id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.044 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200312.15 Arrest- Rolnummer: 44/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-28 Raadplegingen: 281 - laatst gezien 2026-06-28 21:29 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht: - Zog eïnterpreteerd dat het niet in een doorzendingsplicht en gewaarborgde steunverlening voorziet wanneer het centrum de steunverlening stopzet omdat het onbevoegd is geworden, schendt artikel18, §4, van de wet van 26mei 2002 «betreffende het recht op maatschappelijke integratie» de artikelen10 en11 van de Grondwet. - Zoge ïnterpreteerd dat het wel in een doorzendingsplicht en gewaarborgde steunverlening voorziet zelfs wanneer het centrum de steunverlening stopzet omdat het onbevoegd is geworden, schendt artikel18, §4, van de wet van 26mei 2002 «betreffende het recht op maatschappelijke integratie» de artikelen10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel18, §4, van de wet van 26mei 2002 «betreffende het recht op maatschappelijke integratie», gesteld door de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Gent. Recht op maatschappelijke integratie - Toekenningsprocedure - OCMW - Territoriale bevoegdheid - Verhuizing van de gerechtigde. Tekst van de beslissing Rolnummer 7138 Arrest nr. 44/2020 van 12 maart 2020 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 18, § 4, van de wet van 26 mei 2002 « betreffende het recht op maatschappelijke integratie », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 1 maart 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 maart 2019, heeft de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 18, § 4, van de Wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het bepaalt dat wanneer een centrum een aanvraag ontvangt waarvoor het zich onbevoegd acht, het deze aanvraag binnen de 5 kalenderdagen aan het volgens hem bevoegde centrum moet toezenden en dat het centrum dat deze verplichting niet naleeft, overeenkomstig de door dezelfde wet gestelde voorwaarden, het leefloon of de maatschappelijke integratie door tewerkstelling moet toekennen zolang het de aanvraag niet heeft overgezonden en de redenen die aan de onbevoegdheid ten grondslag liggen niet heeft medegedeeld, terwijl geen zelfde doorzendingsplicht wordt voorzien bij gebreke waaraan het centrum dat deze verplichting niet naleeft, overeenkomstig de door dezelfde wet gestelde voorwaarden, het leefloon of de maatschappelijke integratie door tewerkstelling moet toekennen zolang het de aanvraag niet heeft overgezonden en de redenen die aan de onbevoegdheid ten grondslag liggen niet heeft medegedeeld in het geval een voorheen verleende steun wordt stopgezet omdat het steunverlenend centrum onbevoegd is geworden ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-F. De Bock en Mr. V. De Schepper, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 15 januari 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Moerman, ter vervanging van ererechter J.-P. Snappe, te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 29 januari 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 29 januari 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil V.K. ontving sinds 4 januari 2016 een leefloon van het OCMW van Gent. Op 6 februari 2018 verhuisde hij naar een studio voor begeleid wonen in Gavere, met ondersteuning van een vzw van Nazareth. Het OCMW van Gent liet evenwel na het dossier door te sturen. De OCMW’s van Gavere en Nazareth achten zich bij gebrek aan overdracht van het dossier niet bevoegd om een leefloon toe te kennen. Op 9 maart 2018 werd V.K. opgenomen in een psychiatrisch centrum te Zelzate. Met ingang van die datum ontvangt hij een leefloon van het OCMW van Zelzate. De bewindvoerder over de goederen van V.K. vordert de toekenning van een leefloon voor de periode van 6 februari 2018 tot 9 maart
- Alvorens uitspraak te doen, stelt de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Gent, de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad meent in hoofdorde dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, omdat zij niet pertinent is en omdat zij van een verkeerde premisse uitgaat. De rechter zou het geschil kunnen beslechten door het OCMW van Gavere ambtshalve in de procedure te betrekken en tot de toekenning van een leefloon voor de periode van 6 februari 2018 tot 9 maart 2018 te veroordelen. Bovendien zou een OCMW dat de steun stopzet omdat het niet langer bevoegd is, binnen vijf kalenderdagen de initiële aanvraag aan het bevoegde OCMW dienen over te dragen. De in het geding zijnde bepaling zou met andere woorden van toepassing zijn op beide in de prejudiciële vraag bedoelde categorieën. A.
- In ondergeschikte orde betoogt de Ministerraad dat de prejudiciële vraag een negatief antwoord behoeft, in zoverre de in het geding zijnde bepaling geen onderscheid maakt. Volgens een grondwetsconforme lezing is de doorzendingsplicht eveneens van toepassing op het OCMW dat reeds steun verleent en onbevoegd wordt. Dergelijke lezing zou voortvloeien uit de intentie van de wetgever, uit de algemene systematiek van de wet van 26 mei 2002, uit de ratio legis van de wet van 2 april 1965 « betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn » en uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel. -B- B.
- De wet van 26 mei 2002 « betreffende het recht op maatschappelijke integratie » (hierna : de wet van 26 mei 2002) heft de wet van 7 augustus 1974 « tot instelling van het recht op een bestaansminimum » op (artikel 54), vervangt dat recht door het recht op maatschappelijke integratie en belast de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ermee dat recht te verzekeren (artikel 2, tweede lid). B.
- De wet van 26 mei 2002 kent onder bepaalde voorwaarden een leefloon toe aan personen die niet over voldoende middelen beschikken, teneinde hen in staat te stellen een menswaardig leven te leiden. Het recht op maatschappelijke integratie kan ook de vorm aannemen van een tewerkstelling en kan gepaard gaan met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (artikel 2, eerste lid). B.
- Artikel 18 van de wet van 26 mei 2002 regelt de procedure voor de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie. 4 De toekenning gebeurt « hetzij op initiatief van het bevoegd centrum, hetzij op aanvraag van de belanghebbende of van ieder persoon die hij hiervoor schriftelijk heeft aangewezen » (artikel 18, § 1, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002). Het bevoegde centrum is in de regel « het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente op wier grondgebied zich een persoon bevindt die bijstand behoeft » (artikel 18, § 1, tweede lid, van de wet van 26 mei 2002 juncto artikel 1, eerste lid, 1°, van de wet van 2 april 1965 « betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn »). De aanvraag wordt op de dag van ontvangst chronologisch ingeschreven in het daartoe gehouden register. Het centrum zendt of overhandigt dezelfde dag aan de aanvrager een ontvangstbewijs (artikel 18, §§ 2 en 3, van de wet van 26 mei 2002). B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de overdracht van een aanvraag wanneer die niet binnen de territoriale bevoegdheid van het centrum valt. Artikel 18, § 4, van de wet van 26 mei 2002 bepaalt : « Wanneer een centrum een aanvraag ontvangt waarvoor het zich onbevoegd acht, zendt het deze aanvraag over binnen de vijf kalenderdagen aan het volgens hem bevoegd centrum. Binnen dezelfde termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld van deze overzending. Op straffe van nietigheid gebeurt de overzending van de aanvraag aan het bevoegd geachte OCMW, evenals de kennisgeving van de overzending aan de aanvrager, door een brief met vermelding van de redenen van onbevoegdheid. De aanvraag zal evenwel worden gevalideerd op de datum van ontvangst bij het eerste centrum, zoals bepaald in §
- Het centrum dat deze verplichting niet naleeft, moet overeenkomstig de door deze wet gestelde voorwaarden, het leefloon of de maatschappelijke integratie door tewerkstelling toekennen zolang het de aanvraag niet heeft overgezonden en de redenen die aan de onbevoegdheid ten grondslag liggen niet heeft medegedeeld. De beslissing van onbevoegdheid kan worden genomen door de Voorzitter mits zijn beslissing aan de raad of het bevoegd orgaan te onderwerpen op de eerstvolgende vergadering met het oog op haar bekrachtiging ». 5 B.
- De voormelde bepaling voorziet aldus in een doorzendingsplicht wanneer een centrum een aanvraag ontvangt waarvoor het zich onbevoegd acht en waarborgt de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie zolang het centrum de aanvraag niet heeft overgezonden en de redenen die aan zijn onbevoegdheid ten grondslag liggen niet heeft medegedeeld. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij in een soortgelijke situatie niet in dezelfde doorzendingsplicht en gewaarborgde steunverlening zou voorzien, meer bepaald wanneer het centrum de eerder verleende steunverlening stopzet omdat het, vanwege de verhuis van de gerechtigde, onbevoegd is geworden. B.
- Het verschil in behandeling tussen een gerechtigde die reeds het recht op maatschappelijke integratie geniet en een aanvrager die voor de eerste keer aanspraak maakt op dat recht, steunt weliswaar op een objectief criterium van onderscheid, maar dat criterium is niet pertinent. De doorzendingsplicht van het centrum dat zich onbevoegd acht, strekt immers ertoe het recht op maatschappelijke integratie snel en efficiënt toe te wijzen. De territoriale bevoegdheidsgeschillen mogen de gerechtigde geen nadeel berokkenen. Dezelfde bekommernis geldt a fortiori wanneer het recht op maatschappelijke integratie reeds is toegekend, maar het bevoegde centrum daarna onbevoegd wordt. In dat geval vereist de continuïteit van de steunverlening des te meer dat de overdracht snel en efficiënt verloopt. B.
- In de interpretatie van de verwijzende rechter, volgens welke de in het geding zijnde bepaling niet in dezelfde doorzendingsplicht en gewaarborgde steunverlening voorziet wanneer het centrum de steunverlening stopzet omdat het onbevoegd is geworden, is zij niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 6 B.
- Zoals de Ministerraad aangeeft, kan de bepaling evenwel zo worden gelezen dat de doorzendingsplicht en gewaarborgde steunverlening ook gelden zelfs wanneer het centrum de steunverlening stopzet omdat het, vanwege de verhuis van de gerechtigde, onbevoegd is geworden. Het centrum dient in dat geval de initiële aanvraag door te zenden en de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie te waarborgen zolang het de aanvraag niet heeft overgezonden en de redenen die aan zijn onbevoegdheid ten grondslag liggen niet heeft medegedeeld. De OCMW-organen dienen overigens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur na te leven, waaronder het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. B.
- In die interpretatie is er geen verschil in behandeling en is de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Zo geïnterpreteerd dat het niet in een doorzendingsplicht en gewaarborgde steunverlening voorziet wanneer het centrum de steunverlening stopzet omdat het onbevoegd is geworden, schendt artikel 18, § 4, van de wet van 26 mei 2002 « betreffende het recht op maatschappelijke integratie » de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Zo geïnterpreteerd dat het wel in een doorzendingsplicht en gewaarborgde steunverlening voorziet zelfs wanneer het centrum de steunverlening stopzet omdat het onbevoegd is geworden, schendt artikel 18, § 4, van de wet van 26 mei 2002 « betreffende het recht op maatschappelijke integratie » de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.044 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div