← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.021 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200206.10 Arrest- Rolnummer: 21/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-07 Raadplegingen: 931 - laatst gezien 2026-06-28 23:56 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENSCHAPPEN - GEWESTEN - Bevoegdheidsverdeling - Gewesten - Ruimtelijke ordening PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot gedeeltelijke schorsing van het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2019 « houdende de gemeentewegen », ingesteld door Hilde Vertommen. Publiek recht - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Vlaams Gewest - Gemeentewegen - Nieuwe wegen - Verplaatsing van een gemeenteweg op privaat domein - Rooilijnplan - Modaliteiten van vergoeding en rechtsmiddelen. Tekst van de beslissing Rolnummer 7290 Arrest nr. 21/2020 van 6 februari 2020 In zake : de vordering tot gedeeltelijke schorsing van het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2019 « houdende de gemeentewegen », ingesteld door Hilde Vertommen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en T. Giet, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 15 november 2019, heeft Hilde Vertommen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Pattyn, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, een vordering tot gedeeltelijke schorsing ingesteld van het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2019 « houdende de gemeentewegen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 augustus 2019). Bij hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de gedeeltelijke vernietiging van hetzelfde decreet. Bij beschikking van 26 november 2019 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 18 december 2019, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 12 december 2019 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partij over te zenden. De Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Vernaillen en Mr. K. Dams, advocaten bij de balie te Antwerpen, heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 18 december 2019 : - zijn verschenen : . Mr. D. Pattyn, voor de verzoekende partij; . Mr. S. Vernaillen en Mr. K. Dams, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.

  1. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partij bij de vernietiging. De mogelijke toepassing van het bestreden decreet is louter hypothetisch. Volgens de Vlaamse Regering verschilt de situatie van de verzoekende partij niet van haar situatie onder de vorige regeling, die de gemeente eveneens de mogelijkheid bood tot onteigening te besluiten. Onder de vorige regeling was het bovendien eveneens mogelijk om een rooilijnplan vast te leggen zonder onmiddellijk over te gaan tot onteigening, waarbij een bouwverbod werd opgelegd zonder vergoeding. A.1.
  2. De Vlaamse Regering voert daarnaast aan dat het middel onontvankelijk is, bij gebrek aan uiteenzetting zowel omtrent een groot aantal van de bestreden bepalingen, als inzake de normen die zouden zijn geschonden. Ten gronde Wat betreft het eerste onderdeel van het middel A.2.
  3. Het eerste onderdeel van het middel is afgeleid uit een schending, door de artikelen 2, 4, 6, 8, 10 tot 12, 16 tot 19, 24 tot 28, 66, 70, 72 en 85 tot 87 van het decreet van 3 mei 2019 « houdende de gemeentewegen » (hierna : het decreet van 3 mei 2019), van de artikelen 10, 11, 13, 16, 23, 40, 144 en 145 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 17, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 2, 3, lid 9, en 9, leden 2 tot 4, van het Verdrag van Aarhus, en met de artikelen 1 en 11 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten ». De verzoekende partij klaagt aan dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling invoeren tussen de eigenaar van een grond waarop een nieuwe gemeenteweg wordt aangelegd, en de eigenaar van een grond waarop een bestaande gemeenteweg wordt aangelegd, gewijzigd of verplaatst. In het eerste geval is de gemeente in beginsel gehouden de nodige grond te verwerven, eventueel in de vorm van een onteigening, waarbij de eigenaar recht heeft op een integrale schadeloosstelling. In dat geval beschikt de eigenaar bovendien over een beroepsmogelijkheid bij een rechter met volle rechtsmacht. In het tweede geval heeft de vaststelling van het rooilijnplan de automatische vastlegging van een publieke erfdienstbaarheid van doorgang tot gevolg, waarbij de eigenaar enkel recht heeft op een vergoeding voor de waardevermindering. Bovendien kan uit het decreet volgen dat die waardevermindering enkel betrekking heeft op de grond, en niet op de gebouwen die op die grond gevestigd zijn. Tegen een rooilijnplan is weliswaar een administratief beroep bij de Vlaamse Regering mogelijk, maar die kan het plan slechts wegens een beperkt aantal motieven vernietigen, zonder dat rekening wordt gehouden met het al dan niet correct begroten van de waardevermindering. Een eventueel beroep bij de Raad van State tegen de beslissing van de Vlaamse Regering kan niet worden beschouwd als een beroep met volle rechtsmacht. Dat verschil in behandeling is niet verantwoord, onder andere in het licht van de eigendomsbeperking die de vastlegging tot gevolg heeft voor de eigenaars van een grond waarop een bestaande gemeenteweg gesitueerd is. Door het rooilijnplan worden deze eigenaars immers geconfronteerd met een bouwverbod, maar bovendien is het mogelijk dat de aanleg of de aanpassing van de gemeenteweg ingevolge de inname van de grond door een verharding, enkel aanleiding geeft tot een waardevermindering, terwijl het gaat om een eigendomsberoving en een feitelijke onteigening. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt volgens de verzoekende partij dat de enige reden voor het aangeklaagde verschil in behandeling erin bestaat de begroting van de gemeente te vrijwaren. Bovendien laat deze regeling toe om verharding in te voeren in zones waarin kwetsbare natuur aanwezig is. 4 A.2.
  4. De Vlaamse Regering voert aan dat het eerste onderdeel van het middel, indien het ontvankelijk zou zijn, niet gegrond is aangezien het berust op een verkeerde lezing van de bestreden bepalingen. Zowel bij de aanleg van nieuwe gemeentewegen als bij de wijziging of verplaatsing van bestaande gemeentewegen is er geen absolute verplichting om te onteigenen. Bovendien is er in het geval van een erfdienstbaarheid geen sprake van een onteigening, waardoor er in principe zelfs geen enkele vergoeding vereist is. Het decreet voorziet echter alsnog in een vergoedingsregeling. De concrete toepassing van die vergoedingsregeling kan bovendien krachtens artikel 568, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek voor de rechtbank van eerste aanleg worden betwist. Personen die geconfronteerd worden met een wijziging van een gemeenteweg, worden dus geenszins nadeliger behandeld dan degenen die onteigend worden in het kader van de aanleg van een nieuwe weg. Wat betreft het tweede onderdeel van het middel A.3.
  5. In het tweede onderdeel van het middel klaagt de verzoekende partij aan dat het bestreden decreet de aanleg, wijziging en verplaatsing van gemeentewegen niet omringt met voldoende procedurele waarborgen, en bijgevolg een schending inhoudt van de artikelen 10, 11, 13, 16, 23, 40, 144 en 145 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 17, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 2, 3, lid 9, en 9, leden 2 tot 4, van het Verdrag van Aarhus, en met de artikelen 1 en 11 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten ». Zo is niet vereist dat de aanleg, wijziging of verplaatsing strikt noodzakelijk is, of dat er een billijk evenwicht moet worden gezocht tussen het algemeen belang en het individueel eigendomsrecht. Tot slot is niet gewaarborgd dat de schadevergoeding voor de waardevermindering de werkelijke kosten dekt. Daarnaast verwijst de verzoekende partij naar de grieven die in het kader van het eerste onderdeel werden uiteengezet. A.3.
  6. De Vlaamse Regering antwoordt dat de verzoekende partij over het hoofd ziet dat het bestreden decreet uitdrukkelijk bepaalt dat alle onteigeningen moeten gebeuren overeenkomstig de bepalingen van het Vlaamse Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017, dat alle noodzakelijke waarborgen bevat. Met betrekking tot het georganiseerd administratief beroep merkt de Vlaamse Regering op dat dit de partijen niet verhindert een procedure aanhangig te maken bij de gewone hoven en rechtbanken. Ook voor het overige biedt het bestreden decreet voldoende waarborgen en sluit het de toepassing van andere waarborgen, zoals bijvoorbeeld de uitvaardiging van een dwangbevel, niet uit. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.4.
  7. De verzoekende partij zet uiteen dat zij reeds lang in een conflict is verwikkeld met de gemeente Zuienkerke, en dat zij momenteel wordt geconfronteerd met een onwettige verbreding van de gemeenteweg die aan haar grond grenst, waardoor zij de facto onteigend werd. Het bestreden decreet zou de gemeente toelaten om deze onwettige toestand te regulariseren, zonder dat zij toegang zou hebben tot een rechter met volle rechtsmacht om een dergelijke regularisatie te verhinderen. De verzoekende partij voert aan dat de vernietiging van het decreet door het Hof niet tot gevolg zou hebben dat zij toegang krijgt tot een integrale schadevergoeding, omdat voor de verbreding van een bestaande gemeenteweg enkel in een schadevergoeding voor de waardevermindering is voorzien, waarbij geen rekening wordt gehouden met haar specifieke situatie. Bovendien kan een burgerlijke rechter een integrale schadevergoeding weigeren in geval van rechtsmisbruik. A.4.
  8. De Vlaamse Regering antwoordt dat de verzoekende partij het bestaan van een risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aantoont, maar zich louter beperkt tot een herhaling van de omschrijving van haar feitelijke situatie. Daaruit blijkt dat het nadeel waarop de verzoekende partij zich baseert, reeds voltrokken is. Het is bovendien niet duidelijk hoe de gemeente Zuienkerke zich op het bestreden decreet zou kunnen beroepen om de beweerde foutieve situatie te regulariseren. Tot slot zou een schorsing, op basis van de specifieke omstandigheden van de verzoekende partij, zeer verregaande gevolgen hebben voor de rechtszekerheid in het hele Vlaamse Gewest. 5 -B- Ten aanzien van de omvang van het beroep tot vernietiging en van de vordering tot schorsing B.1.
  9. De Vlaamse Regering betwist de ontvankelijkheid van het middel, bij gebrek aan uiteenzetting. B.1.
  10. Het Hof moet de omvang van het beroep tot vernietiging - en dus van de vordering tot schorsing - vaststellen uitgaande van de inhoud van het verzoekschrift en in het bijzonder op basis van de uiteenzetting van de middelen. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepalingen waartegen middelen zijn gericht. B.1.
  11. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de grieven van de verzoekende partij enkel betrekking hebben op de artikelen 2, 11° en 12°, 25, § 2, 26, §§ 2 en 3, en 28 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2019 « houdende de gemeentewegen » (hierna : het decreet van 3 mei 2019). Het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing zijn bijgevolg onontvankelijk in zoverre zij zijn gericht tegen de overige bepalingen van het decreet van 3 mei
  12. Ten aanzien van het belang B.2.
  13. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partij. B.2.
  14. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.2.
  15. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij reeds gedurende enkele jaren is betrokken in een juridisch conflict met de gemeente Zuienkerke omtrent de wijziging van een gemeenteweg. Bijgevolg doet de verzoekende partij blijken van een belang bij haar beroep. 6 Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.3.
  16. Het decreet van 3 mei 2019 voert een uniform juridisch statuut in voor alle wegen waarvan de gemeente de beheerder is. De decreetgever heeft de bedoeling om de versnipperde bestaande regelgeving inzake gemeentewegen te harmoniseren en te moderniseren : « De volgende uitgangspunten vormen de basis voor het decreet houdende de gemeentewegen : 1° vereenvoudigde procedures, met maximale inschakeling van bestaande instrumenten; 2° administratieve lastenverlaging; 3° de subsidiariteit; 4° duidelijkheid en rechtszekerheid; 5° voldoende inspraak- en beroepsmogelijkheden voor derden. Het decretale initiatief past bijgevolg ook in het kader van de modernisering van het instrumentarium en van een efficiëntere overheid. Procedures moeten vereenvoudigd worden zonder de rechtszekerheid in het gedrang te brengen. De administratieve lasten worden afgebouwd, zowel voor de overheid als voor de burger » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2018- 2019, nr. 1847/1, pp. 7-8). B.3.
  17. Krachtens artikel 4 van het decreet moet bij beslissingen over wijzigingen van het gemeentelijk wegennet minimaal rekening worden gehouden met de volgende principes : « 1° wijzigingen van het gemeentelijk wegennet staan steeds ten dienste van het algemeen belang; 2° een wijziging, verplaatsing of afschaffing van een gemeenteweg is een uitzonderingsmaatregel die afdoende wordt gemotiveerd; 3° de verkeersveiligheid en de ontsluiting van aangrenzende percelen worden steeds in acht genomen; 4° wijzigingen aan het wegennet worden zo nodig beoordeeld in een gemeentegrensoverschrijdend perspectief; 5° bij de afweging voor wijzigingen aan het wegennet wordt rekening gehouden met de actuele functie van de gemeenteweg, zonder daarbij de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen ». 7 B.3.
  18. Artikel 10 van het decreet van 3 mei 2019 herhaalt de verplichting om met die principes rekening te houden, specifiek met betrekking tot beslissingen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen. In artikel 2, 12°, van het decreet wordt de wijziging van een gemeenteweg gedefinieerd als « de aanpassing van de breedte van de bedding van een gemeenteweg, met uitsluiting van verfraaiings-, uitrustings- of herstelwerkzaamheden ». B.3.
  19. Krachtens artikel 11, § 1, van het decreet van 3 mei 2019 leggen de gemeenten de ligging en de breedte van de gemeentewegen op hun grondgebied in beginsel vast in gemeentelijke rooilijnplannen. De procedure voor de vastlegging van een gemeentelijk rooilijnplan is vervat in de artikelen 16 tot 19 van het decreet : « Art.
  20. §
  21. Het college van burgemeester en schepenen neemt de nodige maatregelen voor de opmaak van de gemeentelijke rooilijnplannen. §
  22. Het gemeentelijk rooilijnplan bevat minstens de volgende elementen : 1° de actuele en toekomstige rooilijn van de gemeenteweg; 2° de kadastrale vermelding van de sectie, de nummers en de oppervlakte van de getroffen kadastrale percelen en onroerende goederen; 3° de naam van de eigenaars van de getroffen kadastrale percelen en onroerende goederen volgens kadastrale gegevens of andere gegevens die voor het gemeentebestuur beschikbaar zijn. Een gemeentelijk rooilijnplan kan ook een achteruitbouwstrook vastleggen. §
  23. In voorkomend geval bevat het rooilijnplan de volgende aanvullende elementen : 1° een berekening van de eventuele waardevermindering of waardevermeerdering van de gronden ten gevolge van de aanleg, wijziging of verplaatsing van een gemeenteweg overeenkomstig artikel 28; 2° de nutsleidingen die door de wijziging of verplaatsing van de gemeenteweg op private eigendom zullen liggen. §
  24. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van een gemeentelijk rooilijnplan. 8 Art.
  25. §
  26. De gemeenteraad stelt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan voorlopig vast. §
  27. Het college van burgemeester en schepenen onderwerpt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan aan een openbaar onderzoek dat binnen een ordetermijn van dertig dagen na de voorlopige vaststelling, vermeld in paragraaf 1, minstens wordt aangekondigd door : 1° aanplakking aan het gemeentehuis en ter plaatse, minstens aan het begin- en eindpunt van het nieuwe, gewijzigde of verplaatste wegdeel; 2° een bericht op de website van de gemeente of in het gemeentelijk infoblad; 3° een bericht in het Belgisch Staatsblad; 4° een afzonderlijke mededeling die met een beveiligde zending wordt gestuurd naar de woonplaats van de eigenaars van de onroerende goederen die zich bevinden in het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan; 5° een afzonderlijke mededeling aan de aanpalende gemeenten, als de weg paalt aan de gemeentegrens en deel uitmaakt van een gemeentegrensoverschrijdende verbinding; 6° een afzonderlijke mededeling aan de deputatie en het departement; 7° een afzonderlijke mededeling aan de beheerders van aansluitende openbare wegen; 8° een afzonderlijke mededeling aan de maatschappijen van openbaar vervoer. De aankondiging, vermeld in het eerste lid, vermeldt minstens : 1° de locatie waar de beslissing tot voorlopige vaststelling en het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan ter inzage liggen; 2° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek; 3° het adres waar de opmerkingen en bezwaren naartoe gestuurd moeten worden of worden afgegeven, en de te volgen formaliteiten. §
  28. Na de aankondiging wordt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis en gepubliceerd op de gemeentelijke website. §
  29. De opmerkingen en de bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek schriftelijk of digitaal aan het gemeentebestuur bezorgd. De deputatie en het departement bezorgen het gemeentebestuur binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, een advies over de overeenstemming van het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en
  30. Als er geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. 9 §
  31. De gemeenteraad stelt binnen zestig dagen na het einde van het openbaar onderzoek het gemeentelijk rooilijnplan definitief vast. Bij de definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde gemeentelijk rooilijnplan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op de bezwaren en opmerkingen die tijdens het openbaar onderzoek zijn geformuleerd, of eruit voortvloeien. De definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan kan geen betrekking hebben op delen van het grondgebied die niet opgenomen zijn in het voorlopig vastgestelde gemeentelijk rooilijnplan. §
  32. Als het rooilijnplan niet definitief wordt vastgesteld binnen de termijn, vermeld in paragraaf 5, vervalt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan. Art.
  33. Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan wordt onmiddellijk na de definitieve vaststelling gepubliceerd op de gemeentelijke website, en aangeplakt bij het gemeentehuis en ter plaatse, minstens aan het begin- en eindpunt van het nieuwe, gewijzigde of verplaatste wegdeel. Het college van burgemeester en schepenen brengt iedereen die in het kader van het openbaar onderzoek een standpunt, opmerking of bezwaar heeft ingediend met een beveiligde zending op de hoogte van het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan. Het rooilijnplan wordt samen met het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement en aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt. Art.
  34. Als de gemeente niet binnen een termijn van dertig dagen op de hoogte is gebracht van een georganiseerd administratief beroep als vermeld in artikel 24, wordt het besluit tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en gepubliceerd op de gemeentelijke website. Het besluit heeft uitwerking veertien dagen na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, tenzij het vaststellingsbesluit een ander tijdstip van inwerkingtreding bepaalt. Het vaststellingsbesluit kan in het bijzonder bepalen dat het gemeentelijk rooilijnplan pas wordt uitgevoerd vanaf een bepaalde datum of naarmate de aanvragen voor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of tot verkavelen worden ingediend ». B.3.
  35. Tegen het besluit van de gemeente tot definitieve vaststelling van een rooilijnplan, kan krachtens artikel 24 van het decreet van 3 mei 2019 door de belanghebbenden een georganiseerd administratief beroep worden ingesteld bij de Vlaamse Regering. Dat beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing. De Vlaamse Regering kan de beslissing vernietigen op basis van de motieven opgesomd in artikel 25, § 2, van het decreet : 10 « Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het rooilijnplan of het besluit tot opheffing van de gemeenteweg kan alleen worden vernietigd : 1° wegens strijdigheid met dit decreet, in het bijzonder de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4; 2° wegens strijdigheid met het eventuele gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van dit decreet; 3° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste ». B.3.
  36. De definitieve vastlegging van een gemeenteweg heeft tot gevolg dat op de gemeente de rechtsplicht rust om over te gaan tot de realisatie, de vrijwaring en het beheer van de gemeenteweg. Wanneer het gaat om een nieuwe weg gelegen op private gronden, gebeurt dat in principe via de verwerving van de betrokken onroerende goederen door de gemeente, indien nodig middels onteigening (artikel 26, § 2, en artikel 27). Bij de wijziging of verplaatsing van een gemeenteweg op privaat domein geldt de definitieve vaststelling van het rooilijnplan als de titel voor de vestiging van een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van doorgang (artikel 26, § 3). De aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg geeft aanleiding tot een waardevermindering of waardevermeerdering van de gronden waarop die weg is gesitueerd. Die waardevermindering of waardevermeerdering wordt vastgesteld door een landmeter-expert aangesteld door de gemeente, die in geval van betwisting een college vormt met een landmeter-expert aangesteld door de eigenaar van het betrokken perceel (artikel 28). De berekening van de waardevermindering of waardevermeerdering moet worden opgenomen in het ontwerp van rooilijnplan (artikel 16, § 3, 1°). Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing B.
  37. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. 11 Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
  38. De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partijen, een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van die bepaling, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een vernietiging van die norm. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de personen die een vordering tot schorsing instellen, in hun verzoekschrift concrete en precieze feiten moeten uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan zij de vernietiging vorderen, hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die personen moeten met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen. B.6.
  39. De verzoekende partij beroept zich enerzijds op de gevolgen, voor de toegankelijkheid van haar woning voor personen met verminderde mobiliteit, van de verbreding van de rijweg en van de werken die volgens haar door de gemeente zijn uitgevoerd op haar perceel, en anderzijds op het risico dat de gemeente gebruik maakt van het bestreden decreet om die bestaande toestand juridisch te regulariseren. B.6.
  40. Zonder dat het noodzakelijk is om na te gaan of de verbreding van de weg ter hoogte van de woning van de verzoekende partij een ernstig nadeel vormt dat de schorsing van de bestreden bepalingen kan verantwoorden, volstaat het vast te stellen dat, zoals de verzoekende partij zelf aangeeft, die verbreding reeds plaatsvond in
  41. 12 B.6.
  42. Hieruit vloeit voort dat een schorsing van de bestreden bepalingen de aangevoerde nadelen niet kan voorkomen. B.7.
  43. Met betrekking tot de mogelijkheid dat de gemeente Zuienkerke een rooilijnplan vastlegt op basis van het bestreden decreet, voert de verzoekende partij aan dat zij niet over de mogelijkheid zou beschikken om een dergelijk rooilijnplan op nuttige wijze te bestrijden. In dat geval zou zij bovendien niet beschikken over een mogelijkheid om een integrale schadevergoeding te verkrijgen, maar enkel vergoed worden voor de waardevermindering van haar grond. Zij zou evenmin een integrale schadevergoeding kunnen vorderen voor de burgerlijke rechter, aangezien die zulks kan weigeren in het geval van rechtsmisbruik. B.7.
  44. Zoals is vermeld in B.3.4, vereist de eventuele vaststelling van een rooilijnplan een openbaar onderzoek, waarbij de verzoekende partij de mogelijkheid heeft bezwaar in te dienen. De gemeenteraad moet rekening houden met de principes opgesomd in artikel 4 van het decreet van 3 mei 2019, waaronder het principe dat een wijziging, verplaatsing of afschaffing van een gemeenteweg een uitzonderingsmaatregel is die afdoende moet worden gemotiveerd. Tegen de vaststelling van het rooilijnplan kan een schorsend administratief beroep worden ingediend bij de Vlaamse Regering. Hoewel de verzoekende partij de omvang van de beoordelingsbevoegdheid van de Vlaamse Regering in het kader van dat administratief beroep bekritiseert, blijkt op zijn minst uit artikel 25, § 2, 1°, van het decreet van 3 mei 2019 dat die het rooilijnplan kan vernietigen op basis van een schending van de in artikel 4 opgesomde principes. Indien zou blijken dat de gemeente een rooilijnplan vaststelt zonder die principes in acht te nemen, dan heeft de verzoekende partij de gelegenheid om dat op te werpen in het openbaar onderzoek, alsook in het schorsend administratief beroep bij de Vlaamse Regering en indien nodig in een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. B.7.
  45. De eventuele schade die volgens de verzoekende partij het gevolg zou zijn van een beperkte schadevergoeding op basis van het bestreden decreet, is een louter financieel nadeel. Een louter financieel nadeel kan in beginsel niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel worden aangemerkt, aangezien het na een vernietiging van de bestreden bepaling kan worden hersteld. B.7.
  46. Aangezien niet voldaan is aan één van de voorwaarden om tot schorsing te kunnen besluiten, dient de vordering te worden afgewezen. 13 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 6 februari
  47. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.021 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.097 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.099 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.