id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.013 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200206.12 Arrest- Rolnummer: 13/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-09-01 Raadplegingen: 301 - laatst gezien 2026-06-28 21:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 20 van de wet van 24 oktober 2011 « tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen », in de versie vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 maart 2018 « met betrekking tot het niet in aanmerking nemen van diensten gepresteerd als niet-vastbenoemd personeelslid voor een pensioen van de overheidssector, tot wijziging van de individuele responsabilisering van de provinciale en lokale overheden binnen het Gesolidariseerde Pensioenfonds, tot aanpassing van de reglementering inzake aanvullende pensioenen, tot wijziging van de modaliteiten van de financiering van het Gesolidariseerde Pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen en tot bijkomende financiering van het Gesolidariseerde Pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen », schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van gewettigd vertrouwen. - Dezelfde bepaling schendt niet artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 20 van de wet van 24 oktober 2011 « tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Pensioenstelsel van de plaatselijke besturen - Financiering - Responsabiliseringsbijdrage - Geresponsabiliseerde werkgevers die zijn gestopt met het tewerkstellen van een of meerdere benoemde personeelsleden vóór de inwerkingtreding van de wet van 24 oktober 2011 / Geresponsabiliseerde werkgevers die zijn gestopt met het tewerkstellen van een of meerdere benoemde personeelsleden na de inwerkingtreding van de wet - Eigendomsrecht van de plaatselijke besturen. Tekst van de beslissing Rolnummer 7049 Arrest nr. 13/2020 van 6 februari 2020 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 20 van de wet van 24 oktober 2011 « tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 7 november 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 november 2018, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « - Schendt artikel 20 van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de regel van de niet-retroactiviteit van de wetten die onder meer in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek is geformuleerd en met het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van gewettigd vertrouwen, in zoverre het een onverantwoord onderscheid teweegbrengt tussen, enerzijds, de geresponsabiliseerde werkgevers die zijn gestopt met het tewerkstellen van een of meerdere personeelsleden vóór de inwerkingtreding van die bepaling en, anderzijds, de geresponsabiliseerde werkgevers die zijn gestopt met het tewerkstellen van personeel na de inwerkingtreding ervan, doordat het aan de eerstgenoemden de betaling oplegt van responsabiliseringsbijdragen die voortvloeien uit keuzes die lang vóór het aannemen en de inwerkingtreding van die wet definitief zijn gemaakt ? - Schendt artikel 20 van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens door het eigendomsrecht van de geresponsabiliseerde werkgevers op onevenredige wijze aan te tasten ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Fosses-la-Ville, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Gilson, advocaat bij de balie te Namen; - de « Association Intercommunale de Santé de la Basse-Sambre », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Levert, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Lombaert en Mr. S. Adriaenssen, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 6 november 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 november 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. 3 Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 20 november 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 18 december 2019. Op de openbare terechtzitting van 18 december 2019 : - zijn verschenen : . Mr. F. Lambinet, advocaat bij de balie te Namen, tevens loco Mr. S. Gilson, voor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Fosses-la-Ville; . Mr. A. Penta, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. P. Levert, voor de « Association Intercommunale de Santé de la Basse-Sambre »; . Mr. S. Adriaenssen, tevens loco Mr. B. Lombaert, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 1 januari 1998 heeft het OCMW van Fosses-la-Ville het genot van alle elementen bestemd voor de exploitatie van een rust- en verzorgingstehuis, het « home Dejaifve », overgedragen aan de « Association Intercommunale de Santé de la Basse-Sambre » (hierna : de AISBS). Het personeel van het tehuis werd overgedragen aan de AISBS. Vanaf het jaar 2013 legt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (thans de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ)) elk jaar een responsabiliseringsbijdrage ten laste van het OCMW, met toepassing van de artikelen 19 en 20 van de wet van 24 oktober 2011 « tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen ». Het OCMW betwist de schuld en de berekeningen met betrekking tot de responsabiliseringsbijdrage en maakt het geschil waarin het, enerzijds, tegenover de RSZ en, anderzijds, tegenover de AISBS staat, aanhangig bij de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Voor de verwijzende rechter doet het OCMW gelden dat er een onverantwoord verschil in behandeling bestaat tussen de geresponsabiliseerde werkgevers die zijn gestopt met het tewerkstellen van benoemd personeel vóór het aannemen van de voormelde wet van 24 oktober 2011 en de geresponsabiliseerde werkgevers die zijn gestopt met het tewerkstellen van benoemd personeel na het aannemen ervan. Het is bovendien van mening dat de responsabiliseringsbijdrage een kennelijke en onevenredige inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom van de geresponsabiliseerde werkgevers uitmaakt. Op verzoek van het OCMW stelt de Rechtbank van eerste aanleg Namen het Hof de hiervoor weergegeven vragen. 4 III. In rechte -A- A.1.1. Het OCMW van Fosses-la-Ville, eisende partij voor de verwijzende rechter, is van mening dat de in het geding zijnde bepaling een discriminatie tussen de openbare werkgevers doet ontstaan omdat het voor de geresponsabiliseerde werkgevers die zijn gestopt met het tewerkstellen van een of meerdere personeelsleden vóór de inwerkingtreding van de wet, onmogelijk is om keuzes inzake human resources te maken teneinde de toepassing van de responsabiliseringsbijdragen te vermijden of teneinde in de middelen te voorzien die nodig zijn om ze te betalen. Het is van mening dat het evenredigheidsbeginsel niet in acht wordt genomen, aangezien de geresponsabiliseerde werkgevers die zijn gestopt met het tewerkstellen van personeel vóór de inwerkingtreding van de wet, een hoge responsabiliseringsbijdrage moeten storten. A.1.2. Het OCMW doet gelden dat de toepassing van artikel 20 van de wet van 24 oktober 2011 op de geresponsabiliseerde werkgevers die zijn gestopt met het tewerkstellen van personeel vóór de inwerkingtreding ervan, vragen doet rijzen ten aanzien van het beginsel van niet-retroactiviteit van de wet, dat in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek is vastgelegd, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en met het beginsel van gewettigd vertrouwen. Het zet uiteen dat de geresponsabiliseerde werkgevers die zijn gestopt met het tewerkstellen van personeel vóór de inwerkingtreding van de in het geding zijnde wet, een bijdrage op hen toegepast zien krachtens handelingen die vóór de inwerkingtreding ervan zijn verricht, terwijl zij op het ogenblik dat zij die handelingen hebben gesteld, de gevolgen ervan niet konden voorzien. Het leidt daaruit af dat de werkgevers die zich in die situatie bevinden, niet moeten worden « geresponsabiliseerd », aangezien zij geen keuze met kennis van zaken hebben kunnen maken. Het voegt eraan toe dat het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van gewettigd vertrouwen de verplichting opleggen dat de wetgever rekening houdt met de bijzondere situatie van de adressaten van de wet en dat hij overgangsbepalingen aanneemt wanneer de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet op buitensporige wijze afbreuk doet aan publieke of particuliere belangen. A.2. De « Association Intercommunale de Santé de la Basse-Sambre » (hierna : de AISBS), verwerende partij voor de verwijzende rechter, is van mening dat de in het geding zijnde bepaling retroactief is in zoverre zij van toepassing is op situaties die definitief waren op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan. Zij is van mening dat die retroactiviteit niet verantwoord is. Zij voegt eraan toe dat de RSZ zich in dat verband niet op het in het geding zijnde artikel 24 van de wet zou kunnen beroepen, dat enkel betrekking heeft op de activiteitsoverdrachten, de herstructureringen of de afschaffingen die dateren van na de inwerkingtreding ervan. A.3. De Ministerraad is van mening dat artikel 20 van de wet van 24 oktober 2011 kennelijk geen retroactief karakter heeft. Hij zet uiteen dat de responsabiliseringsbijdrage van een jaar N wordt berekend door het verschil te maken tussen het bedrag van de pensioenen die zijn toegekend aan de gewezen leden van het statutair personeel van een bestuur voor het jaar N en het bedrag van de basispensioenbijdragen die door datzelfde bestuur voor het jaar N zijn betaald voor zijn actieve statutaire personeelsleden. Hij geeft aan dat het jaar N, krachtens artikel 56 van de wet van 24 oktober 2011, niet kan dateren van vóór het jaar 2012. Hij doet gelden dat het feit dat de responsabiliseringsbijdrage ook van toepassing is voor de pensioenlasten die zijn gedragen door het Gesolidariseerde Pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen (hierna : het Gesolidariseerde Pensioenfonds) voor de gewezen personeelsleden die zijn gepensioneerd of die uit dienst zijn getreden vóór 1 januari 2012, op zich geen retroactiviteit inhoudt. Hij besluit daaruit dat de in het geding zijnde bepaling enkel de toekomstige gevolgen regelt van situaties waarvan het bestaan of het voortbestaan wordt vastgesteld na de inwerkingtreding ervan, zodat zij onmiddellijk van toepassing is en geen afbreuk doet aan rechten die reeds onherroepelijk zijn vastgesteld. Hij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 71/2013 van 22 mei 2013 en leidt daaruit af dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de in het geding zijnde bepaling redelijk verantwoord is. Hij voegt eraan toe dat de lokale besturen zich niet op verworven rechten met betrekking tot hun bijdrage aan de financiering van de door het Gesolidariseerde Pensioenfonds gedragen pensioenlasten kunnen beroepen, aangezien zij niet rechtmatig konden verwachten dat de andere besturen die bij het Gesolidariseerde Pensioenfonds zijn aangesloten, in het kader van de solidariteit, de pensioenlasten met betrekking tot hun gewezen statutaire personeelsleden blijven dragen. 5 A.4. Het OCMW van Fosses-la-Ville betwist de stelling van de Ministerraad volgens welke de in het geding zijnde bepaling enkel betrekking zou hebben op de toekomstige gevolgen van een situatie waarvan het bestaan of het voortbestaan wordt vastgesteld na de inwerkingtreding ervan. Het doet gelden dat, hoewel het vanzelfsprekend is dat het tekort met betrekking tot de financiering van de pensioenen van de statutaire personeelsleden blijft bestaan na de inwerkingtreding van de wet en ervoor was begonnen, zulks niet het geval is voor de situatie die aan de oorsprong van dat tekort ligt, die definitief beëindigd was op het ogenblik van de inwerkingtreding van de in het geding zijnde wet. Het wijst met nadruk op het feit dat de onmogelijkheid voor de geresponsabiliseerde werkgevers om niet alleen op die hervorming te hebben kunnen vooruitlopen maar ook zich eraan te hebben kunnen aanpassen, de discriminatie veroorzaakt die het aanklaagt. Het voegt eraan toe dat het, aangezien het het volledige tehuis aan de AISBS heeft overgedragen, zijn situatie wat betreft de responsabiliseringsbijdrage thans niet kan verbeteren door statutair personeel aan te werven, zodat de rol van financiële stimulans die de bijdrage zou moeten vervullen, geen enkele relevantie voor het OCMW vertoont. A.5. De AISBS is van mening dat de wetgever, zonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het rechtszekerheidsbeginsel te schenden, a posteriori geen onvoorzienbare gevolgen kan verbinden aan handelingen die door publieke en particuliere personen zijn verricht. Zij brengt de omstandigheden van de zaak in herinnering en wijst met nadruk op het feit dat het een situatie betreft waarvan de gevolgen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet volledig uitgewerkt waren. Zij voegt eraan toe dat het OCMW thans in de onmogelijkheid verkeert om statutair personeel aan te werven teneinde te vermijden de responsabiliseringsbijdrage te betalen, aangezien er geen tewerkstelling in het kader meer is. A.6. De Ministerraad brengt in herinnering dat het in het geding zijnde mechanisme een corrigerend en geen bestraffend karakter heeft : het strekt ertoe op alle werkgevers een zelfde invloed uit te oefenen opdat zij de voorrang geven aan de statutaire benoeming boven de contractuele aanwerving. Hij geeft aan dat elke openbare werkgever de gemaakte keuzes inzake human resources kan corrigeren door statutair personeel aan te werven om het personeel te vervangen dat hem verlaat, ongeacht of het contractueel of statutair is. Hij doet gelden dat er geen twee onderscheiden categorieën van geresponsabiliseerde werkgevers bestaan, aangezien alle betrokken werkgevers een personeelsbeleid vóór de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepaling hebben kunnen aannemen en zij allen hun beleid eveneens kunnen aanpassen sedert de inwerkingtreding ervan. Wat de kwestie van de retroactiviteit van de in het geding zijnde bepaling betreft, is de Ministerraad in hoofdorde van mening dat niet kan worden aangevoerd dat er bij de betrokken besturen een rechtmatige verwachting bestond en hij voert in ondergeschikte orde aan dat een dwingende reden van algemeen belang, namelijk de noodzaak om de financiering van de pensioenen van de statutaire personeelsleden van de provinciale en plaatselijke besturen gezond te maken, een inbreuk op de verwachtingen van de besturen hoe dan ook zou kunnen verantwoorden. A.7. Het OCMW van Fosses-la-Ville doet gelden dat de in het geding zijnde responsabiliseringsbijdrage kennelijk een onevenredige inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom van de geresponsabiliseerde werkgevers uitmaakt. Het is van mening dat zij een overdreven last uitmaakt die afbreuk kan doen aan de situatie van de geresponsabiliseerde werkgevers, temeer daar zij bedoeld is om elk jaar te verhogen. Het verwijst naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.8. De AISBS is het eens met de argumentatie van het OCMW en is eveneens van mening dat de tweede prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. A.9. De Ministerraad brengt in herinnering dat het doel van de in het geding zijnde bepaling erin bestaat de daling van de pensioenbijdragen te compenseren die, in combinatie met de stijging van de pensioenlasten, leidt tot een constante stijging van het bijdragepercentage dat nodig is om de uitgaven te dekken. Hij is van mening dat dat doel kennelijk legitiem is. Hij doet gelden dat het mechanisme van de responsabiliseringsbijdrage een relevant middel is om dat doel te bereiken en dat dat mechanisme ook noodzakelijk is, aangezien er volgens hem geen ander middel is dat het mogelijk maakt het nagestreefde doel te bereiken. Ten slotte is hij van mening dat de in het geding zijnde bepaling evenredig is met dat doel, aangezien elk bestuur slechts wordt geresponsabiliseerd op grond van het tekort dat het veroorzaakt. Hij brengt in herinnering dat die responsabilisering het daartegenover mogelijk maakt elk gepensioneerd statutair personeelslid te waarborgen dat het het bedrag ontvangt waarop het als pensioen aanspraak kan maken. Hij besluit daaruit dat, gesteld dat het Hof een aantasting van het eigendomsrecht vaststelt, die aantasting redelijk verantwoord zou zijn door de bij de in het geding zijnde maatregel nagestreefde doelstellingen. 6 A.10. Het OCMW van Fosses-la-Ville betwist niet dat het bij de in het geding zijnde bepaling nagestreefde doel legitiem is, maar het voert aan dat de aangewende middelen om het te bereiken noch doeltreffend, noch evenredig zijn. Het brengt in herinnering dat de wet van 30 maart 2018 « met betrekking tot het niet in aanmerking nemen van diensten gepresteerd als niet-vastbenoemd personeelslid voor een pensioen van de overheidssector, tot wijziging van de individuele responsabilisering van de provinciale en lokale overheden binnen het Gesolidariseerde pensioenfonds, tot aanpassing van de reglementering inzake aanvullende pensioenen, tot wijziging van de modaliteiten van de financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen en tot bijkomende financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen » het mechanisme van de responsabiliseringsbijdrage aanpast en wijzigt, hetgeen volgens het OCMW het bewijs vormt van het feit dat de in het geding zijnde bepaling haar doel niet kon bereiken. A.11. De AISBS is van mening dat in het verweer van de Ministerraad geen rekening wordt gehouden met de voorliggende situatie en zij herinnert eraan dat het OCMW thans geen statutair personeel kan aanwerven, aangezien er geen tewerkstelling in het kader meer is. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 20 van de wet van 24 oktober 2011 « tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen » (hierna : de wet van 24 oktober 2011) dat, in de versie ervan die van toepassing is op het voor de verwijzende rechter hangende geschil, bepaalt : « De pensioenbijdragen die een provinciaal of plaatselijk bestuur of een lokale politiezone verschuldigd is in toepassing van artikel 16, maken het voorwerp uit van een aanvulling van de werkgeversbijdrage inzake pensioenen wanneer de eigen pensioenbijdragevoet van deze werkgever groter is dan de basispensioenbijdragevoet vastgesteld in toepassing van artikel 16. De eigen pensioenbijdragevoet bedoeld in het eerste lid, is de verhouding tussen enerzijds de uitgaven inzake pensioenen die het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO [de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten] gedurende het beschouwde jaar heeft gedragen voor de gewezen personeelsleden van desbetreffende werkgever en hun rechthebbenden, en anderzijds de loonmassa die overeenstemt met het aan pensioenbijdragen onderworpen loon dat voor ditzelfde jaar door deze werkgever werd uitbetaald aan zijn vastbenoemd personeel dat bij het fonds is aangesloten. 7 De in het eerste lid bedoelde aanvullende werkgeversbijdragen, stemmen overeen met het bedrag dat wordt bekomen door de in toepassing van artikel 19 vastgestelde responsabiliseringscoëfficiënt toe te passen op het verschil tussen enerzijds de uitgaven inzake pensioenen bedoeld in het tweede lid, en anderzijds de persoonlijke en de werkgeversbijdragen inzake pensioenen die door de betrokken werkgever in toepassing van artikel 16 verschuldigd zijn voor het desbetreffende jaar. In afwijking van het eerste lid wordt in geval van toepassing van artikel 7, § 1, zesde lid, de krachtens artikel 19 vastgestelde responsabiliseringscoëfficiënt, toegepast op de geglobaliseerde pensioenlast en loonmassa van het benoemd personeel van de verschillende deelnemers, alsof het één en dezelfde werkgever betrof. Voor werkgevers die om andere redenen dan de herstructureringen bedoeld in artikelen 24 en 25 geen vastbenoemd personeel meer tewerkstellen, is de responsabiliseringsfactuur gelijk aan de last van de rust- en de overlevingspensioenen die voor het beschouwde jaar door het pensioenfonds van de RSZPPO wordt gedragen. De werkgevers die dat wensen, kunnen voorschotten storten die in vermindering zullen worden gebracht op het bedrag van de door hen verschuldigde aanvullende bijdragen. In geval van thesaurietekort, worden de interesten van de prefinanciering door de RSZPPO verdeeld tussen de geresponsabiliseerde werkgevers die onvoldoende voorschotten gestort hebben ten opzichte van hun persoonlijke factuur ». Vanaf 1 januari 2015 werd het « Gesolidariseerde Pensioenfonds van de RSZPPO » vervangen door het « Gesolidariseerde Pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen van de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels (DIBISS) » (wet van 12 mei 2014 « tot oprichting van de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels »). Vervolgens heeft de wet van 18 maart 2016 « tot wijziging van de benaming van de Rijksdienst voor Pensioenen in Federale Pensioendienst, tot integratie van de bevoegdheden en het personeel van de Pensioendienst voor de Overheidssector, van een deel van de bevoegdheden en van het personeel van de Directie-generaal Oorlogsslachtoffers van de opdrachten ‘ Pensioenen ’ van de lokale en provinciale sectoren van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels en van HR Rail en tot overname van de gemeenschappelijke sociale dienst van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels » de opdrachten inzake pensioenen die krachtens de wet van 12 mei 2014 aan de DIBISS waren toevertrouwd, overgedragen aan de Federale Pensioendienst. Ten 8 slotte werden de taken van inning en invordering overgedragen van de DIBISS aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) bij de wet van 10 juli 2016 « tot toewijzing van nieuwe inningstaken aan en tot integratie van sommige opdrachten en een deel van het personeel van de dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels in de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid alsmede tot regeling van diverse aangelegenheden met betrekking tot Famifed en de Federale Pensioendienst ». B.1.2. Artikel 19 van de wet van 24 oktober 2011, waarnaar het in het geding zijnde artikel 20 verwijst, bepaalt, in de versie ervan die van toepassing is op het voor de verwijzende rechter hangende geschil : « § 1. Het Beheerscomité van de RSZPPO stelt jaarlijks in de loop van het derde kwartaal van het jaar de responsabiliseringscoëfficiënt vast die voor het voorgaande jaar moet worden toegepast. De responsabiliseringscoëfficiënt waarvan sprake in het eerste lid, is dezelfde voor alle provinciale en plaatselijke besturen en alle lokale politiezones die zijn aangesloten bij het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO. Deze coëfficiënt wordt zodanig vastgesteld dat de aanvullende werkgeversbijdragen inzake pensioenen die verschuldigd zijn voor de individuele responsabilisering in toepassing van artikel 20, het verschil voor het voorgaande kalenderjaar volledig dekken tussen :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.