id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.025 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200213.4 Arrest- Rolnummer: 25/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-03-11 Raadplegingen: 270 - laatst gezien 2026-06-28 21:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, stelt vast dat het Hof onbevoegd is om te antwoorden op de prejudiciële vraag. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Procedure (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 14 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 « betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen », gesteld door de Nederlandstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Voorafgaande rechtspleging - Prejudiciële vraag - Getoetste normen - Klaarblijkelijke onbevoegdheid. Tekst van de beslissing Rolnummer 7300 Arrest nr. 25/2020 van 13 februari 2020 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 14 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 « betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen », gesteld door de Nederlandstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter A. Alen en de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 6 november 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 november 2019, heeft de Nederlandstalige Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt het artikel 14 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen in de versie zoals van toepassing voor 1 augustus 2019 (dus voor de invoeging van een nieuw derde lid in dit artikel 14 door het koninklijk besluit van 18 juli 2019 betreffende de cumulatie van onderbrekingsuitkeringen en de uitoefening van een bijkomende zelfstandige activiteit in geval van vermindering van de arbeidsprestaties) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het werknemers met een zelfstandige activiteit in bijberoep die de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst gedeeltelijk willen schorsen niet de mogelijkheid biedt om de onderbrekingsuitkeringen te cumuleren met de inkomsten uit deze zelfstandige activiteit, daar waar personen die zich in ogenschijnlijk identieke of vergelijkbare situatie[s] bevinden, wel recht hebben op onderbrekingsuitkeringen. De vergelijkbare werknemers in kwestie zijn : werknemers met een zelfstandige activiteit in bijberoep die hun activiteit als werknemer volledig onderbreken; werknemers die twee activiteiten als werknemer combineren en één van deze activiteiten als werknemer deeltijds onderbreken; werknemers met een bijkomende activiteit als flexi-job in het kader van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken die hun activiteit als werknemer gedeeltelijk onderbreken; werknemers die bijverdienen via een erkend deelplatform in het kader van de wet van 18 juli 2018 inzake onbelast bijverdienen [lees : de wet van 18 juli 2018 ‘ betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie ’] die hun activiteit als werknemer gedeeltelijk onderbreken ». Op 28 november 2019 hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Moerman, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eisende partij voor de verwijzende rechter vraagt een loopbaanonderbreking onder de vorm van ouderschapsverlof met een vermindering van voltijdse prestaties met een vijfde. Uit de beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van 4 december 2018 blijkt dat zij daarvoor geen recht heeft op een onderbrekingsuitkering, omdat zij zelfstandige in bijberoep is. Op 23 februari 2019 stelt de eisende partij tegen die beslissing beroep in bij de Nederlandstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Zij meent dat het niet-toekennen van een onderbrekingsuitkering aan zelfstandigen in bijberoep die de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst gedeeltelijk wensen te schorsen discriminerend is. Alvorens uitspraak te doen, stelt de Nederlandstalige Arbeidsrechtbank te Brussel de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- Er werden geen memories met verantwoording ingediend. -B- B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 14 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 « betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen », in de versie zoals van toepassing vóór 1 augustus 2019. B.2. Krachtens artikel 142 van de Grondwet en de artikelen 1 en 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof doet het Hof uitspraak over beroepen tot vernietiging van wetten, decreten en ordonnanties of over prejudiciële vragen dienaangaande, gesteld door rechtscolleges. B.3. Die bepalingen, noch enige andere grondwets- of wetsbepaling, verlenen het Hof de bevoegdheid om, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over de vraag of een koninklijk besluit verenigbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Die bevoegdheid komt de verwijzende rechter zelf toe op grond van artikel 159 van de Grondwet. B.4. De prejudiciële vraag behoort dus klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof. 4 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, stelt vast dat het Hof onbevoegd is om te antwoorden op de prejudiciële vraag. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 13 februari 2020. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.025 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.