← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.037

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.037 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200305.8 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200305.4 Arrest- Rolnummer: 37/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-03-11 Raadplegingen: 254 - laatst gezien 2026-06-28 21:31 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 juli 2000 « houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken » schendt de artikelen 11 en 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENSCHAPPEN - GEWESTEN - Samenwerking - Tussen Staat-deelstaten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 juli 2000 « houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken », gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Bevoegdheid van de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten - Samenwerkingsakkoord tussen de gewesten en de federale overheid - Strafbaarstelling van rechtspersonen - Vereiste van het voorafgaand eensluidend advies van de Ministerraad. Tekst van de beslissing Rolnummer 7210 Arrest nr. 37/2020 van 5 maart 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 juli 2000 « houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken », gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 6 juni 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 14 juni 2019, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 2 van het Decreet van 17 juli 2000 van de Vlaamse Gemeenschap [lees : van het Vlaamse Gewest] houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, de artikelen 11 en 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, doordat dit decreet het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 goedkeurt terwijl het in een strafbaarstelling van rechtspersonen voorziet zonder dat voorafgaandelijk het advies van de Ministerraad werd ingewonnen ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « X », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Persyn, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet en Mr. B. Van den Berghe, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel. De nv « X » heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 15 januari 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Y. Kherbache en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 29 januari 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 29 januari 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De nv « X » wordt vervolgd voor verscheidene inbreuken op het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest « betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken ». Die inbreuken worden strafbaar gesteld bij artikel 31 van dat samenwerkingsakkoord. 3 Bij vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 28 februari 2018 wordt de nv « X » veroordeeld voor die inbreuken, begaan in de periode van 22 maart 2013 tot 10 juni 2016, en wordt de uitspraak van de veroordeling opgeschort voor de duur van drie jaar. De nv « X » stelt hoger beroep in tegen dat vonnis, wat de procedure, de schuld en de strafmaat betreft. Het openbaar ministerie stelt volgberoep in wat de strafmaat betreft. Het Hof van Beroep te Gent stelt vast dat artikel 31 van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 voorziet in een strafbaarstelling van een rechtspersoon. De afdeling wetgeving van de Raad van State bracht reeds op 8 april 1999 advies uit over het voorontwerp van decreet tot instemming met dat samenwerkingsakkoord. Dat voorontwerp van decreet dateert aldus van vóór de invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen in boek I van het Strafwetboek bij de wet van 4 mei 1999 « tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen ». Krachtens artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen is een eensluidend advies van de Ministerraad vereist voor iedere beraadslaging in de gemeenschaps- of gewestregering over een voorontwerp van decreet waarin een strafbaarstelling is opgenomen waarin boek I van het Strafwetboek niet voorziet. Uit geen enkel element van het dossier zou blijken dat de Ministerraad een dergelijk advies heeft uitgebracht over het voorontwerp van decreet tot instemming met het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999, hetgeen mogelijkerwijs een schending uitmaakt van artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus

  1. Het Hof van Beroep is in die omstandigheden van oordeel de bovenvermelde prejudiciële vraag aan het Hof te moeten stellen. III. In rechte -A- A.1.
  2. De Vlaamse Regering stelt dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zou te dezen immers niet van toepassing zijn. Overeenkomstig die bepaling is het eensluidend advies van de Ministerraad vereist voor iedere beraadslaging in een deelstaatregering over een voorontwerp van decreet waarin een straf of strafbaarstelling is opgenomen waarin boek I van het Strafwetboek niet voorziet. Die bepaling voorziet aldus in een vormvereiste die de bevoegdheid van de gewestelijke overheid beperkt. Vermits de bevoegdheidstoewijzing aan de gewesten in beginsel ruim moet worden uitgelegd, dient de beperking van die bevoegdheid in artikel 11, tweede lid, beperkend te worden geïnterpreteerd. Die bepaling heeft enkel betrekking op voorontwerpen van materiële decretale rechtsregels die nieuwe straffen of strafbaarstellingen bevatten. In onderhavig geval is de betrokken strafbaarstelling evenwel niet opgenomen in een voorontwerp van decreet, doch wel in een samenwerkingsakkoord. Het decreet tot instemming met dat samenwerkingsakkoord is een louter formele wet die geen materiële rechtsregels bevat. Vermits de materiële strafbaarstelling uitsluitend is opgenomen in het samenwerkingsakkoord en niet in het voorontwerp van decreet tot instemming met dat samenwerkingsakkoord, diende over dat voorontwerp van decreet geen advies van de Ministerraad te worden ingewonnen. A.1.
  3. Zelfs indien artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 van toepassing zou zijn op een voorontwerp van decreet houdende instemming met een samenwerkingsakkoord, dient volgens de Vlaamse Regering te worden vastgesteld dat het voorontwerp van decreet dat tot het in het geding zijnde instemmingsdecreet heeft aanleiding gegeven, dateert van na 2 juli 1999, zijnde de datum van inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 « tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen ». Dat voorontwerp van decreet bevatte dan ook geen strafbaarstelling waarin nog niet in boek I van het Strafwetboek was voorzien. 4 Weliswaar vroeg de toenmalige Vlaamse minister van Leefmilieu reeds op 19 maart 1999 het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State inzake een voorontwerp van decreet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord, dat op 7 juli 1999 als ontwerp van decreet werd ingediend bij het Vlaams Parlement. Het is evenwel niet dat ontwerp van decreet dat uiteindelijk door het Vlaams Parlement werd behandeld. Gelet op de nieuwe samenstelling van het Vlaams Parlement werd het ontwerp van decreet teruggestuurd naar de Vlaamse Regering, die een nieuw voorontwerp van decreet goedkeurde op 17 maart
  4. Uit de nieuwe nota aan de Vlaamse Regering en de tekstuele verschillen ten aanzien van het initiële voorontwerp blijkt dat het wel degelijk een nieuw voorontwerp van decreet betrof. Het nieuwe ontwerpdecreet werd vervolgens bij het Vlaams Parlement ingediend, dat het op 5 juli 2000 heeft aangenomen. Op 17 juli 2000 werd de aangenomen tekst door de Vlaamse Regering bekrachtigd en op 11 augustus 2000 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Vermits het ontwerp van decreet aldus dateert van 17 maart 2000 en derhalve van na de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999, op 2 juli 1999, diende op dat ogenblik geen eensluidend advies van de Ministerraad meer te worden ingewonnen. Op dat ogenblik voorzag boek I van het Strafwetboek immers reeds in de strafbaarstelling van rechtspersonen. Het in het geding zijnde artikel 2 van het instemmingsdecreet van 17 juli 2000 is ook om die reden niet in strijd met de artikelen 11 en 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus
  5. A.1.
  6. Tot slot voert de Vlaamse Regering aan dat er geen sprake kan zijn van een schending van artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, vermits aan het normdoel van die bepaling is voldaan. Uit het feit dat de federale Staat zelf partij was bij het betrokken samenwerkingsakkoord, volgt dat hij het eens was met de daarin opgenomen strafbaarstelling. In het licht van de ratio legis van artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat ertoe strekt de eenheid van het strafrecht te vrijwaren, is het irrelevant dat er formeel gezien geen eensluidend advies van de Ministerraad werd verkregen over het voorontwerp van het instemmingsdecreet. Uit de goedkeuring door de federale overheid van het eigenlijke samenwerkingsakkoord en de instemming ermee vanwege de federale wetgever, blijkt dat de federale overheid wel degelijk akkoord ging met het invoeren van de daarin opgenomen strafbaarstelling. A.2.
  7. De Ministerraad is van oordeel dat artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 enkel van toepassing is op nieuwe straffen of strafbaarstellingen die zijn opgenomen in een decreet dat eenzijdig is aangenomen. Het is aldus niet van toepassing op de straffen en strafbaarstellingen die zijn opgenomen in het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999, waarbij de federale overheid partij is. Het in het geding zijnde decreet van 21 juni 1999 voorziet louter in de goedkeuring van dat samenwerkingsakkoord, en betreft aldus geen decreet waarin een nieuwe straf of strafbaarstelling is opgenomen. Dat decreet is bijgevolg niet onderworpen aan de vormvereiste die is neergelegd in artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus
  8. Indien een straf of strafbaarstelling wordt opgenomen in een samenwerkingsakkoord waarbij de federale overheid partij is, is voldaan aan de ratio legis van artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus
  9. De daarin neergelegde vereiste van het eensluidend advies strekt ertoe te verhinderen dat de gemeenschappen en de gewesten per decreet eenzijdig een nieuwe straf of strafbaarstelling zouden invoeren waarin niet voorzien is in boek I van het Strafwetboek, zonder voorafgaande instemming van de Ministerraad. In onderhavig geval werd de betrokken strafbaarstelling opgenomen in artikel 31 van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999, dat eveneens werd aangenomen door de federale Regering en werd bekrachtigd door de federale wetgever. Die bepaling is aldus met de instemming van de federale wetgevende en uitvoerende macht tot stand gekomen. De vormvereiste van artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is bijgevolg niet van toepassing op het in het geding zijnde instemmingsdecreet van 17 juli
  10. A.2.
  11. Voorts voert de Ministerraad aan dat artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 enkel nieuwe straffen of strafbaarstellingen viseert waarin de federale wetgeving niet voorziet op het ogenblik dat de gemeenschappen en de gewesten ze invoeren. De wet van 4 mei 1999, waarbij de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen in het Strafwetboek werd ingevoerd, dateert evenwel van vóór het sluiten van het samenwerkingsakkoord van 21 juni
  12. Zij dateert eveneens van vóór de diverse wetskrachtige instemmingsakten. De straf en de strafbaarstelling die zijn opgenomen in artikel 31, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999, betreffen aldus een straf en een strafbaarstelling waarin boek I van het Strafwetboek reeds voorzag op het ogenblik dat dat samenwerkingsakkoord werd gesloten. Bijgevolg was het eensluidend advies van de Ministerraad hoe dan ook niet vereist. 5 Zoals reeds werd opgemerkt, is de federale overheid daarenboven partij bij het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999, zodat de daarin opgenomen straf en strafbaarstelling met medeweten van en met instemming van de federale Regering tot stand is gekomen. Ook hieruit blijkt dat het geen nieuwe straf en strafbaarstelling in de zin van artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 betreft. A.3.
  13. De nv « X », beklaagde voor het verwijzende rechtscollege, is van oordeel dat de artikelen 30 en 31 van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 voorzien in een strafbaarstelling en een straf waarin niet is voorzien in boek I van het Strafwetboek. Bovendien leggen die bepalingen straffen op ten aanzien van « de exploitant », zijnde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon. De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen werd evenwel pas ingevoerd in het Strafwetboek bij de wet van 4 mei 1999, die in werking trad op 2 juli
  14. Bijgevolg was het eensluidend advies van de Ministerraad vereist voor iedere beraadslaging in de Gemeenschaps- of Gewestregering over het voorontwerp van decreet houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord. Dat voorontwerp van instemmingsdecreet dateert van vóór 19 maart 1999, zijnde de datum waarop het voor advies aan de Raad van State werd voorgelegd. De Ministerraad heeft evenwel geen eensluidend advies verstrekt voorafgaand aan de beraadslaging over dat voorontwerp. De nv « X » verwijst naar het arrest nr. 41/2010 van 29 april 2010, waarin het Hof vaststelde dat de Ministerraad geen eensluidend advies had verleend in verband met de in het geding zijnde ordonnantie, zodat niet voldaan was aan de voorwaarde van artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus
  15. Diezelfde redenering zou gelden ten aanzien van de artikelen 30 en 31 van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999, die nieuwe strafbaarstellingen invoeren. Het gebrek aan eensluidend advies van de Ministerraad schendt bijgevolg artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zodat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. A.3.
  16. De nv « X » betwist bovendien de zienswijze van de Vlaamse Regering en de Ministerraad dat het instemmingsdecreet van 17 juli 2000 zelf geen straf bevat, doch dat die straf uitsluitend is neergelegd in het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999, waardoor de vereiste van artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet van toepassing zou zijn. Het instemmingsdecreet en het samenwerkingsakkoord dienen immers in samenhang te worden gelezen. Het is door dat instemmingsdecreet dat het samenwerkingsakkoord als een wetskrachtige norm kan worden beschouwd. Artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zou worden uitgehold indien zou worden aanvaard dat het niet van toepassing is telkens wanneer een samenwerkingsakkoord een nieuwe straf of strafbaarstelling vermeldt en dit door een instemmingsdecreet rechtsgevolgen verkrijgt. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 blijkt bovendien dat het louter gaat over het « stellen » van een straf, zonder dat vereist is dat het decreet zelf die straf of strafbaarstelling bevat. Het is net door het instemmingsdecreet dat het samenwerkingsakkoord, waarin de nieuwe strafbaarstelling was opgenomen, rechtsgevolgen heeft gekregen. -B- B.
  17. De prejudiciële vraag betreft artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 juli 2000 « houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken » (hierna : het decreet van 17 juli 2000 en het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999). 6 Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof te vernemen of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 11 en 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in zoverre zij het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 goedkeurt zonder dat het voorafgaand advies van de Ministerraad werd ingewonnen, terwijl dat samenwerkingsakkoord zou voorzien in een strafbaarstelling van rechtspersonen op een ogenblik dat boek I van het Strafwetboek daar nog niet in voorzag. B.2.
  18. Artikel 2 van het decreet van 17 juli 2000 beperkt zich tot het goedkeuren van het samenwerkingsakkoord van 21 juni
  19. Het Hof kan die decreetsbepaling niet op zinvolle wijze toetsen zonder de inhoud van de relevante bepalingen van het goedgekeurde samenwerkingsakkoord in zijn onderzoek te betrekken. B.2.
  20. Artikel 31, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999, in de versie zoals die van toepassing is in het geding voor het verwijzende rechtscollege, bepaalt : « Wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met een geldboete van 1 000 euro tot 1 000 000 euro of met één van die straffen alleen, de exploitant die, hoewel daartoe verplicht : 1° niet de in artikel 7, eerste lid bedoelde maatregelen treft of niet overeenkomstig artikel 7, tweede lid kan aantonen dat hij de noodzakelijke maatregelen heeft genomen; 2° geen kennisgeving indient als bedoeld in artikel 8; 3° geen document heeft opgesteld als bedoeld in artikel 9 of 10, niet zorgt voor de correcte uitvoering van het preventiebeleid of dit niet beoordeelt en zo nodig herziet als bedoeld in artikel 13; 4° niet binnen de voorgeschreven termijnen een veiligheidsrapport als bedoeld in artikel 12 indient of actualiseert of dit niet beoordeelt en zo nodig herziet als bedoeld in artikel 13; 5° geen intern noodplan opstelt als bedoeld in artikel 15, het intern noodplan niet beproeft en zo nodig herziet als bedoeld in artikel 18 of het intern noodplan niet uitvoert in het geval bedoeld in artikel 20, §
  21. 6° de informatie bedoeld in artikel 21 of 22 niet verstrekt; 7° geen gevolg geeft aan de verwittigingen of bevelen van de inspectiediensten ». 7 Die bepaling voorziet aldus in een strafbaarstelling van de « exploitant » voor welbepaalde inbreuken op het samenwerkingsakkoord. Dat begrip wordt in artikel 4, 5°, van hetzelfde samenwerkingsakkoord gedefinieerd als « iedere natuurlijke of rechtspersoon die de inrichting of installatie exploiteert ». B.2.
  22. Het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 werd gesloten ter uitvoering van artikel 92bis, § 3, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat bepaalt : « De federale overheid en de Gewesten sluiten in ieder geval een samenwerkingsakkoord : […] b) voor de toepassing op federaal en gewestelijk vlak van de door de Europese Gemeenschap vastgestelde regelen inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten ». Krachtens artikel 92bis, § 1, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 hebben de samenwerkingsakkoorden die betrekking hebben op de aangelegenheden die bij wet of decreet worden geregeld, alsmede de akkoorden die de Staat, de gemeenschap of het gewest zouden kunnen bezwaren of Belgen persoonlijk zouden kunnen binden, eerst gevolg nadat zij instemming hebben verkregen bij wet of bij decreet. B.
  23. Artikel 11, eerste en tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : « Binnen de grenzen van de bevoegdheden van de Gemeenschappen en de Gewesten kunnen de decreten de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar stellen en de straffen wegens die niet-naleving bepalen; de bepalingen van Boek I van het Strafwetboek zijn hierop van toepassing, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere inbreuken door een decreet kunnen worden gesteld. Het eensluidend advies van de Ministerraad is vereist voor iedere beraadslaging in de Gemeenschaps- of Gewestregering over een voorontwerp van decreet waarin een straf of een strafbaarstelling is opgenomen waarin Boek I van het Strafwetboek niet voorziet ». 8 B.
  24. Volgens het verwijzende rechtscollege voorzag artikel 31 van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 in een strafbaarstelling van rechtspersonen vooraleer de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen in boek I van het Strafwetboek werd ingevoerd bij de wet van 4 mei 1999 « tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen », die in werking is getreden op 2 juli
  25. Ook het voorontwerp van decreet dat heeft geleid tot het in het geding zijnde artikel 2 van het decreet van 17 juli 2000, waarbij instemming werd verleend met dat samenwerkingsakkoord, zou dateren van vóór 2 juli
  26. Bijgevolg zou het eensluidend advies van de Ministerraad vereist zijn geweest voor iedere beraadslaging in de Vlaamse Regering over het voorontwerp van decreet tot instemming met het samenwerkingsakkoord van 21 juni
  27. B.
  28. Het eensluidend advies van de Ministerraad, voorgeschreven bij artikel 11, tweede lid, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980, moet als een bevoegdheidverdelende regel in de zin van artikel 30bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof worden aangemerkt. Volgens de laatstvermelde bepaling moeten voor de toepassing van de artikelen 1 en 26, § 1, van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof onder meer « de eensluidende adviezen » waarvan sprake in onder meer de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, worden beschouwd als regels bedoeld in het 1° van die twee bepalingen. Het Hof is bijgevolg bevoegd om kennis te nemen van de prejudiciële vraag inzake de niet-naleving van voormeld voorschrift, neergelegd in artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus
  29. B.6.
  30. Krachtens artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vermag de decreetgever in beginsel niet af te wijken van boek I van het Strafwetboek door andere straffen of strafbaarstellingen in te voeren dan die welke in dat boek I zijn bepaald, behoudens eensluidend advies van de Ministerraad. Die vormvereiste strekt ertoe « de noodzakelijke eenheid van het strafrecht te bewaren » (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 558-1, p. 35). Die eenheid wordt gewaarborgd door het optreden van de federale overheid. 9 B.6.
  31. Vermits de federale overheid partij is bij het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 en bij de wet van 22 mei 2001 instemming heeft verleend met dat samenwerkingsakkoord, diende het voorontwerp dat tot het in het geding zijnde instemmingsdecreet van 17 juli 2000 heeft geleid, niet vooraf aan het eensluidend advies van de Ministerraad te worden onderworpen. B.
  32. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 juli 2000 « houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken » schendt de artikelen 11 en 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 5 maart
  33. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.037 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.