde vaderschap te betwisten wanneer de erkenner is overleden zonder in rechte te zijn opgetreden en wanneer, op het ogenblik van zijn overlijden, de krachtens artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek aan de erkenner toegekende termijn om een vordering tot betwisting van zijn eigen erkenning in te stellen nog niet was verstreken. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Biologische afstamming - Vaststelling vaderschap PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Familie- en Jeugdrechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Burgerlijk recht - Afstamming - Afstamming van vaderszijde - Erkenning van vaderschap - Overlijden van de persoon die het kind heeft erkend- Personen die gerechtigd zijn om een vordering tot betwisting van de erkenning in te stellen - Uitsluiting van de grootouders. Tekst van de beslissing Rolnummer 7092 Arrest nr. 2/2020 van 16 januari 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Familie- en Jeugdrechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 30 november 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 januari 2019, heeft de Familie- en Jeugdrechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek zoals vervangen door artikel 16 van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan en aangevuld bij artikel 370 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) en bij artikel 35 van de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank zoals het vóór de inwerkingtreding ervan is vervangen bij artikel 43 van de wet van 8 mei 2014 houdende wijziging en coördinatie van diverse wetten inzake justitie (I) en bij artikel 15 van de wet van 18 december 2014 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Internationaal Privaatrecht, het Consulair Wetboek, de wet van 5 mei 2014 houdende de vaststelling van de afstamming van de meemoeder en de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde, de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere supranationale wetsbepalingen zoals het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en onder meer artikel 8 daarvan, in zoverre artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek géén vorderingsrecht toekent aan de bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn om de erkenning te betwisten wanneer de erkenner overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is; terwijl een dergelijk vorderingsrecht wél wordt toegekend in artikel 318 § 2, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek aan de bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn van de overleden echtgenoot die niet in rechte is opgetreden terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is ? ». Memories zijn ingediend door : - N.V. en C.V., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Van Aerde, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - S.V., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Cooleman, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Ronse en Mr. D. Smets, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 23 oktober 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 6 november 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. 3 Ingevolge het verzoek van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 6 november 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 4 december

  1. Op de openbare terechtzitting van 4 december 2019 : - zijn verschenen : . Mr. C. Van Aerde, voor N.V. en C.V.; . Mr. S. Brutin, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, loco Mr. S. Cooleman, voor S.V.; . Mr. T. Quintens, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, loco Mr. S. Ronse en Mr. D. Smets, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Uit de relatie van B.V. en S.V. werden twee kinderen geboren, die allebei door B.V. werden erkend met instemming van S.V. Na het overlijden van B.V., op 26 juni 2015, stelden zijn ouders, N.V. en C.V., een vordering in tot betwisting van de erkenning van L.V., een van de kinderen die hun zoon had erkend. Bij tussenvonnis van 2 september 2016 oordeelde de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, dat die vordering slechts ontvankelijk is in zoverre B.V. zelf de geldigheid van de erkenning kon betwisten. Krachtens artikel 330, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek moest hij daartoe aantonen dat aan zijn toestemming een gebrek kleefde. N.V. en C.V. werden ertoe gemachtigd om het bewijs te leveren van het feit dat B.V. niet de biologische vader is van L.V. en van het feit dat hij bij de erkenning, hetzij gedwaald heeft aangaande zijn biologisch vaderschap, hetzij door de moeder bedrogen werd aangaande de werkelijkheid van dat vaderschap. Op 24 augustus 2017 legde de deskundige zijn eindverslag neer, waaruit bleek dat B.V. niet de biologische vader is van L.V. De verwijzende rechter stelt vervolgens vast dat de betwisting van een erkenning van het vaderschap een voorbehouden rechtsvordering is en dat de grootouders van vaderszijde krachtens artikel 330, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek niet de hoedanigheid hebben om een erkenning die is gebeurd door hun overleden zoon te betwisten. Indien het vaderschap van B.V. daarentegen was komen vast te staan op basis van de binnen het huwelijk geldende vaderschapsregel die is vervat in artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek, zouden N.V. en C.V., als bloedverwanten in rechte lijn, op grond van artikel 318, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek wel een vordering kunnen instellen om het vaderschap van hun zoon te betwisten. Op verzoek van N.V. en C.V. stelt de verwijzende rechter over dat verschil in behandeling de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof. 4 III. In rechte -A- Standpunt van N.V. en C.V. A.1.
  2. Volgens N.V. en C.V. is het arrest van het Hof nr. 20/2019 van 7 februari 2019 niet pertinent voor de beoordeling van de onderhavige prejudiciële vraag. Bij dat arrest oordeelde het Hof dat artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt in zoverre het de grootouders uitsluit van het recht om een vordering in te stellen tot betwisting van de erkenning van het vaderschap door hun zoon ten aanzien van een kind. Dat arrest heeft slechts betrekking op een welbepaalde feitelijke context die in de huidige zaak niet aanwezig is. Bovendien was in dat arrest het verschil in behandeling tussen grootouders dat volgt uit de artikelen 318 en 330 van het Burgerlijk Wetboek, niet in het geding. A.1.
  3. De parlementaire voorbereiding van de wet van 1 juli 2006 « tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan » (hierna : de wet van 1 juli 2006) biedt inzake de betwisting van het vaderschap geen verantwoording voor het verschil in behandeling tussen de bloederwanten in opgaande lijn van de overleden echtgenoot wiens vaderschap vaststaat op grond van de vaderschapsregel vervat in artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek, en de bloedverwanten in opgaande lijn van de overleden man die een kind heeft erkend. Die wet beoogt de resterende discriminaties af te schaffen, de ter zake geldende procedures te harmoniseren en de afstamming binnen en buiten het huwelijk dichter bij elkaar te brengen. Het oorspronkelijke wetsvoorstel dat tot de wet van 1 juli 2006 heeft geleid, bevatte een geharmoniseerde betwistingsregeling voor erkende kinderen en voor binnen het huwelijk geboren kinderen. Het in het geding zijnde verschil in behandeling tussen artikel 318 en 330 van het Burgerlijk Wetboek is te wijten aan wetgevende slordigheid, als gevolg van de vele verschillende ontwerpversies en amendementen met betrekking tot de regeling voor het betwisten van de afstamming. A.1.
  4. Het verschil in behandeling dat volgt uit de artikelen 318 en 330 van het Burgerlijk Wetboek is niet bestaanbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Twee categorieën van personen die zich in een gelijke situatie bevinden, worden verschillend behandeld naar gelang van de aard van de relatie van de overleden vader met de moeder. Voor dat verschil in behandeling bestaat geen legitieme doelstelling en het verschil is bijgevolg evenmin pertinent in het licht van die doelstelling. Het gaat integendeel in tegen de algemene doelstelling van de wet van 1 juli 2006 om de bestaande verschillen in behandeling tussen bepalingen over de betwisting van het vaderschap van de echtgenoot en de betwisting van de afstamming door erkenning weg te werken. De gevolgen van het verschil in behandeling zijn evenmin evenredig met die doelstelling, temeer daar dat verschil is gebaseerd op een « verdacht criterium », met name het feit of het kind binnen of buiten het huwelijk is geboren, zodat de evenredigheid strenger moet worden beoordeeld. N.V. en C.V. zijn van mening dat het volstrekt onevenredig is om bloedverwanten in opgaande lijn anders te behandelen naargelang het kleinkind waarvan de afstamming wordt betwist, binnen of buiten een huwelijk is geboren. A.1.
  5. Dat verschil in behandeling is evenmin bestaanbaar met het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven zoals gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het recht van grootouders om krachtens artikel 318, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek het wettelijk vaderschap te betwisten indien hun overleden zoon op het ogenblik van zijn overlijden nog de mogelijkheid had om zijn vaderschap te betwisten, onder het toepassingsgebied van dat grondrecht valt. Bijgevolg moet ook hun recht om een erkenning van het vaderschap door hun overleden zoon te betwisten, in dezelfde mate onder het toepassingsgebied van dat grondrecht vallen. A.1.
  6. Het verschil in behandeling kan niet worden verantwoord doordat een erkenning een uitdrukkelijke en vrijwillige handeling van de erkenner vereist, terwijl het vaderschap van de echtgenoot geen handeling van zijnentwege vereist, maar hem van rechtswege wordt opgelegd door de wet, als echtgenoot van de moeder. Dat verschil wordt reeds geremedieerd door de vereiste, in artikel 330, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat de erkenner en zij die de in artikel 329bis van het Burgerlijk Wetboek vereiste of bedoelde toestemming hebben gegeven, enkel gerechtigd zijn de erkenning te betwisten wanneer zij bewijzen dat aan hun toestemming een gebrek kleefde, teneinde eventuele willekeur bij het betwisten van een erkenning te vermijden. 5 A.1.
  7. Het verschil in behandeling kan evenmin worden verantwoord door de wil van de wetgever om de gezinscel te beschermen, om de rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden te bewaren of om het belang van het kind te beschermen. Deze doelstellingen en verantwoordingen zijn niet pertinent ten aanzien van het verschil in behandeling tussen grootouders van een door hun overleden zoon erkend kind onder het toepassingsgebied van artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek en grootouders van een kind dat verwekt is binnen het huwelijk van hun overleden zoon onder het toepassingsgebied van artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek. Standpunt van S.V. A.2.
  8. Volgens S.V. bestond de ratio legis van de wet van 1 juli 2006 niet alleen in het afschaffen van de resterende discriminaties en in het harmoniseren van de geldende procedures inzake de afstamming binnen en buiten het huwelijk. In de loop van de parlementaire voorbereiding groeide uiteindelijk een meerderheid om de vordering tot betwisting van een erkenning voor te behouden aan de « daadwerkelijk belanghebbenden ». De wetgever beoogde het belang van het kind beter te beschermen, onder meer door het bezit van staat te behouden en te verhinderen dat andere derden de vaderlijke erkenning nog zouden kunnen betwisten. A.2.
  9. Voor het onderhavige verschil in behandeling bestaat een objectieve en redelijke verantwoording. Krachtens artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek wordt het vaderschap immers dwingend en automatisch opgelegd aan de echtgenoot van de moeder. De erkenning vereist daarentegen een uitdrukkelijke handeling van een man die op vrijwillige basis verklaart dat hij met een bepaald kind een juridisch vastgestelde afstammingsband wenst te creëren. Dat wezenlijke verschil verantwoordt dat bloedverwanten in rechte lijn van de vooroverleden echtgenoot wel het vaderschap kunnen betwisten, terwijl de bloedverwanten in rechte lijn van een vooroverleden man die een kind heeft erkend, dat niet kunnen. Standpunt van de Ministerraad A.3.
  10. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 31 maart 1987 « tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming » en van de wet van 1 juli 2006 blijkt dat de wetgever bij het aannemen van de wettelijke bepalingen omtrent de afstamming de wil te kennen heeft gegeven om de rechtszekerheid van het kind centraal te stellen. Daarom is het steeds de bedoeling geweest om het begrip « belanghebbenden » in artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek zoveel mogelijk te beperken en alle personen die bij de erkenningsprocedure betrokken zijn op dezelfde wijze te behandelen door hun het recht op betwisting te ontzeggen, tenzij aan de toestemming een gebrek kleeft. In die parlementaire voorbereiding wordt ook vermeld dat het toekennen van een recht tot betwisting van het vaderschap aan iedere belanghebbende te ver gaat en de gezinsvrede te zeer zou verstoren. A.3.
  11. De erkenning en het vermoeden van vaderschap zijn twee onderscheiden rechtsfiguren die bijgevolg verschillend mogen worden behandeld. Aangezien de erkenning een uitdrukkelijke wilsuiting vereist, moet het betwistingsrecht worden beperkt tot de erkenner, de moeder, het kind en de persoon die het vaderschap opeist, aangezien de erkenner wordt geacht wetens en willens de desbetreffende wilsuiting te stellen. De vaderschapsregel daarentegen biedt de echtgenoot geen mogelijkheid om wetens en willens een handeling te stellen, aangezien het een automatisch vastgestelde afstammingsband betreft. Dat automatische karakter verantwoordt dan ook een verdergaande bescherming van de echtgenoot en zijn bloedverwanten in rechte lijn. A.3.
  12. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat niet elke regeling of procedure inzake afstamming zonder meer een ongerechtvaardigde inmenging in het privéleven uitmaakt. Een dergelijke inmenging is namelijk redelijkerwijs verantwoord indien de wetgever een billijk evenwicht vindt tussen de rechten van alle betrokken partijen. De objectieve verschillen tussen de erkenning van het vaderschap en de vaderschapsregel die geldt binnen het huwelijk vormen voor de wetgever een voldoende rechtvaardiging om in alle redelijkheid te besluiten die categorieën anders te behandelen ten aanzien van de betwistingsrechten van de bloedverwanten in opgaande en neerdalende lijn. 6 -B- B.
  13. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 318 en 330 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de artikelen 101 en 108 van de wet van 21 december 2018 « houdende diverse bepalingen betreffende justitie » (hierna : de wet van 21 december 2018). B.2.
  14. In de versie ervan die van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 101 van de wet van 21 december 2018, bepaalde artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek : « §
  15. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist voor de familierechtbank door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, de man die het vaderschap van het kind opeist en de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist. §
  16. De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is. De vordering van de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd in de verwekking en de verwekking hiervan het gevolg kan zijn. Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn. […] ». B.2.
  17. Artikel 101 van de wet van 21 december 2018 heeft artikel 318, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, met ingang van 10 januari 2019, als volgt gewijzigd : « […] 7 1° in het tweede lid worden de woorden ‘ binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte ’ vervangen door de woorden ‘ binnen een jaar na zijn overlijden of na de ontdekking van de geboorte of binnen een jaar na hun ontdekking van het feit dat de overledene niet de vader van het kind is ’; 2° het tweede lid wordt aangevuld met de volgende zin : ‘ Indien de echtgenoot overleden is vóór de geboorte van het kind kan zijn vaderschap worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn binnen een jaar na de ontdekking van de geboorte of binnen een jaar na hun ontdekking van het feit dat de overledene niet de vader van het kind is. ’ ». Ingevolge die wijziging bepaalt artikel 318, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek : « Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de ontdekking van de geboorte of binnen een jaar na hun ontdekking van het feit dat de overledene niet de vader van het kind is, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn. Indien de echtgenoot overleden is vóór de geboorte van het kind kan zijn vaderschap worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn binnen een jaar na de ontdekking van de geboorte of binnen een jaar na hun ontdekking van het feit dat de overledene niet de vader van het kind is ». B.3.
  18. In de versie ervan die van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 108 van de wet van 21 december 2018, bepaalde artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek : « §
  19. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het moederschap worden betwist voor de familierechtbank door de vader, het kind, de vrouw die het kind heeft erkend en de vrouw die het moederschap van het kind opeist. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het vaderschap worden betwist voor de familierechtbank door de moeder, het kind, de man die het kind heeft erkend, de man die het vaderschap van het kind opeist en de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist. De erkenner en zij die de voorafgaande, in artikel 329bis vereiste of bedoelde toestemmingen hebben gegeven, zijn echter alleen gerechtigd de erkenning te betwisten, indien zij bewijzen dat aan hun toestemming een gebrek kleefde. De erkenning kan niet worden betwist door hen die partij zijn geweest bij de beslissing waarbij de erkenning is toegestaan overeenkomstig artikel 329bis, of bij de beslissing waarbij de krachtens dat artikel gevorderde vernietiging is afgewezen. 8 De vordering van de vader, de moeder of de persoon die het kind erkend heeft, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de persoon die het kind erkend heeft, niet de vader of de moeder is; die van de persoon die het vaderschap of moederschap opeist moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij of zij de vader of de moeder van het kind is; die van het kind moet op zijn vroegst worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en moet uiterlijk worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na het ontdekken van het feit dat de persoon die het erkend heeft noch zijn vader, noch zijn moeder is. De vordering van de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd in de verwekking en de verwekking hiervan het gevolg kan zijn. […] ». B.3.
  20. Artikel 108 van de wet van 21 december 2018 heeft artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, met ingang van 10 januari 2019, als volgt gewijzigd : « […] 1° de woorden ‘ , of binnen een jaar nadat hij of zij kennis heeft genomen van de erkenning, indien deze plaatsvindt na de ontdekking van het feit dat hij of zij de vader of de moeder van het kind is ’ worden ingevoegd tussen de woorden ‘ de ontdekking van het feit dat hij of zij de vader of de moeder van het kind is ’ en de woorden ‘ ; die van het kind ’; 2° de tweede zin wordt aangevuld met de woorden ‘ , of binnen een jaar nadat zij kennis heeft genomen van de erkenning, indien deze plaatsvindt na de ontdekking van het feit dat zij de meemoeder van het kind is ’ ». Ingevolge die wijziging bepaalt artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek : « De vordering van de vader, de moeder of de persoon die het kind erkend heeft, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de persoon die het kind erkend heeft, niet de vader of de moeder is; die van de persoon die het vaderschap of moederschap opeist moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij of zij de vader of de moeder van het kind is, of binnen een jaar nadat hij of zij kennis heeft genomen van de erkenning, indien deze plaatsvindt na de ontdekking van het feit dat hij of zij de vader of de moeder van het kind is; die van het kind moet op zijn vroegst worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en moet uiterlijk worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na het ontdekken van het feit dat de persoon die het erkend heeft noch zijn vader, noch zijn moeder is. 9 De vordering van de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd in de verwekking en de verwekking hiervan het gevolg kan zijn, of binnen een jaar nadat zij kennis heeft genomen van de erkenning, indien deze plaatsvindt na de ontdekking van het feit dat zij de meemoeder van het kind is ». B.
  21. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht na te gaan of artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het aan de grootouders geen vorderingsrecht toekent om het bij erkenning vastgestelde vaderschap te betwisten wanneer de erkenner is overleden zonder in rechte te zijn opgetreden en wanneer, op het ogenblik van zijn overlijden, de krachtens artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek aan de erkenner toegekende termijn om een vordering tot betwisting van zijn eigen erkenning in te stellen nog niet was verstreken, terwijl artikel 318, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek aan de bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn van de overleden echtgenoot die niet in rechte is opgetreden, de mogelijkheid geeft om het door vermoeden vastgestelde vaderschap van die overleden echtgenoot te betwisten, wanneer de termijn om zulks te doen nog niet is verstreken. De in B.2.2 vermelde nieuwe formulering van artikel 318, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, die enkel betrekking heeft op het aanvangspunt van de vervaltermijn die aan de bloedverwant in de opgaande of in de neerdalende lijn van de overleden echtgenoot is opgelegd om een vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in te stellen, heeft geen weerslag op het onderwerp van de prejudiciële vraag. Hetzelfde geldt voor de in B.3.2 vermelde nieuwe formulering van artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, die enkel betrekking heeft op het aanvangspunt van de vervaltermijn die aan de persoon die het vaderschap, het moederschap of het meemoederschap opeist, is opgelegd om een vordering tot betwisting van de erkenning in te stellen. B.
  22. Het Hof heeft zich uitgesproken over artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek in zoverre het aan de grootouders van vaderszijde de mogelijkheid ontzegt om een vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap in te stellen wanneer hun zoon die het kind heeft erkend, is overleden zonder in rechte te zijn getreden, terwijl de termijn om dat te doen nog niet is verstreken. Bij zijn arrest nr. 20/2019 van 7 februari 2019 heeft het Hof in dat verband geoordeeld : 10 « B.2.
  23. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.2.
  24. De procedures in verband met de vaststelling of de betwisting van het vaderschap betreffen het privéleven, daar de aangelegenheid van de afstamming belangrijke aspecten van de persoonlijke identiteit van een individu omvat (EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 33; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 30; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 102; 16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, §§ 48-49; 21 juni 2011, Krušković t. Kroatië, § 20; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 60; 12 februari 2013, Krisztián Barnabás Tóth t. Hongarije, § 28). De in het geding zijnde regeling inzake de betwisting van de erkenning van het vaderschap valt dus onder de toepassing van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.2.
  25. Krachtens artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet is ‘ het belang van het kind […] de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat ’. B.3.
  26. Artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek is ingevoerd bij artikel 16 van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan. B.3.
  27. Uit de verantwoording voor het amendement dat tot die bepaling heeft geleid, blijkt dat de wetgever, ten aanzien van de beperking van de personen die de vordering tot betwisting van de erkenning kunnen instellen, die vordering wilde voorbehouden aan de personen ‘ die daadwerkelijk belanghebbenden zijn ’ (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/026, p. 6). In het algemeen wilden de auteurs van de tekst ‘ de gezinscel van het kind zoveel mogelijk […] beschermen ’ (ibid.). B.3.
  28. De oorspronkelijke tekst van artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoerd bij de wet van 31 maart 1987 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming, maakte het mogelijk dat de erkenning wordt betwist door ‘ iedere belanghebbende ’. De wetgever had evenwel, teneinde de stabiliteit van het gezin te verzekeren, erin voorzien dat de betwisting diende te worden verworpen indien het kind bezit van staat had ten aanzien van diegene die het had erkend. In het verslag namens de Commissie voor de Justitie in verband met die bepaling wordt vermeld : ‘ Meerdere leden hadden ernstig bezwaar tegen het feit dat het betwistingsrecht op een absolute wijze zou worden toegestaan. Het principe van de zogenaamde biologische waarheid kan in bepaalde gevallen immers storend zijn voor het kind en indruisen tegen diens belangen. […] Vervolgens ontwikkelde zich een debat omtrent het begrip “ belanghebbenden ”. 11 Er moet worden uitgegaan van de filosofie dat een zo groot mogelijk parallellisme dient te worden gerealiseerd ten voordele van het kind, afgezien van de omstandigheid of dit kind binnen of buiten het huwelijk is geboren. De hoofdbekommernis moet zijn de rechtszekerheid van het kind te waarborgen ’ (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 904/2, pp. 100 en 102). B.3.
  29. De hoofdbekommernis van de wetgever bij het invoeren van artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek was bijgevolg het waarborgen van de rechtszekerheid voor het kind. B.
  30. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van de erkenning van het vaderschap te verhinderen. B.5.
  31. Het contact tussen de grootouders en de kleinkinderen valt onder het familieleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, 20 januari 2015, Manuello en Nevi t. Italië, § 53), zodat de grootouders in beginsel uit die bepaling een recht halen op het hebben en onderhouden van contact met hun kleinkinderen. Hieruit vloeit evenwel geen verplichting voort, voor de wetgever, om de grootouders van een kind op dezelfde manier te behandelen als de ouders van dat kind, ten aanzien van hun recht om diens afstamming te betwisten. B.5.
  32. Hoewel de afstamming een wezenlijk element vormt van de identiteit van het kind en van de volwassene ten aanzien van wie zij wordt vastgesteld of die deze te zijnen aanzien opeist, geldt zulks niet voor de grootouders, die niet op gelijkwaardige wijze betrokken kunnen zijn bij de vaststelling van de afstamming van een kind ten aanzien van hun zoon of dochter. De wetgever vermocht dus, gelet op het doel dat erin bestaat de rechtszekerheid voor het kind te waarborgen, het recht om een vordering in te stellen tot betwisting van de vastgestelde afstamming te beperken tot de personen die rechtstreeks belang daarbij hebben en dus de grootouders niet onder die personen te rekenen. Het verschil in behandeling tussen de personen die ertoe gemachtigd zijn een vordering in te stellen tot betwisting van de erkenning van het vaderschap en de personen welke die vordering niet kunnen instellen, berust dus op een relevant criterium. B.6.
  33. In de veronderstelling dat een dergelijke beperking afbreuk zou doen aan het recht op de eerbiediging van het privéleven van de grootouders, zou die inmenging in dat recht dus redelijk verantwoord zijn door het voormelde doel. B.6.
  34. De beperking van het recht om een vordering tot betwisting van de afstamming in te stellen, tot de personen die werkelijk belang daarbij hebben zoals bedoeld in de in het geding zijnde bepaling, doet dus evenmin afbreuk aan de vrijwaring van het hoger belang van het kind. Er kan immers worden vermoed dat de persoon die het kind heeft erkend, de persoon die ingestemd heeft met die erkenning, alsook de persoon die, in voorkomend geval, de afstamming opeist in beginsel het meest geschikt zijn om een vordering tot betwisting van de erkenning in te stellen wanneer het belang van het kind een dergelijke vordering vereist. Bovendien beschikt het kind zelf over een recht om een vordering in te stellen tot betwisting van de erkenning die te zijnen aanzien heeft plaatsgehad. Het blijkt dus niet noodzakelijk voor de vrijwaring van het hoger belang van het kind dat ook de grootouders de bij erkenning vastgestelde afstamming ten aanzien van hun kleinkind gerechtelijk kunnen betwisten ». 12 B.6.
  35. Volgens artikel 318, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek kan, indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, zijn vaderschap worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande of in de neerdalende lijn, binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte. B.6.
  36. Artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Het kind dat geboren is tijdens het huwelijk of binnen 300 dagen na de ontbinding of de nietigverklaring van het huwelijk, heeft de echtgenoot tot vader ». Bijgevolg wordt het vaderschap van het kind dat tijdens het huwelijk is geboren, van rechtswege vastgesteld ten aanzien van de echtgenoot van de moeder. B.6.
  37. De erkenning van het vaderschap daarentegen is een vrijwillige rechtshandeling uitgaande van de man die een afstammingsband wil vaststellen ten aanzien van een kind en veronderstelt dat de man die een kind erkent, zijn wil uitdrukkelijk uit. De erkenner wordt geacht een dergelijke rechtshandeling weloverwogen te stellen en kan de erkenning slechts betwisten indien hij bewijst dat aan zijn toestemming een gebrek kleefde. Ofschoon door die erkenning een afstammingsband tot stand komt, is het niet uitgesloten dat de betrokkene een kind erkent in de wetenschap dat er tussen hen geen biologische band bestaat. B.6.
  38. Aldus bestaat tussen de in B.6.2 en de in B.6.3 beoogde situaties een fundamenteel verschil dat, ten aanzien van de wil van de wetgever om de mogelijkheden tot betwisting van de erkenning van het vaderschap zoveel mogelijk te beperken teneinde de rechtszekerheid voor het kind te waarborgen, redelijkerwijs verantwoordt dat in dat laatste geval aan de grootouders niet het recht wordt toegekend om een vordering in te stellen tot betwisting van het bij erkenning vastgestelde vaderschap, wanneer de erkenner is overleden zonder in rechte te zijn opgetreden en wanneer, op het ogenblik van zijn overlijden, de krachtens artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek aan de erkenner toegekende termijn om een vordering tot betwisting van zijn eigen erkenning in te stellen nog niet was verstreken. B.
  39. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 108 van de wet van 21 december 2018 « houdende diverse bepalingen betreffende justitie », schendt niet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het aan de grootouders geen vorderingsrecht toekent om het bij erkenning vastgestelde vaderschap te betwisten wanneer de erkenner is overleden zonder in rechte te zijn opgetreden en wanneer, op het ogenblik van zijn overlijden, de krachtens artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek aan de erkenner toegekende termijn om een vordering tot betwisting van zijn eigen erkenning in te stellen nog niet was verstreken. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 januari
  40. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.002 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.137 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.