id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.033 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200220.8 Arrest- Rolnummer: 33/2020 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-03-11 Raadplegingen: 303 - laatst gezien 2026-06-28 21:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Verzet (gerechtelijk recht) - Voorwaarden verzet PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1047, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 143 van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Gerechtelijk recht - Burgerlijke procedure - Rechtsmiddelen - Verzet - Voorwaarden. Tekst van de beslissing Rolnummer 7317 Arrest nr. 33/2020 van 20 februari 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1047, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 143 van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter F. Daoût en de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 28 juni 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 december 2019, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Artikel 1047 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij artikel 143 van de wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie, beperkt de mogelijkheid om verzet aan te tekenen tegen een bij verstek gewezen vonnis voortaan tot het geval waarin het betwiste vonnis in laatste aanleg is gewezen. A contrario, wanneer het vonnis voor hoger beroep vatbaar is, beschikt de verweerder tegen wie een vonnis bij verstek is gewezen enkel nog over de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen. De verweerder wordt dus de dubbele aanleg ontzegd waarin bij de wet is voorzien voor zaken van een zeker belang. Vanuit dat oogpunt wordt de verweerder die op de inleidende zitting niet is verschenen omdat hij niet op geldige wijze werd opgeroepen, op exact dezelfde manier behandeld als de verweerder die op geldige wijze werd opgeroepen en ervoor heeft gekozen om niet te verschijnen. Is artikel 1047 van het Gerechtelijk Wetboek in die context strijdig met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, in zoverre het een verweerder die op de inleidende zitting afwezig is om de reden dat hij niet in de zaak is opgeroepen overeenkomstig de wet, belet een procedure in verzet in te stellen tegen het te zijnen aanzien bij verstek gewezen vonnis ? ». Op 18 december 2019 hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat de prejudiciële vraag klaarblijkelijk onontvankelijk is. Het Waalse Gewest (vertegenwoordigd door zijn Regering, op verzoek van de minister van Openbaar Ambt), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. X. Close, advocaat bij de balie te Luik, heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij een vonnis van 24 oktober 2017 heeft de Arbeidrechtbank te Luik de Waalse Overheidsdienst (WOD) bij verstek ertoe veroordeeld een compenserende opzeggingsvergoeding van 17 881,63 euro te betalen aan N.F., die als sluiswachter voor de Directie Waterwegen Luik van het Directoraat-generaal Waterwegen (DG02) werkzaam was. Het Waalse Gewest, vertegenwoordigd door zijn Regering, doet bij dezelfde Arbeidsrechtbank derdenverzet en, in ondergeschikte orde, verzet tegen dat eerste vonnis. Het bekritiseert dat vonnis in die zin dat het niet is opgeroepen, aangezien de dagvaarding gericht is aan de voormelde WOD, die, hoewel hij deel uitmaakt van de Waalse Regering, geen rechtspersoonlijkheid heeft. De Arbeidsrechtbank te Luik stelt vast dat de vermelding van de naam en de woonplaats in de gedinginleidende akte is voorgeschreven op straffe van nietigheid (artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek) en dat de nietigheid niet kan worden gedekt (artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek) temeer omdat zij de belangen van de verwerende partij heeft geschaad (artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek). Zij besluit dat de oorspronkelijke vordering niet-ontvankelijk is. De Arbeidsrechtbank neemt echter een bezwaar over dat door het Waalse Gewest bij haar is gemaakt en stelt vast dat krachtens de wijziging van het eerste lid van artikel 1047 van het Gerechtelijk Wetboek bij artikel 143 van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie », de in burgerlijke zaken bij verstek gewezen vonnissen die voor hoger beroep vatbaar zijn, enkel nog kunnen worden aangevochten via dat laatste rechtsmiddel en niet langer bij wege van het verzet. III. In rechte -A- A.1. In hun conclusies hebben de rechters-verslaggevers vastgesteld dat de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet-ontvankelijk is. A.2. De Waalse Regering heeft een memorie met verantwoording ingediend. Na de feitelijke en gerechtelijke context van de zaak uitgebreid in herinnering te hebben gebracht en, in het bijzonder, de redenen waarom alleen het Waalse Gewest in rechte kan treden en niet de Waalse Overheidsdienst, die in de zaak is gedagvaard, lijkt de Waalse Regering voor het Hof ook te betogen dat in andere situaties, sommige rechters hebben erkend dat zij een vergissing inzake geadresseerde die zoals te dezen is begaan, kunnen corrigeren. De Waalse Regering besluit daaruit dat het verzet dat het Waalse Gewest voor de verwijzende rechter heeft ingesteld, toch als ontvankelijk zou kunnen worden beschouwd. In een eerste opmerking die zij uiteenzet in verband met de conclusies van de rechters-verslaggevers, betoogt zij echter dat het in het in het geding zijnde geval het beroep in derdenverzet is dat het Waalse Gewest in hoofdorde heeft ingesteld, dat als ontvankelijk in aanmerking dient te worden genomen. De Waalse Regering besluit dat de vergissing die is begaan in de exacte benaming van de verweerder dus niet die is welke het Waalse Gewest het meest heeft benadeeld, maar wel die welke is begaan in het adres waarop van de gedinginleidende akte kennis diende te worden gegeven. Bijgevolg zou de prejudiciële vraag, die betrekking heeft op het verzet, toch een antwoord kunnen vinden. 4 -B- B.1. In de regel komt het de verwijzende rechter toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.2. Verzet is een rechtsmiddel dat slechts openstaat voor personen die partij waren in het geding voor de rechter die het vonnis bij verstek heeft gewezen. Een persoon die geen partij was in het geding voor die rechter kan dat vonnis slechts betwisten bij wege van het derdenverzet. B.3. Uit de verwijzingsbeslissing en uit de stukken van het aan het Hof bezorgde dossier van de rechtspleging blijkt dat het verzet waarvan de geldigheid in die beslissing wordt besproken, in ondergeschikte orde door het Waalse Gewest is ingesteld, voor het geval de verwijzende rechter van oordeel zou zijn dat het verzoek tot derdenverzet niet ontvankelijk is. Uit die documenten blijkt ook dat het Waalse Gewest niet een van de in het geding zijnde partijen was in de aanleg die aanleiding heeft gegeven tot het bij verstek gewezen vonnis. Die persoon kon tegen dat vonnis dus geen verzet aantekenen, waarbij de verwijzende rechter trouwens zelf de niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering heeft vastgesteld. B.4. Uit het voorgaande blijkt dat het antwoord op de vraag klaarblijkelijk niet nuttig is voor het oplossen van het geschil. B.5. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 5 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 februari 2020. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.033 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.