← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.034

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.034 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200305.1 Arrest- Rolnummer: 34/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-01 Raadplegingen: 404 - laatst gezien 2026-06-28 21:31 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt de wet van 28 juni 2015 « tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie »; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde wet tot het aannemen, door de wetgever, van een nieuwe wet die is voorafgegaan door de vereiste milieueffectbeoordeling en passende beoordeling, met inspraak van het publiek en een grensoverschrijdende raadpleging, en uiterlijk tot en met 31 december 2022. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ENERGIE - Kernenergie Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de wet van 28 juni 2015 « tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie », ingesteld door de vzw « Inter-Environnement Wallonie » en de vzw « Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen ». Kernenergie - Centrales Doel 1 en Doel 2 - Uitstel van de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie - Ontstentenis van een milieueffectrapportering en van een voorafgaande procedure die inspraak van het publiek mogelijk maakt. Wettelijke bepalingen: Wet - 28-06-2015 - 04 ELI link Pub nr 2015011262 Tekst van de beslissing Rolnummer 6328 Arrest nr. 34/2020 van 5 maart 2020 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 28 juni 2015 « tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie », ingesteld door de vzw « Inter-Environnement Wallonie » en de vzw « Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 januari 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 januari 2016, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 28 juni 2015 « tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 juli 2015, tweede editie) door de vzw « Inter-Environnement Wallonie » en de vzw « Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Sambon, advocaat bij de balie te Brussel. Bij tussenarrest nr. 82/2017 van 22 juni 2017, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 augustus 2017, heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie : « 1. Dienen artikel 2, leden 1 tot 3, 6 en 7, artikel 3, lid 8, artikel 5, artikel 6, lid 1, en punt 2 van aanhangsel I van het Verdrag van Espoo ‘ inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband ’ te worden geïnterpreteerd overeenkomstig de preciseringen aangebracht in de ‘ Background note on the application of the Convention to nuclear energy-related activities ’ (Achtergrondnota over de toepassing van het Verdrag op activiteiten in verband met kernenergie) en in de ‘ Good practice recommendations on the application of the Convention to nuclear energy-related activities ’ (Aanbevelingen voor goede praktijken met betrekking tot de toepassing van het Verdrag op kernenergiegerelateerde activiteiten) ? 2. Dient artikel 1, punt ix), van het Verdrag van Espoo, waarin de ‘ bevoegde autoriteit ’ wordt omschreven, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van het toepassingsgebied van dat Verdrag wetgevende akten uitsluit zoals de wet van 28 juni 2015 ‘ tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie ’, met name rekening houdend met de verschillende studies en hoorzittingen die in het kader van het aannemen van die wet hebben plaatsgevonden ? 3.

  1. a)Dienen de artikelen 2 tot 6 van het Verdrag van Espoo in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij van toepassing zijn vóór het aannemen van een wetgevende handeling zoals de wet van 28 juni 2015 ‘ tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie ’, waarvan artikel 2 de datum van de desactivering en van het einde van de industriële productie van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 uitstelt ?
  2. b)Is het antwoord op de in punt
  3. a)bedoelde vraag verschillend naargelang het betrekking heeft op de centrale Doel 1 of op de centrale Doel 2, rekening houdend met de noodzaak om voor de eerstgenoemde centrale bestuurshandelingen te nemen om de voormelde wet van 28 juni 2015 uit te voeren ? 3
  4. c)Kan de bevoorradingszekerheid van het land inzake elektriciteit een dwingende reden van algemeen belang uitmaken die het mogelijk maakt dat van de toepassing van de artikelen 2 tot 6 van het Verdrag van Espoo wordt afgeweken en/of dat die toepassing wordt geschorst ? 4. Dient artikel 2, lid 2, van het Verdrag van Aarhus ‘ betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden ’ in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van het toepassingsgebied van dat Verdrag wetgevende akten uitsluit zoals de wet van 28 juni 2015 ‘ tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie ’, al dan niet rekening houdend met de verschillende studies en hoorzittingen die in het kader van het aannemen van die wet hebben plaatsgevonden ? 5.
  5. a)Dienen de artikelen 2 en 6, in samenhang gelezen met bijlage I, punt 1, van het Verdrag van Aarhus, met name rekening houdend met de ‘ Maastricht Recommendations on Promoting Effective Public Participation in Decision-making in Environmental Matters ’ (Aanbevelingen van Maastricht voor het bevorderen van daadwerkelijke inspraak in besluitvorming in milieuaangelegenheden) ten aanzien van een besluitvormingsproces in verschillende fasen, in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij van toepassing zijn vóór het aannemen van een wetgevende handeling zoals de wet van 28 juni 2015 ‘ tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie ’, waarvan artikel 2 de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 uitstelt ?
  6. b)Is het antwoord op de in punt
  7. a)vermelde vraag verschillend naargelang het betrekking heeft op de centrale Doel 1 of op de centrale Doel 2, rekening houdend met de noodzaak om voor de eerstgenoemde centrale bestuurshandelingen te nemen om de voormelde wet van 28 juni 2015 uit te voeren ?
  8. c)Kan de bevoorradingszekerheid van het land inzake elektriciteit een dwingende reden van algemeen belang uitmaken die het mogelijk maakt dat van de toepassing van de artikelen 2 en 6 van het Verdrag van Aarhus wordt afgeweken en/of dat die toepassing wordt geschorst ? 6.
  9. a)Dient artikel 1, lid 2, in samenhang gelezen met punt 13, a), van bijlage II, van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, in voorkomend geval gelezen in het licht van de Verdragen van Espoo en van Aarhus, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van toepassing is op het uitstellen van de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van een kerncentrale, hetgeen, zoals te dezen, aanzienlijke investeringen en het op peil brengen van de veiligheid voor de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 inhoudt ? 4
  10. b)Dienen de artikelen 2 tot 8 en 11 en bijlagen I, II en III van de richtlijn 2011/92/EU, indien de in punt
  11. a)bedoelde vraag bevestigend wordt beantwoord, in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij van toepassing zijn vóór het aannemen van een wetgevende handeling zoals de wet van 28 juni 2015 ‘ tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie ’, waarvan artikel 2 de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 uitstelt ?
  12. c)Is het antwoord op de in de punten
  13. a)en
  14. b)bedoelde vragen verschillend naargelang het betrekking heeft op de centrale Doel 1 of op de centrale Doel 2, rekening houdend met de noodzaak om voor de eerstgenoemde centrale bestuurshandelingen te nemen om de voormelde wet van 28 juni 2015 uit te voeren ?
  15. d)Dient artikel 2, lid 4, van de richtlijn 2011/92/EU, indien de in punt
  16. a)bedoelde vraag bevestigend wordt beantwoord, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het de mogelijkheid biedt om het uitstellen van de desactivering van een kerncentrale vrij te stellen van de toepassing van de artikelen 2 tot 8 en 11 van de richtlijn 2011/92/EU om dwingende redenen van algemeen belang die verband houden met de bevoorradingszekerheid van het land inzake elektriciteit ? 7. Dient het begrip ‘ specifieke wet ’ in de zin van artikel 1, lid 4, van de richtlijn 2011/92/EU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van het toepassingsgebied van die richtlijn een wetgevende akte uitsluit zoals de wet van 28 juni 2015 ‘ tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie ’, met name rekening houdend met de verschillende studies en hoorzittingen die in het kader van het aannemen van die wet hebben plaatsgevonden en die de doelstellingen van de voormelde richtlijn zouden kunnen verwezenlijken ? 8.
  17. a)Dient artikel 6 van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 4 van de richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand, in voorkomend geval gelezen in het licht van de richtlijn 2011/92/EU en in het licht van de Verdragen van Espoo en van Aarhus, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van toepassing is op het uitstellen van de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van een kerncentrale, hetgeen, zoals te dezen, aanzienlijke investeringen en het op peil brengen van de veiligheid voor de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 inhoudt ?
  18. b)Dient artikel 6, lid 3, van de richtlijn 92/43/EEG, indien de in punt
  19. a)bedoelde vraag bevestigend wordt beantwoord, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van toepassing is vóór het aannemen van een wetgevende handeling zoals de wet van 28 juni 2015 ‘ tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie ’, waarvan artikel 2 de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 uitstelt ? 5
  20. c)Is het antwoord op de in de punten
  21. a)en
  22. b)bedoelde vragen verschillend naargelang het betrekking heeft op de centrale Doel 1 of op de centrale Doel 2, rekening houdend met de noodzaak om voor de eerstgenoemde centrale bestuurshandelingen te nemen om de voormelde wet van 28 juni 2015 uit te voeren ?
  23. d)Dient artikel 6, lid 4, van de richtlijn 92/43/EEG, indien de in punt
  24. a)vermelde vraag bevestigend wordt beantwoord, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het de mogelijkheid biedt om redenen die verband houden met de bevoorradingszekerheid van het land inzake elektriciteit, als een dwingende reden van groot openbaar belang te beschouwen, met name rekening houdend met de verschillende studies en hoorzittingen die in het kader van het aannemen van de wet van 28 juni 2015 hebben plaatsgevonden en die de doelstellingen van de voormelde richtlijn zouden kunnen verwezenlijken ? 9. Zou de nationale rechter, indien hij op grond van de antwoorden verstrekt op de voorgaande prejudiciële vragen tot de conclusie zou komen dat de bestreden wet een van de uit de voormelde verdragen of richtlijnen voortvloeiende verplichtingen schendt, zonder dat de bevoorradingszekerheid van het land inzake elektriciteit een dwingende reden van algemeen belang kan uitmaken waardoor van die verplichtingen kan worden afgeweken, de gevolgen van de wet van 28 juni 2015 kunnen handhaven teneinde rechtsonzekerheid te voorkomen en het mogelijk te maken dat de verplichtingen tot milieueffectbeoordeling en tot inspraak van het publiek die uit de voormelde verdragen of richtlijnen zouden voortvloeien, worden nagekomen ? ». Bij arrest van 29 juli 2019 in de zaak C-411/17 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie op de vragen geantwoord. Bij beschikking van 25 september 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist : - de debatten te heropenen, - de partijen uit te nodigen, in een uiterlijk op 4 november 2019 in te dienen aanvullende memorie, die zij binnen dezelfde termijn aan de andere partijen meedelen, hun eventuele opmerkingen te formuleren over : . de gevolgen, voor het beroep tot vernietiging voor het Hof, van de overwegingen nrs. 59 tot 166 van het arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2019 in de zaak C-411/17; . een eventuele handhaving van de gevolgen, die wordt verantwoord door het bestaan van een reëel en ernstig risico dat de elektriciteitsbevoorrading wordt onderbroken en die zich beperkt tot de duur om een einde te maken aan de vastgestelde onrechtmatigheid (overwegingen nrs. 167 tot 182 van het arrest van het Hof van Justitie); - dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en - dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 november 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. 6 Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partijen; - de nv « Electrabel », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Vandenput en Mr. F. Tulkens, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Block en Mr. K. Wauters, advocaten bij de balie te Brussel. Ingevolge de verzoeken van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 9 oktober 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 6 november 2019. Op de openbare terechtzitting van 6 november 2019 : - zijn verschenen : . Mr. J. Sambon en Mr. E. Açikgöz, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. F. Tulkens en Mr. T. Vandenput, voor de nv « Electrabel »; . Mr. G. Block en Mr. K. Wauters, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de aanvullende memories die zijn ingediend ingevolge het arrest dat op 29 juli 2019 door het Hof van Justitie van de Europese Unie is gewezen A.1. De verzoekende partijen zijn van mening dat hun tweede middel gegrond moet worden bevonden. Het Hof van Justitie heeft vastgesteld dat de bestreden wet en de grote werkzaamheden die uit de verlenging van de levensduur van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 voortvloeien, gelet op hun onlosmakelijke feitelijke band, deel uitmaken van een zelfde « project » in de zin van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten » (hierna : de MEB-richtlijn). Volgens het Hof van Justitie kan de bestreden wet als een vergunning worden aangemerkt of vormt zij op zijn minst de eerste fase van een vergunningsprocedure voor dat project. 7 Daaruit vloeit voort dat dat project moet worden onderworpen aan een beoordeling van de gevolgen met betrekking tot de maatregelen inzake heropstart en uitstel en met betrekking tot de aanzienlijke moderniserings- en beveiligingswerken, bedoeld in de overeenkomst « voor levensduurverlenging » van 30 november 2015. Die werken waren vermeld in de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet - zij waren dus bekend bij de overheid en bij andere betrokken partijen vóór de beslissing tot verlenging - en werden zelfs als voorwaarde gesteld voor de vergunning voor de verlenging van de exploitatie van de reactoren Doel 1 en Doel 2. Volgens de verzoekende partijen zijn de voorwaarden voor een vrijstelling van de beoordeling van de gevolgen niet vervuld, aangezien de vrijstelling niet van toepassing kan zijn wanneer het project een aanzienlijk effect op een andere lidstaat kan hebben, hetgeen te dezen het geval is. De Belgische Staat heeft de Commissie trouwens niet in kennis gesteld van de redenen die die vrijstelling zouden verantwoorden en die verband zouden houden met een risico van een black-out op korte termijn of met een risico van bevoorradingszekerheid op middellange en lange termijn. Uit punt 112 van het arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2019 blijkt eveneens dat de bestreden wet geen « specifieke wet » vormt die als een vergunning zou kunnen worden aangemerkt en die het mogelijk zou maken om de doelstellingen van de MEB-richtlijn te bereiken. A.2. Volgens de verzoekende partijen vloeit uit punt 132 van het arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2019 voort dat de bestreden wet, gecombineerd met de moderniseringswerkzaamheden en met de werkzaamheden om te voldoen aan de geldende veiligheidsvoorschriften, een project is in de zin van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 « inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna » (hierna : de Habitatrichtlijn), dat aan een passende beoordeling moet worden onderworpen wat zijn gevolgen voor de beschermde gebieden betreft. Te dezen kan de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet, waarin de « perspectiefstudie 2030 » ter sprake wordt gebracht, geen adequate beoordeling in de zin van de Habitatrichtlijn uitmaken, aangezien die studie bovendien niet aan een procedure inzake inspraak van het publiek werd onderworpen. De verzoekende partijen zijn bijgevolg van mening dat hun derde middel gegrond moet worden bevonden. A.3.1. Wat een eventuele handhaving van de gevolgen betreft, verwijzen de verzoekende partijen naar de conclusies, in de voorliggende zaak, van advocaat-generaal Kokott, die tot de grootste voorzichtigheid aanmaande. De verzoekende partijen zijn van mening dat, opdat het Hof de gevolgen handhaaft, de werkelijkheid van het risico dat de elektriciteitsbevoorrading wordt onderbroken, moet worden aangetoond voor een termijn die op zijn vroegst aanvangt op de dag van de vernietiging van de bestreden wet en uiterlijk eindigt op de dag van de inwerkingtreding van een nieuwe wet die wordt aangenomen na het uitvoeren van een milieueffectrapportering en van maatregelen inzake inspraak van het publiek. Dat reële en ernstige risico moet prospectief in ogenschouw worden genomen, en zulks voor een periode van ten hoogste een jaar, teneinde de voorafgaande formaliteiten inzake leefmilieu te kunnen vervullen. Aangezien de handhaving van de gevolgen een uitzondering vormt op het beginsel van de vernietiging met terugwerkende kracht en risico’s voor de veiligheid en voor de gezondheid kan opleveren, kan zij volgens de verzoekende partijen niet meer dan een jaar duren. Er moet ook rekening worden gehouden met het feit dat de bestreden wet reeds meer dan vijf jaar geleden werd aangenomen en dat de uitwerking ervan, namelijk de verlenging van de centrales Doel 1 en Doel 2, zal ophouden in 2025. Ten slotte vereist het arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2019 dat de handhaving van de gevolgen wordt beperkt tot de tijd die strikt noodzakelijk is om een einde te maken aan de onrechtmatigheid, hetgeen inhoudt dat een dreigend risico op korte termijn, zijnde ten hoogste binnen het jaar na de vernietiging, wordt aangetoond. A.3.2. Volgens de verzoekende partijen bestaat er geen reëel en ernstig risico dat de elektriciteitsbevoorrading wordt onderbroken, aangezien de Belgische Staat een ernstig en dreigend risico van een stroomonderbreking nooit afdoende heeft aangetoond. Integendeel, uit de recente studies van Elia en van de CREG (Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas) blijkt dat, indien Doel 3 en Tihange 2 beschikbaar zijn, het niveau van bevoorradingszekerheid met of zonder de exploitatie van Doel 1 en Doel 2 ongewijzigd blijft, en dat het behoud van de productie van de reactoren van Doel de ontwikkeling van nieuwe alternatieve infrastructuren verhindert. Daarenboven heeft België drie grote projecten voor het creëren van interconnectielijnen die de invoercapaciteit van in het buitenland geproduceerde energie - die in 2018 22 % bedroeg - zouden kunnen verbeteren en die de verliezen met betrekking tot de reactoren Doel 1 en Doel 2 dus zouden kunnen compenseren. 8 Ook al wordt de productiecapaciteit van het nucleaire park onderbenut, soms wegens een tijdelijke onbeschikbaarheid, toch heeft het land nooit het voorwerp van een black-out uitgemaakt en is de totale productiecapaciteit in België zelfs toegenomen, aangezien de bronnen gevarieerder en rijker zijn geworden. De strategische reserve, die in geval van een risico van een elektriciteitstekort op korte termijn kan worden geactiveerd, is trouwens nooit geactiveerd sedert de oprichting ervan in 2014, hetgeen aantoont dat het land niet het voorwerp uitmaakt van een reëel en ernstig risico dat de elektriciteitsbevoorrading wordt onderbroken, zelfs in de winterperiode, en hetzelfde geldt voor de vooruitzichten met betrekking tot de winters van 2020-2021 en volgende. Aangezien de ontstentenis van een ernstig risico van een black-out is aangetoond, wordt het onderzoek van alternatieven overbodig. Toch moet worden vastgesteld dat de Belgische Staat niet heeft verzocht om studies naar alternatieve oplossingen die de desactivering van de reactoren Doel 1 en Doel 2 beogen te compenseren, maar dat hij, integendeel, ervoor heeft gekozen die analyse uit te stellen, zodat er geen aanleiding bestaat om het verzoek tot handhaving van de gevolgen in te willigen. A.4. Vooraf brengt de Ministerraad in herinnering dat het Hof, hoewel het gehouden is tot het dictum van het arrest van het Hof van Justitie, als enige bevoegd is om zich uit te spreken over de toepassing van het Unierecht op het voorliggende geval en, bijgevolg, te beslissen of de bestreden wet een « vergunning » voor een « project » in de zin van de aangevoerde richtlijnen uitmaakt. Volgens de Ministerraad zijn de MEB-richtlijn, de Habitatrichtlijn en de richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 « inzake het behoud van de vogelstand » (hierna : de Vogelrichtlijn) te dezen niet van toepassing. Voor het overige beklemtoont de Ministerraad dat het Hof van Justitie zich niet heeft uitgesproken over de toepassing van het Euratom-Verdrag, zodat die vraag open blijft. A.5.1. In hoofdorde verzoekt de Ministerraad het Hof om het beroep tot vernietiging te verwerpen en voor recht te zeggen dat de bestreden wet geen vergunning voor een project in de zin van de MEB-richtlijn vormt. Volgens de Ministerraad heeft het Hof van Justitie, in zijn arrest van 29 juli 2019, een nieuwe definitie aan het begrip « project » gegeven, door te oordelen dat er een « uniciteit » bestaat tussen, enerzijds, het heropstarten van Doel 1 en de verlenging van Doel 2 en, anderzijds, de moderniseringswerkzaamheden die onlosmakelijk ermee verbonden zijn. Daarenboven heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het « project » betrekking had op een « kerncentrale » in de zin van de bijlagen I en II van de MEB-richtlijn. Die uniciteit van het « project » en dat begrip « kerncentrale » druisen evenwel in tegen de in België van toepassing zijnde bevoegdheidverdelende regels, zoals daarin in artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen is voorzien : hoewel het uitstellen van de desactivering van kerncentrales sensu stricto ressorteert onder de federale wetgever die de bestreden wet heeft aangenomen, is de federale Staat inzake stedenbouw evenwel niet bevoegd voor het nucleaire gedeelte van de centrale, en deelt hij zijn bevoegdheid inzake leefmilieu met, te dezen, het Vlaamse Gewest, voor het « klassieke » gedeelte van de centrale. A.5.2. Volgens de Ministerraad is de bestreden wet een wet in materiële zin, is zij algemeen en abstract, en drukt zij de wil uit van de Natie, in de zin van artikel 33 van de Grondwet. Door het tijdschema voor de geleidelijke uitstap uit kernenergie te wijzigen, wordt bij de bestreden wet een beleidskeuze inzake energie en in economische aangelegenheden gemaakt, die volledig onder de bevoegdheid van de lidstaten valt, overeenkomstig artikel 194, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), en die op grond van de nationale identiteit wordt beschermd door artikel 4, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna : het VEU), maar ook door het begrip met grondwettelijke waarde « economische en monetaire unie ». De Ministerraad is van mening dat de bestreden wet noch (
  25. a)een individuele vergunning voor elektriciteitsproductie is, noch (
  26. b)een stedenbouwkundige vergunning of een eerste fase van een stedenbouwkundige vergunning, aangezien de federale Staat inzake stedenbouw niet bevoegd is, noch (
  27. c)een milieuvergunning, aangezien de federale Staat en de gewesten in dat verband over een gezamenlijke bevoegdheid beschikken, noch (
  28. d)een vergunning ad hoc. Aangezien de bestreden wet geen akte met een individuele draagwijdte vormt, kan zij niet als een vergunning of als een eerste fase van een vergunningsprocedure worden aangemerkt. 9 Noch het begrip « vergunning », noch het begrip « eerste fase » van een vergunningsprocedure hebben trouwens het voorwerp uitgemaakt van een debat voor het Hof van Justitie, zodat het Hof in dat verband een nieuwe prejudiciële vraag zou moeten stellen. De op kerncentrales van toepassing zijnde wetgeving voorziet overigens in geen enkele procedure in verschillende fasen, zodat de bestreden wet niet als de eerste fase van een dergelijke procedure kan worden beschouwd. Daarenboven, zelfs indien de bestreden wet de eerste akte van een vergunningsprocedure zou zijn, wordt bij de rechtspraak-Wells pas een milieueffectrapportering opgelegd vanaf het ogenblik dat alle effecten die het project op het leefmilieu kan hebben, kunnen worden geïdentificeerd en beoordeeld. Op het ogenblik van het aannemen van de wet van 28 juni 2015 was het echter nog niet mogelijk om de omvang van de eventuele impact van de verlenging van de centrales op het leefmilieu te beoordelen. A.5.3. Aangezien de aan de bestreden wet gegeven kwalificatie als vergunning of als eerste fase van een vergunningsprocedure kan indruisen tegen de bevoegdheidsverdeling waarin in het interne recht is voorzien, dient het Hof de voorkeur te geven aan een interpretatie van de wet die in overeenstemming is met het Belgisch grondwettelijk systeem. Volgens de Ministerraad zou de enige interpretatie die in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels en met het begrip « project », zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie, erin bestaan te vereisen dat een samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en de gewesten wordt ondertekend, dat in een vergunningsprocedure in de zin van artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn zou voorzien. Volgens de Ministerraad zou het Hof, indien het de bestreden wet als vergunning of als eerste fase van een vergunningsprocedure zou aanmerken, ook een verschil in behandeling doen ontstaan ten opzichte van de lering van zijn arresten nrs. 144/2012 (DAR-decreet) en 33/2019 (WRO-decreet). A.5.4. Wat de Habitatrichtlijn betreft, beklemtoont de Ministerraad dat het noch aan het Hof van Justitie, noch aan het Hof, in zijn feitelijke analyse, staat zich in de plaats van de uitvoerende macht te stellen, die als enige bevoegd is om te oordelen dat een passende beoordeling van de gevolgen vereist is krachtens artikel 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn. Het staat evenmin aan het Hof zijn oordeel in de plaats te stellen van dat van de bevoegde deskundigen die, in hun studies ter beoordeling van de gevolgen, hebben bevestigd dat de bestreden wet geen significante gevolgen voor de betrokken gebieden kon hebben, zodat geen passende beoordeling van de gevolgen moest worden geregeld met toepassing van artikel 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn. In elk geval, indien de bestreden wet significante gevolgen voor de betrokken gebieden zou kunnen hebben, quod non, dan zou eerst een passende beoordeling van de gevolgen moeten worden verricht, en het is enkel indien die negatief zou zijn dat artikel 6, lid 4, van de Habitatrichtlijn van toepassing zou moeten zijn. A.6. In ondergeschikte orde verzoekt de Ministerraad het Hof het beroep tot vernietiging te verwerpen en voor recht te zeggen dat de bevoegde autoriteiten die het project hebben vergund, ondanks die verwerping, een milieueffectrapportering moeten uitvoeren, overeenkomstig de van toepassing zijnde wetgevingen, en zulks binnen 32 tot 36 maanden. A.7.1. In nog meer ondergeschikte orde verzoekt de Ministerraad het Hof, indien het zou beslissen de bestreden wet te vernietigen, om de gevolgen ervan te handhaven voor een minimumtermijn van 32 tot 36 maanden met betrekking tot de milieueffectrapportering, te verhogen met een termijn voor een eventueel wetgevingsproces. Volgens de Ministerraad is te dezen voldaan aan de drie voorwaarden die door het Hof van Justitie zijn opgelegd opdat het Hof een handhaving van de gevolgen bij wijze van uitzondering kan rechtvaardigen. A.7.2. Allereerst is die handhaving van de gevolgen noodzakelijk om het reële en ernstige risico af te wenden dat de elektriciteitsbevoorrading wordt onderbroken, hetgeen enkel aan de nationale instanties toekomt te beoordelen, overeenkomstig artikel 194 van het VWEU. Het Hof van Justitie vereist niet dat dat reële risico onafwendbaar is, en het Hof kan in het kader van die beoordeling maar een marginale toetsing van het kennelijk onredelijke karakter van de beoordeling van het risico door de bevoegde instanties verrichten. Voor het overige is de Ministerraad van mening dat het « ernstige » karakter van het risico, dat het Hof van Justitie niet heeft omschreven, samenvalt met het « reële » karakter ervan. 10 Volgens de Ministerraad zou de desactivering van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 vóór 2025 de bevoorradingszekerheid van het land inzake elektriciteit ernstig in het geding brengen en significante nadelige gevolgen hebben voor de burger en voor onze economie. Het risico dat de elektriciteitsbevoorrading wordt onderbroken, dat sedert de winter van 2014-2015 structureel is en na 2020 zal blijven bestaan, wordt voldoende aangetoond door tal van studies over het onderwerp, en zal verergeren met de uitstap uit kernenergie. De Europese Commissie heeft trouwens erkend dat de verlenging van de centrales Doel 1 en Doel 2 bijdroeg tot het verzekeren van de bevoorradingszekerheid van België inzake elektriciteit, zonder het risico van een tekort evenwel te doen verdwijnen. Dat risico wordt ook aangetoond door de crisis die België tijdens de winter van 2018-2019 heeft gekend en die het nemen van noodmaatregelen door de federale Regering heeft vereist. A.7.3. Vervolgens is een handhaving van de gevolgen noodzakelijk, aangezien het risico voor de bevoorradingszekerheid niet kan worden vermeden door andere middelen en alternatieven. Hoewel de Belgische autoriteiten aanzienlijk hebben geïnvesteerd in hernieuwbare energiebronnen, overeenkomstig de Europese doelstellingen ter zake, zijn die intermitterend en maken zij het niet mogelijk om de bevoorradingszekerheid te allen tijde te waarborgen. Bovendien heeft de federale overheid een beperkte invloed op de bevordering van hernieuwbare energie, die tot de bevoegdheid van de gewesten behoort, behalve voor windenergie op de Noordzee. De meeste stuurbare productiecapaciteiten vertonen daarenboven het nadeel dat CO2 wordt uitgestoten en België heeft zich ertoe verbonden van steenkool af te stappen. De strategische reserve, die op korte termijn is geconcipieerd voor de volgende winterperiode, maakt het evenmin mogelijk om de bevoorradingszekerheid van het land te waarborgen als alternatief voor de handhaving van de gevolgen van de bestreden wet. De overgang naar de uitstap uit kernenergie, door het capaciteitsvergoedingsmechanisme dat op de markt capaciteit ter vervanging van de kerncentrales moet aantrekken, werd geconcipieerd opdat de eerste vergoede capaciteit beschikbaar zou zijn in 2025, zijnde het jaar van de desactivering van de laatste Belgische kerncentrales. Dat mechanisme zal de risico’s met betrekking tot de bevoorradingszekerheid in België dus pas vanaf 2025 kunnen oplossen, op voorwaarde dat de inwerkingstelling ervan geen vertraging oploopt en door de Europese Commissie wordt goedgekeurd. De Belgische autoriteiten kunnen evenmin rekenen op de invoer om het verlies aan nucleaire productiecapaciteit te compenseren, met name rekening houdend met de keuze van de buurlanden om ook kerncentrales te sluiten. De Europese energiemarkt maakt het dus niet mogelijk om het risico dat de bevoorrading in België wordt onderbroken, volledig weg te werken. A.7.4. De handhaving van de gevolgen moet worden beperkt tot de tijd die noodzakelijk is om een einde te maken aan de vastgestelde onrechtmatigheid. Te dezen zal de procedure voor het regulariseren van de vernietigde wet noodzakelijkerwijs tijd vergen wegens de organisatie van een overheidsopdracht om de vereiste studies te kunnen verrichten. Zodra die studies beëindigd zijn, zullen zij aan grensoverschrijdend overleg moeten worden onderworpen en ter kennis van de wetgever moeten worden gebracht, die een nieuwe wet ter verlenging van de centrales Doel 1 en Doel 2 zal moeten aannemen. De Ministerraad vraagt zich in dat verband af of het federale Parlement niet zou moeten voorzien in een vergunningsprocedure ad hoc alvorens toestemming te kunnen geven voor het project, zoals omschreven door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Tot bewaring van recht werd trouwens een « vooraankondiging » gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 29 oktober 2019, teneinde om reacties en eventuele belangstelling van dienstverleners te verzoeken. Wanneer er zekerheid zal bestaan over de bevoegdheid van de federale Staat, zal een aanbesteding worden uitgeschreven en zal het milieueffectenrapport vervolgens worden opgesteld door een door het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) en door het Vlaamse Gewest erkende opdrachthouder. Gelet op die verplichtingen verzoekt de Ministerraad om de gevolgen van de bestreden wet te handhaven tot de inwerkingtreding van de regularisatiewet, zonder dat die inwerkingtreding gepaard gaat met een uiterste datum. Het lijkt in elk geval onontbeerlijk om in een termijn van 32 tot 36 maanden te voorzien, die moet worden verlengd met een termijn voor een eventueel wetgevingsproces. 11 A.7.5. De Ministerraad is van mening dat de handhaving van de gevolgen onontbeerlijk is voor het verzekeren van de dwingende doelstellingen van rechtszekerheid, namelijk

(1)de continuïteit van de openbare dienst (risico van een black-out, van de invoering van afschakelplannen, van een prijsstijging en van de nadelige financiële gevolgen ervan voor de gebruikers),
(2)de noodzaak voor België om zijn internationale verbintenissen na te komen (België heeft zich ertoe verbonden om het gebruik van energiebronnen die CO 2 uitstoten, te verminderen), en
(3)de inachtneming van het gewettigd vertrouwen van de kernexploitant en van de betrokken personen, die konden aannemen dat de reactoren Doel 1 en Doel 2 tot in 2025 zouden kunnen worden geëxploiteerd. A.8.1. De nv « Electrabel », tussenkomende partij, gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof met betrekking tot de weerslag van de overwegingen nrs. 59 tot 166 van het arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2019, maar zij verzoekt het Hof, gesteld dat het beslist de bestreden wet te vernietigen, om de gevolgen ervan te handhaven voor een minimumtermijn van drie jaar, vanaf de bekendmaking van het arrest, waarbij de termijn voor het aannemen van een nieuwe wet komt. A.8.2. Artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof maakt het in het interne recht immers mogelijk om de gevolgen van een vernietigde wet te handhaven, wegens dwingende doelstellingen van openbare veiligheid, hetgeen te dezen het geval is. A.8.3. Volgens de tussenkomende partij wordt de handhaving van de gevolgen gerechtvaardigd door dwingende redenen die verband houden met de noodzaak om het reële en ernstige risico af te wenden dat de elektriciteitsbevoorrading van het land wordt onderbroken. Het vervroegd stilleggen van Doel 1 en Doel 2 zou de bevoorradingsmiddelen immers structureel verzwakken, ook al tonen het verleden en recente afstemmingsstudies reeds aan dat een tekort aan elektriciteitsbevoorrading van het land heel waarschijnlijk is, gezien (
  1. a)de onverwachte onbeschikbaarheid van diverse productiemiddelen, (
  2. b)de toename van het elektriciteitsverbruik, (
  3. c)de strenge winters, (
  4. d)grotere moeilijkheden om elektriciteit uit buurlanden in te voeren, (
  5. e)de beperkte rol van de strategische reserve en (
  6. f)de tot 2025 uitgestelde inwerkingstelling van het capaciteitsvergoedingsmechanisme. Het risico dat op de bevoorradingszekerheid van het land rust, is dus structureel en bijzonder ernstig, zoals de door Elia verrichte studies aantonen, die door de Algemene Directie Energie van de FOD Economie zijn bevestigd en die een onbeschikbaarheid van een derde van het nucleaire park voor de jaren 2020 tot 2025 voorzien, zonder rekening te houden met een onmiddellijk stilleggen van Doel 1 en Doel 2 ingevolge een vernietiging van de bestreden wet zonder handhaving van de gevolgen. Zulks zou immers een tekort van 0,866 GW (geproduceerd door Doel 1 en door Doel 2) met zich meebrengen, boven op het tekort van 1 GW dat voor de winters van 2022 tot 2025 is aangekondigd. Het zorgvuldigheidsbeginsel maakt het niet mogelijk zich te baseren op een afschakelplan, dat geen structurele oplossing vormt en sommige consumenten zal verhinderen om met elektriciteit te worden bevoorraad, met de economische en sociale gevolgen die daaruit voortvloeien (de kostprijs van een black-out bedraagt 120 miljoen euro per uur en de meest getroffen gebieden zouden Antwerpen en Brussel-Hoofdstad zijn). Bovendien zal de plotse desactivering van Doel 1 en Doel 2 België verhinderen zijn internationale klimaatverplichtingen in termen van vermindering van de uitstoot van broeikasgassen na te komen en ook leiden tot het verlies van het voordeel van de nucleaire vergoeding - 20 miljoen euro -, waarvan het jaarlijkse bedrag in het Energietransitiefonds wordt gestort. Ten slotte wordt de verlenging van Doel 1 en Doel 2 omringd door verhoogde veiligheidsnormen, zodat het nucleaire risico nog beperkter is dan vóór het aannemen van de bestreden wet. Indien het Hof beslist om de gevolgen niet te handhaven, zal eveneens afbreuk worden gedaan aan de legitieme verwachtingen van de tussenkomende partij, die te goeder trouw investeringen voor levensduurverlenging in de centrales Doel 1 en Doel 2 heeft gedaan, op basis van de overeenkomst die met de Belgische Staat is gesloten. A.8.4. Volgens de nv « Electrabel » kan aan dat reële en ernstige risico dat de elektriciteitsbevoorrading wordt onderbroken, niet het hoofd worden geboden met andere middelen en alternatieven, met name in het kader van de interne markt. De tussenkomende partij beklemtoont dat, hoewel de productiecapaciteit in België 22 GW bedraagt, de maximale vraag naar elektriciteitsproductie 13 tot 14 GW in volle winter bedraagt, en dat de kerncentrales 50 % van de in België geproduceerde elektriciteit vertegenwoordigen. De uitstap uit kernenergie vereist dat alternatieve oplossingen worden ingevoerd over verschillende jaren, hetgeen niet onmiddellijk zou kunnen gebeuren bij een vervroegde sluiting van Doel 1 en Doel 2. 12 De theoretische invoercapaciteit kan slechts op marginale wijze bijdragen aan de bevoorradingszekerheid van het land, op gevaar af dat België afhankelijk wordt van het energiebeleid van de buurlanden. Die capaciteit blijft bovendien heel onzeker omdat zij sterk beperkt wordt door technische interconnectiebeperkingen en marktomstandigheden in de aangrenzende landen die, enerzijds, het hoofd moeten bieden aan hun binnenlandse vraag alvorens over een overschot voor de uitvoer te beschikken en, anderzijds, de beslissing hebben genomen om versneld uit steenkool te stappen, hetgeen een negatieve impact op onze invoercapaciteit in de winter heeft. Hernieuwbare energie kan het verlies van 0,866 GW bij het stilleggen van Doel 1 en Doel 2 niet compenseren, aangezien de vooruitzichten voor dat soort van productie onzeker blijven omdat zij afhangen van de weersomstandigheden (met, voor offshorewindenergie, risico’s van stormen), waarbij het door dat soort van productie opgewekte vermogen erg volatiel is. A.8.5. Ten slotte verzoekt de nv « Electrabel » het Hof om de gevolgen van de bestreden wet te handhaven gedurende een termijn die strikt noodzakelijk is om een einde te maken aan de onrechtmatigheid, met andere woorden om de dubbele grensoverschrijdende formaliteit met betrekking tot de beoordeling van de gevolgen en de inspraak van het publiek te vervullen, die door het Hof van Justitie in zijn arrest van 29 juli 2019 is opgelegd. De tussenkomende partij geeft aan dat de procedure en het tijdschema de volgende zouden kunnen zijn : verzoek om een scopingadvies (50 dagen), beslissing over het scopingadvies (60 dagen), opstellen van het bestek van de overheidsopdracht voor diensten (60 dagen), procedure voor het plaatsen van de overheidsopdracht voor diensten (180 dagen), timing voor het realiseren van de campagnes en het opstellen van het milieueffectenrapport (500 dagen), nationale en internationale raadplegingen (30 tot 50 dagen), beslissing van het FANC over het milieueffectenrapport (60 dagen), hetgeen in totaal iets meer dan 1 000 dagen vertegenwoordigt. De nv « Electrabel » is bijgevolg van mening dat er minstens drie jaar nodig zal zijn om de vereiste formaliteiten te vervullen, termijn waaraan een andere termijn - die aan de wijsheid van het Hof wordt overgelaten - moet worden toegevoegd met het oog op het wetgevend werk om de wet te herstellen. -B- B.1.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen de wet van 28 juni 2015 « tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie » (hierna : de wet van 28 juni 2015), die bepaalt : « Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. Art. 2. In artikel 4 van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie, vervangen bij de wet van 18 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : 13 ‘ § 1. De kerncentrale Doel 1 mag opnieuw elektriciteit produceren vanaf de inwerkingtreding van de wet van 28 juni 2015 tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op gebied van energie. Ze wordt gedesactiveerd en mag geen elektriciteit meer produceren vanaf 15 februari 2025. De andere kerncentrales bestemd voor industriële elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen, worden gedesactiveerd op de volgende data en mogen geen elektriciteit meer produceren vanaf deze data : - Doel 3 : 1 oktober 2022; - Tihange 2 : 1 februari 2023; - Doel 4 : 1 juli 2025; - Tihange 3 : 1 september 2025; - Tihange 1 : 1 oktober 2025; - Doel 2 : 1 december 2025. ’. 2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende : ‘ § 3. De Koning vervroegt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in § 1 bedoelde datum voor de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 tot 31 maart 2016, indien de in artikel 4/2, § 3, bedoelde overeenkomst niet is gesloten uiterlijk op 30 november 2015. ’. Art. 3. In hoofdstuk 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 18 december 2013, wordt een artikel 4/2 ingevoegd, luidende : ‘ Art. 4/2. § 1. De eigenaar van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 stort aan de federale Staat, tot 15 februari 2025 voor Doel 1 en tot 1 december 2025 voor Doel 2, een jaarlijkse vergoeding als tegenprestatie voor de verlenging van de duur betreffende de toelating tot industriële elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen. § 2. De vergoeding, bedoeld in § 1, sluit alle andere heffingen ten voordele van de federale Staat uit (met uitzondering van de belastingen van algemene toepassing) die zouden zijn verbonden aan de eigendom of de exploitatie van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2, aan de inkomsten, productie of productiecapaciteit van deze centrales of aan het gebruik van kernbrandstof door deze centrales. § 3. De federale Staat sluit een overeenkomst met de eigenaar van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 in het bijzonder om : 1° de berekeningswijze van de vergoeding, bedoeld in § 1, te verduidelijken; 2° de schadeloosstelling te regelen ingeval één der partijen haar verbintenissen niet nakomt. ’. 14 Art. 4. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt ». B.1.2. De wet van 28 juni 2015, die op 6 juli 2015 in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, is overeenkomstig artikel 4 ervan in werking getreden op 6 juli 2015. Ten aanzien van de bestreden wet en de context ervan B.2. In België zijn er zeven kerncentrales : vier zijn gelegen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest te Doel (Doel 1, Doel 2, Doel 3 en Doel 4), en drie zijn gelegen op het grondgebied van het Waalse Gewest te Tihange (Tihange 1, Tihange 2 en Tihange 3), waarbij het Belgische nucleaire park tussen 15 februari 1975 en 1 september 1985 in gebruik is genomen. Bij de ministeriële besluiten van 1 maart 2004 en van 18 februari 2008 (berichten verschenen in het Belgisch Staatsblad van 26 maart 2004 en van 3 maart 2008) wordt aan Electrabel een individuele vergunning tot elektriciteitsproductie, zonder tijdsbeperking, toegekend voor respectievelijk Doel 2 en Doel 1, wegens een toename van het vermogen ervan. De centrales Doel 1 en Doel 2 produceren samen 866 MW. Volgens de cijfers van 2014 vertegenwoordigt elektriciteit uit kernenergie ongeveer 55 % van de in België verbruikte elektriciteit (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1511/007, p. 65). Volgens het jaarverslag van 2018 van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (hierna : de CREG) vertegenwoordigen de kerncentrales 38 % van de in 2018 in België geproduceerde elektriciteit (CREG, Jaarverslag 2018, p. 51). 15 De site te Doel beschikt over een door het Vlaamse Gewest uitgereikte milieuvergunning, die geldig is tot in 2031, voor de installaties die niet onder het koninklijk besluit van 20 juli 2001 « houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen » vallen, dat is genomen ter uitvoering van de wet van 15 april 1994 « betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle » (hierna : de wet van 15 april 1994). B.3. Bij de wet van 31 januari 2003 « houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie » (hierna : de wet van 31 januari 2003) werd een tijdschema voor de geleidelijke uitstap uit kernenergie vastgelegd tussen 15 februari 2015 en 1 september 2025, door de kerncentrales, 40 jaar na de industriële ingebruikname ervan, geleidelijk te desactiveren en een einde te maken aan de industriële elektriciteitsproductie ervan (artikel 4, in samenhang gelezen met artikel 2, 1°). B.4. De wet van 18 december 2013 « houdende wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie en houdende wijziging van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales » (hierna : de wet van 18 december 2013) heeft de wet van 31 januari 2003 gewijzigd, teneinde de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van de kerncentrale Tihange 1 met tien jaar uit te stellen, en zulks gelet op « de risico’s voor de bevoorradingszekerheid van het land » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3087/001, pp. 5-6). Als tegenprestatie voor het uitstellen van die desactivering zijn de eigenaars van de centrale Tihange 1 ertoe gehouden aan de Belgische Staat een jaarlijkse vergoeding te storten die is vastgesteld in artikel 4/1 van de wet van 31 januari 2003, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 18 december 2013. 16 B.5.1. Overeenkomstig artikel 4, § 1, van de wet van 31 januari 2003, zoals vervangen bij de wet van 18 december 2013, mocht de centrale Doel 1 geen elektriciteit meer produceren vanaf 15 februari 2015. Artikel 4, § 2, van de wet van 31 januari 2003, zoals vervangen bij de wet van 18 december 2013, bepaalt evenwel dat in de individuele vergunningen tot exploitatie en tot industriële elektriciteitsproductie enkel de bepalingen betreffende de toelating tot industriële elektriciteitsproductie een einde nemen op de in artikel 4, § 1, van dezelfde wet bedoelde datum van desactivering, waarbij de overige bepalingen - waaronder die met betrekking tot de exploitatievergunning - van toepassing blijven tot op het ogenblik dat zij worden aangepast. B.5.2.1. De bestreden wet van 28 juni 2015, die op 6 juli 2015 in werking is getreden, wijzigt de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van de centrales Doel 1 en Doel 2, « om bij te dragen aan de bevoorradingszekerheid inzake elektriciteit in België » (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0967/001, p. 4; zie eveneens Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0967/003, pp. 5-6). In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat de wet van 28 juni 2015 is geworden, worden de risico’s voor de bevoorradingszekerheid van het land als volgt uiteengezet : « Deze potentieel problematische situatie met betrekking tot de bevoorradingszekerheid, werd reeds aangetoond in de Memorie van toelichting van het wetsontwerp van 24 oktober 2013 tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie en tot wijziging van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales (Doc. Parl., 53-3087/001). Zij blijft actueel. Zij is overigens aangetoond in verschillende studies door de Algemene Directie Energie van de FOD Economie, waaronder recentelijk haar studie over de perspectieven van elektriciteitsbevoorrading tegen 2030 (cfr. http://economie.fgov.be/nl/modules/ publications/analyses_studies/etude_perspectives_ approvisionnement_electricite_horizon_2030_-_projet.jsp). Het risico dat de sluiting van kernreactoren in 2015 (Doel 1, Doel 2) met zich zou meebrengen, voor de bevoorradingszekerheid in België, werd eveneens bevestigd in het rapport van de GEMIX groep van september 2009 ‘ Welke ideale energiemix voor België tegen 2020 en 2030 ’ (http://economie.fgov.be/nl/binaries/ rapport_gemix_2009_nl_tcm325-76356.pdf). 17 Volgens deze studie (zie specifiek pagina 4 en 5) zou de sluiting van de drie kerncentrales Tihange 1, Doel 1 en Doel 2 een risico op bevoorradingszekerheid creëren. Bijgevolg raadt ze in het bijzonder aan om de drie reactoren Doel 1, Doel 2 en Tihange 1 met 10 jaar te verlengen. Overigens heeft het Federaal Planbureau de kwantitatieve kostenanalyse uitgevoerd van een black-out op de Belgische economie in haar rapport van maart 2014. Het Planbureau schat de sociaaleconomische schade ten gevolge van een elektriciteitspanne van één uur op ongeveer 120 miljoen euro in geval van onderbreking tijdens de week op een ogenblik dat alle bedrijven actief zijn (zie de studie ‘ Belgische black-outs berekend - Een kwantitatieve evaluatie van stroompannes in België ’ van het Federaal Planbureau, gepubliceerd in maart 2014 (http://www.plan.be/admin/ uploaded/201403 170843050.WP_1403.pdf). Gelet op de grote onzekerheid over het heropstarten van de reactoren Doel 3 en Tihange 2, de aangekondigde sluiting van conventionele productie-eenheden in 2015 en de daarop volgende jaren en het feit dat de integratie van buitenlands productievermogen op het Belgisch net op korte termijn niet mogelijk is, heeft de Regering beslist op 18 december 2014 om : 1. de reactoren Doel 1 en 2 onmiddellijk te verlengen voor een periode van tien
(10)jaar zonder dat de exploitatieduur van deze reactoren 2025 overschrijdt. Het akkoord van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (hierna ‘ FANC ’), dat de voorwaarden betreffende de beveiliging en de veiligheid zal vastleggen, is een onvoorwaardelijke essentiële voorwaarde vooraleer de verlenging van deze reactoren kan ingaan; 2. Erover te waken dat de voorwaarden […] tot een effectieve concurrentie op de Belgische productiemarkt aangemoedigd worden en dat in dat kader de exploitant aangemoedigd moet worden om de mogelijkheden te onderzoeken om derden te laten investeren in de eigendomsstructuur en het conform maken van de reactoren Doel 1 en Doel 2; […] Om dit akkoord uit te voeren, moeten er onmiddellijk bepaalde beslissingen genomen worden om rekening te houden met technische en reglementaire beperkingen. […] […] Gezien de risico’s voor de bevoorradingszekerheid van het land, moet de levensduur van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 met 10 jaar, dus tot 2025, verlengd worden, mits het naleven van de voorschriften in verband met de tienjaarlijkse herzieningen van de beveiliging, in het bijzonder met betrekking tot de specifieke aspecten van de ‘ LTO ’ (Long Term Operation), de heraanpassing van het actieplan voor de stresstests, en de vereiste goedkeuringen van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. […] De bepalingen van deze verlenging zullen op deze manier voldoende op voorhand vastgesteld zijn, zodat de betrokken centrales beschikbaar zijn tijdens de winterperiode 2015-2016 en bijdragen tot de bevoorradingszekerheid van het land. 18 De studie over de bevoorradingsperspectieven tegen 2030 analyseert de bevoorradingszekerheid in het geval van een verlenging van de uitbating van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 en de sluiting van Doel 3 en Tihange 2. Dit scenario, Nuc-2000 genaamd, werd, net als de anderen, onderworpen aan een analyse van de milieu-impact (Strategische milieubeoordeling van de studie over de perspectieven van elektriciteitsbevoorrading tegen 2030, addendum, blz. 29 en 30). De studie heeft geen nieuwe impact op het milieu en de gezondheid [vastgesteld] » (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0967/001, pp. 4-8). B.5.2.2. Naast de hiervoor vermelde verslagen en studies werden tal van personen gehoord in het kader van hoorzittingen die over het wetsontwerp zijn georganiseerd (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0967/003, pp. 3-4 en pp. 129-358). Tijdens zijn hoorzitting heeft de directeur van het FANC aangegeven : « De kerncentrale van Doel 1 is stilgelegd op 15 februari 2015. De exploitatie zal alleen onder bepaalde voorwaarden kunnen worden hervat. Een daarvan is de wetswijziging; een andere is dat de centrale over brandstof moet beschikken - de exploitant heeft, gelet op de geplande sluiting, immers de bevoorradingscontracten verbroken. Een derde voorwaarde hangt af van het Agentschap, dat al dan niet met een hervatting van de exploitatie zal instemmen » (ibid., p. 133). De vertegenwoordigers van Elia, die de strategische elektriciteitsreserve beheert, hebben de nadruk gelegd op de bevoorradingszekerheid van het land : « In dat verband is de capaciteit van 800 MW die wordt geproduceerd door de centrales van Doel 1 en Doel 2, een zeer belangrijk in aanmerking te nemen element » (ibid., p. 150). De experte bij het Federaal Planbureau heeft de economische impact van een stroomuitval van één uur in België geanalyseerd : « De schade is dus het grootst tussen 8 en 16 uur : de economische schade kan in die tijdsspanne worden geraamd op 120 miljoen euro voor een één uur durende panne » (ibid., p. 164). 19 Ten slotte heeft de directeur van de Nationale instelling voor radioactief afval en verrijkte splijtstoffen (NIRAS) de impact van de verlenging van Doel 1 en Doel 2 op de hoeveelheid afval geëvalueerd : de verlenging met tien jaar heeft geen weerslag op het afval afkomstig van de ontmanteling, maar heeft een effect dat op 350 m³ aan exploitatieafval wordt geraamd, waarbij het in aanmerking genomen percentage voor de verbruikte splijtstof door het NIRAS op 4 % wordt geraamd (ibid., pp. 190-191). B.5.2.3. In de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet wordt, met betrekking tot de plaats van kernenergie in het land, eveneens uiteengezet : « In de door de regering nagestreefde duurzame en betaalbare energiemix, neemt kernenergie een belangrijke plaats in. De centrales van Doel en Tihange zorgen al sinds 30 jaar voor ongeveer de helft van de totale elektriciteitsproductie in België en dragen zo bij tot een stabiele bevoorradingszekerheid. Ze maakt ons bovendien minder afhankelijk van de internationale gas- en oliemarkt, die gekenmerkt wordt door forse prijsschommelingen en onderhevig is aan geopolitieke conflicten. Kernenergie heeft echter nog meer troeven : - Als kernenergie in de energiemix van België gehandhaafd blijft, zullen de gemiddelde netto productiekosten van elektriciteit relatief stabiel blijven. - Het gebruik van kernenergie is ook essentieel om de aan België opgelegde klimaatdoelstellingen te kunnen behalen » (ibid., p. 11). B.5.3. Uit de formulering van artikel 4, § 1, van de wet van 31 januari 2003, zoals vervangen bij de bestreden wet, blijkt dat de bestreden wet de geleidelijke uitstap uit kernenergie, zoals voorzien in voormeld artikel 4, § 1, in twee opzichten heeft gewijzigd : enerzijds staat zij toe dat de centrale Doel 1 « opnieuw » elektriciteit produceert vanaf de inwerkingtreding van de bestreden wet, zijnde 6 juli 2015, en stelt zij de desactivering ervan uit tot 15 februari 2025; anderzijds stelt zij de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van de centrale Doel 2 uit met tien jaar, tot 1 december 2025. 20 Overeenkomstig de bestreden wet zal de « geleidelijke » uitstap uit kernenergie bijgevolg plaatsvinden tussen 1 oktober 2022 en 1 december 2025. De datum voor de definitieve uitstap uit kernenergie, die in de wet van 31 januari 2003 op 1 september 2025 is vastgesteld en bij de wet van 18 december 2013 tot 1 oktober 2025 is uitgesteld, wordt aldus vastgesteld op 1 december 2025. B.5.4. Als tegenprestatie voor het uitstellen van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van de centrales Doel 1 en Doel 2 zijn de eigenaars van de betrokken centrales ertoe gehouden aan de Belgische Staat een jaarlijkse vergoeding te storten waarin is voorzien in artikel 4/2 van de wet van 31 januari 2003, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 28 juni 2015. De nadere regels van die vergoeding, met name de modaliteiten voor de berekening daarvan, moeten worden bepaald in een uiterlijk op 30 november 2015 gesloten overeenkomst met de Belgische Staat. Bij niet-ondertekening van die overeenkomst op 30 november 2015 zou de Koning de desactivering van Doel 1 en Doel 2 vastleggen op 31 maart 2016 (artikel 4, § 3). Die overeenkomst werd ondertekend op 30 november 2015, zodat de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van de centrales Doel 1 en Doel 2 de datum is die is vastgelegd in artikel 4, § 1, van de wet van 31 januari 2003, zoals vervangen bij de wet van 28 juni 2015. B.5.5. De tekst van de voormelde overeenkomst van 30 november 2015, die tussen de Belgische Staat, de nv « Electrabel » en de nv « Engie » is gesloten, is als bijlage gevoegd bij het verslag van de eerste lezing (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1511/004, pp. 95-167) over het wetsontwerp dat de wet van 12 juni 2016 « tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie, met het oog op de vaststelling van de jaarlijkse vergoeding verschuldigd voor de verlenging van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 » (hierna : de wet van 12 juni 2016) is geworden. 21 In die overeenkomst wordt met name, onder toezicht van het FANC, voorzien in de verwezenlijking van een investeringsplan « voor levensduurverlenging », opgevat als « de investeringen waarin is voorzien voor de verlenging van de exploitatieduur van Doel 1 en van Doel 2 tot respectievelijk 14 februari 2025 en 30 november 2025, met name de door het FANC goedgekeurde investeringen in het kader van het LTO-actieplan voor het vervangen van installaties omdat zij verouderd zijn en voor het verbeteren en moderniseren van andere installaties (‘ design upgrade ’), de wijzigingen die krachtens de vierde periodieke veiligheidsherziening en de naar aanleiding van het ongeval te Fukushima uitgevoerde weerstandstests moeten worden aangebracht, alsook de lasten die voortvloeien uit het stilleggen van die centrales, die noodzakelijk zijn om die investeringen uit te voeren » (artikel 2, b). Die investeringen worden geraamd op een bedrag van ongeveer 700 miljoen euro (artikel 3 van de overeenkomst) en zijn opgenomen in een indicatieve lijst met twintig punten die bij de overeenkomst is gevoegd. B.5.6. Het « Long-Term Operation »-actieplan (LTO-plan) voorziet, onder toezicht van het FANC, in een aantal wijzigingen van de bestaande inrichtingen, die geboden zijn ten gevolge van de verlenging van de activiteit van industriële elektriciteitsproductie. Een koninklijk besluit van 27 september 2015 vult bijgevolg de in het koninklijk besluit van 25 januari 1974 vastgestelde voorwaarden van de exploitatievergunning aan en omvat met name de verbintenis van Electrabel, de huidige exploitant, om de in het LTO-plan vermelde maatregelen uiterlijk eind 2019 ten uitvoer te leggen en uiterlijk op 30 april 2020 een syntheserapport over de uitvoering van het LTO-plan over te leggen, dat door het FANC moet worden goedgekeurd. Vóór de eerste cyclus van het LTO-plan dient de exploitant een verslag over zijn prioritaire acties en een syntheserapport over de vierde periodieke veiligheidsherziening over te leggen, die elk door het FANC moeten worden goedgekeurd. B.5.7. Ingevolge de bestreden wet, en onder toezicht van het FANC, werd de centrale Doel 1 op 30 december 2015 opnieuw opgestart. 22 B.6.1. Bij de wet van 12 juni 2016 worden in de tekst van artikel 4/2 van de wet van 31 januari 2003 een aantal nadere regels verduidelijkt van de jaarlijkse vergoeding die als tegenprestatie voor het uitstellen van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van de centrales Doel 1 en Doel 2 wordt gestort, waarbij aldus elementen van de voormelde overeenkomst van 30 november 2015 in de wettekst worden opgenomen. Die jaarlijkse vergoeding werd vastgelegd op « 20 miljoen EUR gedurende de volledige periode van de levensduurverlenging van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1511/001, p. 5), hetgeen dus een totaalbedrag van 200 miljoen euro over tien jaar, van 2016 tot 2025, vertegenwoordigt. Dat bedrag houdt rekening « met de vereiste verjongingsinvesteringen voor de levensduurverlenging van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 » (ibid.). Die jaarlijkse vergoeding wordt gestort in het « Energietransitiefonds » dat is bedoeld in artikel 4ter van de wet van 29 april 1999 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt », ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 28 juni 2015 « houdende diverse bepalingen inzake energie ». Dat Energietransitiefonds is bestemd om « onderzoek en ontwikkeling te stimuleren in innovatieve projecten op het gebied van energie (en in het bijzonder de productie en de opslag van energie) uit te bouwen » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1511/004, p. 17). De gebruiksvoorwaarden van dat Fonds werden vastgelegd bij het koninklijk besluit van 9 mei 2017 « tot vaststelling van de gebruiksvoorwaarden van het Energietransitiefonds ». B.6.2. De wet van 12 juni 2016, die dateert van na de bestreden wet, heeft geen weerslag op het onderzoek van het onderhavige beroep. Ten aanzien van het beroep tot vernietiging B.7.1. De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat de bestreden wet niet is voorafgegaan door een milieueffectrapportering en door een procedure die inspraak van het publiek mogelijk maakt. Zodoende zou de wetgever zijn voorbijgegaan aan de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met : 23 - artikel 2, leden 1 tot 3, 6 en 7, artikel 3, lid 8, artikel 5, artikel 6, lid 1, en punt 2 van aanhangsel I van het Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend te Espoo op 25 februari 1991 (hierna : het Verdrag van Espoo) (eerste middel); - de artikelen 2 en 6 en bijlage I, punt 1, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 (hierna : het Verdrag van Aarhus), en de artikelen 2 tot 8 en 11 en de bijlagen I, II en III van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten » (hierna : de richtlijn 2011/92/EU of MEB-richtlijn) (tweede middel); - artikel 6 van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 « inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna » (hierna : de richtlijn 92/43/EEG of Habitatrichtlijn) en de artikelen 3 en 4 van de richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 « inzake het behoud van de vogelstand » (hierna : de richtlijn 2009/147/EG of Vogelrichtlijn) (derde middel). B.7.2. In elk van de drie middelen zijn de verzoekende partijen van oordeel dat de bestreden wet, door de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van de centrales Doel 1 en Doel 2 met tien jaar uit te stellen, een maatregel bevat die onder het toepassingsgebied van de voormelde verdragen en richtlijnen valt; zij zijn van mening dat de bestreden wet bijgevolg, vóór het aannemen ervan, het voorwerp moest uitmaken van een milieueffectrapportering en van een procedure die inspraak van het publiek mogelijk maakt, die door de voormelde verdragen en richtlijnen worden opgelegd. B.8. Zoals het Hof bij zijn arrest nr. 82/2017 van 22 juni 2017 heeft geoordeeld, blijkt uit de uiteenzetting van de middelen dat alleen artikel 2 van de wet van 28 juni 2015 wordt bestreden, in zoverre de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van de centrales Doel 1 en Doel 2 daarin wordt uitgesteld, waarbij de andere bepalingen van de wet enkel worden bestreden in zoverre zij onlosmakelijk verbonden zouden zijn met dat artikel 2. 24 Het Hof beperkt zijn onderzoek dan ook tot het bestreden artikel 2, in de hiervoor aangegeven mate. B.9. Bij zijn arrest nr. 82/2017 van 22 juni 2017 heeft het Hof aan het Hof van Justitie de volgende negen prejudiciële vragen gesteld : « 1. Dienen artikel 2, leden 1 tot 3, 6 en 7, artikel 3, lid 8, artikel 5, artikel 6, lid 1, en punt 2 van aanhangsel I van het Verdrag van Espoo ‘ inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband ’ te worden geïnterpreteerd overeenkomstig de preciseringen aangebracht in de ‘ Background note on the application of the Convention to nuclear energy-related activities ’ (Achtergrondnota over de toepassing van het Verdrag op activiteiten in verband met kernenergie) en in de ‘ Good practice recommendations on the application of the Convention to nuclear energy-related activities ’ (Aanbevelingen voor goede praktijken met betrekking tot de toepassing van het Verdrag op kernenergiegerelateerde activiteiten) ? 2. Dient artikel 1, punt ix), van het Verdrag van Espoo, waarin de ‘ bevoegde autoriteit ’ wordt omschreven, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van het toepassingsgebied van dat Verdrag wetgevende akten uitsluit zoals de wet van 28 juni 2015 ‘ tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie ’, met name rekening houdend met de verschillende studies en hoorzittingen die in het kader van het aannemen van die wet hebben plaatsgevonden ? 3.
  1. a)Dienen de artikelen 2 tot 6 van het Verdrag van Espoo in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij van toepassing zijn vóór het aannemen van een wetgevende handeling zoals de wet van 28 juni 2015 ‘ tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie ’, waarvan artikel 2 de datum van de desactivering en van het einde van de industriële productie van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 uitstelt ?
  2. b)Is het antwoord op de in punt
  3. a)bedoelde vraag verschillend naargelang het betrekking heeft op de centrale Doel 1 of op de centrale Doel 2, rekening houdend met de noodzaak om voor de eerstgenoemde centrale bestuurshandelingen te nemen om de voormelde wet van 28 juni 2015 uit te voeren ?
  4. c)Kan de bevoorradingszekerheid van het land inzake elektriciteit een dwingende reden van algemeen belang uitmaken die het mogelijk maakt dat van de toepassing van de artikelen 2 tot 6 van het Verdrag van Espoo wordt afgeweken en/of dat die toepassing wordt geschorst ? 25 4. Dient artikel 2, lid 2, van het Verdrag van Aarhus ‘ betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden ’ in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van het toepassingsgebied van dat Verdrag wetgevende akten uitsluit zoals de wet van 28 juni 2015 ‘ tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie ’, al dan niet rekening houdend met de verschillende studies en hoorzittingen die in het kader van het aannemen van die wet hebben plaatsgevonden ? 5.
  5. a)Dienen de artikelen 2 en 6, in samenhang gelezen met bijlage I, punt 1, van het Verdrag van Aarhus, met name rekening houdend met de ‘ Maastricht Recommendations on Promoting Effective Public Participation in Decision-making in Environmental Matters ’ (Aanbevelingen van Maastricht voor het bevorderen van daadwerkelijke inspraak in besluitvorming in milieuaangelegenheden) ten aanzien van een besluitvormingsproces in verschillende fasen, in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij van toepassing zijn vóór het aannemen van een wetgevende handeling zoals de wet van 28 juni 2015 ‘ tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie ’, waarvan artikel 2 de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 uitstelt ?
  6. b)Is het antwoord op de in punt
  7. a)vermelde vraag verschillend naargelang het betrekking heeft op de centrale Doel 1 of op de centrale Doel 2, rekening houdend met de noodzaak om voor de eerstgenoemde centrale bestuurshandelingen te nemen om de voormelde wet van 28 juni 2015 uit te voeren ?
  8. c)Kan de bevoorradingszekerheid van het land inzake elektriciteit een dwingende reden van algemeen belang uitmaken die het mogelijk maakt dat van de toepassing van de artikelen 2 en 6 van het Verdrag van Aarhus wordt afgeweken en/of dat die toepassing wordt geschorst ? 6.
  9. a)Dient artikel 1, lid 2, in samenhang gelezen met punt 13, a), van bijlage II, van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, in voorkomend geval gelezen in het licht van de Verdragen van Espoo en van Aarhus, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van toepassing is op het uitstellen van de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van een kerncentrale, hetgeen, zoals te dezen, aanzienlijke investeringen en het op peil brengen van de veiligheid voor de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 inhoudt ?
  10. b)Dienen de artikelen 2 tot 8 en 11 en bijlagen I, II en III van de richtlijn 2011/92/EU, indien de in punt
  11. a)bedoelde vraag bevestigend wordt beantwoord, in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij van toepassing zijn vóór het aannemen van een wetgevende handeling zoals de wet van 28 juni 2015 ‘ tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie ’, waarvan artikel 2 de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 uitstelt ? 26
  12. c)Is het antwoord op de in de punten
  13. a)en
  14. b)bedoelde vragen verschillend naargelang het betrekking heeft op de centrale Doel 1 of op de centrale Doel 2, rekening houdend met de noodzaak om voor de eerstgenoemde centrale bestuurshandelingen te nemen om de voormelde wet van 28 juni 2015 uit te voeren ?
  15. d)Dient artikel 2, lid 4, van de richtlijn 2011/92/EU, indien de in punt
  16. a)bedoelde vraag bevestigend wordt beantwoord, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het de mogelijkheid biedt om het uitstellen van de desactivering van een kerncentrale vrij te stellen van de toepassing van de artikelen 2 tot 8 en 11 van de richtlijn 2011/92/EU om dwingende redenen van algemeen belang die verband houden met de bevoorradingszekerheid van het land inzake elektriciteit ? 7. Dient het begrip ‘ specifieke wet ’ in de zin van artikel 1, lid 4, van de richtlijn 2011/92/EU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van het toepassingsgebied van die richtlijn een wetgevende akte uitsluit zoals de wet van 28 juni 2015 ‘ tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie ’, met name rekening houdend met de verschillende studies en hoorzittingen die in het kader van het aannemen van die wet hebben plaatsgevonden en die de doelstellingen van de voormelde richtlijn zouden kunnen verwezenlijken ? 8.
  17. a)Dient artikel 6 van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 4 van de richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand, in voorkomend geval gelezen in het licht van de richtlijn 2011/92/EU en in het licht van de Verdragen van Espoo en van Aarhus, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van toepassing is op het uitstellen van de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van een kerncentrale, hetgeen, zoals te dezen, aanzienlijke investeringen en het op peil brengen van de veiligheid voor de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 inhoudt ?
  18. b)Dient artikel 6, lid 3, van de richtlijn 92/43/EEG, indien de in punt
  19. a)bedoelde vraag bevestigend wordt beantwoord, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van toepassing is vóór het aannemen van een wetgevende handeling zoals de wet van 28 juni 2015 ‘ tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie ’, waarvan artikel 2 de datum van de desactivering en van het einde van de industriële elektriciteitsproductie van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 uitstelt ?
  20. c)Is het antwoord op de in de punten
  21. a)en
  22. b)bedoelde vragen verschillend naargelang het betrekking heeft op de centrale Doel 1 of op de centrale Doel 2, rekening houdend met de noodzaak om voor de eerstgenoemde centrale bestuurshandelingen te nemen om de voormelde wet van 28 juni 2015 uit te voeren ? 27
  23. d)Dient artikel 6, lid 4, van de richtlijn 92/43/EEG, indien de in punt
  24. a)vermelde vraag bevestigend wordt beantwoord, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het de mogelijkheid biedt om redenen die verband houden met de bevoorradingszekerheid van het land inzake elektriciteit, als een dwingende reden van groot openbaar belang te beschouwen, met name rekening houdend met de verschillende studies en hoorzittingen die in het kader van het aannemen van de wet van 28 juni 2015 hebben plaatsgevonden en die de doelstellingen van de voormelde richtlijn zouden kunnen verwezenlijken ? 9. Zou de nationale rechter, indien hij op grond van de antwoorden verstrekt op de voorgaande prejudiciële vragen tot de conclusie zou komen dat de bestreden wet een van de uit de voormelde verdragen of richtlijnen voortvloeiende verplichtingen schendt, zonder dat de bevoorradingszekerheid van het land inzake elektriciteit een dwingende reden van algemeen belang kan uitmaken waardoor van die verplichtingen kan worden afgeweken, de gevolgen van de wet van 28 juni 2015 kunnen handhaven teneinde rechtsonzekerheid te voorkomen en het mogelijk te maken dat de verplichtingen tot milieueffectbeoordeling en tot inspraak van het publiek die uit de voormelde verdragen of richtlijnen zouden voortvloeien, worden nagekomen ? ». B.10. Bij zijn arrest van 29 juli 2019 (C-411/17) in de zaak Inter-Environnement Wallonie ASBL en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen vzw heeft het Hof van Justitie, in grote kamer, de voormelde prejudiciële vragen beantwoord. In de punten 59 tot 166 van het voormelde arrest van 29 juli 2019 beantwoordt het Hof van Justitie de eerste acht prejudiciële vragen met betrekking tot de draagwijdte van de in de middelen aangevoerde verdragen en richtlijnen, terwijl het Hof van Justitie, in de punten 167 tot 182 van hetzelfde arrest, de negende prejudiciële vraag met betrekking tot een eventuele handhaving van de gevolgen van de vernietigde wet beantwoordt. Ten gronde B.11. In het eerste en het tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het Verdrag van Espoo (eerste middel) en van het Verdrag van Aarhus (gedeelte van het tweede middel), in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet. Het Verdrag van Espoo legt verplichtingen op inzake milieueffectbeoordeling en raadpleging van het publiek vóór het vergunnen van bepaalde activiteiten die mogelijk een belangrijk nadelig grensoverschrijdend effect hebben, waaronder die met betrekking tot « kerncentrales en andere kernreactoren » (aanhangsel I, punt 2). 28 Krachtens artikel 6, lid 1, a), van het Verdrag van Aarhus zijn de vereisten bedoeld in die bepaling, die ertoe strekt inspraak van het publiek bij milieubesluiten mogelijk te maken, van toepassing op de « voorgestelde activiteiten » zoals opgesomd in bijlage I, waaronder die met betrekking tot kerncentrales. B.12.1. Het Hof van Justitie, dat door het Hof werd gevraagd naar de draagwijdte van die Verdragen, heeft geoordeeld dat de prejudiciële vragen met betrekking tot de interpretatie van de Verdragen van Espoo en van Aarhus geen antwoord behoefden : « C. Eerste, tweede en derde prejudiciële vraag, die betrekking hebben op het Verdrag van Espoo 160. Met zijn eerste, zijn tweede en zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Verdrag van Espoo aldus moet worden uitgelegd dat voor maatregelen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, de door dat verdrag voorgeschreven milieueffectbeoordeling moet worden verricht. 161. In punt 93 van dit arrest is evenwel opgemerkt dat maatregelen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, deel uitmaken van een project dat vermoedelijk aanzienlijke milieueffecten zal hebben in een andere lidstaat en waarvan de grensoverschrijdende effecten moeten worden onderworpen aan een beoordelingsprocedure als bedoeld in artikel 7 van de MEB‑richtlijn, waarbij - zoals is vermeld in overweging 15 van deze richtlijn - rekening wordt gehouden met de vereisten van het Verdrag van Espoo. 162. In deze context hoeft dan ook niet te worden geantwoord op de eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag, die [betrekking] hebben op het Verdrag van Espoo. D. Vierde en vijfde prejudiciële vraag, die betrekking hebben op het Verdrag van Aarhus 163. Met zijn vierde en zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6 van het Verdrag van Aarhus aldus moet worden uitgelegd dat de bij dit verdrag opgelegde vereisten inzake inspraak gelden voor maatregelen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn. 164. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Grondwettelijk Hof deze vragen stelt omdat het twijfelt of de MEB-richtlijn van toepassing is op die maatregelen, ook al wordt met deze richtlijn - zoals met name blijkt uit de overwegingen 18 tot en met 20 ervan - beoogd rekening te houden met de bepalingen van het Verdrag van Aarhus. 29 165. Uit de antwoorden op de zesde en de zevende prejudiciële vraag volgt evenwel dat maatregelen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, samen met de werkzaamheden die daarmee onlosmakelijk verbonden zijn, een project vormen waarvoor krachtens de MEB‑richtlijn een milieueffectbeoordeling moet worden verricht vóór de vaststelling van dat project. 166. Bijgevolg hoeven de vierde en de vijfde prejudiciële vraag niet te worden beantwoord » (HvJ, grote kamer, 29 juli 2019, C-411/17, Inter-Environnement Wallonie ASBL). B.12.2. Uit het voormelde arrest blijkt dat met de vereisten van de Verdragen van Espoo en van Aarhus rekening wordt gehouden in de richtlijn 2011/92/EU, zodat het eerste en het tweede middel, in zoverre de schending van die Verdragen erin wordt aangevoerd, niet moeten worden onderzocht. B.13. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen voorts de schending aan van de richtlijn 2011/92/EU, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet. B.14.1. Krachtens artikel 2, lid 1, van de richtlijn 2011/92/EU treffen de lidstaten de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en dat een beoordeling van hun milieueffecten plaatsvindt alvorens een vergunning wordt verleend. Bij artikel 1, lid 2, a), eerste streepje, wordt het « project » in de zin van de richtlijn 2011/92/EU gedefinieerd als « de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken ». De betrokken projecten worden omschreven in artikel 4 van de richtlijn. Die bepaling maakt een onderscheid tussen de in bijlage I genoemde projecten, die aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen (artikel 4, lid 1), en de in bijlage II genoemde projecten, waarvoor de lidstaten door middel van een onderzoek per geval of aan de hand van door de lidstaat vastgestelde drempelwaarden of criteria moeten bepalen of zij al dan niet aan een dergelijke beoordeling moeten worden onderworpen (artikel 4, lid 2); relevante selectiecriteria zijn vastgesteld in bijlage III van de richtlijn. B.14.2. Bijlage I bij de richtlijn 2011/92/EU, die de in voormeld artikel 4, lid 1, bedoelde projecten bepaalt, vermeldt in punt 2,
  25. b): 30 « Kerncentrales en andere kernreactoren, met inbegrip van de ontmanteling of buitengebruikstelling van dergelijke centrales of reactoren (met uitzondering van onderzoekinstallaties voor de productie en verwerking van splijt- en kweekstoffen, met een constant vermogen van ten hoogste 1 thermische kW) ». Voetnoot 1 van die bijlage bepaalt dat kerncentrales en andere kernreactoren ophouden zulke installaties te zijn wanneer alle splijtstoffen en ander radioactief besmette elementen permanent van de plaats van installatie zijn verwijderd. Bijlage II bij de richtlijn, die de in voormeld artikel 4, lid 2, bedoelde projecten bepaalt, vermeldt in punt 3,
  26. a): « Industriële installaties voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water (niet onder bijlage I vallende projecten) ». Punt 13, a), van bijlage II vermeldt eveneens : « Wijziging of uitbreiding van projecten opgesomd in bijlage I of in deze bijlage waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, die zijn of worden uitgevoerd en die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (niet in bijlage I opgenomen wijziging of uitbreiding) ». Bijlage III, die de in artikel 4, lid 3, bedoelde selectiecriteria bepaalt, vermeldt onder meer de kenmerken van de projecten, de plaats ervan en de kenmerken van het potentiële effect. B.14.3. De richtlijn 2011/92/EU voorziet in een milieueffectbeoordeling (artikelen 3 en 5), die inspraak van het publiek mogelijk maakt (artikel 6) en grensoverschrijdend overleg indien het project aanzienlijke milieueffecten in een andere lidstaat kan hebben (artikel 7). De resultaten van de raadplegingen en de in de artikelen 5 tot 7 van de richtlijn bedoelde informatie worden in de vergunningsprocedure in aanmerking genomen (artikel 8). 31 B.14.4. Artikel 2, lid 4, van de richtlijn 2011/92/EU bepaalt evenwel dat de lidstaten in uitzonderlijke gevallen voor een welbepaald project gehele of gedeeltelijke vrijstelling kunnen verlenen van de bepalingen van die richtlijn, onder de bij dat artikel vastgestelde voorwaarden. Er kan echter niet worden afgeweken van artikel 7, dat voorziet in een verplichting tot grensoverschrijdende aanmelding wanneer een project vermoedelijk aanzienlijke milieueffecten in een andere lidstaat zal hebben. Artikel 1, lid 4, van de richtlijn 2011/92/EU bepaalt daarenboven dat de richtlijn niet van toepassing is op projecten die in detail worden aangenomen via een nationale wet, voor zover de doelstellingen die met de richtlijn worden nagestreefd, waaronder het verstrekken van informatie, worden bereikt via de wetgevingsprocedure. B.15.1. Het Hof van Justitie, waaraan door het Hof prejudiciële vragen over de interpretatie van de richtlijn 2011/92/EU zijn gesteld, heeft geoordeeld : « 1. Zesde prejudiciële vraag, onder
  27. a)tot en met
  28. c)59. Met zijn zesde vraag, onder
  29. a)tot en met c), die in de eerste plaats dient te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 2, onder a), eerste streepje, en artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat maatregelen die bestaan in het heropstarten van de industriële elektriciteitsproductie van een buiten werking gestelde kerncentrale voor een periode van bijna tien jaar - waardoor het aanvankelijk door de nationale wetgever vastgestelde tijdstip voor de desactivering en het stopzetten van de activiteiten van die kerncentrale met tien jaar wordt uitgesteld - en in het uitstel, eveneens met tien jaar, van de aanvankelijk door die wetgever vastgestelde termijn voor de desactivering en het stopzetten van de industriële elektriciteitsproductie van een in gebruik zijnde kerncentrale, welke maatregelen gepaard gaan met werkzaamheden voor de modernisering van de centrales in kwestie, een project in de zin van die richtlijn vormen en of, in voorkomend geval, deze maatregelen en werkzaamheden aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen voordat die maatregelen door de nationale wetgever worden vastgesteld. Tevens vraagt de verwijzende rechter zich af in hoeverre het relevant is dat de tenuitvoerlegging van de voor hem bestreden maatregelen, wat één van de twee centrales in kwestie betreft, noopt tot de vaststelling van verdere handelingen, zoals de afgifte van een nieuwe individuele vergunning voor industriële elektriciteitsproductie. 60. Aangezien de MEB-richtlijn volgens overweging 1 ervan richtlijn 85/337 codificeert, geldt de uitlegging van het Hof met betrekking tot laatstgenoemde richtlijn eveneens voor de MEB-richtlijn wanneer de bepalingen van beide richtlijnen identiek zijn. 32
  30. a)Begrip ‘ project ’ in de zin van de MEB-richtlijn 61. In herinnering dient te worden gebracht dat de in artikel 1, lid 2, onder a), van de MEB-richtlijn vervatte definitie van het begrip ‘ project ’ in het eerste streepje verwijst naar de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken, en in het tweede streepje naar andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten. 62. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het begrip ‘ project ’, met name gelet op de bewoordingen van artikel 1, lid 2, onder a), eerste streepje, van de MEB-richtlijn, ziet op werken of ingrepen die de materiële toestand van de plaats veranderen (zie in die zin arrest van 19 april 2012, Pro-Braine e.a., C‑121/11, EU:C:2012:225, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 63. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregelen aldus kunnen worden aangemerkt, aangezien de tenuitvoerlegging ervan noopt tot - en dus noodzakelijkerwijs gepaard gaat met - aanzienlijke investeringen en werkzaamheden voor de modernisering van de twee centrales in kwestie. 64. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, komt namelijk naar voren dat de maatregelen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, gepaard gaan met grote werkzaamheden aan de centrales Doel 1 en Doel 2, die worden verricht om deze centrales te moderniseren en te waarborgen dat de geldende veiligheidsvoorschriften worden nageleefd, hetgeen blijkt uit het feit dat voor die werkzaamheden financiële middelen ten belope van 700 miljoen EUR worden uitgetrokken. 65. Volgens de verwijzingsbeslissing voorziet de overeenkomst van 30 november 2015 in de verwezenlijking van een investeringsplan ‘ voor levensduurverlenging ’, waarin wordt gesteld dat de werkzaamheden in kwestie noodzakelijk zijn voor de verlenging van de exploitatieduur van de twee centrales en dat zij zich met name uitstrekken tot de door het FANC in het kader van het LTO-plan goedgekeurde investeringen voor de vervanging van installaties wegens veroudering en voor de modernisering van andere installaties, alsmede tot de wijzigingen die moeten worden doorgevoerd naar aanleiding van de vierde periodieke veiligheidsherziening en de na het ongeval te Fukushima (Japan) uitgevoerde weerstandstesten. 66. Met name blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat die werkzaamheden onder meer betrekking hebben op de modernisering van de koepels van de centrales Doel 1 en Doel 2, op de vernieuwing van de bassins voor de opslag van gebruikte splijtstof, op de plaatsing van een nieuwe pompinstallatie en op de aanpassing van de onderbouw om die centrales beter te beschermen tegen overstromingen. Met deze werkzaamheden worden niet enkel verbeteringen aangebracht aan de bestaande structuren, maar worden tevens drie gebouwen opgericht. Twee daarvan zouden worden bestemd voor het onderbrengen van de ventilatiesystemen en het derde voor een brandbestrijdingsinstallatie. Dergelijke werkzaamheden kunnen gevolgen hebben voor de materiële toestand van de betrokken plaatsen, zoals bedoeld in de rechtspraak van het Hof. 33 67. Voorts is het weliswaar juist dat de bovengenoemde werkzaamheden worden vermeld in de overeenkomst van 30 november 2015 en niet in de wet van 28 juni 2015, maar niettemin hangen zij nauw samen met de door de Belgische wetgever vastgestelde maatregelen. 68. Door de omvang van de verlenging van de periode voor de industriële energieproductie waarin die maatregelen voorzien, konden zij namelijk niet worden goedgekeurd zonder dat de Belgische wetgever vooraf op de hoogte was van zowel de aard en de technische en financiële haalbaarheid van de moderniseringswerkzaamheden die met die maatregelen gepaard zouden gaan, als de investeringen die vereist zouden zijn voor de tenuitvoerlegging ervan. Deze moderniseringswerkzaamheden en investeringen worden overigens uitdrukkelijk vermeld in de memorie van toelichting bij de wet van 28 juni 2015 en in de voorbereidende werkzaamheden van deze wet. 69. Tevens zij opgemerkt dat deze feitelijke band tussen de voor de verwijzende rechter bestreden maatregelen en de in het vorige punt vermelde investeringen wordt bevestigd door het feit dat bij de wet van 28 juni 2015 in artikel 4 van de wet van 31 januari 2003 een § 3 is ingevoegd die bepaalt dat de Koning de datum van desactivering van de centrales Doel 1 en Doel 2 vervroegt tot 31 maart 2016 indien niet uiterlijk op 30 november 2015 een overeenkomst is gesloten tussen de eigenaar van die centrales en de Belgische Staat. 70. Daarnaast blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier eveneens dat de exploitant van de twee centrales zich juridisch ertoe heeft verbonden al die werkzaamheden vóór eind 2019 uit te voeren. 71. Gelet op deze verschillende elementen kunnen maatregelen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, met het oog op de beoordeling of er in casu sprake is van een project in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), eerste streepje, van de MEB-richtlijn, niet kunstmatig worden losgekoppeld van de werkzaamheden waarmee zij onlosmakelijk verbonden zijn. Geconstateerd moet dan ook worden dat dergelijke maatregelen en de onlosmakelijk daarmee verbonden moderniseringswerkzaamheden samen deel uitmaken van één en hetzelfde project in de zin van die bepaling, onder voorbehoud van de feitelijke beoordelingen die de verwijzende rechter dient te verrichten. 72. Aan deze analyse wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van die maatregelen, wat één van de twee centrales in kwestie betreft, noopt tot de vaststelling van verdere handelingen zoals de afgifte van een nieuwe individuele vergunning voor industriële elektriciteitsproductie.
  31. b)Noodzaak om een milieueffectbeoordeling te verrichten 73. Om te beginnen zij eraan herinnerd dat projecten in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), van de MEB-richtlijn krachtens artikel 2, lid 1, van deze richtlijn aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen voordat een vergunning wordt verleend, wanneer zij gezien onder meer hun aard, omvang of ligging een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben. 34 74. Voorts vereist artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn niet dat elk project dat een aanzienlijk milieueffect kan hebben, wordt onderworpen aan de beoordelingsprocedure waarin deze richtlijn voorziet, doch slechts dat aan deze procedure de projecten worden onderworpen die zijn vermeld in artikel 4 van deze richtlijn, waarin wordt verwezen naar de in de bijlagen I en II bij die richtlijn genoemde projecten (zie in die zin arrest van 17 maart 2011, Brussels Hoofdstedelijk Gewest e.a., C-275/09, EU:C:2011:154, punt 25). 75. Ten slotte volgt uit artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, van deze richtlijn, dat de onder bijlage I bij die richtlijn vallende projecten uit hun aard een aanzienlijk milieueffect dreigen te hebben en absoluut moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling (zie in die zin, met betrekking tot deze beoordelingsplicht, arresten van 24 november 2011, Commissie/Spanje, C‑404/09, EU:C:2011:768, punt 74, en 11 februari 2015, Marktgemeinde Straßwalchen e.a., C-531/13, EU:C:2015:79, punt 20). 1) Toepassing van de bijlagen I en II bij de MEB-richtlijn 76. In punt 2, onder b), van bijlage I bij de MEB-richtlijn wordt bij de projecten die op grond van artikel 4, lid 1, van deze richtlijn moeten worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van die richtlijn, melding gemaakt van kerncentrales en andere kernreactoren, met inbegrip van de ontmanteling of buitengebruikstelling ervan. 77. Bijgevolg moet worden beoordeeld of maatregelen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, samen met de werkzaamheden waarmee zij onlosmakelijk verbonden zijn, kunnen vallen onder punt 24 van bijlage I bij de MEB-richtlijn, waarin wordt verwezen naar ‘ [elke wijziging] of uitbreiding van in deze bijlage opgenomen projecten, wanneer die wijziging of uitbreiding voldoet aan de in deze bijlage genoemde drempelwaarden, voor zover deze bestaan ’, of onder punt 13, onder a), van bijlage II bij die richtlijn, waarin wordt verwezen naar ‘ [elke wijziging] of uitbreiding van projecten opgesomd in bijlage I of in deze bijlage waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, die zijn of worden uitgevoerd en die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (niet in bijlage I opgenomen wijziging of uitbreiding) ’. 78. Uit de opzet en de bewoordingen van punt 24 van bijlage I bij de MEB-richtlijn blijkt dat dit punt ziet op de wijzigingen of uitbreidingen van een project die, met name door hun aard of hun omvang, qua milieueffecten soortgelijke risico’s met zich meebrengen als het project zelf. 79. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregelen, die tot gevolg hebben dat de duur van de vergunning voor de industriële elektriciteitsproductie van de twee centrales in kwestie - die voordien bij de wet van 31 januari 2003 was beperkt tot veertig jaar - met een aanzienlijke periode van tien jaar wordt verlengd, moeten in samenhang met de aanzienlijke renovatiewerken die vereist zijn wegens de verouderde staat van deze centrales en met de verplichting om ze in overeenstemming te brengen met de veiligheidsvoorschriften, worden geacht risico’s op milieueffecten met zich mee te brengen die qua omvang vergelijkbaar zijn met de risico’s die zich voordeden bij de oorspronkelijke ingebruikname van die centrales. 35 80. Derhalve moet worden geoordeeld dat de bovengenoemde maatregelen en werkzaamheden onder punt 24 van bijlage I bij de MEB-richtlijn vallen. Een dergelijk project levert immers uit zijn aard een risico op een aanzienlijk milieueffect in de zin van artikel 2, lid 1, van deze richtlijn op en moet krachtens artikel 4, lid 1, van die richtlijn worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling. 81. Aangezien de centrales Doel 1 en Doel 2 zich dicht bij de grens van het Koninkrijk België met het Koninkrijk der Nederlanden bevinden, kan bovendien niet worden betwist dat een dergelijk project vermoedelijk ook in laatstgenoemde lidstaat aanzienlijke milieueffecten zal hebben, zodat artikel 7, lid 1, van de MEB-richtlijn van toepassing is. 2) Tijdstip waarop de milieueffectbeoordeling moet worden verricht 82. In artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn wordt gepreciseerd dat de door deze bepaling voorgeschreven milieueffectbeoordeling moet worden verricht ‘ alvorens een vergunning wordt verleend ’ voor projecten die aan een dergelijke beoordeling onderworpen zijn. 83. Zoals het Hof reeds heeft benadrukt, vindt de omstandigheid dat een dergelijke beoordeling vooraf dient te worden verricht, haar rechtvaardiging in de noodzaak dat de bevoegde instantie in het besluitvormingsproces zo vroeg mogelijk rekening houdt met de milieueffecten van alle technische plannings- en beslissingsprocessen, teneinde het ontstaan van vervuiling of hinder van meet af aan te vermijden in plaats van later de gevolgen ervan te bestrijden (arrest van 31 mei 2018, Commissie/Polen, C-526/16, niet gepubliceerd, EU:C:2018:356, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 84. Tevens dient te worden vermeld dat het begrip ‘ vergunning ’ in artikel 1, lid 2, onder c), van de MEB-richtlijn wordt gedefinieerd als het besluit van de bevoegde instantie of instanties waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren, wat in beginsel door de verwijzende rechter moet worden vastgesteld op basis van de toepasselijke nationale regeling. 85. Bovendien moet de milieueffectbeoordeling van een project, wanneer het nationale recht voorschrijft dat de vergunningprocedure in verschillende fasen verloopt, in beginsel worden verricht zodra het mogelijk is alle milieueffecten die het project kan hebben te bepalen en beoordelen (arresten van 7 januari 2004, Wells, C-201/02, EU:C:2004:12, punt 52, en 28 februari 2008, Abraham e.a., C‑2/07, EU:C:2008:133, punt 26). 86. Wanneer een van die fasen bestaat in de vaststelling van een basisbesluit en de andere in de vaststelling van een uitvoeringsbesluit - waarbij in laatstgenoemd besluit de in het basisbesluit vastgelegde parameters niet mogen worden overschreden - moet het potentiële milieueffect van het project, dan ook bepaald en beoordeeld worden in de procedure betreffende het basisbesluit. Alleen indien dit effect pas in de procedure betreffende het uitvoeringsbesluit kan worden bepaald, moet de beoordeling in laatstgenoemde procedure worden verricht (arresten van 7 januari 2004, Wells, C‑201/02, EU:C:2004:12, punt 52, en 28 februari 2008, Abraham e.a., C‑2/07, EU:C:2008:133, punt 26). 36 87. In casu staat het weliswaar aan de verwijzende rechter om op basis van de toepasselijke nationale regeling te bepalen of de wet van 28 juni 2015 kan worden aangemerkt als een vergunning in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van de MEB-richtlijn, maar dient nu reeds te worden geconstateerd dat deze wet op precieze en onvoorwaardelijke wijze voorziet in ten eerste het heropstarten van de industriële elektriciteitsproductie van een buiten werking gestelde kerncentrale voor een periode van bijna tien jaar, waardoor het aanvankelijk door de nationale wetgever vastgestelde tijdstip voor de desactivering en het stopzetten van de activiteiten van die kerncentrale met tien jaar wordt uitgesteld, en ten tweede het uitstel, eveneens met tien jaar, van de aanvankelijk door die wetgever vastgestelde termijn voor het stopzetten van de industriële elektriciteitsproductie van een in gebruik zijnde centrale. 88. Hieruit volgt dat de tenuitvoerlegging van deze maatregelen weliswaar noopt tot de vaststelling van verdere handelingen in het kader van een complex en gereglementeerd proces - die met name tot doel hebben de voorschriften inzake beveiliging en veiligheid die van toepassing zijn op de industriële elektriciteitsproductie van nucleaire oorsprong te waarborgen - en dat die maatregelen weliswaar met name onderworpen zijn aan een voorafgaande goedkeuring van het FANC, zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij de wet van 28 juni 2015, maar dat zij vanaf hun vaststelling door de nationale wetgever de essentiële kenmerken van het project definiëren en a priori niet meer worden geacht besproken of ter discussie gesteld te worden. 89. Dat de tenuitvoerlegging van dit project voor één van de twee centrales in kwestie vereist dat een nieuwe individuele vergunning voor industriële elektriciteitsproductie wordt afgegeven, kan niet rechtvaardigen dat pas een milieueffectbeoordeling wordt verricht na de vaststelling van de wet van 28 juni 2015. Overigens zij opgemerkt dat het Belgische parlement volgens de in de verwijzingsbeslissing verstrekte gegevens reeds vóór de vaststelling van die wet in kennis was gesteld van de extra hoeveelheid radioactief afval die mogelijkerwijs zou ontstaan door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregelen, te weten 350 m3. 90. Zoals in de punten 63 tot en met 71 van dit arrest is geconstateerd, vormen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregelen samen met de moderniseringswerkzaamheden die daarmee onlosmakelijk verbonden zijn, bovendien een project in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), eerste streepje, van de MEB-richtlijn. 91. In deze context lijkt de wet van 28 juni 2015 op het eerste gezicht te kunnen worden aangemerkt als een vergunning in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van de MEB-richtlijn, of - gezien de essentiële kenmerken ervan - op zijn minst de eerste fase van de vergunningsprocedure voor het project in kwestie te vormen. 92. Wat betreft de vraag of de milieueffectbeoordeling ook betrekking behoort te hebben op de werkzaamheden die onlosmakelijk verbonden zijn met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregelen, geldt dat zulks het geval is indien zowel die werkzaamheden als de mogelijke milieueffecten ervan in die fase van de vergunningsprocedure voldoende kunnen worden bepaald, wat de verwijzende rechter dient na te gaan. In zoverre blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het Belgische parlement, zoals in punt 68 van dit arrest is beklemtoond, vóór de vaststelling van de wet van 28 juni 2015 eveneens op de hoogte was van zowel de aard als het bedrag van de werkzaamheden die vereist waren voor de in deze wet vervatte maatregelen. 37 93. Daarbij komt dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde project vermoedelijk aanzienlijke milieueffecten zal hebben in een andere lidstaat, zodat moet worden geconstateerd dat het tevens dient te worden onderworpen aan een grensoverschrijdende beoordelingsprocedure als bedoeld in artikel 7 van de MEB-richtlijn. 94. Gelet op een en ander dient op de zesde prejudiciële vraag, onder
  32. a)tot en met c), te worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, onder a), eerste streepje, artikel 2, lid 1, en artikel 4, lid 1, van de MEB-richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat maatregelen die bestaan in het heropstarten van de industriële elektriciteitsproductie van een buiten werking gestelde kerncentrale voor een periode van bijna tien jaar - waardoor het aanvankelijk door de nationale wetgever vastgestelde tijdstip voor de desactivering en het stopzetten van de activiteiten van die kerncentrale met tien jaar wordt uitgesteld - en in het uitstel, eveneens met tien jaar, van de aanvankelijk door die wetgever vastgestelde termijn voor de desactivering en het stopzetten van de industriële elektriciteitsproductie van een in gebruik zijnde kerncentrale, welke maatregelen gepaard gaan met werkzaamheden voor de modernisering van de centrales in kwestie die gevolgen kunnen hebben voor de materiële toestand van de betrokken plaatsen, een ‘ project ’ in de zin van die richtlijn vormen dat in beginsel, en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen voordat de betreffende maatregelen worden vastgesteld. Dat de tenuitvoerlegging van deze maatregelen, wat één van de twee centrales in kwestie betreft, noopt tot de vaststelling van verdere handelingen, zoals de afgifte van een nieuwe individuele vergunning voor industriële elektriciteitsproductie, is in dit verband niet beslissend. Ook de werkzaamheden die onlosmakelijk met die maatregelen verbonden zijn, moeten vóór de vaststelling van die maatregelen aan een dergelijke beoordeling worden onderworpen indien de aard en de potentiële milieueffecten ervan in die fase voldoende kunnen worden bepaald, wat de verwijzende rechter dient na te gaan. 2. Zesde prejudiciële vraag, onder
  33. d)95. Met zijn zesde vraag, onder d), wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 4, van de MEB-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een project zoals aan de orde is in het hoofdgeding, van een milieueffectbeoordeling kan worden vrijgesteld om redenen die verband houden met de bevoorradingszekerheid van de betrokken lidstaat inzake elektriciteit. 96. Krachtens artikel 2, lid 4, eerste alinea, van de MEB-richtlijn kunnen de lidstaten in uitzonderlijke gevallen voor een welbepaald project gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van de bepalingen van die richtlijn, evenwel onverminderd artikel 7 ervan met betrekking tot de verplichtingen die rusten op een lidstaat op het grondgebied waarvan men een project wil uitvoeren dat vermoedelijk aanzienlijke milieueffecten zal hebben in een andere lidstaat. 97. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat de noodzaak om de bevoorradingszekerheid van een lidstaat inzake elektriciteit te waarborgen een uitzonderlijk geval in de zin van artikel 2, lid 4, eerste alinea, van de MEB-richtlijn vormt dat kan rechtvaardigen dat voor een project vrijstelling wordt verleend van een milieueffectbeoordeling, dient in herinnering te worden gebracht dat bij artikel 2, lid 4, tweede alinea, onder
  34. a)tot en met c), van die richtlijn bijzondere verplichtingen worden opgelegd aan de lidstaten die voornemens zijn zich op die vrijstelling te beroepen. 38 98. In een dergelijk geval dienen de betrokken lidstaten namelijk na te gaan of er geen andere vorm van beoordeling geschikt is, de door andere vormen van beoordeling verzamelde gegevens ter beschikking te stellen van het betrokken publiek, en de Commissie, voordat de vergunning wordt verleend, op de hoogte te stellen van de redenen waarom de vrijstelling is verleend en haar alle informatie te verschaffen die zij, waar dat van toepassing is, ter beschikking van hun eigen onderdanen stellen. 99. Zoals de advocaat-generaal in punt 150 van haar conclusie heeft opgemerkt, zijn deze verplichtingen geen loutere formaliteiten, maar voorwaarden die ervoor moeten zorgen dat de met de MEB-richtlijn nagestreefde doelstellingen zo veel mogelijk worden geëerbiedigd. 100. In casu staat het weliswaar aan de verwijzende rechter om na te gaan of het Koninkrijk België die verplichtingen is nagekomen, maar kan nu reeds worden geconstateerd dat de Commissie er in haar schriftelijke opmerkingen op heeft gewezen dat zij door deze lidstaat niet in kennis is gesteld van de toepassing van die vrijstelling. 101. Voorts kan op grond van artikel 2, lid 4, van de MEB-richtlijn voor een project slechts vrijstelling van de milieueffectbeoordeling worden verleend indien de betrokken lidstaat in staat is om aan te tonen dat het redelijk waarschijnlijk is dat het door hem aangevoerde risico voor de bevoorradingszekerheid inzake elektriciteit zich verwezenlijkt, en dat het project in kwestie een spoedeisend karakter heeft waardoor het achterwege blijven van een milieueffectbeoordeling kan worden gerechtvaardigd. Zoals in punt 96 van dit arrest is opgemerkt, is deze uitzondering bovendien van toepassing onverminderd artikel 7 van die richtlijn, dat betrekking heeft op de beoordeling van projecten met grensoverschrijdende effecten. 102. Gelet op een en ander dient op de zesde prejudiciële vraag, onder d), te worden geantwoord dat artikel 2, lid 4, van de MEB-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat op grond van deze bepaling voor een project zoals aan de orde is in het hoofdgeding, teneinde zijn bevoorradingszekerheid inzake elektriciteit te waarborgen, enkel vrijstelling van een milieueffectbeoordeling mag verlenen indien hij aantoont dat het redelijk waarschijnlijk is dat het risico voor die bevoorradingszekerheid zich verwezenlijkt, en dat het project in kwestie een spoedeisend karakter heeft waardoor het achterwege blijven van een milieueffectbeoordeling kan worden gerechtvaardigd, mits de in artikel 2, lid 4, tweede alinea, onder
  35. a)tot en met c), van de MEB-richtlijn neergelegde verplichtingen worden nagekomen. Deze mogelijkheid om vrijstelling te verlenen laat echter de verplichtingen onverlet die op de betrokken lidstaat rusten krachtens artikel 7 van die richtlijn. 3. Zevende prejudiciële vraag 103. Met zijn zevende vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 4, van de MEB-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, een specifieke nationale wet in de zin van die bepaling is die op grond van diezelfde bepaling is uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijn. 39 104. In dit verband zij eraan herinnerd dat een project op grond van artikel 1, lid 4, van de MEB-richtlijn, waarin de inhoud van artikel 1, lid 5, van richtlijn 85/337 is overgenomen, enkel van de werkingssfeer van de MEB-richtlijn is uitgesloten indien aan twee voorwaarden is voldaan. 105. De eerste voorwaarde houdt in dat het project wordt vastgesteld via een specifieke wetgevingshandeling die dezelfde kenmerken als een vergunning heeft. Met name moet deze handeling de opdrachtgever het recht geven om het project uit te voeren (zie in die zin arrest van 16 februari 2012, Solvay e.a., C‑182/10, EU:C:2012:82, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 106. Tevens moet het project tot in detail - dat wil zeggen voldoende nauwkeurig en definitief - worden vastgesteld, zodat de wetgevingshandeling tot vaststelling ervan, net als een vergunning, alle door de wetgever in aanmerking genomen onderdelen moet omvatten die relevant zijn voor de beoordeling van de milieueffecten. Uit de wetgevingshandeling moet blijken dat de doelstellingen van de MEB‑richtlijn in het geval van het betreffende project zijn bereikt (zie in die zin arrest van 16 februari 2012, Solvay e.a., C-182/10, EU:C:2012:82, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 107. Uit het voorgaande volgt dat een wetgevingshandeling niet kan worden geacht een project in detail te hebben vastgesteld in de zin van artikel 1, lid 4, van de MEB-richtlijn, wanneer zij niet ziet op alle onderdelen van het project die voor de beoordeling van de milieueffecten nodig zijn, of wanneer zij noopt tot de vaststelling van andere handelingen om de opdrachtgever het recht te geven het project uit te voeren (zie in die zin arrest van 16 februari 2012, Solvay e.a., C-182/10, EU:C:2012:82, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 108. De tweede in artikel 1, lid 4, van de MEB-richtlijn gestelde voorwaarde houdt in dat de doelstellingen van deze richtlijn, waaronder het ter beschikking stellen van gegevens, worden bereikt via de wetgevingsprocedure. Uit artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn blijkt namelijk dat de belangrijkste doelstelling van deze richtlijn erin bestaat te verzekeren dat projecten die - met name gezien hun aard, omvang of ligging - aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, aan een beoordeling van die effecten worden onderworpen voordat een vergunning wordt verleend (zie in die zin arrest van 16 februari 2012, Solvay e.a., C-182/10, EU:C:2012:82, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 109. Bijgevolg dient de wetgever, wanneer het project wordt vastgesteld, over voldoende informatie te beschikken. In dit verband blijkt uit artikel 5, lid 3, van de MEB-richtlijn dat de door de opdrachtgever te verstrekken informatie ten minste het volgende moet bevatten : een beschrijving van het project met informatie over vestigingsplaats, ontwerp en omvang van het project; een beschrijving van de beoogde maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten te vermijden, te beperken en zo mogelijk te verhelpen; de nodige gegevens om de voornaamste milieueffecten die het project vermoedelijk zal hebben te kunnen bepalen en beoordelen; een schets van de voornaamste alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht, met opgave van de voornaamste motieven voor zijn keuze, met inachtneming van de milieueffecten, en een niet-technische samenvatting van al deze gegevens (zie in die zin arresten van 18 oktober 2011, Boxus e.a., C-128/09-C-131/09, C-134/09 en C-135/09, EU:C:2011:667, punt 43, en 16 februari 2012, Solvay e.a., C‑182/10, EU:C:2012:82, punt 37). 40 110. In casu staat het aan de verwijzende rechter om uit te maken of deze voorwaarden zijn vervuld, waarbij rekening moet worden gehouden met zowel de inhoud van de wetgevingshandeling als de volledige wetgevingsprocedure die tot de vaststelling ervan heeft geleid, in het bijzonder de voorbereidende handelingen en de parlementaire debatten (zie in die zin arresten van 18 oktober 2011, Boxus e.a., C-128/09-C-131/09, C-134/09 en C‑135/09, EU:C:2011:667, punt 47, en 16 februari 2012, Solvay e.a., C-182/10, EU:C:2012:82, punt 41). 111. Gelet op de gegevens die het Hof ter kennis zijn gebracht, lijkt dit echter niet het geval te zijn geweest. 112. De verwijzende rechter vermeldt weliswaar dat er studies en hoorzittingen zijn voorafgegaan aan de vaststelling van de wet van 28 juni 2015, maar uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt niet dat de nationale wetgever op de hoogte was van de in punt 109 van het onderhavige arrest bedoelde informatie, zowel wat betreft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregelen als wat betreft de onlosmakelijk daarmee verbonden werkzaamheden, ten aanzien waarvan bij de beantwoording van de zesde prejudiciële vraag, onder
  36. a)tot en met c), is geoordeeld dat zij samen één en hetzelfde project zijn. 113. Daarbij komt dat het, zoals met name volgt uit punt 91 van dit arrest, denkbaar is dat een wet zoals de wet van 28 juni 2015, wat betreft de werkzaamheden die gepaard gaan met het in het hoofdgeding aan de orde zijnde project, slechts een eerste fase is in de vergunningsprocedure voor dat project, zodat met die wet ook niet is

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.