← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.017

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.017 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200206.6 Arrest- Rolnummer: 17/2020 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-03-10 Raadplegingen: 272 - laatst gezien 2026-06-28 21:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 1047, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Verzet (gerechtelijk recht) - Voorwaarden verzet PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1047, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 143 van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie », gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Kortrijk. Gerechtelijk recht - Burgerlijke rechtspleging - Rechtsmiddelen - Verzet - Voorwaarden - Verstekvonnis dat in laatste aanleg is gewezen. Tekst van de beslissing Rolnummer 7191 Arrest nr. 17/2020 van 6 februari 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1047, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 143 van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie », gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Kortrijk. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 25 april 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 mei 2019, heeft de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Kortrijk, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt art. 1047, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 143 van de wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de versteklatende partij in een puur burgerlijke procedure uitgesloten is van de mogelijkheid om verzet te doen tenzij het gaat om verzet tegen een verstekvonnis dat in laatste aanleg gewezen is, terwijl een versteklatende partij in een strafrechtelijke procedure met een burgerrechtelijk aspect, ook of zelfs enkel voor wat het burgerrechtelijk aspect betreft, wel altijd verzet kan aantekenen ongeacht het bedrag van het burgerrechtelijk aspect en/of ongeacht of de uitspraak in laatste aanleg is gewezen ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « Teximco », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Desrumaux, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet en Mr. B. Van den Berghe, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. Bij beschikking van 4 december 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 18 december 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 18 december 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij dagvaarding van 5 februari 2019 tekent Else De Wintere verzet aan tegen het verstekvonnis van de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Kortrijk, van 6 december 2018 waarbij zij werd veroordeeld tot de betaling van een bedrag aan de nv « Teximco ». De tegenpartij werpt op dat de vordering niet ontvankelijk is aangezien het verstekvonnis niet in laatste aanleg is gewezen. Op vraag van Else De Wintere stelt de Ondernemingsrechtbank bovenstaande prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.

  1. De nv « Teximco » zet uiteen dat de in het geding zijnde bepaling erin voorziet dat tegen een verstekvonnis in burgerlijke zaken verzet kan worden gedaan, op voorwaarde dat het verstekvonnis in laatste aanleg is gewezen. Zij meent dat er een wezenlijk verschil is tussen een burgerlijk proces en een strafproces wat betreft de rechten die in het geding zijn en de doeleinden die worden nagestreefd en dat er geen reden is om de regels van het strafprocesrecht toe te passen op het burgerlijk procesrecht. Zij merkt op dat de Raad van State, afdeling wetgeving, heeft geoordeeld dat de voorwaarden waaronder een vonnis kan worden geveld bij verstek en de gevolgen ervan voor de rechten van de partij die niet ter terechtzitting is verschenen, op geen enkele wijze vergelijkbaar zijn naargelang het gaat om een rechtszaak over burgerlijke rechten en verplichtingen dan wel om een rechtszaak over de gegrondheid van de strafvervolging. A.2.
  2. Volgens de Ministerraad gaat de gestelde prejudiciële vraag ervan uit dat er een verschil in behandeling bestaat tussen een partij die bij verstek wordt veroordeeld door de burgerlijke rechter en een partij die bij verstek burgerrechtelijk, en eventueel strafrechtelijk, wordt veroordeeld door de strafrechter. Het verwijzende rechtscollege gaat aldus ervan uit dat artikel 187 van het Wetboek van strafvordering een lex specialis is die de toepassing van de in het geding zijnde bepaling uitsluit ten aanzien van de burgerlijke veroordeling bij verstek door de strafrechter. Hij wijst erop dat de in het geding zijnde bepaling ook in die zin zou kunnen worden geïnterpreteerd dat zij van toepassing is op de burgerrechtelijke veroordelingen door de stafrechter. Hij verwijst daarbij naar het arrest nr. 72/2018 van 7 juni
  3. In die interpretatie, die volgens hem ingaat tegen de bedoeling van de wetgever, roept de in het geding zijnde bepaling geen verschil in behandeling in het leven en kan er bijgevolg geen sprake zijn van een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. A.2.
  4. De Ministerraad is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling, in de interpretatie die het verwijzende rechtscollege eraan verleent, evenmin het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt. Hij meent dat het verschil in behandeling berust op twee objectieve criteria, de burgerlijke dan wel strafrechtelijke aard van het rechtscollege, enerzijds, en het al dan niet gegrond zijn van de burgerlijke vordering op een misdrijf, anderzijds. Uit de parlementaire voorbereiding leidt hij af dat de regeling legitieme doelstellingen nastreeft, en bovendien het gevolg is van een suggestie van de Raad van State. De wetgever wou de efficiëntie van de werking van de hoven en de rechtbanken verhogen en misbruiken van de verzetsprocedure voorkomen. A.2.
  5. De Ministerraad beklemtoont dat de wetgever zowel in de strafrechtelijke procedure als in de burgerlijke procedure heeft voorzien in beperkingen op de mogelijkheid om verzet aan te tekenen. Hij is van oordeel dat die beperkingen niet onredelijk zijn, vermits de wetgever daarbij heeft gewaakt over de rechten van de bij verstek veroordeelde personen. A.2.
  6. Dat de regels inzake verzet van artikel 187 van het Wetboek van strafvordering ook van toepassing zijn op de burgerrechtelijke veroordelingen door de strafrechter is volgens de Ministerraad ingegeven door de doelstelling de strafvordering en de burgerlijke vordering die ermee gepaard gaat, samen te behandelen en de rechtspleging voor de strafrechter niet te vertragen. De regels van artikel 187 van het Wetboek van strafvordering strekken volgens hem ertoe de beklaagde ten aanzien van wie niet vaststaat dat hij heeft afgezien van zijn recht om te verschijnen en dat hij de bedoeling heeft gehad zich aan het gerecht te onttrekken, de mogelijkheid te bieden om te verkrijgen dat de rechtbank pas uitspraak doet over de gegrondheid van de beschuldiging, na hem zowel in feite als in rechte te hebben gehoord, wat wordt gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij wijst erop dat de voorwaarden waaronder verzet kan worden aangetekend in burgerlijke zaken op bepaalde punten minder streng zijn dan die welke gelden in strafzaken, omdat in burgerlijke zaken verzet steeds mogelijk is tegen een niet-appellabel vonnis, terwijl dat niet het geval is in strafzaken. 4 A.2.
  7. De Ministerraad verwijst naar de arresten nrs. 155/2015 en 21/2018 van het Hof en leidt eruit af dat een verschil in behandeling op het vlak van de procedureregels die gelden voor de burgerlijke vordering voor de strafrechter en de procedureregels die gelden voor de burgerlijke vordering voor de burgerlijke rechter redelijk verantwoord kan zijn in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling. -B- B.
  8. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 1047, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 143 van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijke procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie » (de « Potpourri V-wet » genoemd) : « Tegen ieder verstekvonnis dat in laatste aanleg is gewezen kan verzet worden gedaan, onverminderd de bij de wet bepaalde uitzonderingen ». Uit die wijziging volgt dat verstekvonnissen in burgerlijke zaken waartegen hoger beroep kan worden ingesteld, enkel nog met dat laatste rechtsmiddel kunnen worden bestreden, overeenkomstig artikel 1050 van het Gerechtelijk Wetboek, tenzij de wet het anders bepaalt. B.
  9. Het Hof wordt gevraagd of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de partij die verstek laat gaan in een burgerlijke procedure geen verzet kan aantekenen tegen een niet in laatste aanleg gewezen rechterlijke beslissing, terwijl een partij die verstek laat gaan in een strafrechtelijke procedure waarin tevens burgerrechtelijke vorderingen worden behandeld, wel verzet kan aantekenen tegen een niet in laatste aanleg gewezen rechterlijke beslissing, en dit ook wanneer het verzet uitsluitend de burgerrechtelijke veroordelingen betreft. B.
  10. Het verwijzende rechtscollege vergelijkt de in het geding zijnde bepaling met die welke van toepassing is op burgerrechtelijke veroordelingen die bij verstek worden uitgesproken door de strafrechter, die het voorwerp kunnen uitmaken van een verzet, zelfs wanneer ze niet in laatste aanleg zijn uitgesproken. 5 B.
  11. Het recht van een in een strafrechtelijke procedure bij verstek veroordeelde persoon om tegen de rechterlijke beslissing verzet aan te tekenen, wordt geregeld in artikel 187 van het Wetboek van strafvordering. In tegenstelling tot de in het geding zijnde bepaling, maakt die bepaling het recht om verzet aan te tekenen niet afhankelijk van de vraag of de rechterlijke beslissing al dan niet in laatste aanleg werd gewezen. B.
  12. De burgerlijke procedure en de strafrechtelijke procedure beantwoorden aan onderscheiden doelstellingen en hebben fundamenteel verschillende voorwerpen. Terwijl, in eerstgenoemde procedure, voor de rechter bij wie het geschil is aanhangig gemaakt waarin particuliere belangen tegenover elkaar worden gesteld, die belangen met elkaar worden geconfronteerd, heeft de strafrechtelijke procedure, die wordt gekenmerkt door het voornamelijk inquisitoriale karakter ervan, in hoofdzaak betrekking op de vrijwaring van de maatschappelijke orde door toepassing van een in de wet bepaalde straf op de persoon die een strafbaar feit zou hebben gepleegd. B.
  13. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.7.
  14. Het wezen en de doelstelling zelf van het verzet bestaan erin de persoon die als gevolg van zijn niet-verschijnen mogelijkerwijze niet alle elementen van een zaak kent of zich daarover althans niet nader heeft kunnen verklaren, de mogelijkheid te bieden ten volle zijn rechten van verdediging uit te oefenen. B.7.
  15. Met de beperking, in burgerlijke zaken, van de verzetsmogelijkheid tot verstekvonnissen waartegen geen hoger beroep mogelijk is, had de wetgever als doelstelling de finale geschillenbeslechting te bevorderen (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2259/001, pp. 117-118), en aldus toe te laten dat de gerechtelijke procedure overeenkomstig artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens binnen een redelijke termijn kan worden beëindigd. 6 Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de keuze voor het al dan niet appellabel karakter van het verstekvonnis als criterium van onderscheid, gebaseerd is op een suggestie van de afdeling wetgeving van de Raad van State : « Indien de bedoeling van de steller van het voorontwerp er daadwerkelijk in bestaat de mogelijkheden om verzet aan te tekenen te beperken, blijkt de suggestie naar luid waarvan verstek niet aanvaard wordt wanneer hoger beroep mogelijk is, daaraan op passende wijze te beantwoorden, zonder dat het recht om een gewoon rechtsmiddel aan te wenden al te zeer wordt beperkt » (ibid., p. 378). De maatregel om niet te voorzien in de mogelijkheid van verzet tegen een verstekvonnis waartegen hoger beroep mogelijk is, is pertinent in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling om de procedure niet nodeloos te vertragen en om de redelijketermijnvereiste te eerbiedigen. B.7.
  16. Het verzet is een gewoon rechtsmiddel dat openstaat voor de partij die bij verstek is veroordeeld teneinde vanwege het rechtscollege dat bij verstek heeft geoordeeld, een nieuwe beslissing na een contradictoir debat te verkrijgen. Een verstekvonnis dat niet in laatste aanleg werd gewezen, blijft echter vatbaar voor hoger beroep, wat de betrokken persoon de mogelijkheid biedt ten volle zijn rechten van verdediging uit te oefenen. Uit artikel 1047, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 143 van de voormelde wet van 6 juli 2017, vloeit voort dat het hoger beroep ingesteld door een oorspronkelijke verweerder die bij verstek in eerste aanleg is veroordeeld, voortaan dezelfde finaliteit heeft als het verzet door een oorspronkelijke verweerder tegen een in laatste aanleg gewezen vonnis : namelijk de debatten heropenen die plaatshadden voor het rechtscollege waarvoor de zaak eerder aanhangig was, teneinde de elementen van tegenspraak te bezorgen aan het rechtscollege in hoger beroep waarover de eerste rechter niet beschikte, en bijgevolg het rechtscollege in hoger beroep toe te laten een nieuw vonnis te wijzen. Het gaat aldus in beide hypothesen erom het beginsel van de tegenspraak en de rechten van verdediging te doen naleven. De in het geding zijnde bepaling leidt aldus niet tot een onevenredige beperking van de rechten van de in burgerlijke procedures betrokken partijen. 7 B.
  17. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1047, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 6 februari
  18. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.017 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.