← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.035

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.035 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200305.2 Arrest- Rolnummer: 35/2020 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-09-01 Raadplegingen: 313 - laatst gezien 2026-06-28 21:31 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Biologische afstamming - Vaststelling vaderschap - Vermoeden PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 317 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Burgerlijk recht - Afstamming - Vaststelling van de afstamming aan vaderszijde - Vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder. Tekst van de beslissing Rolnummer 7103 Arrest nr. 35/2020 van 5 maart 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 317 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 11 januari 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 januari 2019, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 317 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het noch in de toestemming van de moeder en van het kind ouder dan twaalf jaar, noch in enige toetsing van het belang van het kind - zelfs indien de tenuitvoerlegging ervan niet tijdig wordt gevorderd - voorziet wanneer het vaderschap wordt vastgesteld door het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder, terwijl de wet bij de andere wijzen van vaststelling in die toetsing voorziet ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 18 december 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman, ter vervanging van ererechter J.-P. Snappe, en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 15 januari 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 15 januari 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Luik heeft W. A.C. een vordering ingesteld tot vaststelling van zijn vaderschap ten aanzien van een kind dat op 15 maart 2006 in België werd geboren. De vordering steunde oorspronkelijk op artikel 317 van het Burgerlijk Wetboek of, bij gebreke daarvan, op de artikelen 319 of 322 van hetzelfde Wetboek. In haar tussenvonnis van 20 april 2018 oordeelde de Rechtbank dat de vordering diende te worden onderzocht op basis van het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder, dat is neergelegd in artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek. De eiser wenst immers dat de geboorteakte van dat kind wordt verbeterd door het vermelden van zijn vaderschap, gebaseerd op dat vermoeden, en door het toekennen van zijn familienaam, en verzoekt ook om het voordeel van het gezamenlijk ouderlijk gezag en van een recht op huisvesting van het kind. De moeder van het kind betwist de vordering, waarbij zij aangeeft dat de eiser nooit heeft bijgedragen aan de kosten van opvoeding en onderhoud van het kind en dat hij die vordering instelt om een verblijfsvergunning te kunnen genieten en om in België te blijven. Zij vreest dat, indien zijn vaderschap wordt vastgesteld, de eiser het kind zal ontvoeren en meenemen naar Libanon, zoals hij dat gedaan heeft met hun oudste zoon, van wie zij werd gescheiden. 3 III. In rechte -A- A.1.

  1. De Ministerraad heeft in de eerste plaats vragen bij de pertinentie van de getoetste regel voor de oplossing van het geschil. In eerste instantie zijn er geen aanwijzingen dat de eiser Belg zou zijn, waardoor volgens de Ministerraad geen enkele Belgische rechtsinstantie zich zou kunnen uitspreken (artikel 62, § 1, eerste lid, van het Wetboek van internationaal privaatrecht). De Ministerraad doet vervolgens gelden dat hij niet over aanwijzingen beschikt dat de partijen voor de verwijzende rechter gehuwd waren op het ogenblik van de geboorte van het kind, en dus dat het vaderschap bij vermoeden kan worden vastgesteld (artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek). Hij ziet overigens niet in hoe er sprake zou kunnen zijn van een tweede huwelijk van de moeder (artikel 317 van het Burgerlijk Wetboek). A.1.
  2. In strikt ondergeschikte orde formuleert de Ministerraad de volgende overwegingen. De prejudiciële vraag lijkt eerder betrekking te kunnen hebben op artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek. Het systeem van het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder impliceert niet dat er geen toestemming is vanwege de moeder. Reeds door het huwelijk stemt de echtgenote ermee in dat haar echtgenoot geacht wordt de vader te zijn van de kinderen die binnen het huwelijk worden geboren. Vervolgens komt het niet de verwijzende rechter toe het vaderschap van de eiser vast te stellen. Immers, zo voert de Ministerraad aan, dat vaderschap staat reeds vast bij de wet, en dat vanaf de geboorte van het kind. De vraag of een kind ouder dan twaalf jaar moet instemmen met zulk een vaststelling, kan dus niet meer aan de orde zijn. Indien er, zoals de verwijzende rechter opmerkt, « geen enkele afstamming van vaderszijde in de geboorteakte is vermeld », moet de geboorteakte veeleer worden verbeterd. Wat ten slotte de beoordeling van het belang van het kind betreft, is niet bepaald dat een overheid, van welke aard ook, vooraf oordeelt of de vaststelling van de vaderlijke afstammingsband in het belang van het kind is. Er is echter evenmin bepaald dat een overheid vooraf beoordeelt of de vaststelling van de afstamming van moederszijde in het belang van het kind is. Overigens, op het ogenblik dat het vaderschap bij vermoeden wordt vastgesteld, namelijk op het ogenblik zelf van de geboorte (of zelfs reeds ervoor), ziet men moeilijk in welke overwegingen die verband houden met het belang van het kind een weigering van de vaststelling van de afstamming van vaderszijde zouden kunnen rechtvaardigen. Ter vergelijking, de situatie is uit dat oogpunt heel verschillend van die van een erkenning van vaderschap waarvan vermoed wordt dat het een schijnerkenning is omdat zij enkel zou zijn gedaan om de erkenner een verblijfsrechtelijk voordeel toe te kennen. Dat geval kan zich per definitie niet voordoen bij een vermoeden van vaderschap. In uiterst ondergeschikte orde brengt de Ministerraad evenwel in herinnering dat de toetsing aan het belang van het kind is vastgelegd bij artikel 22bis van de Grondwet, zonder dat het noodzakelijk is, opdat die bepaling een praktische draagwijdte zou hebben, dat zij in zekere zin wordt « omgezet » door enige wetsbepaling die betrekking heeft op het kind. Indien het Hof met andere woorden zou oordelen dat, in een zaak zoals die welke aan de verwijzende rechter is voorgelegd, het wel degelijk aan een overheid toekomt het belang van het kind te beoordelen, dan zou het niet nuttig zijn dat de getoetste regel uitdrukkelijk in de voorwaarden van die toetsing voorziet, omdat zulk een toetsing noodzakelijkerwijs onder het met opzet zeer ruim opgevatte toepassingsgebied van artikel 22bis van de Grondwet zou vallen. 4 -B- B.
  3. Artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Het kind dat geboren is tijdens het huwelijk of binnen 300 dagen na de ontbinding of de nietigverklaring van het huwelijk, heeft de echtgenoot tot vader ». Artikel 317 van hetzelfde Wetboek bepaalt : « Het kind dat geboren is binnen 300 dagen na de ontbinding of de nietigverklaring van het huwelijk van zijn moeder en na een nieuw huwelijk van deze, heeft de nieuwe echtgenoot tot vader. Wordt dit vaderschap betwist, dan wordt de vorige echtgenoot geacht de vader te zijn, behalve wanneer ook zijn vaderschap wordt betwist of wanneer het vaderschap van een derde komt vast te staan ». B.
  4. Uit de feiten van de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak en uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de eiser en de verweerster op 4 januari 1997 te Dubai een huwelijk zijn aangegaan, waaruit op 23 november 1997 een kind wordt geboren. De echtgenoten zijn op 1 augustus 2005 te Beiroet in Libanon uit de echt gescheiden. Er wordt een tweede kind geboren te Luik op 15 maart 2006, zijnde minder dan 300 dagen na de ontbinding van dat huwelijk. Voor dat kind, wiens vaderschap door de eiser voor de verwijzende rechter wordt opgeëist, werd een geboorteakte opgemaakt, zonder vermelding van zijn afstamming van vaderszijde. De eiser en de verweerster zijn op 29 juli 2013 te Dubai opnieuw in het huwelijk getreden, waarna dat huwelijk werd vermeld in het rijksregister van de echtgenote, die, zoals haar kind, de Belgische nationaliteit heeft verkregen. Op 2 april 2015 werd een tweede echtscheiding uitgesproken door de Rechtbank van eerste aanleg Luik. De eiser en de verweerster voor de verwijzende rechter verblijven beiden in België. 5 B.
  5. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 317 van het Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het niet bepaalt dat de rechter het belang van het kind in overweging moet nemen, zelfs niet indien de tenuitvoerlegging van zijn vaderschap niet tijdig door de vader is gevorderd, wanneer het vaderschap wordt vastgesteld door het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder, terwijl, bij de andere wijzen van vaststelling van het vaderschap, de wet wel in die toetsing voorziet. Ofschoon in de prejudiciële vraag wordt verwezen naar artikel 317 van het Burgerlijk Wetboek, blijkt uit die vraag en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing dat in werkelijkheid, zoals de Ministerraad erop wijst, artikel 315 van hetzelfde Wetboek wordt bedoeld. B.4.
  6. Het staat in beginsel aan de verwijzende rechter na te gaan of het nuttig is aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen over een bepaling die hij van toepassing acht op het geschil. Slechts wanneer dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof verklaren dat de vraag geen antwoord behoeft. B.4.
  7. Artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek regelt de omstandigheden waarin een vermoeden van vaderschap wordt vastgesteld ten gunste van het kind van de echtgenoot van de moeder. Aangezien die wijze van vaststelling van het vaderschap op een wettelijk vermoeden steunt, is in geen geval het optreden van een rechter vereist om het vast te stellen : de afstamming van vaderszijde van het kind volgt in dat geval immers uit de vermelding, in de geboorteakte van het kind, zoals voorgeschreven bij artikel 57, 2°, van het Burgerlijk Wetboek zoals het van toepassing was in de zaak voor de verwijzende rechter, van het jaar, de dag, de plaats van de geboorte, de naam, de voornamen en de woonplaats van de vader. Wanneer iemand een akte van de burgerlijke stand wil laten verbeteren, kan die persoon, luidens artikel 35, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, daartoe een verzoekschrift indienen bij de familierechtbank. 6 B.4.
  8. In het verwijzingsvonnis wordt aangegeven dat de Rechtbank heeft « beslist dat de vordering vanuit de invalshoek van artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek moest worden onderzocht » en wordt opgemerkt dat « geen afstamming van vaderszijde in de geboorteakte is vermeld ». Zij leidt daaruit af dat de vordering « bijgevolg ertoe strekt de geboorteakte van het kind te laten verbeteren door de naam van zijn vader erin te vermelden ». Daaruit vloeit voort dat de Rechtbank wordt verzocht vast te stellen dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek te dezen zijn vervuld en dat de afstamming van het kind bijgevolg vaststaat door het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder, en wordt verzocht dientengevolge de verbetering van de geboorteakte van het kind op grond van artikel 35, § 1, van het Burgerlijk Wetboek te bevelen. Aangezien artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek van rechtswege geldt door de werking van de wet, wordt het vaderschap van de echtgenoot van de moeder vastgesteld bij de geboorte van het kind zonder dat hij zijn vaderschap moet aantonen via gerechtelijke weg of via enige andere weg, noch, bijgevolg, dat het kind dat vermoeden niet kan genieten, « zelfs indien de tenuitvoerlegging ervan niet tijdig wordt gevorderd ». Daaruit vloeit voort dat de prejudiciële vraag, waarin wordt gesuggereerd dat een toetsing van het belang van het kind zou kunnen plaatsvinden op het ogenblik van de « tenuitvoerlegging » van het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder, terwijl dat vermoeden niet ten uitvoer dient te worden gelegd, op een verkeerd uitgangspunt berust. B.4.
  9. Voor het overige moet de rechtbank rekening houden met het hoger belang van het kind wanneer zij zich uitspreekt over de vordering die ertoe strekt een recht op huisvesting van het kind ten gunste van de eiser toe te kennen, of over een eventuele vordering tot betwisting van het vaderschap, op basis van artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, ingesteld door het kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt. B.
  10. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 5 maart
  11. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.035 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.