id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.040 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200312.5 Arrest- Rolnummer: 40/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-07 Raadplegingen: 256 - laatst gezien 2026-06-28 21:30 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - In de interpretatie volgens welke artikel 5 van het decreet van 28 juni 1957 « houdende statuut van de Koloniale verzekeringskas » enkel van toepassing is op weduwen, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In de interpretatie volgens welke artikel 5 van het decreet van 28 juni 1957 « houdende statuut van de Koloniale verzekeringskas » ook van toepassing is op de langstlevende echtgenoot van het mannelijk geslacht van de aangeslotene, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 5 en 6 van het decreet van 28 juni 1957 « houdende statuut van de Koloniale verzekeringskas », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Verviers. Koloniale verzekeringskas - Overlevingspensioen - Langstlevende echtgenoot van het mannelijk geslacht. Tekst van de beslissing Rolnummer 7010 Arrest nr. 40/2020 van 12 maart 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 5 en 6 van het decreet van 28 juni 1957 « houdende statuut van de Koloniale verzekeringskas », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Verviers. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, R. Leysen, M. Pâques en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 6 september 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 september 2018, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Verviers, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 5 en 6 van het decreet van 28 juni 1957 houdende statuut van de Koloniale verzekeringskas de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij erin voorzien dat alleen de weduwe van de aangeslotene, onder de in dat decreet vermelde voorwaarden, recht heeft op een lijfrente en zij niet in hetzelfde recht voorzien voor de weduwnaar van de aangeslotene, waardoor aldus een discriminatie wordt ingevoerd op basis van het criterium van het geslacht van de langstlevende echtgenoot ? ». Memories zijn ingediend door : - J.L., vertegenwoordigd door Mr. Vincent Dupont, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over zijn goederen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Deliége, advocaat bij de balie te Verviers; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 29 januari 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 februari 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 12 februari 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil S.B., die in 1925 is geboren, werd tewerkgesteld als lerares lager onderwijs bij het ministerie van Belgisch-Kongo van 7 februari 1949 tot 31 december
- Zij is op 12 april 1956 gehuwd met J.L. S.B. overlijdt op 4 maart
- Op 17 maart 2015 dient J.L. een aanvraag voor een overlevingspensioen van langstlevende echtgenoot in bij de Pensioendienst voor de Overheidssector (die de Federale Pensioendienst is geworden). De aanvraag wordt geweigerd wegens het feit dat het decreet het een weduwnaar, in tegenstelling tot een weduwe, niet mogelijk maakt het te genieten (artikelen 5 en 6 van het decreet van 28 juni 1957 « houdende statuut van de Koloniale verzekeringskas »). De verwijzende rechter stelt het Hof, op verzoek van de eisende partij, de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.
- J.L. merkt op dat hij, met uitzondering van de voorwaarde met betrekking tot het geslacht, aan alle in het decreet van 28 juni 1957 « houdende statuut van de Koloniale verzekeringskas » (hierna : het decreet van 28 juni 1957) bedoelde criteria voldoet om aanspraak te maken op de toekenning van een overlevingspensioen. Het voormelde decreet voert een discriminatie in tussen mannen en vrouwen. Hij verwijst naar het arrest nr. 160/2008 van het Hof van 20 november 2008, waarbij andere bepalingen van hetzelfde decreet ongrondwettig zijn bevonden en waarin werd beklemtoond dat het vrijstellen van een categorie van personen wat betreft bepaalde voorwaarden met betrekking tot de uitoefening van het recht op een overlevingspensioen mogelijk is, maar redelijk verantwoord moet zijn. Hij verwijst ten slotte naar het recht en naar de rechtspraak van de Europese Unie, met name naar artikel 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarbij de lidstaten worden verzocht om de toepassing te waarborgen van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep. Hij haalt bovendien de richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 « betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) » aan, waarvan artikel 5 iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht in ondernemings- en sectorale regelingen inzake sociale zekerheid verbiedt. J.L. besluit dat er geen enkele verantwoording bestaat voor de discriminatie op grond van het geslacht. A.2.
- De Ministerraad is vooreerst van mening dat artikel 6 van het decreet van 28 juni 1957 klaarblijkelijk niet van toepassing is op het geschil, aangezien het enkel betrekking heeft op de situatie waarin een aangeslotene die reeds recht heeft op een overlevingspensioen, huwt of opnieuw huwt. Bijgevolg verzoekt hij het Hof om zijn onderzoek te beperken tot de grondwettigheid van artikel 5 van het voormelde decreet. A.2.
- De Ministerraad is vervolgens van mening dat artikel 5 van het decreet van 28 juni 1957 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Artikel 5 van het decreet van 28 juni 1957 is aangenomen in een bepaalde context, die verband houdt met de toenmalige maatschappelijke situatie. De maatregel werd verantwoord door het vermoeden dat de weduwe, in tegenstelling tot de weduwnaar, financieel afhankelijk was geweest van haar echtgenoot, dat zij geen eigen inkomsten had gehad en dat zij niet de mogelijkheid had gehad om een persoonlijk pensioen op te bouwen. De Ministerraad merkt op dat de wetgever, toen hij de algemene regeling van de overlevingspensioenen heeft gewijzigd bij de wet van 15 mei 1984 « houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen », de regeling waarin het decreet van 28 juni 1957 voorziet, uitdrukkelijk van het toepassingsgebied ervan heeft uitgesloten (artikel 1). Die uitsluiting werd verantwoord door het feit dat die specifieke regeling niet werd geraakt door de evolutie van de maatschappij, reden die aan het aannemen van de wet van 15 mei 1984 ten grondslag lag. Om die redenen, die verband houden met de specificiteit en het in de tijd bevroren karakter van de bij het decreet van 28 juni 1957 ingevoerde regeling van de overlevingspensioenen, besluit de Ministerraad dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. 4 -B- Ten aanzien van artikel 6 van het in het geding zijnde decreet B.
- Artikel 6, § 1, van het decreet van 28 juni 1957 « houdende statuut van de Koloniale verzekeringskas » (hierna : het decreet van 28 juni 1957) bepaalt : « Onverminderd artikel 7, § 3, heeft de echtgenote recht op een weduwenrente in de door dit decreet gestelde voorwaarden, wanneer een aangesloten lid, titularis van een pensioen ten bezware van de koloniale schatkist, huwt of opnieuw huwt. Zij heeft echter geen recht op deze rente indien de duur van haar huwelijk minder dan één jaar bedraagt ». B.
- In de regel komt het de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil. Wanneer evenwel aan het Hof bepalingen worden voorgelegd die klaarblijkelijk niet op dat geschil kunnen worden toegepast, onderzoekt het Hof de grondwettigheid van zulke bepalingen niet. B.
- Uit de feiten van de zaak blijkt dat de overledene, op het ogenblik van haar huwelijk, geen recht had op een pensioen ten bezware van de koloniale schatkist. Artikel 6 kan bijgevolg klaarblijkelijk niet worden toegepast op het aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde geschil. B.
- De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord in zoverre zij betrekking heeft op artikel 6 van het decreet van 28 juni
- Ten aanzien van artikel 5 van het in het geding zijnde decreet B.5.
- Artikel 5 van het decreet van 28 juni 1957 bepaalt : « De weduwe van de aangeslotene heeft, in de door dit decreet gestelde voorwaarden, recht op een levenslange rente. 5 Met de weduwe wordt gelijkgesteld, de echtgenote van een vermiste persoon, wanneer deze vermissing het voorwerp heeft uitgemaakt van een vonnis tot verklaring van afwezigheid of wanneer de betrokkene het bewijs levert dat deze vermissing voorgekomen is tijdens een gevecht, een bombardement of om het even welke andere aan de staat van oorlog te wijten gebeurtenis ». B.5.
- Hoewel de begunstigden van de lijfrente worden aangeduid met het vrouwelijk geslacht, wordt in de parlementaire voorbereiding geen verantwoording aangevoerd voor die keuze (Ambtelijk Blad van Belgisch-Congo, 50e jaargang, 1 januari 1957, nr. 1; Koloniale Raad, Compte rendu analytique des séances, Brussel, Imprimerie Lesigne, 1957, bijlage XXVI). B.
- Uit de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 5 van het decreet van 28 juni 1957, in zoverre die bepaling een verschil in behandeling zou invoeren tussen personen van het vrouwelijk geslacht en personen van het mannelijk geslacht. B.
- In de interpretatie volgens welke artikel 5 van het decreet van 28 juni 1957 enkel op weduwen van toepassing is, is het niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien het een onverantwoorde discriminatie op grond van het geslacht van de begunstigde doet ontstaan. B.
- Door gebruik te maken van de bewoordingen « [d]e weduwe van de aangeslotene », wou de wetgever van 1957 de personen beschermen die zich toen de facto in een precaire situatie bevonden. De vrouw oefende toen immers veelal geen bezoldigde beroepsactiviteit uit. Het overlevingspensioen had tot doel een bepaalde bestaanszekerheid te waarborgen voor de vrouw die werd vermoed - minstens gedeeltelijk - financieel afhankelijk te zijn van haar overleden echtgenoot en die vaak, aangezien zij geen eigen inkomsten had, noch de mogelijkheid had gehad om een persoonlijk pensioen op te bouwen, ten gevolge van het overlijden van haar echtgenoot in een precaire materiële situatie dreigde terecht te komen. Van de man werd vermoed dat hij zich niet in die situatie bevond. De specificiteit van het personeel van het ministerie van Belgisch-Kongo bestond in het feit dat het vrijwel uitsluitend uit mannen bestond en dat de weinige vrouwen die er werkten, meestal gehuwd waren met een man die tevens over eigen inkomsten beschikte. 6 Niets wijst evenwel erop dat de wetgever de mannen uitdrukkelijk heeft willen uitsluiten van de regeling inzake lijfrente waarin het decreet van 28 juni 1957 voorziet. B.
- Uit het voorgaande vloeit voort dat de wetgever, bij artikel 5 van het decreet van 28 juni 1957, niet kan worden vermoed de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te hebben willen schenden. Die bepaling dient dus in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij ook van toepassing is op de weduwnaar van een aangeslotene, die recht heeft op een pensioen ten bezware van de koloniale schatkist. B.
- In de in B.9 vermelde interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In de interpretatie volgens welke artikel 5 van het decreet van 28 juni 1957 « houdende statuut van de Koloniale verzekeringskas » enkel van toepassing is op weduwen, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In de interpretatie volgens welke artikel 5 van het decreet van 28 juni 1957 « houdende statuut van de Koloniale verzekeringskas » ook van toepassing is op de langstlevende echtgenoot van het mannelijk geslacht van de aangeslotene, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.040 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div