← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.043

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.043 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200312.14 Arrest- Rolnummer: 43/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-28 Raadplegingen: 1198 - laatst gezien 2026-06-28 21:29 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt de artikelenII.34, 4°, en II.36, 3°, van het Vlaamse Bestuursdecreet van 7december 2018, in zoverre zij niet bepalen dat de daarin neergelegde uitzonderingsgronden slechts kunnen worden aangevoerd zolang de mogelijkheid bestaat om een strafsanctie of een administratieve sanctie op te leggen;-onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.40.2, verwerpt de beroepen voor het overige. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het Vlaamse Bestuursdecreet van 7 december 2018, ingesteld door Peter Verhaeghe en anderen, door de vzw «De Wakkere Burger» en anderen en door Hans Lammerant. Bestuursrecht - Vlaamse overheid - 1. Toepassingsgebied - Investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid - 2. Relatie tussen burgers en de overheid - Actieve openbarheid van bestuur - Elektronische uitwisseling van berichten - Vervanging van analoge bestuursdocumenten door elektronische kopiëen - Toegang tot bestuursdocumenten - Klachtenrecht - 3. Vernietiging van bestuursdocumenten. Tekst van de beslissing Rolnummers 7100, 7119, 7148 en 7213 Arrest nr. 43/2020 van 12 maart 2020 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het Vlaamse Bestuursdecreet van 7 december 2018, ingesteld door Peter Verhaeghe en anderen, door de vzw « De Wakkere Burger » en anderen en door Hans Lammerant. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 januari 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 januari 2019, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen I.3, II.1, II.18, II.28, II.53 en IV.273 van het Vlaamse Bestuursdecreet van 7 december 2018 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 december 2018) door Peter Verhaeghe, Denis Malcorps en Jan Crève, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele, advocaat bij de balie te Antwerpen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 februari 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 februari 2019, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van hetzelfde decreet door de vzw « De Wakkere Burger », de vzw « Straatego », Peter Verhaeghe, Claude Archer, Thomas Goorden en Wim Van Roy, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 maart 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 maart 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen II.25, III.81, III.82, III.87, III.88, III.89 en van de woorden « tot aan de eventuele vernietiging » in artikel III.80 van hetzelfde decreet door Peter Verhaeghe, Claude Archer, Thomas Goorden en Wim Van Roy, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde decreetsbepalingen. Bij het arrest nr. 97/2019 van 6 juni 2019, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 februari 2020, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 juni 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 juni 2019, heeft Hans Lammerant beroep tot vernietiging ingesteld van artikel II.34 van hetzelfde decreet. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7100, 7119, 7148 en 7213 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel, Mr. K. Caluwaert en Mr. E. Loncke, advocaten bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 4 december 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey, ter vervanging van emeritus rechter E. Derycke, en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 18 december 2019 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 18 december 2019 in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat de zaak nr. 7100 betreft A.1.1. De Vlaamse Regering werpt de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 7100 op bij gebrek aan uiteenzetting van de middelen. Het zou niet steeds duidelijk zijn in welk opzicht de bestreden bepalingen de aangevoerde referentienormen zouden schenden. A.1.2. De verzoekende partijen betwisten de exceptie van niet-ontvankelijkheid. Zij benadrukken dat de Vlaamse Regering wel degelijk steeds heeft begrepen waarover het gaat. Wat de zaak nr. 7119 betreft A.2.1. De Vlaamse Regering werpt de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 7119 op bij gebrek aan uiteenzetting van de middelen. Het zou niet steeds duidelijk zijn in welk opzicht de bestreden bepalingen de aangevoerde referentienormen zouden schenden. Bovendien wordt in sommige middelen uitsluitend de schending van verdragsbepalingen aangevoerd, terwijl het Hof niet bevoegd is om daar rechtstreeks aan te toetsen. Om die reden zijn sommige middelen of onderdelen daarvan, minstens gedeeltelijk, niet ontvankelijk. A.2.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7119 betwisten de exceptie van niet-ontvankelijkheid. Zij benadrukken dat de bestreden bepalingen een beperking inhouden van de openbaarheid van bestuur en van het recht op vrije meningsuiting, dat het recht op nieuwsgaring inhoudt. In zoverre ook milieu-informatie aan de orde kan zijn, zijn artikel 23 van de Grondwet en het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 « betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden » (hierna : het Verdrag van Aarhus) relevant. In zoverre de bestreden bepalingen passen in het kader van een bestuurlijke procedure, gelden voorts de beginselen van behoorlijk bestuur. Tot slot voeren de verzoekende partijen de schending van verdragsbepalingen steeds aan in samenhang met bepalingen uit titel II van de Grondwet, waaraan het Hof wel rechtstreeks kan toetsen. Wat de zaak nr. 7148 betreft A.3.1. De Vlaamse Regering voert aan dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 7148 niet doen blijken van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van de bestreden artikelen II.25, III.80 tot III.82 en III.87 tot III.89 van het Vlaamse Bestuursdecreet van 7 december 2018 (hierna : het Vlaamse Bestuursdecreet). Zij zouden niet rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door artikel II.25, dat louter voorziet in de mogelijkheid tot vervanging van een analoog bestuursdocument door een elektronische kopie en aldus geenszins de toegang tot bestuursdocumenten beperkt. 4 Zij zouden evenmin rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de artikelen III.80 tot III.82 en III.87 tot III.89, die het beheer, de bewaring en de eventuele vernietiging van bestuursdocumenten betreffen. Het loutere feit dat de verzoekende partijen betrokken zijn bij een aantal jurisdictionele procedures die een verzoek tot openbaarmaking als voorwerp hebben, volstaat niet om dat vast te stellen. In ieder geval blijkt niet dat er in één van die procedures sprake is van een eventuele vernietiging van bestuursdocumenten op grond van de bestreden bepalingen. Het beroep zou voorts steunen op het verkeerde uitgangspunt dat de bestreden bepalingen tot doel hebben om burgers te hinderen in de uitoefening van hun grondwettelijk gewaarborgd recht op openbaarheid, en dat die bepalingen de overheidsinstanties toelaten om bestuursdocumenten die het voorwerp uitmaken van een verzoek tot openbaarheid « vlot » te vernietigen. A.3.2. De Vlaamse Regering werpt voorts op dat het verzoekschrift niet ontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen de artikelen III.80 en III.82, evenals tegen de woorden « tot aan de eventuele vernietiging » in artikel III.80 van hetzelfde decreet. De verzoekende partijen zouden immers geen grief ontwikkelen tegen die bepalingen, die geen betrekking hebben op de vernietiging van bestuursdocumenten. A.3.3. Vervolgens werpt de Vlaamse Regering de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 7148 op bij gebrek aan uiteenzetting van de middelen. Het zou niet steeds duidelijk zijn in welk opzicht de bestreden bepalingen de aangevoerde referentienormen zouden schenden. Bovendien wordt in sommige middelen uitsluitend de schending van verdragsbepalingen aangevoerd, terwijl het Hof niet bevoegd is om daar rechtstreeks aan te toetsen. Om die reden zijn sommige middelen of onderdelen daarvan, minstens gedeeltelijk, niet ontvankelijk. A.4.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7148 betwisten de exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan belang. Zij voeren aan dat elke persoon belang heeft bij de vernietiging van bepalingen die zijn situatie ongunstig kunnen beïnvloeden, met name door in de materiële vernietiging of de vervanging van analoge bestuursdocumenten te voorzien. De omstandigheid dat er nog verordenende of individuele handelingen moeten worden genomen na de bekendmaking van een norm, neemt niet weg dat die norm vanaf de bekendmaking ervan iemands situatie rechtstreeks en ongunstig kan raken. A.4.2. Voorts benadrukken de verzoekende partijen dat zij de decretale machtiging tot vernietiging van bestuursdocumenten betwisten. Het zou dienvolgens coherent zijn om ook de vernietiging te vragen van bepalingen die die vernietiging vermelden, zoals de laatste woorden in artikel III.80. A.4.3. Tot slot zou de Vlaamse Regering steeds de draagwijdte van het beroep hebben begrepen. Wat de zaak nr. 7213 betreft A.5.1. De Vlaamse Regering voert aan dat het beroep in de zaak nr. 7213 niet ontvankelijk is wegens laattijdigheid. De grieven van de verzoekende partij zouden in werkelijkheid immers niet gericht zijn tegen artikel II.34 van het Vlaamse Bestuursdecreet, doch wel tegen de vroegere regeling die was neergelegd in artikel 13 van het decreet van 26 maart 2004 « betreffende de openbaarheid van bestuur » (hierna : het decreet van 26 maart 2004). De decreetgever heeft die bepaling nagenoeg ongewijzigd overgenomen in het bestreden artikel II.34, en in wezen dus niet opnieuw gelegifereerd. In zoverre de grief van de verzoekende partij in wezen gericht is tegen de keuze van de decreetgever om te voorzien in een systeem van absolute uitzonderingsgronden, merkt de Vlaamse Regering op dat die beleidskeuze reeds gemaakt werd bij de totstandkoming van het decreet van 26 maart 2004. Ook op dat punt heeft de decreetgever geen enkele blijk gegeven van een nieuwe inoverwegingneming en dus hernieuwde beslissing. A.5.2. Voorts zou de verzoekende partij slechts een belang hebben bij de vernietiging van artikel II.34, 1°, van het Vlaamse Bestuursdecreet. Uit de beslissing OVB/2019/33 van de beroepsinstantie « inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie » (hierna : de beroepsinstantie), die het voorwerp uitmaakt van een beroep dat thans hangende is bij de Raad van State, blijkt immers dat haar aanvraag tot openbaarheid uitsluitend op grond van die bepaling werd afgewezen. Vermits de beslissing van de beroepsinstantie niet steunt op artikel II.34, 2° tot 6°, kan een vernietiging van die bepalingen de verzoekende partij geen rechtstreeks voordeel opleveren. De mogelijkheid van toekomstige vragen tot toegang tot bestuursdocumenten, is louter hypothetisch en kan niet worden aanvaard. 5 A.5.3. Tot slot betwist de Vlaamse Regering de ontvankelijkheid van het enige middel in de zaak nr. 7213, in zoverre het is afgeleid uit een schending van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Uit de wijze waarop de grieven in het verzoekschrift zijn geformuleerd, waarbij een afzonderlijk hoofdstuk wordt gewijd aan de schending van de voormelde verdragsbepaling, zou blijken dat het Hof wordt gevraagd rechtstreeks aan die verdragsbepaling te toetsen. Het Hof dient het middel in die mate niet-ontvankelijk te verklaren. A.6.1. De verzoekende partij betwist de aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens laattijdigheid. De decreetgever heeft in het Vlaamse Bestuursdecreet weliswaar verscheidene decreten gecoördineerd, maar hij heeft daarbij ook wijzigingen aangebracht op basis van een evaluatie ten gronde. Dit is ook het geval voor het stelsel van de uitzonderingsgronden. Weliswaar heeft de decreetgever niet rechtstreeks geraakt aan de uitzonderingsgronden die zijn neergelegd in het bestreden artikel II.34, doch de draagwijdte daarvan wordt gewijzigd door de in de artikelen II.37 en II.38 neergelegde uitzonderingsgronden. Bijgevolg heeft de decreetgever wel degelijk de wil te kennen gegeven decreetgevend te willen optreden. A.6.2. De verzoekende partij is daarenboven van oordeel te beschikken over het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van artikel II.34 van het Vlaamse Bestuursdecreet in zijn geheel. Zij voert aan actief gebruik te maken van haar recht op toegang tot bestuursdocumenten. Dit zou op zich volstaan om belang te hebben bij een vernietiging van wetsbepalingen die het gebruik van dat recht kunnen beperken. Dat belang is niet louter hypothetisch, aangezien die uitzonderingsgronden ook effectief tegen haar kunnen worden aangevoerd. A.6.3. Tot slot benadrukt de verzoekende partij dat zij niet afzonderlijk de schending aanvoert van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doch wel van artikel 32 van de Grondwet in samenhang gelezen met die verdragsbepaling. De Grondwetgever achtte die bepalingen nauw samenhangend, zodat het wel degelijk relevant is te verwijzen naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake die verdragsbepaling. Ten gronde Wat het enige middel in de zaak nr. 7100 betreft A.7. De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending, door de artikelen I.3, II.1, II.18, II.28, II.53 en IV.273 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 19, 23 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.8.1. In een eerste middelonderdeel bestrijden de verzoekende partijen de definities die zijn neergelegd in artikel I.3 van het Vlaamse Bestuursdecreet. Zij vorderen de vernietiging van de woorden « met uitzondering van de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid » in artikel I.3, 2°, e), evenals de woorden «

  1. w)de Limburgse Reconversiemaatschappij;
  2. x)de Participatiemaatschappij Vlaanderen;
  3. y)de Vlaamse Participatiemaatschappij » in artikel I.3, 4°. Zij voeren aan dat die bepalingen tot gevolg hebben dat de Vlaamse investeringsmaatschappijen worden uitgesloten van het begrip « Vlaamse overheid ». Die investeringsmaatschappijen zouden aldus worden onderworpen aan een uitzonderingsregeling en worden onttrokken aan de algemene regeling inzake de openbaarheid van bestuur zoals die is neergelegd in titel II, hoofdstukken 1 tot 4, van het Vlaamse Bestuursdecreet. Dat verschil in behandeling tussen de verschillende geledingen van de Vlaamse overheid en die beperking van het grondrecht van openbaarheid van bestuur zouden in strijd zijn met de artikelen 10, 11 en 32 van de Grondwet. A.8.2. De Vlaamse Regering antwoordt dat de definities die zijn opgenomen in artikel I.3 van het Vlaamse Bestuursdecreet niet het toepassingsgebied ratione personae van de verschillende onderdelen van het Vlaamse Bestuursdecreet bepalen. Die bepaling voorziet louter in een uniform begrippenkader, dat de begrippen definieert die verder in het Vlaamse Bestuursdecreet worden gehanteerd. Die bepaling heeft geen andere praktische rechtsgevolgen en heeft aldus geenszins tot gevolg dat een « algemene uitzonderingsregeling » wordt ingevoerd voor de investeringsmaatschappijen. 6 De Vlaamse Regering stelt voorts dat de verzoekende partijen verkeerdelijk aanvoeren dat de investeringsmaatschappijen volledig worden onttrokken aan de regeling die van toepassing is op de Vlaamse overheid. De investeringsmaatschappijen vallen immers wel degelijk onder het begrip « Vlaamse overheid ». Zij zijn weliswaar uitgesloten van het begrip « Vlaamse administratie » (artikel I.3, 1°, d)), maar zijn opgenomen onder de « Vlaamse openbare instellingen die niet behoren tot de Vlaamse administratie » (artikel I.3, 1°, f)). Dit werd door de decreetgever terdege verantwoord met verwijzing naar de bijzondere aard van hun activiteiten. A.8.3. De verzoekende partijen betwisten de zienswijze van de Vlaamse Regering dat artikel I.3 een louter vrijblijvend begrippenkader vaststelt. Het toepassingsgebied van de regelingen inzake de openbaarheid van bestuur, die zijn neergelegd in de overige bepalingen van het Vlaamse Bestuursdecreet, wordt immers bepaald aan de hand van dat begrippenkader. Zij benadrukken voorts dat de investeringsmaatschappijen in dat begrippenkader « een aparte klasse » vormen. Er zou geen redelijke verantwoording zijn voor die uitzonderings- en voorkeursregeling. A.9.1. Het tweede middelonderdeel is gericht tegen artikel II.1 van het Vlaamse Bestuursdecreet, in zoverre die bepaling de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid onttrekt aan de toepassing van de bepalingen van titel II, hoofdstuk 1, van het Vlaamse Bestuursdecreet inzake « communicatie tussen burgers en de overheid ». Noch het feit dat de investeringsmaatschappijen zich ten dele positioneren op de private markten, waarbij het noodzakelijk zou zijn om een zekere afstand tot het overheidsimago te bewaren, noch het feit dat het Agentschap Innoveren en Ondernemen de actieve informatieverschaffing namens de investeringsmaatschappijen verzorgt, zou een afdoende verantwoording bieden. A.9.2. De Vlaamse Regering antwoordt dat uit de memorie van toelichting duidelijk blijkt waarom het toepassingsgebied van titel II, hoofdstuk 1, van het Vlaamse Bestuursdecreet beperkt wordt ten aanzien van de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid. De decreetgever heeft beoogd om de investeringsmaatschappijen zo weinig mogelijk als een onderdeel van de Vlaamse administratie voor te stellen, maar wel als een openbare instelling sui generis die afhangt van de Vlaamse overheid. De Vlaamse Regering benadrukt dat de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid bovendien niet volledig zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de bepalingen van titel II, hoofdstuk 1, van het Vlaamse Bestuursdecreet inzake de communicatie tussen burgers en de overheid. Krachtens artikel II.1, tweede lid, van het Vlaamse Bestuursdecreet zijn die bepalingen immers gedeeltelijk op hen van toepassing. Verder zou de omstandigheid dat niet de investeringsmaatschappijen zelf maar wel het Agentschap Innoveren en Ondernemen instaat voor de informatieverschaffing, geen afbreuk doen aan het recht op informatiegaring. Dat agentschap, zijnde een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid, ressorteert immers zelf volledig onder het toepassingsgebied van titel II, hoofdstuk 1, van het Vlaamse Bestuursdecreet. Tot slot zouden sommige bepalingen van het Vlaamse Bestuursdecreet, namelijk de artikelen II.4 en II.7 tot II.9, eenvoudigweg geen toepassing kunnen vinden op de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid. A.9.3. De verzoekende partijen herhalen dat het, wegens het belang van de « communicatie tussen burgers en de overheid », onredelijk is om de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid, wegens hun vermeend bijzondere karakter, te onttrekken aan de algemene regeling van het Vlaamse Bestuursdecreet. A.10.1. In een derde middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat artikel II.18 van het Vlaamse Bestuursdecreet de aangevoerde referentienormen schendt doordat het de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid onttrekt aan de algemene regeling inzake « individuele beslissingen ». De omstandigheid dat de beslissingen van de investeringsmaatschappijen niet zouden kunnen worden gekwalificeerd als administratieve rechtshandelingen, biedt volgens de verzoekende partijen geen redelijke verantwoording. Het nemen van « individuele beslissingen » zou immers niet noodzakelijk verband houden met de kwalificatie als « administratieve rechtshandeling ». Tot slot wijzen de verzoekende partijen erop dat de investeringsmaatschappijen alle activiteiten kunnen verrichten die kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van hun maatschappelijk doel. Zij kunnen aldus beslissen tot de aanbesteding van een dienst, die ze toekennen aan de meest geschikte kandidaat, zo nodig onder welbepaalde voorwaarden. 7 A.10.2. De Vlaamse Regering antwoordt dat zowel uit de bewoordingen van het Vlaamse Bestuursdecreet als uit de memorie van toelichting daarbij blijkt dat met individuele rechtshandelingen wordt bedoeld « een administratieve handeling van individuele strekking die rechtsgevolgen heeft voor een gebruiker », zijnde administratieve rechtshandelingen in de zin van artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. De investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid zouden geen dergelijke administratieve rechtshandelingen stellen en daarom uitgesloten worden van het toepassingsgebied van titel II, hoofdstuk 2, van het Vlaamse Bestuursdecreet. A.11.1. In een vierde middelonderdeel bekritiseren de verzoekende partijen artikel II.28 van het Vlaamse Bestuursdecreet, in zoverre het de investeringsmaatschappijen onttrekt aan de algemene regeling inzake « openbaarheid van bestuur ». De decreetgever zou artikel 32 van de Grondwet hebben geschonden door te bepalen dat de stukken die een investeringsmaatschappij van de Vlaamse overheid in het kader van haar activiteiten ontvangt of opmaakt, niet als bestuursdocumenten in de zin van het Vlaamse Bestuursdecreet worden beschouwd. Dit leidt tot een onverantwoord verschil in behandeling tussen de personen die willen kennisnemen van de in de bestreden bepalingen bedoelde documenten, die automatisch van dat recht zijn uitgesloten, en de personen die willen kennisnemen van andere bestuursdocumenten, die de bij het Vlaamse Bestuursdecreet ingevoerde procedure genieten. Noch het feit dat de investeringsmaatschappijen geen eenzijdige bestuurshandelingen zouden stellen, noch de aard van hun activiteiten zou kunnen verantwoorden dat de documenten van de investeringsmaatschappijen absoluut en in hun volledigheid aan de openbaarheid worden onttrokken. Die beperking van het recht op toegang tot bestuursdocumenten zou ook afbreuk doen aan de vrijheid van meningsuiting, zoals gewaarborgd bij artikel 19 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.11.2. De Vlaamse Regering stelt dat de investeringsmaatschappijen, als deel van de « Vlaamse overheid », wel degelijk onder het toepassingsgebied van titel II, hoofdstuk 3, van het Vlaamse Bestuursdecreet ressorteren. Bijgevolg kan het bestreden artikel II.28 geen onevenredige beperking inhouden van het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten. A.11.3. De verzoekende partijen volharden in hun zienswijze dat artikel II.28 de aangevoerde referentienormen schendt doordat het de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid onttrekt aan de algemene regeling inzake openbaarheid van bestuur. Zij voegen hieraan toe dat het Hof hoe dan ook zal moeten vaststellen dat enkel de Limburgse Reconversiemaatschappij, de Participatiemaatschappij Vlaanderen en de Vlaamse Participatiemaatschappij worden opgesomd in de limitatieve lijst van « Vlaamse openbare instellingen die niet behoren tot de Vlaamse administratie », zodat de andere investeringsmaatschappijen wel ontsnappen aan de verplichting tot openbaarheid van bestuur. Verder zou het feit dat het Agentschap Innoveren en Ondernemen de communicatieopdracht op zich neemt voor de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid, impliceren dat er ten aanzien van de investeringsmaatschappijen geen afdwingbaar recht op openbaarheid van bestuur bestaat. Zelfs indien de investeringsmaatschappijen de gevraagde informatie zouden bezitten, zouden ze die niet zelf kunnen meedelen. Aldus wordt op discriminerende wijze afbreuk gedaan aan het recht op openbaarheid van bestuur. A.11.4. De Vlaamse Regering repliceert dat, in zoverre de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord een discriminatie aanvoeren tussen de in het Vlaamse Bestuursdecreet nominatief vermelde investeringsmaatschappijen en de « andere investeringsmaatschappijen », het een nieuw middel betreft dat niet ontvankelijk is. In ieder geval gaan de verzoekende partijen eraan voorbij dat, overeenkomstig artikel I.3, 2°, e), van het Vlaamse Bestuursdecreet, enkel de investeringsmaatschappijen die worden vermeld in het decreet van 7 mei 2004 « betreffende de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid », door de decreetgever werden gekwalificeerd als « Vlaamse openbare instellingen die niet behoren tot de Vlaamse administratie ». Dat decreet van 7 mei 2004 vermeldt enkel de drie in artikel I.3, 4°,
  4. w)tot y), genoemde investeringsmaatschappijen. De andere investeringsmaatschappijen moeten worden beschouwd als « instellingen met een publieke taak » in de zin van artikel I.3, 6°, van het Vlaamse Bestuursdecreet. Zij worden krachtens artikel II.28, § 1, 1°, van het Vlaamse Bestuursdecreet eveneens ten volle onderworpen aan de regels inzake de toegang tot bestuursdocumenten, zodat er geen verschil in behandeling voorhanden is. 8 Het feit dat het Agentschap Innoveren en Ondernemen de communicatieopdracht voor de investeringsmaatschappijen op zich neemt, zou niet impliceren dat de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid niet zelf kunnen ingaan op een door de burger ingediend verzoek tot openbaarheid van bestuur. De verzoekende partijen verwarren de regels inzake de actieve openbaarheid met de regels inzake de passieve openbaarheid. A.12.1. Het vijfde middelonderdeel is gericht tegen artikel II.53 van het Vlaamse Bestuursdecreet, in zoverre die bepaling de investeringsmaatschappijen onttrekt aan de regeling inzake het « hergebruik van overheidsinformatie » die is neergelegd in titel II, hoofdstuk 4, van het Vlaamse Bestuursdecreet. De verzoekende partijen nemen ter zake de grieven over die zij in het vierde middelonderdeel hebben ontwikkeld tegen artikel II.28. A.12.2. De Vlaamse Regering verwijst naar haar antwoord bij het vierde middelonderdeel, dat mutatis mutandis inzake het vijfde middelonderdeel geldt. Als onderdeel van de « Vlaamse overheid » zouden de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid volledig onder het toepassingsgebied van titel II, hoofdstuk 4, van het Vlaamse Bestuursdecreet ressorteren. A.13.1. Het zesde middelonderdeel is gericht tegen artikel IV.273, 4°, van het Vlaamse Bestuursdecreet, dat voorziet in de opheffing van het decreet van 26 maart 2004. Volgens de verzoekende partijen was dat decreet wel van toepassing op de investeringsmaatschappijen. De opheffing van dat decreet zou dan ook leiden tot een vermindering van het beschermingsniveau die de verzoekende partijen benadeelt. A.13.2. De Vlaamse Regering verwijst naar haar uiteenzetting met betrekking tot het vierde en het vijfde middelonderdeel, waarin werd aangetoond dat de bepalingen inzake de « toegang tot bestuursdocumenten » en het « hergebruik van informatie » wel degelijk van toepassing zijn op de investeringsmaatschappijen. Het Vlaamse Bestuursdecreet verschilt ter zake niet van het decreet van 26 maart 2004, zodat er geen sprake kan zijn van een achteruitgang van het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving. A.13.3. Volgens de verzoekende partijen dient het Hof eerst te bepalen of de documenten van een investeringsmaatschappij krachtens artikel II.28, § 1, van het Vlaamse Bestuursdecreet ressorteren onder de regeling inzake de toegang tot bestuursdocumenten van titel II, hoofdstuk 3, van het Vlaamse Bestuursdecreet. In ieder geval zou het Hof moeten vaststellen dat enkel de Limburgse Reconversiemaatschappij, de Participatiemaatschappij Vlaanderen en de Vlaamse Participatiemaatschappij worden opgesomd in de limitatieve lijst van « Vlaamse openbare instellingen die niet behoren tot de Vlaamse administratie », zodat de andere investeringsmaatschappijen niet ressorteren onder de regeling inzake de openbaarheid van bestuur. In dat opzicht zou de opheffing van het decreet van 26 maart 2004 in ieder geval leiden tot een significante achteruitgang van het beschermingsniveau. Wat het eerste middel in de zaak nr. 7119 betreft A.14. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7119 leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel II.7 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 19, 23 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het Verdrag van Aarhus. Zij klagen aan dat de betreden bepaling aan de burger geen geconsolideerde en burgergerichte toegang zou verlenen tot alle gegevens die hem aanbelangen, doch enkel tot de gegevens die op hem betrekking hebben. Die bepaling zou aldus bijzonder nadelige gevolgen hebben, inzonderheid voor lopende dossiers, nu de belanghebbende burger aldus wordt uitgesloten van de toegang tot gegevens die betrekking hebben op een aanpalend perceel of op een perceel in de onmiddellijke omgeving en die een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf kunnen betreffen. A.15. Volgens de Vlaamse Regering mist het middel feitelijke en juridische grondslag. Het bestreden artikel II.7 van het Vlaamse Bestuursdecreet zou immers niet het recht op toegang tot milieu-informatie regelen. Die bepaling strekt ertoe aan een burger de mogelijkheid te bieden om via een virtueel en gecentraliseerd kanaal (het zogenaamde « burgerplatform ») een overzicht te krijgen van zijn gegevens en van zijn interacties met de overheid. Het betreft aldus een aanvullende dienstverlening die ten gunste van de burger wordt verstrekt. 9 De verzoekende partijen zouden dat platform verkeerdelijk voorstellen als een algemene informatiebron waar elke burger toegang toe zou moeten krijgen, ongeacht de vraag of de daarin opgenomen informatie op hem persoonlijk dan wel op derden betrekking heeft. De aanlevering en de consultatie van gegevens via dat informatiekanaal kunnen nochtans enkel gebeuren met inachtneming van de wet- en regelgeving met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens. Om die reden werd de toegang beperkt tot het gebruik door de burger zelf of zijn gemandateerde en is de toegang niet bruikbaar voor andere doeleinden. Dit is overigens in overeenstemming met de adviezen van de Vlaamse Toezichtcommissie voor het elektronisch bestuurlijke gegevensverkeer inzake het zogenaamde « burgerloket ». De bestreden bepaling beperkt bovendien geenszins de algemene toegang tot bestuursdocumenten, die wordt geregeld in hoofdstuk 3 van titel II van het Vlaamse Bestuursdecreet. Toegang tot gegevens die betrekking hebben op een aanpalend perceel of op een perceel in de onmiddellijke omgeving, kan bijgevolg in het kader van de passieve openbaarheidsregeling worden aangevraagd. A.16. De verzoekende partijen antwoorden dat de wetgever de actieve toegang tot bestuursdocumenten weliswaar kan beperken ter bescherming van persoonsgegevens. Zulks is evenwel geen geldige reden om de belanghebbende burgers geheel uit te sluiten van de bij de bestreden bepaling ingestelde toegang tot gegevens die hen nochtans wel aanbelangen. De informatie kan bovendien ook gegevens over rechtspersonen betreffen, die niet de bescherming van persoonsgegevens genieten. A.17. De Vlaamse Regering herhaalt dat de verzoekende partijen een verkeerde draagwijdte geven aan het bestreden artikel II.7 van het Vlaamse Bestuursdecreet. Hij benadrukt nogmaals dat de bestreden bepaling ertoe strekt aan burgers de mogelijkheid te bieden om via een virtueel gecentraliseerd kanaal een overzicht te krijgen van hun eigen gegevens en interacties met de overheid. Het gaat dus niet om een publiek consulteerbare databank, waarin burgers gegevens over natuurlijke en rechtspersonen zouden kunnen raadplegen. De Vlaamse Regering stelt voorts dat het logisch is dat de geconsolideerde en burgergerichte toegang betrekking kan hebben op gegevens van zowel natuurlijke personen als rechtspersonen. Daaruit kan evenwel niet worden afgeleid dat de gegevens over rechtspersonen waarover een overheid beschikt zonder meer beschikbaar moeten worden gesteld, laat staan dat dit zou moeten gebeuren door middel van het thans bestreden artikel II.7 van het Vlaamse Bestuursdecreet. Wat het tweede middel in de zaak nr. 7119 betreft A.18. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door artikel II.8 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 19, 23 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het Verdrag van Aarhus. De bestreden bepaling voorziet erin dat de Vlaamse Regering, die de inspraak van burgers wil verzekeren bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van het beleid, daarover minstens informeert via het consultatieportaal. De verzoekende partijen klagen aan dat die bepaling de Regering niet opdraagt om een zo ruim mogelijke verspreiding van die informatie te verwezenlijken via andere informatiekanalen. De personen die geen toegang hebben tot informatica worden aldus gediscrimineerd ten aanzien van diegenen die wel een dergelijke toegang genieten. A.19. De Vlaamse Regering stelt dat zowel uit de bewoordingen van de bestreden bepaling als uit de toelichting daarbij blijkt dat de bestreden bepaling niet tot doel heeft de communicatie omtrent de inspraak bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van het beleid van de Vlaamse Regering op exhaustieve wijze te regelen. Uit het enkele feit dat de Vlaamse Regering « minstens » via het consultatieportaal op de centrale website van de Vlaamse overheid moet informeren over die inspraak, kan niet a contrario worden afgeleid dat dit enkel via het voormelde consultatieportaal moet gebeuren. Bovendien doet de bestreden bepaling op geen enkele wijze afbreuk aan de reeds bestaande publicatie- en informatieverplichtingen, zoals die zijn opgenomen in andere regelgeving. Uit het gebruik van het woord « minstens » blijkt dat het gaat om een bijkomende informatieverplichting voor de Vlaamse Regering. Aangezien het bestreden artikel II.8 aldus niet uitsluit dat de burgers via andere kanalen worden geconsulteerd, zou die bepaling geen ongerechtvaardigd verschil in behandeling invoeren en zou het middel feitelijke grondslag missen. 10 A.20. De verzoekende partijen antwoorden dat de Vlaamse Regering zich wel degelijk kan beperken tot een bekendmaking via het consultatieportaal op de centrale website van de Vlaamse overheid. Het feit dat een ruimere bekendmaking niet is uitgesloten, vangt de onredelijkheid van het verschil in behandeling dan ook niet op. Wat het derde middel in de zaak nr. 7119 betreft A.21. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending, door artikel II.22 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 19, 23 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het Verdrag van Aarhus. In een eerste onderdeel betwisten zij het feit dat de waarborgen waarin is voorzien in artikel II.22, § 2, enkel gelden « als de toepasselijke regelgeving niet voorziet in elektronische uitwisseling van berichten ». Dit zou geen relevant criterium zijn om die waarborgen al dan niet toe te kennen. In een tweede onderdeel kaarten zij aan dat de overheidsinstanties beperkingen en technische eisen kunnen opleggen aan de uitwisseling via elektronische weg. Die bepaling zou ertoe strekken de burger te verhinderen om opmerkingen te geven die de overheid onwenselijk acht en die de burger op papieren documenten nochtans wel zou kunnen geven. Aldus zou de overheid het behoorlijke verloop van de openbare onderzoeken kunnen beperken. A.22. De Vlaamse Regering stelt dat het middel feitelijke en juridische grondslag mist. Wat het eerste middelonderdeel betreft, voert zij aan dat het bestreden artikel II.22 geen waarborgen aan de burger ontzegt. Indien de toepasselijke wet- of regelgeving reeds in een elektronische uitwisseling van berichten voorzag, raakt de bestreden bepaling niet aan die procedure. Indien er nog geen elektronische procedure bestond, laat de bestreden bepaling toe de bestaande procedure te digitaliseren, hetgeen moet gebeuren met inachtneming van de in die bepaling vermelde waarborgen. Wat het tweede middelonderdeel betreft, benadrukt de Vlaamse Regering dat de bestreden bepaling het enkel mogelijk maakt analoge procedures ook digitaal te laten verlopen, zonder dat zij toestaat uitsluitend te voorzien in de uitwisseling van berichten via elektronische weg. De mogelijkheid voor overheidsinstanties om aan de uitwisseling van berichten via elektronische weg beperkingen op te leggen, strekt ertoe te voorkomen dat de gebruikers volgens hun eigen inzichten de elektronische uitwisseling van berichten op de meest diverse manieren gaan invullen. De interactie met de gebruiker wordt door de overheidsinstantie specifiek voor een welbepaalde procedure uitgetekend, waarbij de geprefereerde kanalen worden vastgesteld en de gebruiker wordt gevraagd de procedure in acht te nemen. Die regeling strekt ertoe voldoende waarborgen aan de gebruikers te bieden, en laat de overheidsinstantie niet toe beperkingen op te leggen aan de inhoud van het elektronische bericht. De burger kan er bovendien steeds voor kiezen niet in te stemmen met de uitwisseling van berichten via elektronische weg of zijn instemming in te trekken, waardoor de betrokken procedure via analoge weg zal verlopen. Het recht op inspraak wordt dan ook niet beknot. A.23. Inzake het eerste middelonderdeel benadrukken de verzoekende partijen dat uit de bewoordingen van het bestreden artikel II.22, § 2, duidelijk blijkt dat de daarin vermelde voorwaarden niet gelden als de toepasselijke regelgeving voorziet in de elektronische uitwisseling van berichten. De Vlaamse Regering zou niet aantonen dat die voorwaarden alsnog gelden ingevolge andere regelgeving. Inzake het tweede middelonderdeel, herhalen de verzoekende partijen dat het opleggen van beperkingen en technische eisen afbreuk doet aan het inhoudelijke bezwaarrecht, terwijl die beperkingen er niet zijn in geval van een papieren bezwaarschrift. Wat het vierde middel in de zaak nr. 7119 betreft A.24. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending, door artikel II.23 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 23 en 32 van de Grondwet. 11 Zij kaarten aan dat « het tijdstip waarop het bericht het informaticasysteem verlaat dat de overheidsinstantie gebruikt » geldt als aanvangspunt voor een termijn. Doordat die termijn aldus begint te lopen op een ogenblik dat de geadresseerde nog geen kennis kan hebben van de inhoud van het bericht of het document, beperkt de bestreden bepaling op onevenredige wijze zijn rechten van verdediging. Dit geldt des te meer nu voor de overheidsinstantie « het tijdstip waarop het bericht het informaticasysteem dat die overheidsinstantie gebruikt, bereikt » geldt als ogenblik waarop dat bericht door die instantie is ontvangen. A.25. De Vlaamse Regering stelt dat het middel feitelijke en juridische grondslag mist. Het bestreden artikel II.23 van het Vlaamse Bestuursdecreet bepaalt enkel wat moet worden begrepen onder het tijdstip van verzending en het tijdstip van ontvangst van een elektronisch bericht door een overheidsinstantie. Die bepaling regelt geenszins het aanvangspunt van een beroepstermijn. Daarvoor dient te worden teruggevallen op de bestaande wet- en regelgeving hieromtrent. Bijgevolg zou er geen sprake kunnen zijn van een onevenredige beperking van het recht van verdediging. In ieder geval zou het evident zijn dat, voor de elektronische berichten die een overheidsinstantie verstuurt, het tijdstip waarop die berichten het informaticasysteem van de overheidsinstantie verlaten in aanmerking wordt genomen, en, voor de elektronische berichten die een overheidsinstantie ontvangt, het tijdstip waarop die berichten het informaticasysteem van de overheidsinstantie bereiken. Dit wordt ook bevestigd door het feit dat, wanneer de overheidsinstantie een elektronisch bericht verstuurt en de geadresseerde gebruik maakt van hetzelfde informatiesysteem, het tijdstip waarop het bericht voor de geadresseerde toegankelijk wordt zowel als tijdstip van verzending door de overheidsinstantie als als tijdstip van ontvangst door de geadresseerde geldt. A.26. De verzoekende partijen antwoorden dat de bestreden bepaling weliswaar niet uitdrukkelijk het aanvangspunt van een termijn bepaalt, doch wel bepaalt wat moet worden begrepen onder het tijdstip van verzending van een elektronisch document door een overheidsinstantie. Dat tijdstip is cruciaal bij het bepalen van de aanvangsdatum van een termijn, die in beginsel immers ingaat op het ogenblik dat de geadresseerde wordt geacht kennis te hebben genomen van het document. Zij herhalen voorts dat het in aanmerking genomen tijdstip niet noodzakelijk samenvalt met het tijdstip waarop het elektronisch document wordt ontvangen. Wat het vijfde middel in de zaak nr. 7119 en het eerste middel in de zaak nr. 7148 betreft A.27. Het vijfde middel in de zaak nr. 7119 en het eerste middel in de zaak nr. 7148 zijn afgeleid uit de schending, door artikel II.25 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 19, 23 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het Verdrag van Aarhus. Door te bepalen dat de overheidsinstanties de analoge bestuursdocumenten kunnen vervangen door elektronische kopieën, zou de bestreden bepaling een te algemene uitzondering invoeren op het grondrecht van de openbaarheid van bestuursdocumenten, zoals gewaarborgd bij artikel 32 van de Grondwet. Dat grondrecht houdt in dat de bestuursdocumenten niet mogen worden vernietigd en dat het originele, analoge bestuursdocument permanent moet worden bewaard. Het feit dat de overheidsinstantie van het originele, analoge bestuursdocument een elektronische kopie maakt die de iure dezelfde geldigheid als het origineel heeft, is geen afdoende verantwoording voor de vervanging en vernietiging van het analoge bestuursdocument. Geen enkel systeem, hoe deskundig ook, kan waarborgen dat een elektronische kopie geheel overeenstemt met het originele analoge document. De bestreden bepaling zou daarenboven op discriminerende wijze afbreuk doen aan artikel 32 van de Grondwet, in zoverre de mogelijkheid tot vervanging enkel geldt voor de « analoge bestuursdocumenten die ze opmaken of ontvangen bij de toepassing van wettelijke of reglementaire bepalingen », doch niet voor de andere bestuursdocumenten, die dus niet geldig kunnen worden vervangen door elektronische kopieën. A.28. De Vlaamse Regering stelt dat het bestreden artikel II.25 van het Vlaamse Bestuursdecreet niet onder het toepassingsgebied van artikel 32 van de Grondwet ressorteert. De bestreden bepaling regelt immers niet de toegang tot bestuursdocumenten, doch enkel de mogelijkheid tot vervanging van een analoog bestuursdocument door een elektronische kopie. Die vervanging beperkt geenszins de toegang tot bestuursdocumenten, nu de elektronische kopie nog steeds in analoge vorm (door middel van een uitprint) openbaar kan worden gemaakt. De vervanging door een elektronische kopie betreft dus enkel de vernietiging van de analoge drager, maar niet de vernietiging van de informatie zelf. De bestreden bepaling doet bijgevolg geen afbreuk aan het permanente karakter van overheidsinformatie. 12 Zelfs indien de bestreden bepaling onder het toepassingsgebied van artikel 32 van de Grondwet zou ressorteren, doet zij volgens de Vlaamse Regering geen afbreuk aan de waarborgen vervat in die grondwetsbepaling. De bestreden bepaling voorziet immers enkel in de mogelijkheid om analoge bestuursdocumenten door elektronische kopieën te vervangen, zonder de betrokken overheidsinstantie daartoe te verplichten. Indien de overheidsinstantie beslist over te gaan tot vervanging, dient zij bovendien rekening te houden met de kwalitatieve vereisten die krachtens artikel II.25, tweede lid, zijn vastgesteld bij een besluit van 18 januari 2019. Die regels betreffen de werkwijze die gehanteerd wordt bij de vervanging van analoge bestuursdocumenten en de voorwaarden die worden gesteld aan de bewaring van een elektronische kopie. Zij dragen aldus ertoe bij dat de integriteit en de authenticiteit van de elektronische kopie te allen tijde gewaarborgd blijft. Bovendien kan niet elk analoog bestuursdocument worden vernietigd. Zo voorziet artikel 4 van het voormelde besluit van 18 januari 2019 erin dat de analoge drager niet mag worden vervangen wanneer de analoge drager zelf zeer waardevolle en essentiële informatie verschaft over het bestuursdocument. Tot slot zou de decreetgever met de bewoordingen « bij de toepassing van wettelijke of reglementaire bepalingen » slechts de juridische geldigheid hebben willen waarborgen van de vervanging van analoge bestuursdocumenten door elektronische kopieën in situaties waar de opmaak van dat bestuursdocument geregeld wordt door een decretale of reglementaire norm. Andere bestuursdocumenten, die niet zijn opgemaakt in het kader van een reglementair proces en waarvoor dus ook geen vormvereisten zijn vastgelegd, kunnen immers zonder meer worden vervangen door elektronische kopieën. A.29.1. Peter Verhaeghe, Claude Archer, Thomas Goorden en Wim Van Roy, die zowel in de zaak nr. 7119 als in de zaak nr. 7148 verzoekende partijen zijn, vragen het Hof vast te stellen dat zij afstand doen van het vijfde middel in de zaak nr. 7119, gelet op de identieke grieven die zij ontwikkelen in het eerste middel in de samengevoegde zaak nr. 7148. De andere verzoekende partijen in de zaak nr. 7119, zijnde de vzw « De Wakkere Burger » en de vzw « Straatego », benadrukken dat zij geen afstand doen van het vijfde middel. A.29.2. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7119 en 7148 verduidelijken dat de vraag niet is of de overheid elektronische kopieën mag maken, doch wel of zij analoge documenten mag vervangen, hetgeen de materiële vernietiging daarvan inhoudt. Artikel 32 van de Grondwet waarborgt de toegang tot het originele document, zonder dat de burger bij de inzage genoegen moet nemen met een elektronische kopie. De verplichte kwalitatieve waarborgen bieden geen afdoende bescherming, nu elke vervanging fouten kan inhouden en de materiële vernietiging van het analoge document inmiddels onherroepelijk en onherstelbaar is. A.30. De Vlaamse Regering verwijst naar het arrest nr. 97/2019 van 6 juni 2019, waarbij het Hof de vordering tot schorsing van artikel II.25 van het Vlaamse Bestuursdecreet heeft verworpen omdat de loutere vervanging van een analoog bestuursdocument door een identieke elektronische kopie de verzoekende partijen geen nadeel kan berokkenen. Het Hof zou aldus impliciet maar zeker hebben bevestigd dat het bestreden artikel II.25 van het Vlaamse Bestuursdecreet geen afbreuk kan doen aan het in artikel 32 van de Grondwet gewaarborgde recht op toegang tot bestuursdocumenten. Voorts herhaalt de Vlaamse Regering dat, indien de overheidsinstantie beslist om een analoog bestuursdocument te vervangen door een elektronisch bestuursdocument, zij bovendien rekening dient te houden met de kwalitatieve vereisten die krachtens artikel II.25, tweede lid, zijn vastgesteld bij het besluit van 18 januari 2019. Wat het zesde middel in de zaak nr. 7119 betreft A.31. De verzoekende partijen leiden een zesde middel af uit de schending, door artikel II.31 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het Verdrag van Aarhus, in zoverre het bepaalt dat de overheid enkel verplicht is hetzij inzage in het bestuursdocument te verlenen, hetzij er een afschrift van te overhandigen, hetzij er uitleg over te geven. 13 Die verplichting om een keuze te maken tussen « inzage », « uitleg » of « afschrift » zou in strijd zijn met artikel 32 van de Grondwet, met de artikelen 3, 4, 6 en 9 van het Verdrag van Aarhus en met de richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 « inzake de toegang van het publiek tot milieu- informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad » (hierna : de richtlijn 2003/4/EG), die voorzien in het recht om een bestuursdocument te raadplegen én er een afschrift van te krijgen. Het feit dat de aanvrager eerst nog de kosten van het afschrift moet kennen, zou geen afdoende verantwoording uitmaken voor die beperking. A.32. De Vlaamse Regering stelt dat noch uit de bewoordingen van het bestreden artikel II.31, noch uit de memorie van toelichting bij die bepaling blijkt dat de aanvrager een keuze moet maken tussen de inzage in, het afschrift van of de uitleg over bestuursdocumenten. Het gebruik van het voegwoord « of » in de bestreden bepaling strekt er louter toe te verduidelijken dat de aanvrager de keuze heeft tussen die vormen van openbaarmaking, zonder dat de keuze voor de ene vorm een keuze voor een andere vorm uitsluit. A.33. De verzoekende partijen antwoorden dat de bestreden bepaling duidelijk een keuze oplegt aan de aanvrager, en dat de lokale besturen de bepaling ook in die zin toepassen. Wat het enige middel in de zaak nr. 7213 betreft A.34. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7213 leiden een enig middel af uit de schending, door artikel II.34 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11 en 32 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij betwisten het feit dat de bestreden bepaling een aantal absolute uitzonderingsgronden invoert, waarbij de aanvraag tot toegang tot bestuursdocumenten wordt afgewezen als die afbreuk doet aan het beschermde belang, zonder dat dat belang wordt afgewogen tegen het belang van de openbaarheid. Aldus zou op onevenredige wijze afbreuk worden gedaan aan artikel 32 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, die een dergelijke belangenafweging vereisen. De verzoekende partij verwijst ter zake naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 november 2016, waaruit zou volgen dat die verdragsbepaling een recht op toegang tot informatie inzake overheidshandelen omvat wanneer dit verband houdt met de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, alsmede dat een concrete belangenafweging tussen het beschermde belang en het belang van de openbaarheid vereist is. Voorts zou de bestreden bepaling aldus leiden tot ongeoorloofde verschillen in behandeling bij vragen naar toegang tot bestuursdocumenten tussen de rechtsonderhorigen wier vraag op grond van de bestreden bepaling stuit op een absolute uitzonderingsgrond en de rechtsonderhorigen wier vraag op grond van de artikelen II.35 en II.36 stuit op een relatieve uitzonderingsgrond. A.35.1. De Vlaamse Regering stelt dat noch uit de bewoordingen van artikel 32 van de Grondwet, noch uit de parlementaire voorbereiding daarvan blijkt dat de Grondwetgever uitsluitend relatieve uitzonderingsgronden toelaatbaar achtte. Dit zou verklaren waarom er van oudsher absolute uitzonderingsgronden zijn opgenomen in de wet van 11 april 1994 « betreffende de openbaarheid van bestuur », evenals in de vroegere Vlaamse openbaarheidsdecreten. Ook het Hof zou reeds hebben bevestigd dat absolute uitzonderingsgronden op zich niet onverenigbaar zijn met artikel 32 van de Grondwet. De Grondwetgever vereist weliswaar een afweging van het belang van de openbaarheid met het belang beschermd in de uitzonderingsgrond. Die afweging kan evenwel gebeuren hetzij op wetgevend niveau, hetzij, indien de wetgever dit aangewezen acht, op het niveau van de overheidsinstantie waaraan de vraag tot openbaarmaking is gericht. 14 Uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden artikel II.34 van het Vlaamse Bestuursdecreet blijkt dat de decreetgever, voor elke absolute uitzonderingsgrond die daarin is opgenomen, een dergelijke afweging heeft gemaakt. Het spreekt voor zich dat die belangenafweging resulteert in een absolute uitzonderingsgrond, aangezien er geen individuele belangenafweging meer dient te gebeuren door de overheidsinstantie waaraan de burger zijn vraag richt. Toch moet ook in die gevallen in concreto worden beoordeeld of de openbaarmaking effectief afbreuk doet aan het belang dat de decreetgever heeft willen beschermen. Enkel indien dat vaststaat, moet het belang van de openbaarmaking wijken. Daarenboven wijst de Vlaamse Regering op het principe van de gedeeltelijke openbaarmaking, dat inhoudt dat enkel de informatie die onder een concrete uitzonderingsgrond valt aan de openbaarheid kan worden onttrokken en zo mogelijk gedeeltelijke toegang tot het document moet worden verleend. Die elementen tonen aan dat de in artikel II.34 opgenomen uitzonderingsgronden helemaal niet zo « absoluut » zijn, en dat zij geen onevenredige beperking inhouden van het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten zoals gewaarborgd bij artikel 32 van de Grondwet. A.35.2. Voorts merkt de Vlaamse Regering op dat de verzoekende partij niet dienstig kan verwijzen naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 november 2016. De redenering die het Europees Hof in die zaak hanteerde, zou geenszins mutatis mutandis van toepassing zijn op de thans bestreden bepaling. De verzoekende partij maakt in de eerste plaats niet duidelijk op welke manier dat arrest een weerslag zou kunnen hebben op de uitzonderingsgronden die zijn opgesomd in artikel II.34, 1° en 3° tot 6°, van het Vlaamse Bestuursdecreet. Die uitzonderingsgronden hebben immers geen betrekking op de bescherming van persoonsgegevens, wat het eigenlijke voorwerp is van het voormelde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Daarenboven betrof die zaak een louter machinale toepassing door het bestuur van een uitzonderingsgrond, zonder dat werd nagegaan of de openbaarmaking effectief afbreuk zou doen aan de bescherming van persoonsgegevens. Een dergelijke situatie is in casu niet aan de orde. Indien het bestuur toepassing wilt maken van één van de uitzonderingsgronden die in artikel II.34 zijn opgenomen, zal het immers steeds moeten motiveren dat de openbaarmaking afbreuk zou doen aan een belang dat de decreetgever heeft willen beschermen. A.35.3. Tot slot is er volgens de Vlaamse Regering geen sprake van een onverantwoord verschil in behandeling tussen de rechtsonderhorigen wier aanvraag stuit op een absolute uitzonderingsgrond en de rechtsonderhorigen wier aanvraag stuit op een relatieve uitzonderingsgrond. De decreetgever vermocht wel degelijk een onderscheid te maken tussen absolute en relatieve uitzonderingsgronden. Het verschil in behandeling vindt daarenboven zijn verantwoording in het feit dat de decreetgever, voor de in artikel II.34 opgenomen uitzonderingsgronden, zelf de belangenafweging heeft gemaakt en dat ook die absolute uitzonderingsgronden relatieve aspecten bevatten. Voorts is de bijzondere regeling voor milieu-informatie, die is neergelegd in artikel II.36 van het Vlaamse Bestuursdecreet, tot stand gekomen onder invloed van het Verdrag van Aarhus en de richtlijn 2003/4/EG, die voor de toegang tot milieu-informatie een soepelere openbaarheid vereisen, onder meer via het principe van relatieve uitzonderingsgronden. In zoverre de verzoekende partij kritiek heeft op de absolute uitzonderingsgrond voor de vraag naar informatie die stuit op een geheimhoudingsplicht, is de grief volgens de Vlaamse Regering niet gericht tegen artikel II.34, 1°, doch wel tegen de wettelijke bepaling waarbij die geheimhoudingsplicht werd ingevoerd. A.36. De verzoekende partij betwist de zienswijze dat de decreetgever voor elke uitzonderingsgrond zou zijn overgegaan tot een afweging van het daarin beschermde belang met het belang van de openbaarheid. De decreetgever zou ook niet hebben verantwoord waarom het vooropgestelde doel niet evenzeer kan worden bereikt via een relatieve uitzonderingsgrond. Het feit dat relatieve uitzonderingsgronden een even doelmatige bescherming bieden, zou worden bevestigd door het feit dat de decreetgever in artikel II.36 heeft voorzien in dezelfde uitzonderingsgronden voor milieu-informatie, zij het wel met een relatief karakter. De verzoekende partij erkent dat artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet voorziet in een algemeen recht op toegang tot bestuursdocumenten, doch dat recht enkel waarborgt wanneer het verband houdt met de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting. Doordat de bestreden bepaling evenwel in alle gevallen een concrete belangenafweging tussen het beschermde belang en het belang van de openbaarheid uitsluit, wordt op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan artikel 32 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de voormelde verdragsbepaling. De verzoekende partij voert daarbij nog aan dat er geen reden is om aan te nemen dat de principes die zijn uiteengezet in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 november 2016, beperkt zouden blijven tot de situatie waarbij de aanvraag tot openbaarmaking betrekking heeft op bestuursdocumenten die persoonsgegevens bevatten. 15 Tot slot handhaaft de verzoekende partij de zienswijze dat de bestreden bepaling leidt tot verscheidene verschillen in behandeling, doordat zij voorziet in absolute uitzonderingsgronden terwijl de artikelen II.35 en II.36 voorzien in relatieve uitzonderingsgronden. Die discriminatie is telkens gelegen in het feit dat er bij de absolute uitzonderingsgronden, anders dan bij de relatieve uitzonderingsgronden, geen afweging plaatsvindt tussen het beschermde belang en het belang van de openbaarheid, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. De door de Vlaamse Regering aangevoerde internationaalrechtelijke verplichtingen kunnen weliswaar verantwoorden waarom de decreetgever voor milieu-informatie in artikel II.36 heeft voorzien in relatieve uitzonderingsgronden. Zulks biedt evenwel geen verantwoording voor de absolute uitzonderingsgronden in artikel II.34. Wat het zevende middel in de zaak nr. 7119 betreft A.37. De verzoekende partijen leiden een zevende middel af uit de schending, door artikel II.34 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 23 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het Verdrag van Aarhus, met de hoorplicht, met de rechten van verdediging en met de beginselen van behoorlijk bestuur. In een eerste onderdeel kaarten zij aan dat een aanvraag tot openbaarmaking op grond van artikel II.34, 3°, kan worden afgewezen door een milieu-instantie ter bescherming van het geheim van de beraadslagingen van haar organen. Nochtans zou geen enkele wets- of decreetsbepaling voorzien in een geheim van beraadslaging voor de milieu-instanties, en zou een louter contractuele regeling niet tegenstelbaar zijn aan derden. Het door de decreetgever nagestreefde doel te vermijden dat politieke discussies lam worden gelegd, zou niet gelden voor die instanties. In een tweede onderdeel bestrijden zij de mogelijkheid waarin is voorzien in artikel II.34, 4°, om de aanvraag tot openbaarheid te weigeren indien het om bestuursdocumenten gaat die uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie zijn opgesteld. Zij kaarten aan dat die bepaling niet voorziet in een temporele beperking van die uitzonderingsgrond, namelijk zolang de mogelijkheid om een strafsanctie of een administratieve sanctie te nemen blijft bestaan, terwijl de uitzonderingsgrond waarin is voorzien in artikel II.34, 5°, met betrekking tot documenten opgesteld ten behoeve van een tuchtsanctie, wel voorziet in een dergelijke temporele beperking. Die uitzonderingsgrond zou bovendien afbreuk doen aan de rechten van verdediging van de persoon die het voorwerp van een administratieve sanctie uitmaakt, nu die persoon geen openbaarheid kan verkrijgen van documenten die hem nochtans wel aanbelangen. In een derde onderdeel voeren zij aan dat de mogelijkheid waarin is voorzien in artikel II.34, 5°, om de aanvraag tot openbaarheid te weigeren indien het om bestuursdocumenten gaat die uitsluitend ten behoeve van tuchtmaatregelen zijn opgesteld, een schending uitmaakt van de rechten van verdediging. Het feit dat die uitzonderingsgrond slechts geldt zolang een tuchtmaatregel kan worden opgelegd, zou geen afdoende verantwoording bieden, nu de openbaarheid op dat ogenblik des te belangrijk is om een deugdelijk verweer te kunnen voorbereiden. In een vierde onderdeel bekritiseren zij de mogelijkheid waarin is voorzien in artikel II.34, 6°, om de aanvraag tot openbaarheid te weigeren ter bescherming van de vertrouwelijke informatie die een derde heeft verstrekt zonder dat hij daartoe verplicht is. Dossiers van strafprocedures, administratieve procedures en tuchtprocedures worden immers gevoed door zogenaamde « vertrouwelijke » informatie van personen die bezwarende beschuldigingen uiten. Het zou onredelijk zijn die informatie op algemene wijze te onttrekken aan de openbaarheid van bestuur, waardoor aan de persoon die door die informatie bijzonder wordt benadeeld geen tegenspraak wordt geboden. In ieder geval zou die bepaling niet aldus mogen worden gelezen dat ook de naam van de derde kan worden achtergehouden. A.38.1. De Vlaamse Regering voert inzake het eerste onderdeel van het zevende middel aan dat de in artikel II.34, 2°, opgenomen uitzonderingsgrond van het geheim van de beraadslaging geldt voor alle collegiale organen, met inbegrip van de milieu-instanties. Om tot een gezamenlijke beslissing te komen, is het immers van belang dat binnen de respectieve organen standpunten kunnen worden ingenomen die desnoods van de openbaarheid kunnen worden afgeschermd. Niets belet dat de geheimhoudingsplicht wordt opgenomen in de statuten van de betrokken organisatie. Een dergelijke contractuele regeling is wel degelijk tegenstelbaar aan derden, in zoverre zij behoorlijk werd bekendgemaakt. 16 A.38.2. Wat het tweede onderdeel van het zevende middel betreft, stelt de Vlaamse Regering dat de verschillende regeling in artikel II.34, 4°, en artikel II.34, 5°, wat de temporele beperking van de uitzonderingsgrond betreft, niet discriminerend is. Het zou immers verantwoord zijn dat bestuursdocumenten die uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie zijn opgesteld, permanent moeten worden uitgesloten van de openbaarmaking, gelet op het gevoelige karakter van die documenten, terwijl een dergelijke bezorgdheid zich niet zou voordoen voor bestuursdocumenten die uitsluitend ten behoeve van mogelijke tuchtmaatregelen zijn opgesteld. Indien het Hof toch van oordeel zou zijn dat artikel II.34, 4°, onevenredig is, zou dit enkel het gevolg zijn van een leemte in die bepaling, doordat zij niet voorziet in een temporele beperking. Die bepaling doet bovendien geen afbreuk aan de rechten van verdediging, doch heeft net tot doel het goede verloop van het onderzoek te verzekeren. Tijdens de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie is het immers niet aangewezen dat de generieke bepalingen inzake de openbaarheid van bestuursdocumenten van toepassing zijn. De toegang tot de bestuursdocumenten die de betrokkene aanbelangen, wordt in dat geval geregeld door specifieke wet- en regelgeving met betrekking tot de inzage in het dossier. A.38.3. Wat het derde onderdeel van het zevende middel betreft, voert de Vlaamse Regering in dezelfde zin aan dat het bestreden artikel II.34, 5°, geen afbreuk doet aan de rechten van verdediging, doch net tot doel heeft het goede verloop van het tuchtonderzoek te verzekeren. Daarenboven gelden voor tuchtprocedures specifieke bepalingen met betrekking tot de toegang tot en de inzage in het tuchtdossier door de betrokkene. A.38.4. Wat tot slot het vierde onderdeel van het zevende middel betreft, voert de Vlaamse Regering aan dat de verzoekende partijen geenszins uiteenzetten waarom het onredelijk zou zijn dat de in artikel II.34, 6°, bedoelde informatie aan de openbaarheid wordt onttrokken. De Vlaamse Regering vervolgt dat de in die bepaling neergelegde uitzonderingsgrond noodzakelijk is ter bescherming van personen die vrijwillig vertrouwelijke informatie aan een overheidsinstantie hebben bezorgd. Voorts zou uit die bepaling niet voortvloeien dat de naam van de betrokken derde geheim moet worden gehouden. De overheidsinstantie zou die identiteitsgegevens echter wel op grond van artikel II.34, 2°, van het Vlaamse Bestuursdecreet, ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, aan de openbaarheid kunnen onttrekken. Wat het achtste middel in de zaak nr. 7119 betreft A.39. De verzoekende partijen leiden een achtste middel af uit de schending, door artikel II.35 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 19, 23 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het Verdrag van Aarhus, met de hoorplicht, met de rechten van verdediging en met de beginselen van behoorlijk bestuur. Zij betwisten dat een aanvraag tot openbaarmaking op grond van artikel II.35, 4°, kan worden afgewezen door een overheidsinstantie ter bescherming van de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding. Het beginsel van eerlijke procesvoering omvat ook de plicht tot loyale medewerking en procespartijen kunnen bijgevolg geen stukken aan de neerlegging bij de rechter onttrekken. A.40. De Vlaamse Regering verwijst naar de vaste beslissingspraktijk van de beroepsinstantie inzake het vroegere artikel 14, 4°, van het decreet van 26 maart 2004, dat dezelfde uitzonderingsgrond bevatte als het bestreden artikel II.35. Uit die beslissingspraktijk, evenals uit de memorie van toelichting bij de bestreden bepaling, zou blijken dat er wel degelijk een redelijke verantwoording voor die uitzonderingsgrond bestaat. De Vlaamse Regering benadrukt voorts dat het te dezen een relatieve uitzonderingsgrond betreft, zodat de overheidsinstantie steeds geval per geval zal moeten oordelen of die uitzonderingsgrond kan worden aangevoerd en of er in het bijzonder sprake is van een rechtsgeding. A.41. De verzoekende partijen antwoorden dat uit de aangevoerde beslissingspraktijk van de beroepsinstantie geenszins kan worden afgeleid dat de bestreden uitzonderingsgrond grondwettig is. 17 Wat het negende middel in de zaak nr. 7119 betreft A.42. De verzoekende partijen leiden een negende middel af uit de schending, door artikel II.36 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 23 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het Verdrag van Aarhus, met de hoorplicht, met de rechten van verdediging en met de beginselen van behoorlijk bestuur. Zij voeren tegen het bestreden artikel II.36, dat uitzonderingsgronden bevat voor de bekendmaking van milieu-informatie, dezelfde grieven aan als die welke in hun zevende middel, gericht tegen artikel II.34, zijn uiteengezet. A.43. De Vlaamse Regering verwijst naar haar antwoord inzake het zevende middel, dat zij mutatis mutandis overneemt. Wat het tiende middel in de zaak nr. 7119 betreft A.44. De verzoekende partijen leiden een tiende middel af uit de schending, door artikel II.38 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de hoorplicht. Zij kaarten aan dat de overheidsinstanties voor wetenschappelijke doeleinden persoonlijke gegevens aan de universiteiten, hogescholen of onderzoeksinstellingen kunnen meedelen, en dit zonder enige anonimiseringsplicht en zonder gehouden te zijn aan de uitzonderingsgrond ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Doordat zij die persoonlijke informatie mogen meedelen zonder de instemming van de betrokkene, terwijl die instemming krachtens artikel II.34, 5°, wel vereist is voor de mededeling van bestuursdocumenten die uitsluitend ten behoeve van de mogelijke toepassing van tuchtmaatregelen zijn opgesteld, zou het bestreden artikelen II.38 afbreuk doen aan de in het middel aangevoerde toetsingsnormen. A.45.1. De Vlaamse Regering voert aan dat de inmenging die de bestreden bepaling kan vormen in het recht op het privéleven, verantwoord is door het nagestreefde doel om wetenschappelijk onderzoek te faciliteren. Die bepaling is bovendien noodzakelijk en evenredig, nu zij geen vrijgeleide inhoudt voor de overheidsinstanties om universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstellingen zonder meer toegang te verlenen tot informatie die de persoonlijke levenssfeer aanbelangt. Zulks dient immers te gebeuren met inachtneming van artikel 89, lid 1, van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de algemene verordening gegevensbescherming). Krachtens die bepaling is de verwerking met het oog op wetenschappelijk onderzoek onderworpen aan passende waarborgen. De bestreden bepaling houdt bovendien geen verplichting in voor de overheidsinstantie om de gevraagde documenten die persoonlijke informatie bevatten, voor wetenschappelijke doeleinden mee te delen aan de betrokken universiteit, hogeschool of erkende onderzoeksinstelling. Wanneer de overheidsinstantie vaststelt dat de aanvraag tot openbaarmaking onvoldoende waarborgen biedt voor een correcte verwerking van de betrokken persoonsgegevens, zal zij de in het Vlaamse Bestuursdecreet vermelde uitzonderingsgronden alsnog aanvoeren om de aanvraag tot openbaarmaking af te wijzen. Tot slot stelt de Vlaamse Regering dat de aard van de gegevens bedoeld in artikel II.34, 5°, van het Vlaamse Bestuursdecreet fundamenteel verschilt van die van de gegevens bedoeld in het bestreden artikel II.38, wat verantwoordt dat zij niet op dezelfde wijze worden behandeld. 18 A.45.2. In haar memorie van wederantwoord wijst de Vlaamse Regering op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2019 « tot regeling van de aanvragen tot openbaarmaking voor wetenschappelijke doeleinden, vermeld in artikel II.38 van het bestuursdecreet van 7 december 2018 », dat op 20 mei 2019 in werking is getreden. Uit de bepalingen van dat besluit, die inhoudelijk aansluiten bij wat voordien reeds was bepaald in artikel 14 van het decreet van 9 juli 2010 « betreffende de bestuurlijk-administratieve archiefwerking », blijkt dat de specifieke toegang voor universiteiten, hogescholen en erkende onderzoeksinstellingen strikt gereglementeerd is. De eventuele toepassing van artikel II.38 van het Vlaamse Bestuursdecreet houdt dus geen vrijgeleide in voor overheidsinstanties om universiteiten, hogescholen en erkende onderzoeksinstellingen zonder meer toegang te verlenen tot informatie die de persoonlijke levenssfeer aanbelangt. Het feit dat de afdeling wetgeving van de Raad van State geen inhoudelijke opmerkingen heeft geformuleerd bij het ontwerp van besluit dat heeft geleid tot het voormelde besluit van 1 februari 2019, bevestigt dat de bestreden regeling, die overigens aansluit bij de algemene verordening gegevensbescherming, geenszins onredelijk is. Wat het elfde middel in de zaak nr. 7119 betreft A.46. De verzoekende partijen leiden een elfde middel af uit de schending, door artikel II.40 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 22 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In een eerste onderdeel betwisten zij de verplichting om in de aanvraag tot openbaarmaking het adres van de aanvrager mee te delen. Het adres zou nochtans geen relevant gegeven zijn om te beoordelen of de aanvraag moet worden ingewilligd. Die verplichting zou bovendien haaks staan op de aanspraak op geïnformatiseerde openbaarheid, die wordt vooropgesteld in het Verdrag van Aarhus en de richtlijn 2003/4/EG. Voorts zou niet blijken wat de overheid met die privégegevens zal doen, noch waarom de mededeling van het correspondentieadres niet kan volstaan om de aanvraag te beoordelen en het antwoord te bezorgen. In een tweede onderdeel betwisten zij de verplichting voor de aanvrager om een keuze te maken tussen de inzage in en het afschrift van het betrokken bestuursdocument. Zij nemen daarbij de grieven over zoals uiteengezet in het zesde middel. In een derde onderdeel bestrijden zij het feit dat de aanvrager geen rechtstreeks en persoonlijk belang moet aantonen voor de openbaarmaking van informatie van persoonlijke aard, in zoverre die aanvraag betrekking heeft op bestuursdocumenten die meer dan 30 jaar geleden zijn opgemaakt of ontvangen. Het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokkene zou in dat geval nochtans evenzeer in het gedrang kunnen komen, namelijk wanneer de betrokken persoon nog steeds leeft of nog geen 20 of 30 jaar geleden is overleden. In een vierde onderdeel bekritiseren zij het feit dat de aanvrager geen rechtstreeks en persoonlijk belang moet aantonen voor de openbaarmaking van informatie van persoonlijke aard, in zoverre die openbaarmaking wordt aangevraagd in het kader van wetenschappelijk onderzoek. Zij verwijzen ter zake naar de grieven uiteengezet in het achtste middel. A.47. Wat het eerste onderdeel van het elfde middel betreft, ziet de Vlaamse Regering niet in op welke wijze de verplichting om in een aanvraag tot openbaarheid het adres mee te delen, afbreuk zou kunnen doen aan het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten. Het betreft immers geen inhoudelijk criterium op basis waarvan de aanvraag tot openbaarheid zal worden beoordeeld, maar een louter praktisch gegeven dat noodzakelijk is met het oog op de verwerking van de aanvraag. De invoering van die vereiste strekt ertoe een einde te maken aan aanvragen tot openbaarheid die onder een fictieve naam worden ingediend. Die vereiste zou voorts niet beletten dat een burger zijn aanvraag tot openbaarheid op geïnformatiseerde wijze aan de overheidsinstantie kan richten. Wat het tweede onderdeel van het elfde middel betreft, neemt de Vlaamse Regering zijn antwoord inzake het zesde middel over. 19 Wat het derde en het vierde onderdeel van het elfde middel betreft, stelt de Vlaamse Regering dat de verzoekende partijen uitgaan van een foutieve lezing van artikel II.40, § 3, vierde lid, 3° en 4°, van het Vlaamse Bestuursdecreet. Die bepalingen zouden betrekking hebben op de ontvankelijkheid van een aanvraag tot openbaarheid, waarbij wordt nagegaan of het vereiste belang voorhanden is, en niet op het onderzoek naar de gegrondheid van een aanvraag, waarbij de overheidsinstantie overgaat tot een toetsing aan de uitzonderingsgronden. Uit de omstandigheid dat een aanvrager in de in die bepalingen vermelde omstandigheden geen persoonlijk belang moet aantonen bij zijn aanvraag tot openbaarheid van bestuursdocumenten die informatie van persoonlijke aard bevatten, vloeit niet voort dat die aanvraag zonder meer zal worden ingewilligd. Ook in dat geval zal, bij de beoordeling ten gronde, worden nagegaan of de aanvraag tot openbaarmaking al dan niet moet worden geweigerd, bijvoorbeeld omdat de openbaarmaking overeenkomstig artikel II.34, 2°, van het Vlaamse Bestuursdecreet afbreuk doet aan de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene. Wat het twaalfde middel in de zaak nr. 7119 betreft A.48. De verzoekende partijen leiden een twaalfde middel af uit de schending, door artikel II.41 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 22 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij kaarten aan dat de registratie van de aanvraag tot openbaarmaking enkel openbaar is voor de aanvrager zelf, en niet voor de persoon waarop de aanvraag betrekking heeft. Die beperking zou niet verantwoord zijn, temeer nu de aanvraag tot openbaarmaking van informatie van persoonlijke aard afbreuk kan doen aan de persoonlijke levenssfeer van de persoon op wie zij betrekking heeft. A.49. De Vlaamse Regering stelt dat het middel feitelijke grondslag mist. Eenieder zou immers een aanvraag kunnen indienen tot openbaarmaking van het register met openbaarmakingsaanvragen. De overheidsinstantie dient die aanvraag in beginsel te toetsen aan de toepasselijke uitzonderingsgronden. De bestreden bepaling strekt er enkel toe voor de aanvrager tot openbaarmaking zelf te voorzien in een vereenvoudigde procedure tot het verkrijgen van inzage in of een afschrift van de registratie van zijn eigen aanvraag, zonder dat hij daarvoor de normale aanvraagprocedure moet volgen. De Vlaamse Regering benadrukt voorts dat de bestreden bepaling enkel betrekking heeft op het openbaarheidsregister, waarin informatie over de aanvraag tot openbaarmaking wordt geregistreerd. Die bepaling betreft niet het openbaarheidsverzoek zelf, noch laat zij toe informatie van persoonlijke aard te raadplegen. A.50. De verzoekende partijen antwoorden dat het onredelijk is dat de persoon op wie de aanvraag tot openbaarheid betrekking heeft de normale aanvraagprocedure moet doorlopen, terwijl de aanvrager die als het ware snuffelt naar gegevens over die persoon een vereenvoudigde procedure tot openbaarheid van zijn eigen aanvraag geniet. Die beperking van de openbaarheid van het register zou des te minder verantwoord zijn, in zoverre – zoals de Vlaamse Regering terecht opmerkt – het register geen persoonlijke informatie bevat. Wat het dertiende middel in de zaak nr. 7119 betreft A.51. De verzoekende partijen leiden een dertiende middel af uit de schending, door artikel II.49 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 22 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij kaarten het feit aan dat de registratie van het beroep dat door de aanvrager bij de beroepsinstantie wordt ingesteld enkel openbaar is voor die aanvrager zelf en voor de betrokken overheidsinstantie, doch niet voor de persoon op wie de aanvraag betrekking heeft. Zij voeren ter zake dezelfde grieven aan als in het twaalfde middel. A.52. De Vlaamse Regering verwijst naar haar antwoord op het twaalfde middel, dat mutatis mutandis inzake het dertiende middel geldt. 20 Wat het veertiende middel in de zaak nr. 7119 betreft A.53. De verzoekende partijen leiden een veertiende middel af uit de schending, door de artikelen II.48, II.49, II.50 en II.51 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 22 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de beginselen van onafhankelijkheid en neutraliteit. In het eerste middelonderdeel betwisten zij het feit dat enkel de aanvrager en de betrokken overheidsinstantie volwaardig kunnen deelnemen aan de procedure voor de beroepsinstantie, doch niet de persoon op wie de aanvraag tot openbaarmaking betrekking heeft. Laatstgenoemde heeft immers geen toegang tot het register met de aanvragen tot openbaarmaking, noch tot het register met de beroepen ingesteld bij de beroepsinstantie. Vermits de aanvraag tot openbaarmaking van informatie van persoonlijke aard afbreuk kan doen aan zijn privéleven, zou die persoon zijn standpunt moeten kunnen meedelen aan de overheidsinstantie. In het tweede middelonderdeel kaarten zij aan dat de bestreden bepalingen een devolutief beroep zouden instellen, hetgeen de beroepsinstantie zou toelaten de legaliteit en de opportuniteit van de voorgelegde beslissing opnieuw in haar geheel te onderzoeken, zonder gebonden te zijn door de aangevoerde beroepsargumenten. Zo zou de beroepsinstantie, na te hebben vastgesteld dat de aangevochten weigeringsbeslissing onwettig was, andere uitzonderingsgronden kunnen aanvoeren of nieuwe gegevens in aanmerking kunnen nemen om de aanvraag tot openbaarheid alsnog te weigeren. Het beroep strekt aldus tot nadeel van de aanvrager. A.54.1. Wat het eerste middelonderdeel betreft, verwijst de Vlaamse Regering naar haar antwoord inzake het twaalfde en het dertiende middel. Daarin heeft zij uiteengezet dat eenieder, met inbegrip van de persoon op wie de aanvraag tot openbaarmaking betrekking heeft, een verzoek tot openbaarmaking van het register met de aanvragen kan indienen, mits daartoe de gewone aanvraagprocedure wordt gevolgd. Voorts verwijst de Vlaamse Regering naar de strikte termijnen die overeenkomstig de artikelen II.49 en II.50 gelden in de procedure voor de beroepsinstantie. Gelet op die strikte termijnen is het in de praktijk onmogelijk een systeem van tussenkomst te organiseren, waarbij de mogelijkerwijs tientallen natuurlijke en rechtspersonen die in het openbaarheidsdossier worden vermeld de mogelijkheid krijgen om tussen te komen. A.54.2. Wat het tweede middelonderdeel betreft, stelt de Vlaamse Regering dat de figuur van het devolutief beroep zeer courant is in de praktijk van de administratieve beroepen, en dat er geen enkele rechtsnorm bestaat die bepaalt dat het bestuurlijk beroep de beroepsindiener niet mag benadelen. Bovendien hebben de uitzonderingsgronden op de openbaarheidsverzoeken tot doel belangen te beschermen die zwaarder kunnen doorwegen dan het individuele belang van de aanvrager bij de openbaarheid van de bestuursdocumenten. Om die reden is het noodzakelijk dat de beroepsinstantie over de bevoegdheid beschikt om een aanvraag tot openbaarmaking opnieuw in zijn geheel te beoordelen. Voorts is het mogelijk dat de figuur van het devolutief beroep in het voordeel van de aanvrager is, bijvoorbeeld wanneer deze een beroep instelt tegen het uitblijven van een beslissing vanwege de overheidsinstantie. In dat geval is het in het belang van de aanvrager dat de beroepsinstantie in de plaats van de overheidsinstantie kan treden en zelf de aanvraag tot openbaarmaking aan de uitzonderingsgronden kan toetsen. Wat het vijftiende middel in de zaak nr. 7119 betreft A.55. De verzoekende partijen leiden een vijftiende middel af uit de schending, door de artikelen II.76 en II.77 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 13, 23 en 28 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In een eerste middelonderdeel betwisten zij de verplichting om in de schriftelijke klacht het adres van de indiener van de klacht mee te delen, terwijl die verplichting bij een mondelinge klacht niet geldt. Nochtans zou dat adres niet relevant zijn voor de behandeling van de zaak. In het tweede middelonderdeel voeren zij aan dat het kennelijk onredelijk is dat de overheidsinstantie niet verplicht is de klacht te behandelen wanneer die betrekking heeft op feiten waarover niet alle georganiseerde administratieve beroepsmogelijkheden werden aangewend of waarover een jurisdictioneel beroep aanhangig is. De klachtenvoorziening kan nochtans ertoe leiden dat de betrokken personen gedurende het rechtsgeding een akkoord bereiken, hetgeen het voortzetten van de gerechtelijke procedure onnodig maakt. 21 A.56. Wat het eerste middelonderdeel betreft, antwoordt de Vlaamse Regering dat de verplichting om het adres mee te delen werd ingevoerd om te vermijden dat een klacht onder een fictieve naam wordt ingediend. Een schriftelijke klacht kan ter zake niet worden vergeleken met een mondelinge klacht. Het persoonlijke en rechtstreekse contact tussen de klager en de overheidsinstantie bij een mondelinge klacht, heeft tot gevolg dat de kans op fictieve klachten in dat geval heel wat kleiner is dan bij een schriftelijke klacht. Het is bijgevolg pertinent dat de decreetgever enkel voor de laatstgenoemde klachten heeft vereist dat de klager, naast zijn naam en een omschrijving van de feiten, ook een adres opgeeft. Wat het tweede middelonderdeel betreft, merkt de Vlaamse Regering op dat de bestreden bepaling is overgenomen uit artikel 9, 3°, van het decreet van 1 juni 2001 « houdende toekenning van een klachtrecht ten aanzien van bestuursinstellingen ». De bestreden regeling strekt ertoe te vermijden dat tegelijkertijd een klacht wordt ingediend en een jurisdictionele beroepsprocedure wordt opgestart, en dat de behandeling van de klacht de behandeling van de administratieve of jurisdictionele procedure doorkruist. Bovendien verbiedt de bestreden bepaling de overheidsinstantie niet om de klacht te behandelen hangende de administratieve of jurisdictionele procedure. A.57. De verzoekende partijen repliceren, inzake het eerste middelonderdeel, dat ook de personen die een mondelinge klacht indienen recht hebben op een duidelijk en gemotiveerd schriftelijk antwoord. In zoverre het voor die mondelinge klagers niet nodig is dat zij hun adres opgeven, is er geen reden waarom de schriftelijke klagers dat wel dienen te doen. De kans op een fictieve naam zou bij een mondelinge en een schriftelijke klacht even groot zijn. Wat het zestiende middel in de zaak nr. 7119 en het tweede middel in de zaak nr. 7148 betreft A.58. Het zestiende middel in de zaak nr. 7119 en het tweede middel in de zaak nr. 7148 zijn afgeleid uit de schending, door de artikelen III.80 tot III.82 en III.87 tot III.89 van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 22, 23 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 33, 38, 39, 105, 108, 160 en 190 van de Grondwet, met de artikelen 6, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het beginsel van ministeriële verantwoordelijkheid in de parlementaire rechtsstaat. In het eerste en het tweede middelonderdeel betwisten de verzoekende partijen het feit dat die bepalingen de overheidsinstantie machtigen om bestuursdocumenten te vernietigen. In geval van vernietiging kan er immers geen afschrift of inzage meer verstrekt worden. De overheid kan in dat geval zelfs niet meer, naar aanleiding van een concrete aanvraag tot openbaarheid, beoordelen of de vernietiging van het bestuursdocument verantwoord is. Die verregaande beperking van de openbaarheid is in strijd met het grondwettelijk recht van de burger op het verkrijgen van inzage in en een afschrift van bestuursdocumenten, evenals met het Verdrag van Aarhus en de richtlijn 2003/4/EG. Het recht op toegang tot informatie zou immers het verbod op vernietiging van documenten impliceren. In het derde middelonderdeel kaarten zij aan dat de selectiecommissies selectieregels mogen opstellen, en aldus een verordenende bevoegdheid toegekend krijgen. Aldus zou afbreuk worden gedaan aan de algemene publiekrechtelijke beginselen van de eenheid van de verordenende macht en de rechtstreekse parlementaire controle. Bovendien zouden door die delegaties de waarborgen ontbreken waarmee de klassieke regelgeving gepaard gaat, zoals het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State en de bekendmaking van de norm in het Belgisch Staatsblad. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7148 voeren in een vierde middelonderdeel de schending aan van de artikelen 13 en 32 van de Grondwet. Zij verwijzen ter zake naar het arrest nr. 139/2013 van 17 oktober 2013, waarin het Hof zou hebben bevestigd dat het onttrekken van documenten aan de openbaarheid het recht op toegang tot de rechter en het recht op de openbaarheid van bestuur schendt, doordat de burgers worden verhinderd om met kennis van zaken een beroep in te stellen. De bestreden bepalingen, die voorzien in de vernietiging van documenten zonder ze te vervangen, zouden neerkomen op een dergelijk onttrekken van documenten aan de openbaarheid. 22 A.59. Inzake het eerste en het tweede middelonderdeel antwoordt de Vlaamse Regering dat noch de Grondwet, noch het Verdrag van Aarhus of de richtlijn 2003/4/EG een verbod op vernietiging van informatie inhouden. De bestreden regeling inzake de vernietiging van bestuursdocumenten kan worden beschouwd als een bij het decreet bepaalde uitzondering op de openbaarheid van bestuur. Aldus is die regeling in overeenstemming met het wettigheidsbeginsel dat is neergelegd in artikel 32 van de Grondwet. Bovendien zou die regeling gepaard gaan met de nodige waarborgen. Wat het derde middelonderdeel betreft, stelt de Vlaamse Regering dat het Hof zonder rechtsmacht is om daarvan kennis te nemen. Dat middelonderdeel zou immers afgeleid zijn uit een schending van artikel 33 van de Grondwet, dat niet tot de normen behoort waarop het Hof mag toezien. In ieder geval is het middelonderdeel ongegrond, nu de selectieregels als zodanig geen reglementaire bepalingen zijn. Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Hof dat artikel 33 van de Grondwet zich er niet tegen verzet dat de decreetgever een specifieke normerende bevoegdheid toevertrouwt aan een gecentraliseerde openbare instelling die aan een bestuurlijk toezicht en aan een rechterlijke toetsing is onderworpen. Dit zou het geval zijn voor de selectiecommissies die onder het hiërarchisch gezag van de minister handelen en door de ministeriële verantwoordelijkheid gedekt zijn. Wat het vierde middelonderdeel in de zaak nr. 7148 betreft, verwijst de Vlaamse Regering naar haar repliek inzake het eerste middelonderdeel. De verzoekende partijen zouden niet aantonen op welke wijze de bestreden bepalingen hen in concreto beletten om met kennis van zaken een beroep in te stellen tegen « de beslissingen die de (vernietigde) documenten onthullen ». De Vlaamse Regering benadrukt ter zake nogmaals dat de bestreden bepalingen geenszins tot doel hebben om bepaalde documenten te « onttrekken » aan de algemene regels inzake de openbaarheid van bestuur, noch toelaten om bestuursdocumenten zomaar te vernietigen. A.60.1. In hun memorie van antwoord doen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7119 afstand van het zestiende middel, nu dat middel samenvalt met het tweede middel in de zaak nr. 7148. A.60.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7148 handhaven de zienswijze zoals uiteengezet in hun verzoekschrift. Zij herhalen dat noch artikel 32 van de Grondwet, noch het Verdrag van Aarhus en de richtlijn 2003/4/EG de vernietiging van bestuursdocumenten toelaten. Het vooropstellen van « verplichte kwalitatieve waarborgen » zou onvoldoende zijn, nu elke vervanging ook fouten kan inhouden en de materiële vernietiging van het analoog document ondertussen onherroepelijk en onherstelbaar is. Artikel 32 van de Grondwet zou zich des te meer verzetten tegen een regeling waarbij de decreetgever carte blanche geeft aan lagere overheden om regels te bepalen die zelfs geen reglementaire bepalingen zijn en waarvan de toepassing een zeer casuïstisch karakter heeft. A.61. De Vlaamse Regering repliceert dat de decreetgever geenszins carte blanche heeft gegeven aan de selectiecommissies bij het vaststellen van de selectieregels. De decreetgever heeft de eigenlijke bevoegdheden van de selectiecommissies zelf afgebakend, en aan de Vlaamse Regering de bevoegdheid toegekend om de samenstelling en de werking van de selectiecommissies te regelen. De Vlaamse Regering verwijst ter zake ook naar het arrest nr. 97/2019 van 6 juni 2019, waarin het Hof heeft vastgesteld dat de selectiecommissies en de betrokken overheidsinstanties ertoe gehouden zijn « de algemene beginselen van behoorlijk bestuur na te leven, die met name vereisen dat bestuursdocumenten niet voortijdig en op willekeurige wijze worden vernietigd ». Wat het zeventiende middel in de zaak nr. 7119 betreft A.62. De verzoekende partijen leiden een zeventiende middel af uit de schending, door artikel IV.273, 4°, van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 23 en 32 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het Verdrag van Aarhus. Die bepaling voorziet in de opheffing van het decreet van 26 maart 2004, dat volgens de verzoekende partijen voorzag in een ruimere openbaarheid dan het thans bestreden Vlaamse Bestuursdecreet. Zij verwijzen ter zake naar de beperkingen die het bestreden Vlaamse Bestuursdecreet invoert en die worden aangevochten in het derde, zesde, elfde en zestiende middel. De opheffing van het vorige openbaarheidsdecreet van 26 maart 2004 zou bijgevolg de standstill-verplichting van artikel 23 van de Grondwet schenden, evenals artikel 32 van de Grondwet en artikel 4 van het Verdrag van Aarhus. 23 A.63. De Vlaamse Regering stelt vast dat de verzoekende partijen zich beperken tot het overnemen van de grieven die zijn uiteengezet in het derde, zesde, elfde en dertiende middel. De Vlaamse Regering heeft reeds aangevoerd dat die middelen integraal moeten worden verworpen, hetzij omdat de grieven feitelijke en/of juridische grondslag missen, hetzij omdat de grieven ongegrond zijn. Bijgevolg zou de opheffing, door het bestreden decreet, van het vroegere decreet van 26 maart 2004, geenszins leiden tot een aanzienlijke achteruitgang van het bestaande beschermingsniveau. Wat het achttiende middel in de zaak nr. 7119 betreft A.64. De verzoekende partijen leiden een achttiende middel af uit de schending, door de in de vorige middelen bestreden bepalingen van het Vlaamse Bestuursdecreet, van de artikelen 10, 11, 22 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene verordening gegevensbescherming. Zij betwisten het feit dat het Vlaamse Bestuursdecreet werd aangenomen zonder dat het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit werd ingewonnen. Zoals ook de afdeling wetgeving van de Raad van State opmerkte, hebben de bestreden bepalingen nochtans betrekking op de verwerking van persoonsgegevens, en geven zij uitvoering aan of verwijzen zij naar de algemene verordening gegevensbescherming. Bijgevolg diende, overeenkomstig overweging 96 en de artikelen 36, lid 4, 57 en 58 van die verordening, het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit te worden ingewonnen. De verzoekende partijen verzoeken het Hof om over die Europese bepalingen minstens een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. A.65. De Vlaamse Regering stelt dat het Hof zich onbevoegd moet verklaren om van het achttiende middel kennis te nemen. Het middel is immers enkel afgeleid uit een schending van de algemene verordening gegevensbescherming, terwijl het Hof niet rechtstreeks daaraan vermag te toetsen. In zoverre de verzoekende partijen in hun middel betwisten dat het voorafgaande advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit niet werd ingewonnen, verzoeken zij het Hof daarenboven om zich uit te spreken over de wijze van totstandkoming van het bestreden decreet. De toetsingsbevoegdheid van het Hof omvat evenwel enkel de inhoud van wetskrachtige normen, en niet de totstandkoming ervan. Het feit dat de door de verzoekende partijen aangehaalde vormvereiste te dezen voortvloeit uit het Unierecht, leidt niet tot een ander resultaat. In ondergeschikte orde stelt de Vlaamse Regering dat het middel ongegrond is. Uit de algemene verordening gegevensbescherming zou immers niet volgen dat het voorafgaande advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit verplicht moest worden ingewonnen bij de totstandkoming van het bestreden decreet. Blijkens artikel 23 van de wet van 3 december 2017 « tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit » betreft het louter een mogelijkheid. In ieder geval zouden de verzoekende partijen niet aantonen dat de bestreden bepalingen betrekking hebben op wetgevingsmaatregelen « in verband met verwerking » in de zin van artikel 36, lid 4, van de verordening. De verzoekende partijen verwijzen enkel naar de artikelen II.7, vierde tot zesde lid, en II.38 van het Vlaamse Bestuursdecreet als bepalingen die voor advies aan de Gegevensbeschermingsautoriteit moesten zijn voorgelegd. Zij zetten echter niet uiteen waarom dit het geval zou zijn. Minstens zou de vernietiging dan ook tot de artikelen II.7, zesde lid, en II.38 van het Vlaamse Bestuursdecreet beperkt moeten worden. Wat het verzoek tot prejudiciële vraagstelling betreft, stelt de Vlaamse Regering dat de juiste toepassing van het Unierecht te dezen dermate evident is dat er geen noodzaak is om de door de verzoekende partijen gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. A.66. De verzoekende partijen antwoorden dat de wetgever krachtens artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het recht op bescherming van de privacy kan beperken, doch dat hij zich in dat geval moet houden aan de voorgeschreven reglementering. Een schending van die reglementering, zoals de adviesverplichting, betekent dus ook een schending van de voormelde grondwets- en verdragsbepaling. In zoverre de door de Vlaamse Regering aangehaalde wet van 3 december 2017 niet zou voorzien in een verplichting tot raadpleging van de Gegevensbeschermingsautoriteit, is die regeling volgens de verzoekende partijen in strijd met de artikelen 36, 57 en 58 van de algemene verordening gegevensbescherming. Het bestreden Vlaamse Bestuursdecreet werd aangenomen in strijd met die verordening, en stelt dus ongrondwettige beperkingen in ten aanzien van het recht op eerbiediging van het privéleven. 24 De opgeworpen prejudiciële vraag zou tot slot dienstig zijn, nu de Vlaamse Regering betwist dat er een adviesverplichting voortvloeit uit de artikelen 36, 57 en 58 van de algemene verordening gegevensbescherming. A.67. De Vlaamse Regering repliceert dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift enkel hebben uiteengezet waarom artikel 36, lid 4, van de algemene verordening gegevensbescherming zou zijn geschonden. Zij hebben op geen enkele wijze uiteengezet welke norm waaraan het Hof vermag te toetsen, geschonden zou zijn. Met de verduidelijkingen die zij voor het eerst bijbrengen in de memorie van antwoord, kan geen rekening worden gehouden. In ieder geval kan een eventuele schending van de in artikel 36, lid 4, van de algemene verordening gegevensbescherming opgenomen vormvereiste niet ipso facto worden gelijkgesteld met een schending van artikel 22 van de Grondwet. Die grondwetsbepaling bevat immers geen formele verplichting die de bevoegde wetgever in acht moet nemen wanneer hij de inhoudelijke contouren van het recht op eerbiediging van het privéleven bepaalt. Anders dan de verzoekende partijen aannemen, is het criterium dat in artikel 36, lid 4, van de verordening wordt vooropgesteld niet of een wetgevingsmaatregel het recht op eerbiediging van het privéleven beperkt, maar wel of het een maatregel betreft « in verband met verwerking ». Vermits de bestreden artikelen II.7, vierde tot zesde lid, en II.38 van het Vlaamse Bestuursdecreet niet de verwerking van persoonsgegevens regelen, is artikel 36, lid 4, van de verordening niet daarop van toepassing. De Vlaamse Regering volhardt voorts in de zienswijze dat er geen noodzaak bestaat om het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudicieel te ondervragen. In ondergeschikte orde, in zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat prejudiciële vragen dienen te worden gesteld, suggereert de Vlaamse Regering een bijkomende vraag. De vraag zou immers rijzen in welke mate de in artikel 36, lid 4, van de verordening opgenomen vormvereiste zich uitstrekt tot wettelijke bepalingen die aanleiding kunnen geven tot de verwerking van persoonsgegevens, maar die uit zichzelf niet de aard van de verwerking of de bijzondere modaliteiten ervan vaststellen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1. De verzoekende partijen vorderen de gedeeltelijke vernietiging van het Vlaamse Bestuursdecreet van 7 december 2018 (hierna : het Vlaamse Bestuursdecreet). B.2.1. Het Vlaamse Bestuursdecreet bevat een algemene regeling inzake, enerzijds, de relatie tussen de burger en de overheid, en, anderzijds, de organisatie en de werking van de overheidsinstanties. Het betreft een coördinatie van verschillende decreten die werden geëvalueerd en aangevuld met nieuwe bepalingen, « met het doel de dienstverlening van de overheid kwaliteitsvoller en de interne werking efficiënter te maken. Digitalisering en vermijden van administratieve lasten zonder meerwaarde waren daarbij een uitgangspunt » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1656/1, p. 3). Voorts zet het Vlaamse Bestuursdecreet de bepalingen om van de in artikel I.2 daarvan vermelde Europese richtlijnen. 25 B.2.2. Het Vlaamse Bestuursdecreet bevat, naast een aantal algemene bepalingen (titel I), bepalingen betreffende de relatie tussen burgers en de overheid (titel II), organisatorische bepalingen (titel III), evenals een reeks wijzigings- en opheffingsbepalingen teneinde bestaande decreten in overeenstemming te brengen met het nieuwe Vlaamse Bestuursdecreet (titel IV). Wat de relatie tussen de burger en de overheid betreft (titel II), wordt de communicatie tussen de burgers en de overheid geregeld (hoofdstuk I), evenals de wijze waarop individuele bestuurshandelingen (elektronisch) worden uitgewisseld en in elektronische vorm worden opgemaakt (hoofdstuk II). Voorts worden de toegang tot bestuursdocumenten (hoofdstuk III) en het hergebruik van overheidsinformatie (hoofdstuk IV) geregeld, evenals de procedure voor het indienen en het behandelen van klachten, meldingen en voorstellen (hoofdstuk V). In de memorie van toelichting wordt inzake die titel II uiteengezet : « Wat de relatie tussen de burger en de overheid betreft, wordt uitgegaan van een open overheid die nog meer werk maakt van communicatie, die bereikbaar is via elektronische weg, die haar documenten en informatie beschikbaar stelt voor burgers, en die openstaat voor participatie en inspraak van burgers bij het beleid maar ook bij haar eigen dienstverlening » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1656/1, p. 3). De organisatorische bepalingen (titel III) omvatten bepalingen inzake de structuur van de Vlaamse administratie (hoofdstuk 1), evenals de regeling inzake deugdelijk bestuur (hoofdstuk 2) en regels die betrekking hebben op de werking van de Vlaamse overheid (hoofdstuk 3). De decreetgever heeft inzake die titel toegelicht : « Wat de regulering van de overheid betreft, wordt niet geraakt aan de bestaande structuren of aan de voorschriften inzake deugdelijk bestuur. De regels die betrekking hebben op de werking van de overheid worden op mekaar afgestemd en vereenvoudigd. Het betreft regels over planning en rapportering, de organisatie van het communicatiebeleid en het statistiekbeleid, het elektronisch bestuurlijk gegevensverkeer, beheren en bewaren van overheidsinformatie, het strategisch adviesstelsel, de interne audit en over experimentregelgeving en regelluwe zones » (ibid.). 26 B.2.3. Het Vlaamse Bestuursdecreet is, met uitzondering van enkele bepalingen, in werking getreden op 1 januari 2019 (artikel IV.277 van het Vlaamse Bestuursdecreet). Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.3.1. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7148 bij de vernietiging van de in die zaak bestreden artikelen II.25, III.80 tot III.82 en III.87 tot III.89 van het Vlaamse Bestuursdecreet. De verzoekende partijen zouden niet rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt door artikel II.25, dat voorziet in de mogelijkheid tot vervanging van een analoog bestuursdocument door een elektronische kopie, noch door de artikelen III.80 tot III.82 en III.87 tot III.89, die het beheer, de bewaring en de eventuele vernietiging van bestuursdocumenten betreffen. Het beroep van de verzoekende partijen zou steunen op het verkeerde uitgangspunt dat de bestreden bepalingen tot doel hebben burgers te hinderen in de uitoefening van hun grondwettelijk gewaarborgd recht op openbaarheid, en dat die bepalingen de overheidsinstanties toelaten om bestuursdocumenten die het voorwerp uitmaken van een verzoek tot openbaarheid « vlot » te vernietigen. B.3.2. Aangezien de exceptie van niet-ontvankelijkheid verband houdt met de draagwijdte van de bestreden bepalingen, valt het onderzoek ervan samen met dat van de grond van de zaak. B.4.1. Wat de zaak nr. 7213 betreft, voert de Vlaamse Regering aan dat het beroep tot vernietiging laattijdig is. Het enige middel zou in werkelijkheid immers niet gericht zijn tegen het bestreden artikel II.34 van het Vlaamse Bestuursdecreet, doch wel tegen de vroegere regeling die was neergelegd in artikel 13 van het decreet van 26 maart 2004 « betreffende de openbaarheid van bestuur » en die in de bestreden bepaling werd overgenomen. B.4.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof moet een beroep tot vernietiging worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de bestreden norm. 27 Wanneer een wetgever in nieuwe wetgeving een oude bepaling overneemt en zich op die wijze de inhoud ervan toe-eigent, kan tegen de overgenomen bepaling een beroep worden ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking ervan. Wanneer de wetgever zich evenwel beperkt tot een louter legistieke of taalkundige ingreep of tot een coördinatie van bestaande bepalingen, wordt hij niet geacht opnieuw te legifereren en zijn de grieven ratione temporis onontvankelijk in zoverre zij in werkelijkheid tegen de voorheen reeds bestaande bepalingen zijn gericht. Bijgevolg moet worden nagegaan of het beroep tegen nieuwe bepalingen is gericht dan wel of het niet-gewijzigde bepalingen betreft. B.4.3. Zoals is vermeld in B.2.1, is het Vlaamse Bestuursdecreet een coördinatie van verschillende decreten die werden geëvalueerd en aangevuld met nieuwe bepalingen. Het in de zaak nr. 7213 bestreden artikel II.34, dat de absolute uitzonderingen op de openbaarheid van bestuur bevat, stemt overeen met het vroegere artikel 13 van het decreet van 26 maart 2004 « betreffende de openbaarheid van bestuur ». De decreetgever heeft uitdrukkelijk ervoor gekozen de daarin neergelegde absolute uitzonderingsgronden te behouden. Aldus heeft de decreetgever, bij het aannemen van de bestreden bepaling, zijn wil getoond om opnieuw te legifereren. Het beroep in de zaak nr. 7213 is ontvankelijk ratione temporis. B.4.4. De Vlaamse Regering betwist voorts het belang van de verzoekende partij in de zaak nr. 7213 bij de vernietiging van artikel II.34, 2° tot 6°, van het Vlaamse Bestuursdecreet. De verzoekende partij zou uitsluitend een belang hebben bij de vernietiging van artikel II.34, 1°, op grond waarvan een door haar ingediende aanvraag tot openbaarheid werd afgewezen. B.4.5. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. 28 B.4.6. De verzoekende partij in de zaak nr. 7213 is werknemer bij de vzw « Vredesactie » en doet onderzoek naar wapenhandel en internationale relaties. Zij maakt in het kader van dat onderzoekswerk gebruik van het recht op openbaarheid van bestuur. Zij kan aldus rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door het bestreden artikel II.34, dat voorziet in uitzonderingen op het recht op openbaarheid van bestuur. Het feit dat een vroegere door haar ingediende aanvraag tot openbaarheid van bestuur werd afgewezen op grond van artikel II.34, 1°, volstaat niet om te besluiten dat zij geen belang zou hebben bij de vernietiging van die bepaling in haar geheel. B.5.1. De Vlaamse Regering voert tot slot aan dat de middelen in de zaken nrs. 7100, 7119, 7148 en 7213 gedeeltelijk niet-ontvankelijk zijn, omdat zij rechtstreeks zijn afgeleid uit de schending van verdragsbepalingen of wetgevingshandelingen van de Europese Unie, of omdat zij niet voldoende zouden zijn uiteengezet. B.5.2. Het Hof is bevoegd om wetskrachtige normen te toetsen aan de regels die de bevoegdheden verdelen tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, alsook aan de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. Alle grieven zijn afgeleid uit de schending van één of meer van die regels waarvan het Hof de naleving waarborgt. In zoverre de verzoekende partijen daarnaast verdragsbepalingen en wetgevingshandelingen van de Europese Unie vermelden, onderzoekt het Hof die enkel in zoverre een schending wordt aangevoerd van de voormelde grondwetsbepalingen, in samenhang gelezen met de voormelde bepalingen en handelingen. In die mate zijn de grieven ontvankelijk. B.5.3. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. 29 De door de verzoekende partijen aangevoerde middelen in de zaken nrs. 7100, 7119 en 7148 beantwoorden slechts deels aan die vereisten, nu sommige middelen slechts zeer summier en niet ondubbelzinnig zijn ontwikkeld. Het Hof onderzoekt de middelen in zoverre zij aan de voormelde vereisten voldoen. Ten gronde B.6. De tweeëntwintig middelen die in de vier verzoekschriften zijn uiteengezet, zijn in hoofdorde afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11, 19, 22, 23 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met andere internationale normen en algemene rechtsbeginselen. Uit het onderzoek van de middelen blijkt dat het Hof zich dient uit te spreken over de grondwettigheid van de volgende aspecten van de bestreden regeling : I. Wat de algemene bepalingen betreft : de toepassing van het Vlaamse Bestuursdecreet ten aanzien van de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid : de artikelen I.3, II.1, II.18, II.28, II.53 en IV.27.3 (enig middel in de zaak nr. 7100); II. Wat de relatie tussen burgers en de overheid betreft :
  5. a)de principes inzake de communicatie tussen burgers en de overheid : de artikelen II.7 en II.8 van het Vlaamse Bestuursdecreet (eerste en tweede middel in de zaak nr. 7119);
  6. b)de elektronische uitwisseling van berichten : de artikelen II.22 en II.23 van het Vlaamse Bestuursdecreet (derde en vierde middel in de zaak nr. 7119); 30
  7. c)het vervangen van analoge bestuursdocumenten door elektronische kopieën : artikel II.25 van het Vlaamse Bestuursdecreet (vijfde middel in de zaak nr. 7119 en eerste middel in de zaak nr. 7148);
  8. d)de toegang tot bestuursdocumenten : 1° het principe van het recht op inzage, afschrift of uitleg : artikel II.31 van het Vlaamse Bestuursdecreet (zesde middel in de zaak nr. 7119); 2° de uitzonderingen op de openbaarheid van bestuursdocumenten : de artikelen II.34, II.35, II.36 en II.38 van het Vlaamse Bestuursdecreet (zevende tot tiende middel in de zaak nr. 7119 en enig middel in de zaak nr. 7213); 3° de aanvraag- en beroepsprocedure : de artikelen II.40, II.41, II.49 en II.50 van het Vlaamse Bestuursdecreet (elfde tot veertiende middel in de zaak nr. 7119);
  9. e)de klachten : de artikelen II.76 en II.77 van het Vlaamse Bestuursdecreet (vijftiende middel in de zaak nr. 7119); III. Wat de organisatorische bepalingen betreft : de vernietiging van bestuursdocumenten : de artikelen III.80 tot III.82 en III.87 tot III.89 van het Vlaamse Bestuursdecreet (zestiende middel in de zaak nr. 7119 en tweede middel in de zaak nr. 7148); IV. Wat de opheffingsbepalingen betreft : de opheffing van het decreet van 26 maart 2004 « betreffende de openbaarheid van bestuur » : artikel IV.273, 4°, van het Vlaamse Bestuursdecreet (enig middel in de zaak nr. 7100 en zeventiende middel in de zaak nr. 7119); V. De ontstentenis van advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit : de in de overige middelen bestreden bepalingen (achttiende middel in de zaak nr. 7119). 31 I. Wat de algemene bepalingen betreft : de toepassing van het Vlaamse Bestuursdecreet ten aanzien van de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid (enig middel in de zaak nr. 7100) B.7. Het enige middel in de zaak nr. 7100 is gericht tegen de artikelen I.3, II.1, II.18, II.28, II.53 en IV.273 van het Vlaamse Bestuursdecreet. De verzoekende partijen voeren aan dat die bepalingen tot gevolg hebben dat de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid worden uitgezonderd van de regeling die is neergelegd in titel II, hoofdstukken 1 tot 4, van het Vlaamse Bestuursdecreet, en aldus op discriminerende wijze afbreuk doen aan het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten. B.8.1. In het eerste onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat de decreetgever de investeringsmaatschappijen heeft uitgesloten van het begrip « Vlaamse overheid », zoals dat is gedefinieerd in artikel I.3 van het Vlaamse Bestuursdecreet, en aldus heeft voorzien in een « algemene uitzonderingsregeling » voor de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid. B.8.2. Artikel I.3 van het Vlaamse Bestuursdecreet, opgenomen in afdeling 1 (« Definities met betrekking tot het toepassingsgebied ») van titel I (« Algemene bepalingen »), hoofdstuk 2 (« Definities »), van het Vlaamse Bestuursdecreet, bepaalt : « In dit decreet wordt verstaan onder : 1° Vlaamse overheid :
  10. a)het Vlaams Parlement, zijn diensten, en de instellingen die aan het Vlaams Parlement verbonden zijn;
  11. b)de autonome diensten die onder toezicht staan van het Vlaams Parlement;
  12. c)de Vlaamse Regering en de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering;
  13. d)de Vlaamse administratie;
  14. e)de provinciegouverneurs en de arrondissementscommissarissen;
  15. f)de Vlaamse openbare instellingen die niet behoren tot de Vlaamse administratie; 32
  16. g)de Vlaamse adviesorganen;
  17. h)de Vlaamse administratieve rechtscolleges; 2° Vlaamse administratie :
  18. a)de departementen;
  19. b)de intern verzelfstandigde agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid;
  20. c)de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid;
  21. d)de publiekrechtelijke vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;
  22. e)de privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen, met uitzondering van de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid;
  23. f)de Dienst van de Bestuursrechtscolleges;
  24. g)de onderwijsinspectie; 3° Vlaamse adviesorganen : […] 4° Vlaamse openbare instellingen die niet behoren tot de Vlaamse administratie : […]
  25. w)de Limburgse Reconversiemaatschappij;
  26. x)de Participatiemaatschappij Vlaanderen;
  27. y)de Vlaamse Participatiemaatschappij; 5° lokale overheden : […]; 6° instellingen met een publieke taak : […] […]; 7° milieu-instanties : […] […]; 8° externe overheden : […] ». 33 B.9.1. Een van de doelstellingen van het Vlaamse Bestuursdecreet bestaat erin de toepassingsgebieden van de onderscheiden decreten die in het Vlaamse Bestuursdecreet zijn opgenomen, te harmoniseren. Ofschoon de decreetgever « één toepassingsgebied voor alle bepalingen in het Bestuursdecreet […] niet haalbaar en niet wenselijk » vond, achtte hij het « wel belangrijk dat het toepassingsgebied op eenzelfde manier en op basis van dezelfde begrippen wordt geformuleerd » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1656/1, p. 17). Om die redenen heeft hij in artikel I.3 van het Vlaamse Bestuursdecreet « een begrippenkader geïntroduceerd dat zo eenduidig mogelijk de inhoud van begrippen vastlegt […] die verder in het Bestuursdecreet [worden gehanteerd] » (ibid.). Het begrip « Vlaamse overheid », zoals dat is gedefinieerd in artikel I.3, 1°, van het Vlaamse Bestuursdecreet, is een verzamelnaam voor een aantal instanties of groepen van instanties. Het omvat onder meer de « Vlaamse administratie » en de « Vlaamse openbare instellingen die niet behoren tot de Vlaamse administratie », die op hun beurt worden gedefinieerd in respectievelijk artikel I.3, 2°, en artikel I.3, 4°, van hetzelfde decreet. B.9.2. De « investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid » worden uitdrukkelijk uitgesloten van het begrip « Vlaamse administratie » (artikel I.3, 2°, e)). Zoals wordt verduidelijkt in de parlementaire voorbereiding betreft het de privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen die worden vermeld in het decreet van 7 mei 2004 « betreffende de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid », namelijk de nv « Participatiemaatschappij Vlaanderen », de nv « Limburgse Reconversiemaatschappij » en de nv « Vlaamse Participatiemaatschappij » (ibid.). Die investeringsmaatschappijen worden, « wegens de aard van hun activiteiten » (ibid.), ondergebracht onder het begrip « Vlaamse openbare instellingen die niet behoren tot de Vlaamse administratie », en worden daartoe nominatim vermeld in artikel I.3, 4°,
  28. w)tot y). B.10.1. Samen met de Vlaamse Regering dient te worden vastgesteld dat het bestreden artikel I.3 van het Vlaamse Bestuursdecreet niet de draagwijdte heeft die de verzoekende partijen daaraan geven. 34 Die bepaling strekt niet ertoe het toepassingsgebied te bepalen van de verschillende onderdelen van het Vlaamse Bestuursdecreet. Zij voorziet immers louter in een begrippenkader, dat verder in het Vlaamse Bestuursdecreet wordt gehanteerd om het toepassingsgebied van de onderscheiden onderdelen daarvan te bepalen. De uitsluiting van de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid van bepaalde onderdelen van het Vlaamse Bestuursdecreet is dan ook niet het gevolg van het bestreden artikel I.3, doch wel van de bepaling die het toepassingsgebied van het betrokken onderdeel van het Vlaamse Bestuursdecreet

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.