← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.006 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200116.15 Arrest- Rolnummer: 6/2020 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-27 Raadplegingen: 292 - laatst gezien 2026-06-28 21:40 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Onder voorbehoud van de in B.7.3 vermelde interpretatie, schendt artikel 99bis, tweede lid, van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 99bis juncto artikel 65, tweede lid, van het Strafwetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Publiek recht - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Stedenbouwkundige vergunning - Waals Gewest - Vergunningsaanvraag - Verandering van decretgeving tussen het ogenblik waarop de vergunningsaanvraag wordt ingediend (op grond van het WWROSPE) en het ogenblikwaarop het dossier wordt aangevuld (na de inwerkingtreding van het Wetboek van ruimtelijke ontwikkeling) - Onderzoek van het dossier voortgezet op grond van de bepalingen van het WWROSPE - Overgangsrecht. Tekst van de beslissing Rolnummer 7163 Arrest nr. 6/2020 van 16 januari 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 99bis juncto artikel 65, tweede lid, van het Strafwetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 9 april 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 april 2019, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 99bis juncto artikel 65, tweede lid, Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het inhoudt dat het de Belgische rechter op geen enkele wijze toegelaten wordt in het kader van de straftoemeting toepassing te maken van artikel 65, tweede lid Strafwetboek wanneer de beklaagde zich wenst te beroepen op een veroordeling uitgesproken door de strafgerechten van een andere lidstaat van de Europese Unie, ofschoon het gaat om misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, hoewel de Belgische rechter wel verplicht wordt toepassing te maken van artikel 65, tweede lid Strafwetboek ingeval van een eerdere Belgische veroordeling en terwijl dergelijke buitenlandse veroordeling overeenkomstig artikel 99bis Strafwetboek door de Belgische rechter wel verplicht in aanmerking dient te worden genomen bij de beoordeling van bijvoorbeeld de toepassing van de omstandigheid van herhaling of de gunstmaatregelen inzake uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf of opschorting van de uitspraak van de veroordeling ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. A. Poppe, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 6 november 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Moerman, ter vervanging van ererechter J.-P. Snappe, te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 november 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 20 november 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij vonnis van 20 januari 2017 veroordeelde de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel een aantal beklaagden tot een gevangenisstraf en een geldboete wegens inbreuken op het BTW-Wetboek en het Wetboek van economisch recht. Twee beklaagden werden reeds eerder veroordeeld wegens medeplichtigheid aan inbreuken op de belastingwetten door het Amtsgericht te Ulm (Duitsland), bij vonnissen van 28 februari en 24 oktober

  1. In hoger beroep vragen zij de toepassing van artikel 65, tweede lid, van het Strafwetboek bij de beoordeling van de straftoemeting. Die bepaling verplicht de rechter om bij zijn uitspraak rekening te houden met misdrijven die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en die samen met de feiten die bij hem voorliggen de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet zijn. 3 Krachtens artikel 99bis van het Strafwetboek hebben veroordelingen uitgesproken door de strafgerechten van een andere lidstaat van de Europese Unie dezelfde rechtsgevolgen als veroordelingen uitgesproken door Belgische strafgerechten en kunnen ze onder dezelfde voorwaarden in aanmerking worden genomen. Die regel is evenwel niet van toepassing op het geval bedoeld in artikel 65, tweede lid, van het Strafwetboek. Alvorens uitspraak te doen, stelt het Hof van Beroep te Brussel de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
  2. De Ministerraad merkt allereerst op dat artikel 99bis van het Strafwetboek een verschil in behandeling doet ontstaan naar gelang van de locatie van het strafgerecht dat de eerdere veroordeling heeft uitgesproken. Krachtens die bepaling is artikel 65, tweede lid, van het Strafwetboek immers niet van toepassing indien de eerdere veroordeling niet door een Belgisch strafgerecht werd uitgesproken, maar door een strafgerecht van een andere lidstaat van de Europese Unie. Het criterium van onderscheid is objectief. A.
  3. De in het geding zijnde bepaling streeft naar het oordeel van de Ministerraad een wettig doel na, zoals uit de parlementaire voorbereiding valt af te leiden. Het doel van de uitzondering, waarin artikel 99bis, tweede lid, van het Strafwetboek voorziet, op de regel dat de Belgische rechter rekening moet houden met veroordelingen van strafgerechten van andere lidstaten van de Europese Unie, bepaald in het eerste lid van dezelfde bepaling, bestaat in het voorkomen van inefficiënte of onlogische situaties op het vlak van de straftoemeting als gevolg van de verschillen tussen de strafrechtstelsels van de lidstaten. De voormelde uitzondering is pertinent om dat doel te bereiken. Gelet op de veelheid aan straffen in de verschillende lidstaten, zou het bovendien vaak moeilijk zijn om te bepalen welke de zwaarste straf is. A.
  4. Ten slotte merkt de Ministerraad op dat de strafrechter, wanneer hij overgaat tot het bepalen van de strafmaat, weliswaar niet gebonden is door de straf die reeds door een strafgerecht van een andere lidstaat van de Europese Unie werd opgelegd, maar daar wel rekening mee kan houden. Gelet op zijn beoordelingsvrijheid zal de rechter de straftoemeting kunnen afstemmen op de specifieke omstandigheden van de zaak in kwestie. De in het geding zijnde bepaling heeft dus geen onevenredige gevolgen. -B- B.
  5. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de wijze waarop de strafrechter rekening dient te houden met de veroordelingen die door strafgerechten van andere lidstaten van de Europese Unie zijn uitgesproken. B.
  6. Artikel 99bis van het Strafwetboek bepaalt : « De veroordelingen uitgesproken door de strafgerechten van een andere lidstaat van de Europese Unie worden in aanmerking genomen onder dezelfde voorwaarden als de veroordelingen uitgesproken door de Belgische strafgerechten en hebben dezelfde rechtsgevolgen als deze veroordelingen. 4 De in het eerste lid vermelde regel is niet van toepassing op het geval bedoeld in artikel 65, tweede lid ». B.
  7. Artikel 65, tweede lid, van hetzelfde Wetboek bepaalt : « Wanneer de feitenrechter vaststelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, houdt hij bij de straftoemeting rekening met de reeds uitgesproken straffen. Indien deze hem voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voldoende lijken, spreekt hij zich uit over de schuldvraag en verwijst hij in zijn beslissing naar de reeds uitgesproken straffen. Het geheel van de straffen uitgesproken met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste straf niet te boven gaan ». B.
  8. Uit die bepalingen volgt dat de strafrechter in de regel rekening dient te houden met de veroordelingen die door strafgerechten van andere lidstaten van de Europese Unie zijn uitgesproken, maar dat zulks niet het geval is wanneer hem feiten worden voorgelegd die, samen met de misdrijven waarvoor reeds een veroordeling bestaat, de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet zijn. Er is sprake van eenheid van misdadig opzet van de beklaagde wanneer de hem ten laste gelegde misdrijven verbonden zijn door een eenheid van doel en verwezenlijking, en in die zin één enkel feit, namelijk een complexe gedraging, opleveren. De feitenrechter oordeelt onaantastbaar of dat het geval is. B.
  9. Doordat artikel 99bis, tweede lid, van het Strafwetboek de toepassing uitsluit van artikel 65, tweede lid, van hetzelfde Wetboek doet het een verschil in behandeling ontstaan tussen de personen die in België zijn veroordeeld en de personen die in een andere lidstaat van de Europese Unie zijn veroordeeld. Wanneer de betrokken veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan en de feiten « de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet », dient de rechter met de uitgesproken veroordelingen rekening te houden bij de beoordeling van de straftoemeting voor de eerste categorie van personen, maar niet voor de tweede categorie van personen. 5 B.6.
  10. Het vaststellen van de regels inzake straftoemeting komt de wetgever toe. Hij beschikt op dat vlak over een ruime beoordelingsvrijheid, rekening houdend met het recht van de Europese Unie. B.6.
  11. Om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen, dient elke lidstaat van de Europese Unie ervoor te zorgen « dat in een strafrechtelijke procedure tegen een persoon rekening wordt gehouden met in andere lidstaten tegen de betrokkene uitgesproken, eerdere veroordelingen wegens andere feiten, waarover krachtens de geldende rechtsinstrumenten inzake wederzijdse rechtsbijstand of inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister informatie is verkregen, zulks voor zover in de lidstaat zelf met eerdere veroordelingen rekening wordt gehouden, en dat aan die in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen rechtsgevolgen worden verbonden, gelijkwaardig aan die welke de nationale wetgeving verbindt aan eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf » (artikel 3, lid 1, van het kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 24 juli 2008 « betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie »). B.6.
  12. Artikel 3, lid 5, van hetzelfde kaderbesluit beperkt die verplichting als volgt : « Indien het strafbare feit waarover de nieuwe procedure wordt gevoerd, gepleegd is voordat de eerdere veroordeling is uitgesproken of volledig ten uitvoer is gelegd, hebben de leden 1 en 2 niet tot gevolg dat vereist wordt dat lidstaten hun nationale voorschriften betreffende het opleggen van straffen toepassen, wanneer het toepassen van die voorschriften op in een andere lidstaat uitgesproken veroordelingen voor de rechter een beperking zou inhouden bij het opleggen van een straf in de nieuwe procedure. De lidstaten zien er evenwel op toe dat eerdere, in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen door rechters in dergelijke gevallen anderszins in aanmerking kunnen worden genomen ». B.6.
  13. Het recht van de Europese Unie vereist dus niet dat de regels inzake straftoemeting, zoals bepaald in artikel 65, tweede lid, van het Strafwetboek, onverkort van toepassing zijn op personen die in een andere lidstaat van de Europese Unie zijn veroordeeld. Het vereist echter wel dat die veroordelingen op een andere wijze in aanmerking worden genomen. 6 B.7.
  14. Het verschil in behandeling tussen de personen die in België zijn veroordeeld en de personen die in een andere lidstaat van de Europese Unie zijn veroordeeld, berust op een objectief criterium. B.7.
  15. De uitsluiting, van de regeling inzake straftoemeting, zoals bepaald in artikel 65, tweede lid, van het Strafwetboek, van de in artikel 99bis van hetzelfde Wetboek bepaalde regel dat de Belgische rechter rekening moet houden met veroordelingen van strafgerechten van andere lidstaten van de Europese Unie, is ingegeven door de verschillen die bestaan tussen de strafrechtstelsels van de lidstaten : « Het systematisch in aanmerking nemen van de eerdere buitenlandse veroordelingen zou tot absurde resultaten kunnen leiden. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een persoon in een andere lidstaat voorafgaandelijk veroordeeld werd tot een zwaardere straf dan hij in België had kunnen opgelegd krijgen voor hetzelfde feit, maar waarvoor hij sneller een voorwaardelijke invrijheidstelling zal genieten dan bij ons. Bij afwezigheid van een dergelijke uitzondering zou de Belgische rechter in dat geval verplicht zijn tot het uitspreken van een eenvoudige schuldigverklaring » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3149/001, p. 58). De uitsluiting van de regeling inzake de straftoemeting is pertinent om de nagestreefde doelstelling te bereiken. Zij verhindert immers dat de strafrechter, in bepaalde gevallen, geen straf meer zou kunnen uitspreken. B.7.
  16. De voormelde uitsluiting verhindert de rechter evenwel niet om de veroordelingen in een andere lidstaat van de Europese Unie op een andere wijze in aanmerking te nemen. Artikel 3, lid 5, van het kaderbesluit 2008/675/JBZ dient zo te worden geïnterpreteerd « dat indien de nationale rechter, op grond van een in een andere lidstaat uitgesproken eerdere veroordeling, oordeelt dat een bepaalde strafmaat gezien de omstandigheden van de dader binnen de grenzen van het nationale recht onevenredig hard voor de dader zou zijn en het doel van de sanctie met een lagere straf kan worden bereikt, hij de strafmaat kan verminderen, indien een dergelijke strafmaatvermindering in louter nationale zaken mogelijk zou zijn » (considerans 9). 7 Die interpretatie blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling, waarin wordt bevestigd dat « de Belgische rechter zijn beoordelingsvrijheid behoudt om de straf te bepalen die hij gepast en gerechtvaardigd acht in het licht van de desbetreffende omstandigheden » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3149/001, p. 59). De in het geding zijnde bepaling doet geen onevenredige gevolgen ontstaan. B.7.
  17. De wetgever kan, zonder het gelijkheidsbeginsel te schenden, oordelen dat de straftoemetingsregeling van artikel 65, tweede lid, van het Strafwetboek niet toepasselijk is op veroordelingen uitgesproken door de strafgerechten van een andere lidstaat van de Europese Unie. B.
  18. De prejudiciële vraag dient, onder voorbehoud van de in B.7.3 vermelde interpretatie, ontkennend te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Onder voorbehoud van de in B.7.3 vermelde interpretatie, schendt artikel 99bis, tweede lid, van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 januari
  19. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.006 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.