id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.051 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200423.1 Arrest- Rolnummer: 51/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-28 Raadplegingen: 277 - laatst gezien 2026-06-28 21:26 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof
- vernietigt : - artikel 7/1, § 2, van het decreet van 29 juli 1992 « houdende organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan », ingevoegd bij artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2017 « betreffende de invoering van een cursus filosofie en burgerzin in het secundair onderwijs en houdende verschillende aanpassingen in het basisonderwijs »; - het vierde tot het negende lid van artikel 94bis, § 5, van het decreet van 3 maart 2004 « houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs », ingevoegd bij artikel 16 van het voormelde decreet; - paragraaf 2bis van artikel 39 van het decreet van 13 juli 1998 « betreffende de organisatie van het gewoon kleuteronderwijs en lager onderwijs en de wijziging van de onderwijswetgeving », ingevoegd bij artikel 41 van het voormelde decreet; - de woorden « en de aanvullende lestijden toegekend voor het behalen van het getuigschrift van didactiek van de cursus filosofie en burgerzin overeenkomstig § 2bis » in artikel 39, § 3, vijfde lid, van het decreet van 13 juli 1998 « betreffende de organisatie van het gewoon kleuteronderwijs en lager onderwijs en de wijziging van de onderwijswetgeving », zoals vervangen bij artikel 42, 2°, van het voormelde decreet; - het vierde tot het negende lid van artikel 43bis, § 5, van het decreet van 3 maart 2004 « houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs », zoals vervangen bij artikel 44 van het voormelde decreet;
- handhaaft definitief de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot en met het schooljaar 2019-2020;
- onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.10.2, verwerpt het beroep voor het overige. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2017 « betreffende de invoering van een cursus filosofie en burgerzin in het secundair onderwijs en houdende verschillende aanpassingen in het basisonderwijs », ingesteld door de vzw « Secrétariat Général de l'Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone ». Onderwijs - Franse Gemeenschap - Cursus filosofie en burgerzin - Begeleiding van de cursus - Mechanisme voor de berekening van de lestijden begeleiding - Aanvullende lestijden begeleiding. Tekst van de beslissing Rolnummer 6868 Arrest nr. 51/2020 van 23 april 2020 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2017 « betreffende de invoering van een cursus filosofie en burgerzin in het secundair onderwijs en houdende verschillende aanpassingen in het basisonderwijs », ingesteld door de vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 februari 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 maart 2018, heeft de vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Kaiser en Mr. M. Verdussen, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen 1, 16, 41, 42 en 44 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2017 « betreffende de invoering van een cursus filosofie en burgerzin in het secundair onderwijs en houdende verschillende aanpassingen in het basisonderwijs » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 september 2017, tweede editie). De Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Nihoul, advocaat bij de balie van Waals-Brabant, en Mr. J. Sautois, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 25 september 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en E. Derycke te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 9 oktober 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 9 oktober 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 6 november
- Bij beschikking van 24 oktober 2019 heeft het Hof, op vraag van de rechters-verslaggevers M. Pâques en T. Merckx-Van Goey, ter vervanging van rechter E. Derycke, de zaak verdaagd naar de terechtzitting van 20 november 2019, na de partijen te hebben uitgenodigd om te antwoorden op de volgende vragen in een memorie neer te leggen ter griffie van het Hof uiterlijk op maandag 18 november 2019 vóór 13.00 uur, en die binnen dezelfde termijn uit te wisselen tussen de partijen : « 1) Bestaat er een mechanisme van uitdoving in de tijd van het saldo dat wordt geregeld in artikel 1, § 5, van het bestreden decreet, los van de eventuele jaarlijkse toename van het RLMOD ? 2) Merkt men, sinds de inwerkingtreding van het decreet, een tendens tot vermindering van het saldo ? 3) Wat zijn de reeds gekende cijfers, de voorspellingen of verwachtingen in dat verband ? ». Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partij; - de Franse Gemeenschapsregering. 3 Op de openbare terechtzitting van 20 november 2019 : - zijn verschenen : . Mr. M. Verdussen, tevens loco Mr. M. Kaiser, voor de verzoekende partij; . Mr. J. Sautois en Mr. E. Van de Calseyde, advocaat bij de balie van Waals-Brabant, loco Mr. M. Nihoul, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partij A.1.
- De vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone » (SeGEC), vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten van het katholiek onderwijs, heeft als doel de inrichtende machten en de schoolinrichtingen die zij in een federatie verenigt, te helpen bij de uitvoering van hun opdracht van functionele openbare dienst op het vlak van opvoeding en onderwijs (artikel 3, § 1, eerste lid, van haar statuten). Zij is aldus de woordvoerder van de aangesloten leden, waarbij zij instaat voor hun verdediging en bevordering met elk passend geacht middel (artikel 3, § 1, tweede lid, van haar statuten). De verzoekende vereniging is van mening dat haar belang om in rechte te treden geenszins kan worden betwist, rekening houdend met de weerslag van de bestreden bepalingen op de gesubsidieerde vrije scholen die basisonderwijs of secundair onderwijs inrichten. A.1.
- Gelet op het feit dat het Hof, bij zijn arrest nr. 114/2018 van 19 juli 2018, het belang van het SeGEC om in rechte te treden heeft erkend, gedraagt de Franse Gemeenschapsregering zich naar de wijsheid van het Hof met betrekking tot het belang van de verzoekende partij om in de voorliggende zaak in rechte te treden. 4 Ten gronde A.2.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 4, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, ervan, door artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2017 « betreffende de invoering van een cursus filosofie en burgerzin in het secundair onderwijs en houdende verschillende aanpassingen in het basisonderwijs » (hierna : het bestreden decreet), in zoverre het, in het decreet van de Franse Gemeenschap van 29 juli 1992 « houdende organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan » (hierna : het decreet van 29 juli 1992), een artikel 7/1, §§ 2, 3, 4 en 5, invoegt. Teneinde, in het secundair onderwijs, de begeleiding te verzekeren van de gemeenschappelijke cursus filosofie en burgerzin, van de cursussen godsdienst en niet-confessionele zedenleer en van de cursus filosofie en burgerzin georganiseerd voor de leerlingen die om een vrijstelling van de cursussen godsdienst en niet-confessionele zedenleer hebben verzocht, voorziet de bestreden bepaling in een mechanisme voor de berekening van de lestijden voor begeleiding dat bijkomende lestijden voor begeleiding creëert die hetgeen nodig is om de tewerkstelling te waarborgen van de op 30 juni 2017 in functie zijnde leraars godsdienst en zedenleer, overstijgen. A.2.
- Er wordt eveneens aangeklaagd dat de bestreden bepaling aan die bijkomende lestijden voor begeleiding geen overgangskarakter verleent en de bestendiging ervan mogelijk maakt, verder dan hetgeen noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken. A.3.
- De verzoekende partij zet uiteen dat elke onderwijsvestiging over een lestijdenpakket beschikt dat « RLMOD » wordt genoemd en overeenkomstig artikel 7/1, § 1, tweede lid, van het decreet van 29 juli 1992 wordt berekend. Artikel 7/1, § 4, eerste lid, van het voormelde decreet voorziet in de berekening van een « RLMOA », op grond van het totaalaantal lestijden godsdienst en niet-confessionele zedenleer die op 1 oktober 2014, voor elke in de paragrafen 2 en 3 bedoelde inrichting, worden toegekend, vermenigvuldigd met een demografische factor. Het is het verschil tussen het RLMOD en het RLMOA dat het mogelijk maakt om een « reserve van lestijden » te bepalen voor de betrokken inrichtingen, die bij artikel 7/1, §§ 2 tot 5, van het decreet van 29 juli 1992 aan vier bestemmingen wordt toegewezen. Aldus worden twee lestijden toegekend bij elk schooljaar (gedurende vier jaar) aan elke leraar van de cursus filosofie en burgerzin, en zulks tot 30 juni
- Voor die lestijden wordt het personeelslid vrijgesteld van het lesgeven teneinde de cursus voor het behalen van het getuigschrift van didactiek van de cursus filosofie en burgerzin te kunnen volgen. Dat personeelslid geniet dan ook een maatregel die veel weg heeft van educatief verlof, zelfs indien het het getuigschrift heeft behaald. Bijkomende lestijden zijn bestemd om het de betrokken inrichtingen mogelijk te maken om, ten voordele van de leraars godsdienst en niet-confessionele zedenleer, een opdrachtenvolume te behouden dat gelijkwaardig is met hun toekenningen op 30 juni
- De kwalificatie « bijkomende » verwijst naar het gegeven dat de aan het bestreden decreet van 19 juli 2017 onderworpen scholen, door het aantal lestijden te behouden die hun voorheen waren toegekend, voortaan een groter aantal lestijden genieten dan het aantal lestijden dat noodzakelijk is om de cursussen te begeleiden. Dat behoud houdt echter geen verband met de situatie die eigen is aan elke leerkracht die op 30 juni 2017 in de desbetreffende functies is aangesteld. Wanneer het personeelslid, ondanks de in artikel 7/1, § 3, eerste en tweede lid, van het decreet van 29 juli 1992 bedoelde bijkomende lestijden, geen volume van de uuropdracht heeft teruggevonden dat gelijkwaardig is met zijn toekenningen op 30 juni 2017, wordt in andere lestijden voorzien onder de in die bepaling vastgestelde voorwaarden. Die lestijden, die als overblijvende lestijden worden aangemerkt, moeten het mogelijk maken om specifieke pedagogische taken te verzekeren, meer in het bijzonder die welke in artikel 7/1, § 3, vierde lid, van het decreet van 29 juli 1992 worden vermeld. Ten slotte, volgens artikel 7/1, § 5, van het decreet van 29 juli 1992, na de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde uitgetrokken lestijden, zal het overschot, indien er een is, aan de beoogde inrichtingen worden toegekend om de invoering van de cursus filosofie en burgerzin te vergemakkelijken en te coördineren. 5 A.3.
- De verzoekende partij beklemtoont dat het creëren van bijkomende lestijden voor begeleiding, in zoverre het enkel aan de inrichtingen van het officieel onderwijs wordt voorbehouden, een verschil in behandeling tussen die inrichtingen en de inrichtingen van het confessionele vrije net doet ontstaan. Het kenmerk dat de inrichtingen van het officieel onderwijs en de inrichtingen van het niet-confessioneel vrij onderwijs onderscheidt van de inrichtingen van het confessioneel vrij onderwijs, bestaat erin dat de eerstgenoemde, in tegenstelling tot de laatstgenoemde, ertoe verplicht zijn de keuze te bieden tussen de verschillende cursussen godsdienst en niet- confessionele zedenleer, hetgeen voor hen financiële gevolgen met zich meebrengt. Dat objectieve verschil verklaart waarom de decreetgever de aan de betrokken inrichtingen opgelegde meerkosten probeert te compenseren. Boven op dat doel van compensatie komt een ander doel dat specifiek is voor de ingevoerde regeling, namelijk de wil te vermijden dat betrekkingen verloren gaan bij de leerkrachten die op 30 juni 2017 in functie waren. Het nieuwe artikel 7/1, § 4, van het decreet van 29 juli 1992 leidt evenwel ertoe dat overblijvende lestijden worden gecreëerd die niet alleen verder reiken dan de strikte pedagogische behoeften, maar ook verder gaan dan hetgeen noodzakelijk is vanaf het begin van het nieuwe schooljaar 2017 om de tewerkstelling van de personeelsleden wier opdracht is verminderd, te behouden. Alle schoolinrichtingen worden evenwel geconfronteerd met de noodzaak om de desbetreffende pedagogische taken te ontwikkelen en met de noodzaak om de cursus filosofie en burgerzin in te voeren. De verzoekende partij voegt eraan toe dat het door de decreetgever nagestreefde doel vereiste dat die laatste koos voor regels die voorzien in een geleidelijke uitdoving van het volume bijkomende lestijden vanuit een bekommernis om maximaal met de werkelijkheid overeen te stemmen en om het verschil tussen de in het geding zijnde categorieën van inrichtingen te beperken. Het bestreden decreet maakt het evenwel mogelijk om leraars in vast verband aan te werven voor lestijden die volledig of gedeeltelijk deel uitmaken van de reserve. Volgens de verzoekende partij had de decreetgever het voorbeeld kunnen en moeten volgen van de techniek van het « uitdovingskader ». De verzoekende partij verwijst naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State met betrekking tot het voorontwerp van decreet dat het bestreden decreet is geworden. Dat advies zou van dien aard zijn dat het de irrelevantie van het door de decreetgever in het leven geroepen verschil in behandeling tussen de verschillende onderwijsnetten aantoont. Wat de evenredigheid van de maatregel betreft, wordt aangevoerd dat het nieuwe artikel 7/1 van het decreet van 29 juli 1992 een negatieve impact heeft op de rechten die in de tekst zelf van artikel 24 van de Grondwet zijn erkend. De grondwettelijke vrijheid van de keuze van schoolinrichting houdt immers voor de bevoegde openbare besturen de verplichting in om het onderwijs te financieren, ongeacht het net, maar ook de daarmee samenhangende verplichting om geen parallelle financieringen te organiseren die niet alle netten zouden genieten. De keuze van een schoolinrichting kan echter in geen geval, rechtstreeks noch onrechtstreeks, afhangen van financiële overwegingen. Een leerling die is ingeschreven in een inrichting van het gesubsidieerde confessioneel vrije net en die behoefte heeft aan remediëring, zal die behoefte moeten invullen buiten zijn inrichting en ze dus zelf moeten financieren, terwijl, indien hij in een inrichting van het officiële net was ingeschreven, de mogelijkheid om die remediëring binnen de inrichting te vinden, iets groter zou zijn. Het onevenredige karakter van de maatregel zou nog groter worden door de extra kosten die hij onvermijdelijk met zich zal meebrengen voor de begroting van de Franse Gemeenschap ten voordele van één categorie van inrichtingen. A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering zet enkele algemene overwegingen over het beroep uiteen. A.4.
- Volgens haar sluit het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals het in artikel 24, § 4, van de Grondwet is vastgelegd, niet uit dat de decreetgever met name rekening houdt met de kenmerken die eigen zijn aan elke inrichtende macht. Aldus onderscheidt het door de Franse Gemeenschap ingerichte onderwijs zich van het gesubsidieerde onderwijs om reden dat de Franse Gemeenschap niet over dezelfde vrijheid van onderwijs als de andere inrichtende machten beschikt. De Franse Gemeenschapsregering verwijst naar het arrest van het Hof nr. 40/2011 van 15 maart
- De neutraliteit van het onderwijs en de verplichting om de keuze te bieden tussen onderricht in de erkende godsdiensten en onderricht in de niet-confessionele zedenleer, zoals die in dat arrest zijn vastgesteld, vormen kenmerken die het gesubsidieerde officiële net deelt met het door de Franse Gemeenschap ingerichte officiële net. De objectieve verschillen tussen de netten kunnen veranderlijk zijn. 6 Er zou moeten worden vastgesteld dat het bestreden decreet noch tot doel, noch tot gevolg heeft het objectieve verschil tussen de netten van het officieel onderwijs en van het gesubsidieerd vrij onderwijs te doen verdwijnen. Dat verschil berust op de grondwettelijke verplichting, die op de door de openbare besturen ingerichte scholen blijft rusten, om tot het einde van de leerplicht de keuze te bieden tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en onderricht in de niet-confessionele zedenleer. Het zou irrelevant zijn om aan te voeren dat het decreet van 22 oktober 2015 « betreffende de organisatie van een cursus filosofie en burgerzin en een opvoeding tot filosofie en burgerzin » tot gevolg zou hebben gehad om dat enige overblijvende objectieve verschil met de helft te beperken, in zoverre de verplichting die op de door de openbare besturen ingerichte scholen rust, enkel nog betrekking heeft op één uur per week en niet langer op twee lesuren per week. Volgens de Franse Gemeenschapsregering dienen de door de openbare besturen ingerichte scholen een drievoudige nieuwe verplichting te aanvaarden, die niet rust op het gesubsidieerde vrije net waarvan de verzoekende partij de belangen beoogt te verdedigen. De bij het decreet van 14 juli 2015 « waarbij een vrijstellingsstelsel voor de cursussen godsdienst en niet- confessionele zedenleer in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en in het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde officieel onderwijs wordt ingesteld » ingevoerde regeling houdt organisatorische verplichtingen in die de scholen van het confessionele vrije net niet kennen. Het is eveneens de bedoeling om een volledig nieuwe cursus in het lesrooster op te nemen, hetgeen een volkomen nieuwe opdracht vormt waarvan de inrichtingen die tot het door de verzoekende partij vertegenwoordigde net behoren, gespaard blijven. Ten slotte is het de bedoeling rekening te houden met het doel van de decreetgever dat ertoe strekt dat noch de vrijstellingsregeling, noch de invoering van de cursus filosofie en burgerzin een ongunstige impact hebben op de tewerkstelling van de leraars zedenleer en godsdienst die vastbenoemd, tijdelijk prioritair of stagiair zijn. A.4.
- Volgens de Franse Gemeenschapsregering zou er, in de door de verzoekende partij uiteengezette argumentatie, een tegenstrijdigheid bestaan die lijkt voort te vloeien uit de verwarring die zij maakt tussen hetgeen bij de bestreden bepalingen als « overblijvende lestijd » wordt aangemerkt en hetgeen bij die bepalingen als « overschot » wordt aangemerkt. De overblijvende lestijden zijn die welke worden gehaald uit de middelen die reeds ter beschikking van de betrokken inrichtingen waren gesteld vóór de invoering van de cursussen filosofie en burgerzin. Het is niet de bedoeling om extra middelen toe te kennen. Het is uit die reserve van overblijvende lestijden dat lestijden zullen worden gehaald die het de leerkrachten mogelijk maken om de cursus voor het behalen van het getuigschrift van didactiek van de cursus filosofie en burgerzin te volgen op basis van twee lestijden per schooljaar en om voor hen een opdrachtenvolume te behouden dat gelijkwaardig is met hun toekenningen op 30 juni
- Indien er in de reserve lestijden overblijven na het verdelen van de overblijvende lestijden om alle leerkrachten een volume van de uuropdracht te waarborgen dat gelijkwaardig is met hun toekenningen op 30 juni 2017, wordt gesproken van « overschot ». In dat geval zullen de resterende lestijden het mogelijk moeten maken om de invoering van de cursus filosofie en burgerzin te vergemakkelijken en te coördineren. Het is echter waarschijnlijk dat dat overschot in de praktijk gering en zelfs onbestaande zal zijn, gelet op het toenemend aantal mechanismen die zijn bestemd om het behoud van de tewerkstelling te waarborgen. A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering herhaalt dat de invoering van die volledig nieuwe cursus in het lesrooster een volkomen nieuwe opdracht is waarvan de inrichtingen van het confessionele vrije onderwijsnet gespaard blijven. De afdeling wetgeving van de Raad van State zou in haar advies met betrekking tot het voorontwerp van decreet dat het decreet van 13 juli 2016 « betreffende de invoering van een cursus filosofie en burgerzin in het basisonderwijs en betreffende het behoud van de alternatieve pedagogische begeleiding in het secundair onderwijs » (hierna : het decreet van 13 juli 2016) is geworden, het beginsel zelf van de toekenning van bijkomende begeleiding ten gunste van de inrichtingen van het officieel onderwijs zelf hebben aanvaard, teneinde hun de mogelijkheid te bieden de cursussen godsdienst en niet-confessionele zedenleer optimaal te organiseren. In het kader van de invoering van een cursus filosofie en burgerzin in de plaats van een van de twee lestijden die zijn gewijd aan de cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer, zou zij eveneens hebben aanvaard dat bijzondere maatregelen worden genomen om bijkomende begeleiding te verzekeren, rekening houdend met het door de Regering nagestreefde doel om geen verlies van betrekkingen met zich mee te brengen. De Franse Gemeenschapsregering voegt eraan toe dat het feit dat het systeem niet uitdrukkelijk voor beperkte duur werd geconcipieerd, daarom niet inhoudt dat het voor onbeperkte duur werd geconcipieerd. 7 A.4.
- Wat betreft de bewering volgens welke de zogenaamd nieuwe en talrijke middelen een invloed zouden kunnen hebben op de keuze van de gezinnen, aangezien zij een verbetering van zowel de pedagogische begeleiding als het onderricht in de cursus filosofie en burgerzin mogelijk zullen maken, ziet de Franse Gemeenschapsregering niet in in welk opzicht die twee verbeteringen een aanzienlijke weerslag zouden kunnen hebben op de keuze van de gezinnen, terwijl het niet gaat om sociale voordelen in de zin van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 juni 2001 « betreffende de sociale voordelen ». Het gaat hoogstens om mechanismen die enkel bestemd zijn om het behoud van de tewerkstelling van leraars te garanderen en, in zeer ondergeschikte orde, de behoorlijke organisatie van een cursus te verzekeren, waarin trouwens niet wordt voorzien in het leerplan in het confessioneel onderwijs. A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering voegt eraan toe dat de afdeling wetgeving van de Raad van State de mechanismen voor het verdelen van de overblijvende lestijden met toepassing van artikel 7/1, §§ 2 en 3, van het decreet van 29 juli 1992 niet in het geding heeft gebracht, maar enkel het gebruik dat zou worden gemaakt van het overschot overeenkomstig de paragrafen 4 en 5, namelijk de resterende lestijden toe te kennen om de invoering van de cursus filosofie en burgerzin te vergemakkelijken en te coördineren. De opmerking van de Raad van State zou eveneens sterk gerelativeerd moeten worden, aangezien het ingevoerde systeem niet blijvend is, aangezien het overschot in de praktijk niet aanzienlijk zal zijn en aangezien, ten slotte, enkel de netten van het officieel onderwijs en van het niet-confessioneel vrij onderwijs de last moeten dragen die de invoering en de organisatie van een volledig nieuwe cursus uitmaken. A.5.
- Wat het eerste middel betreft, voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat de herverdeling van de lestijden afkomstig uit de bij de diensten van de Franse Gemeenschap geglobaliseerde reserve niet kan worden gelijkgesteld met de toekenning van bijkomende middelen ten voordele van het officiële net en het niet- confessionele vrije net. Het door de decreetgever ingevoerde systeem berust uitsluitend op een reorganisatie van de middelen die vóór de invoering van de cursus filosofie en burgerzin aan de directies en aan de inrichtende machten zouden zijn toegekend. De Franse Gemeenschapsregering wijst nogmaals met nadruk op het feit dat de zogenaamde « overblijvende » lestijden in ruime mate dienen om het de leerkrachten mogelijk te maken de cursus voor het behalen van het getuigschrift van didactiek van de cursus filosofie en burgerzin te volgen en voor hen een opdrachtenvolume te behouden dat gelijkwaardig is met hun toekenningen op 30 juni
- Pas na de verdeling van overblijvende lestijden om dat volume van de uuropdracht te waarborgen, zullen de resterende lestijden, « overschot » genaamd, bestemd worden om de invoering van de cursus filosofie en burgerzin te vergemakkelijken en te coördineren. Zij herhaalt eveneens dat de versnippering van de lestijden die zijn bestemd om de organisatie van de cursus filosofie en burgerzin te vergemakkelijken en te coördineren, het niet mogelijk zal maken om met een voldoende aangetoond en rechtstreeks oorzakelijk verband de keuze van de gezinnen ten gunste van het door de openbare besturen ingerichte onderwijs te wijzigen. A.5.
- De Franse Gemeenschapsregering voert in tweede instantie aan dat het bij de eerste bestreden bepaling ingevoerde systeem niet bestemd is om blijvend te zijn. A.5.
- Zij voegt eraan toe dat er verschillen blijven bestaan tussen de onderwijsnetten. Aldus worden de door de openbare besturen ingerichte scholen nog steeds ermee belast de keuze te bieden tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en onderricht in de niet-confessionele zedenleer. De bij het decreet van 14 juli 2015 ingevoerde vrijstellingsregeling houdt organisatorische verplichtingen in die de scholen van het confessionele vrije net niet kennen. De door de openbare besturen ingerichte scholen moeten het hoofd bieden aan het invoeren van een volledig nieuwe cursus in het lesrooster en moeten erover waken dat de genomen maatregelen geen ongunstige impact hebben op de tewerkstelling van de vastbenoemde of tijdelijk prioritaire leraars zedenleer en godsdienst. 8 A.6.
- Wat het onderwerp van het beroep betreft, antwoordt de verzoekende partij dat de werkelijke bedoeling van de auteurs van het ontwerpdecreet niet erin bestond concrete betrekkingen te behouden, in casu die van de leraars godsdienst en zedenleer die op 30 juni 2017 in functie waren, maar het globale volume van betrekkingen vast te leggen door het volledige beschikbare budget voor te behouden aan enkel de inrichtingen van het officieel onderwijs en aan de inrichtingen van het niet-confessioneel vrij onderwijs die de keuze bieden tussen de cursus zedenleer of de cursussen godsdienst. Indien het de bedoeling was het aantal te organiseren groepen voor de verschillende filosofische cursussen te verhogen en, daarmee samenhangend, het aantal leerlingen per groep te verminderen, dan zou het discriminerend zijn om enkel voor de in het officieel onderwijs georganiseerde cursussen in een dergelijke beperking te voorzien. De scholen van de andere netten zouden immers het recht hebben om dezelfde maatregel te eisen met betrekking tot het algemene en transversale uur onderricht in filosofie en burgerzin. Daarentegen, indien het enkel de bedoeling is om de grootte van de groepen te beperken wat betreft het facultatieve uur onderricht in filosofie en burgerzin en/of het uur godsdienst of niet-confessionele zedenleer dat in de officiële inrichtingen wordt gevolgd, dan zou niets verantwoorden dat een beperking van de grootte van de klassen ook niet voor de cursussen godsdienst wordt toegekend aan de inrichtingen van het gesubsidieerd confessioneel vrij onderwijs. Daarenboven zou niets verantwoorden dat de normen met betrekking tot de grootte van de klassen gunstiger zijn voor de cursus filosofie en burgerzin dan voor eender welke andere cursus. A.6.
- De lestijden die bestemd zijn om het de leerkrachten mogelijk te maken de cursus voor het behalen van het getuigschrift van didactiek van de cursus filosofie en burgerzin op basis van twee lestijden per schooljaar te volgen, zouden een verlichtende maatregel uitmaken die de leerkrachten toelaat om te verstrekken lesuren te vervangen door het volgen van een opleiding. Die maatregel zou discriminerend zijn, aangezien het vrij onderwijs eveneens ertoe is gehouden onderricht in filosofie en burgerzin te organiseren zonder over enig middel te beschikken om daartoe een opleiding van de leerkrachten te verzekeren. Noch in de tekst zelf van het decreet, noch in de parlementaire voorbereiding die aan het aannemen ervan is voorafgegaan, wordt een vermeende reorganisatie van de aan de inrichtende machten toegewezen middelen ter sprake gebracht. Het probleem zou bestaan in het feit dat de decreetgever de eerder toegewezen middelen heeft gehandhaafd, terwijl de behoeften fundamenteel gewijzigd zijn. De bij het decreet van 22 oktober 2015 ingevoerde nieuwe regeling heeft immers tot gevolg dat de verplichting, voor de officiële scholen, om de keuze te bieden tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en onderricht in de niet-confessionele zedenleer, met de helft wordt beperkt, aangezien die verplichting enkel nog betrekking heeft op één uur per week en niet langer op twee. Om een status quo te verantwoorden, heeft de decreetgever dus kunstmatig nieuwe behoeften in het leven moeten roepen door te voorzien in lestijden die kunnen worden toegewezen aan activiteiten van pedagogische ondersteuning en remediëring. A.6.
- De verzoekende partij wijst eveneens erop dat het systeem, zoals het is geconcipieerd, de mogelijkheid zal bieden om de lestijden die niet langer dienen voor het behoud van de tewerkstelling, opnieuw toe te wijzen aan pedagogische ondersteuning en remediëring. Gesteld dat het bestaande verschil tussen de schoolinrichtingen verkleint totdat het verdwijnt, zal dat slechts op lange termijn geschieden, zodat de maatregel niet redelijk verantwoord is. A.6.
- Wat de vermeende tegenstrijdigheid in haar argumentatie betreft, merkt de verzoekende partij op dat het bestreden decreet pas op 1 september 2017 uitwerking heeft gehad. Rekening houdend met de demografische groei binnen de Franse Gemeenschap zou het aantal leerlingen op die datum hoger moeten zijn dan op 1 september 2016, zodat het RLMOD zou kunnen toenemen. Het verschil tussen het RLMOA en het RLMOD wordt bijgevolg noodgedwongen gedeeltelijk beperkt. De opgebouwde reserve van lestijden zal thans noodzakelijkerwijs vlugger uitgeput geraken dan vanaf 2021, wanneer een einde zal worden gemaakt aan de maatregel van het educatief verlof. Er wordt aangevoerd dat, zodra het verschil tussen het RLMOA en het RLMOD zal zijn uitgeput, middelen aan de beoogde inrichtingen zullen worden toegekend. Wat het gespecialiseerd onderwijs betreft, roept het decreet voor de bijkomende lestijden het recht in het leven om middelen te verkrijgen op louter verzoek bij de administratie van de Franse Gemeenschap, teneinde de opdracht van de leerkrachten aan te vullen, en niet, zoals in het gewoon onderwijs, in het kader van een reserve die wordt opgebouwd op basis van een verschil tussen het RLMOA en het RLMOD. 9 A.7.
- De verzoekende partij formuleert vijf aanvullende opmerkingen met betrekking tot de algemene overwegingen betreffende het beroep. Zij heeft nooit beweerd dat het bestreden decreet het enige overblijvende objectieve verschil tussen het officiële net en het confessionele vrije net, namelijk de verplichting voor de officiële scholen om de keuze te bieden tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en onderricht in de niet- confessionele zedenleer, deed verdwijnen. Het decreet heeft tot gevolg dat het verschil in kwestie met de helft wordt beperkt, aangezien die verplichting enkel nog betrekking heeft op één uur per week en niet langer op twee. Bijgevolg, rekening houdend met het door de decreetgever nagestreefde sociale doel, zouden de middelen moeten worden aangepast in verhouding tot de objectieve beperking van dat verschil. A.7.
- Het zou onjuist zijn te beweren dat het decreet van 22 oktober 2015 enkel aan de door de openbare besturen georganiseerde inrichtingen een bijkomende verplichting heeft opgelegd. De uitvoering van dat decreet legt immers een enkel referentiesysteem op, dat de competenties vastlegt die inzake opvoeding en inzake filosofie en burgerzin voor alle leerlingen moeten worden bereikt. Alle schoolinrichtingen zijn ertoe gehouden hetzelfde pedagogische resultaat te bereiken krachtens het voormelde decreet. De speelruimte waarover het vrije net beschikt, heeft enkel betrekking op de toepassing van het bij het decreet vastgestelde netoverschrijdende referentiesysteem, met andere woorden de pedagogische modalisering ervan. A.7.
- In derde instantie merkt de verzoekende partij op dat pedagogische begeleiding thans een absolute noodzaak is in een samenleving die de grondwettelijke verplichting heeft om de ongelijkheden tussen de leerlingen weg te werken en opnieuw gelijke kansen tussen hen in te voeren. In die context vertegenwoordigen de initiatieven die een schoolinrichting in termen van begeleiding en remediëring kan nemen, zowel een onweerlegbare aantrekkingskracht voor de ouders en de leerlingen als een verplichting op grond van het decreet van de Franse Gemeenschap van 24 juli 1997 « dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren » (hierna : het Takendecreet van 24 juli 1997). Bijgevolg is het door de decreetgever in aanmerking genomen systeem van dien aard dat het de concurrentie vervalst tussen de schoolinrichtingen die hij bevoordeelt en de andere. De verzoekende partij vestigt voorts de aandacht van het Hof op het feit dat de in het decreet bedoelde maatregelen bijdragen tot het welzijn van de leraars van de cursus filosofie en burgerzin en bijgevolg ertoe strekken de aantrekkelijkheid van de betrekking van leraar van die cursus te bevorderen. A.7.
- De verzoekende partij verwijst in vierde instantie naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State met betrekking tot het voorontwerp van decreet dat het bestreden decreet is geworden, alsook naar het arrest van het Hof nr. 114/2018 van 19 juli 2018, waarin het dat advies heeft onderschreven. A.7.
- In haar vijfde opmerking herhaalt de verzoekende partij dat het ingevoerde systeem zeker blijvend is, aangezien het decreet inderdaad geen enkele beperking in de tijd heeft vastgesteld en aangezien de in aanmerking genomen formule in werkelijkheid ertoe leidt dat de tot dusver aan de inrichtingen van het officieel onderwijs toegewezen middelen worden bestendigd, met name voor de organisatie van pedagogische taken. De bewering dat het overschot in de praktijk niet aanzienlijk is, zou geenszins worden aangetoond. Ten slotte, wat betreft het argument dat de inrichtingen van het officieel onderwijs het hoofd moeten bieden aan de invoering van een volledig nieuwe cursus, vergeet de Regering dat het vrij onderwijs eveneens de verplichting om de opvoeding tot burgerzin te verzekeren, dient na te leven. A.
- Wat het eerste middel betreft, verwijst de verzoekende partij naar de uiteenzetting in haar verzoekschrift. A.9.
- In haar memorie van wederantwoord onderzoekt de Franse Gemeenschapsregering de draagwijdte van het arrest van het Hof nr. 114/2018 van 19 juli
- Zij beklemtoont dat het Hof, indien het zich in de voorliggende zaak in de loop van het schooljaar 2018-2019 zou uitspreken, eveneens de handhaving van de gevolgen van de bij zijn arrest nr. 114/2018 vernietigde leden zou moeten bevestigen voor het lopende schooljaar op het ogenblik van zijn uitspraak, namelijk het schooljaar 2018-
- 10 Wat het gewoon basisonderwijs betreft, heeft het bestreden decreet in werkelijkheid enkel de door het Hof vernietigde leden van artikel 39, § 3, van het decreet van 13 juli 1998 « betreffende de organisatie van het gewoon kleuteronderwijs en lager onderwijs en de wijziging van de onderwijswetgeving » (hierna : het decreet van 13 juli 1998) vernummerd. Rekening houdend met het arrest dat het heeft uitgesproken, zou het Hof kunnen vaststellen dat het nieuwe beroep, in zoverre het betrekking heeft op de artikelen 41 en 42 van het decreet van 19 juli 2017, gedeeltelijk zonder voorwerp is geworden. Een andere optie zou erin bestaan dat het veiligheidshalve het desbetreffende artikel 42 vernietigt, in zoverre de leden daarin worden vernummerd, voor zover die vernummering kan worden geïnterpreteerd als een herhaling, door de decreetgever, van de inhoud van de vernummerde bepalingen. De Franse Gemeenschapsregering beklemtoont dat de bestreden bepalingen met betrekking tot het gewoon secundair onderwijs erin voorzien dat het eventueel beschikbare overschot, voor zover het positief is, zodra de lestijden zijn verdeeld die nodig zijn om leerkrachten aan het werk te houden, enkel wordt toegekend om de invoering van de cursus filosofie en burgerzin te vergemakkelijken en te coördineren. De bestreden bepalingen met betrekking tot het gespecialiseerd secundair onderwijs en die met betrekking tot het gespecialiseerd basisonderwijs voorzien alle, zelfs na aanpassing van de laatstgenoemde, in dezelfde beperkingen als die waarmee het Hof rekening heeft gehouden in het arrest nr. 114/2018 om de grieven van de verzoekende partij te verwerpen. Enkel artikel 39 van het decreet van 13 juli 1998 blijft enigszins bepalen - onder voorbehoud van de weerslag van het arrest nr. 114/2018 op het bestaan van de in het geding zijnde leden - dat het overschot van het aantal gebruikte lestijden om leerkrachten aan het werk te houden, kan worden toegekend aan de betrokken inrichtingen teneinde aanpassing en pedagogische ondersteuning aan te bieden met het oog op het uitvoeren, coördineren en ondersteunen van opvoedingsactiviteiten die uitsluitend tot doel hebben artikel 15, eerste lid, van het Takendecreet van 24 juli 1997 toe te passen, zijnde een onderwerp dat vreemd is aan de organisatie van de cursussen godsdienst, niet-confessionele zedenleer of filosofie en burgerzin. Enkel de in het gewoon basisonderwijs van toepassing zijnde regeling kan dus nog moeilijkheden opleveren voor het Hof. A.9.
- Wat het eerste middel betreft, rekening houdend met de lering van het arrest nr. 114/2018, ziet de Franse Gemeenschapsregering niet in wat moet worden vernietigd in artikel 7/1 van het decreet van 29 juli 1992, ingevoegd bij artikel 1 van het bestreden decreet. Het geglobaliseerde aantal lestijden dat voortvloeit uit het verschil tussen het RLMOA van elke inrichting en haar RLMOD wordt immers uitgetrokken zoals bedoeld in de paragrafen 2 en 3, met als enig doel te beantwoorden aan de doelstellingen die de grondslag vormen voor het verantwoorde verschil in behandeling tussen de netten, namelijk de tewerkstelling van de leerkrachten van de cursussen filosofie en burgerzin behouden en de organisatie van de cursus filosofie en burgerzin mogelijk maken. A.9.
- In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij in haar memorie aanvoert, is de beperking van de grootte van de groepen godsdienst, niet-confessionele zedenleer of filosofie en burgerzin voor de leerlingen die de vrijstelling van de cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer hebben aangevraagd, niet het door de decreetgever nagestreefde doel, maar een middel om zoveel mogelijk leerkrachten aan het werk te houden. De decreetgever heeft de titels en bekwaamheden van de betrokken leerkrachten zo goed mogelijk willen gebruiken via taken die een pluspunt bieden voor de leerlingen, door een splitsing van de cursussen met meer dan tien leerlingen of via de pedagogische samenwerking tussen leerkrachten, of nog, door de organisatie te vergemakkelijken van diverse activiteiten die passen in het kader van het Takendecreet van 24 juli 1997, namelijk de pedagogische, opvoedkundige en inrichtingsprojecten. A.9.
- Wat betreft het feit dat lestijden het mogelijk maken om de opleiding te volgen die wordt afgesloten met het getuigschrift van didactiek van de cursus filosofie en burgerzin, brengt de Franse Gemeenschapsregering in herinnering dat het verkrijgen van dat getuigschrift een verplichting is die niet bestaat in het confessioneel vrij onderwijs, aangezien dat laatste wordt geacht transversaal op te voeden tot filosofie en burgerzin door alle cursussen heen. Dat opleidingskrediet vormt dus een middel om de negatieve impact van de verandering gedeeltelijk te compenseren voor diegenen die hebben aanvaard om een nieuwe cursus te beginnen, met de beroepsvereisten die die verandering oplegt. In het gewoon secundair onderwijs, zodra het doel van het behoud van de tewerkstelling is bereikt, wordt het eventuele overschot van de reserve van geglobaliseerde lestijden, bedoeld in artikel 7/1, § 4, van het decreet van 29 juli 1992, enkel bestemd om de invoering van de cursus filosofie en burgerzin te vergemakkelijken en te coördineren en niet om aanpassing en pedagogische ondersteuning met toepassing van artikel 15, eerste lid, van het Takendecreet van 24 juli 1997 te verzekeren. 11 A.10.
- Een tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 4, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, van de Grondwet, door artikel 16 van het bestreden decreet, in zoverre het een artikel 94bis, § 5, invoegt in het decreet van 3 maart 2004 « houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs ». De bestreden bepaling voorziet in een mechanisme voor de berekening van de lestijden voor begeleiding dat bijkomende lestijden voor begeleiding creëert boven op het behoud van de tewerkstelling van de leraars godsdienst en zedenleer die op 30 juni 2017 in functie waren. In plaats van als tijdelijk te zijn opgevat, maakt het voortbestaan van bijkomende lestijden voor begeleiding het voorwerp uit van een consolidering en van een bestendiging die het maatschappelijk doel van de decreetgever geenszins oplegt. De verzoekende partij voert aan dat het decreet, zoals voor het gewoon onderwijs, het mogelijk maakt om leraars in vast verband aan te werven en dus menselijke middelen te stabiliseren tijdens de volgende 30 jaar. De wanverhouding zou des te groter zijn in het gespecialiseerd onderwijs daar de gemeenschapswetgever geen berekeningsmechanisme regelt dat vergelijkbaar is met datgene waarin hij voorziet voor het gewoon onderwijs, namelijk de globalisering, door de diensten van de Franse Gemeenschap, van de lestijden die voortvloeien uit het verschil tussen het RLMOD en het RLMOA. Aldus wordt geen enkele reserve van lestijden opgebouwd. Daar de betrokken inrichtingen niet zullen kunnen putten uit een reserve die niet bestaat, zullen zij de diensten van de Franse Gemeenschap moeten verzoeken om lestijden te creëren. Dat impliciet door het decreet gegenereerde trekkingsrecht zal de gemeenschapsbegroting noodgedwongen blijvend bezwaren. A.10.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist het blijvende karakter van de bestreden bepaling. Zij baseert zich op de parlementaire voorbereiding van het decreet van 13 juli 2016, die de auteur van het bestreden artikel 94bis rechtstreeks heeft geïnspireerd, en op de tekst zelf van die bepaling. Bovendien worden in het vierde lid en de volgende leden de nadere regels gepreciseerd voor de toekenning van bijkomende lestijden teneinde de tewerkstelling van de leerkrachten veilig te stellen. Op het « lestijdenpakket » kunnen enkel de lestijden worden uitgetrokken die noodzakelijk zijn voor de organisatie van de verschillende filosofische cursussen en voor het behoud van de tewerkstelling van de betrokken leraars die op 30 juni 2017 in functie waren. De Franse Gemeenschapsregering verwijst voor het overige naar de uiteenzetting met betrekking tot het eerste middel. A.11.
- Een derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 4, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, ervan, door de artikelen 41, 42 en 44 van het bestreden decreet, in zoverre zij artikel 39 van het decreet van 13 juli 1998 « betreffende de organisatie van het gewoon kleuteronderwijs en lager onderwijs en de wijziging van de onderwijswetgeving », alsook artikel 43bis van het decreet van 3 maart 2004 « houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs », wijzigen. De verzoekende partij formuleert twee punten van kritiek met betrekking tot de bestreden bepaling. Enerzijds, wanneer het door de decreetgever in aanmerking genomen berekeningsmechanisme wordt toegepast, blijven er lestijden bestaan die verder gaan dan hetgeen nodig is om de tewerkstelling te behouden van de personeelsleden wier opdracht is verminderd, waarbij die lestijden enkel aan de in het decreet bedoelde inrichtingen worden voorbehouden. Anderzijds maakt het voortbestaan van bijkomende lestijden voor begeleiding het voorwerp uit van een consolidering en van een bestendiging die het door de decreetgever nagestreefde maatschappelijk doel geenszins oplegt. De bestreden bepalingen brengen een aantal aanpassingen aan in de bij het decreet van 13 juli 2016 ingevoerde regeling met betrekking tot het basisonderwijs ten aanzien van de nadere regels voor het toewijzen van de reserve van lestijden die is uitgedacht bij de invoering van het systeem voor het secundair niveau. Daar de verzoekende partij reeds de vernietiging van die bepalingen in het kader van het in de zaak nr. 6547 ingestelde beroep heeft gevorderd, vordert zij eveneens de vernietiging van de wijzigingsbepalingen, om identieke redenen en vanuit een bekommernis om coherentie, zonder een nieuw argument voor te stellen. A.11.
- De Franse Gemeenschapsregering verwijst naar de argumenten die zij eerder heeft uiteengezet in haar memorie, alsook naar de memorie die zij in het kader van de zaak nr. 6547 heeft neergelegd. Zij vestigt de aandacht van het Hof op het feit dat de bij de bestreden bepalingen ingevoegde wijzigingen van dien aard zijn dat zij het gebruik doen toenemen dat kan worden gemaakt van de reserve van lestijden om het nagestreefde doel te bereiken, namelijk de betrokken leraars een opdracht waarborgen die gelijkwaardig is met hun toekenningen op 30 juni
- 12 A.11.
- De verzoekende partij merkt op dat het Hof, bij zijn arrest nr. 114/2018, artikel 39, § 3, zesde tot achtste lid, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 juli 1998, ingevoegd bij artikel 5 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 juli 2016 heeft vernietigd. Uit die vernietiging vloeit voort dat artikel 42 van het te dezen bestreden decreet, in zoverre het paragraaf 3 van artikel 39 van het decreet van 13 juli 1998 wijzigt, eveneens moet worden vernietigd. Daarenboven dient artikel 41 van het te dezen bestreden decreet, in zoverre het een paragraaf 2bis aan het voormelde artikel 39 toevoegt, eveneens te worden vernietigd wegens de onlosmakelijke band die het vertoont met paragraaf 3 van dat artikel
- Logischerwijze zullen de gevolgen van de bepalingen van het bestreden decreet moeten worden gehandhaafd tot het einde van het schooljaar 2018-
- A.11.
- De Franse Gemeenschapsregering repliceert dat het derde middel, rekening houdend met het arrest nr. 114/2018, moet worden verworpen in zoverre het artikel 44 van het bestreden decreet met betrekking tot het gespecialiseerd onderwijs beoogt. Het zou met betrekking tot de artikelen 41 en 42 van het bestreden decreet enkel kunnen worden ingewilligd in de lijn van het voormelde arrest van het Hof. De eventueel door het Hof uitgesproken vernietiging zou enkel betrekking kunnen hebben op artikel 39 van het decreet van 13 juli 1998, zoals gewijzigd bij het bestreden decreet, in zoverre het blijft bepalen dat het overschot van het aantal lestijden die worden gebruikt om leerkrachten aan het werk te houden, kan worden toegekend aan de betrokken inrichtingen teneinde aanpassing en pedagogische ondersteuning te waarborgen die vreemd zijn aan de organisatie van de cursussen godsdienst, niet-confessionele zedenleer of filosofie en burgerzin. A.12.
- Bij een beschikking van 24 oktober 2019 heeft het Hof de volgende vragen aan de partijen gesteld : « 1) Bestaat er een mechanisme van uitdoving in de tijd van het saldo dat wordt geregeld in artikel 1, § 5, van het bestreden decreet, los van de eventuele jaarlijkse toename van het RLMOD ? 2) Merkt men, sinds de inwerkingtreding van het decreet, een tendens tot vermindering van het saldo ? 3) Wat zijn de reeds gekende cijfers, de voorspellingen of verwachtingen in dat verband ? ». A.12.
- In haar aanvullende memorie brengt de Franse Gemeenschapsregering in herinnering dat, zodra het doel van het behoud van de tewerkstelling is bereikt, het eventuele saldo van de reserve van geglobaliseerde lestijden enkel bestemd is om te worden toegekend teneinde de invoering van de cursus filosofie en burgerzin te vergemakkelijken en te coördineren. De invoering van die volledig nieuwe cursus in het lesrooster is echter een volkomen nieuwe en onderscheiden opdracht waarvan het net dat de verzoekende partij vertegenwoordigt, gespaard blijft « met inachtneming van de door de wetgever uitgedrukte wens om de objectieve verschillen die het kenmerken, te vrijwaren ». Zij voegt eraan toe dat de toekenning van het eventuele positieve saldo aan de invoering van de nieuwe cursus niet kennelijk onredelijk is, rekening houdend met de last die hij vertegenwoordigt. Zij ziet bijgevolg niet in waarom « het mechanisme gepaard zou moeten gaan met een mechanisme van uitdoving in de tijd, los van de eventuele toename van het RLMOD, aangezien het te allen tijde op een objectief verschil tussen netten zou berusten ». De eerste vraag wordt evenwel ontkennend beantwoord, aangezien de bepalingen betreffende het uittrekken van lestijden voor het opleidingskrediet, geregeld in artikel 7/1, § 2, van het voormelde decreet van 29 juli 1992, ingevoerd bij artikel 1 van het bestreden decreet, uitdrukkelijk in de tijd beperkt zijn. Wat de tweede en de derde vraag betreft, heeft de Franse Gemeenschapsregering een nota overgelegd waaruit blijkt dat het saldo negatief is voor de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019, maar dat het saldo opnieuw positief zou kunnen worden in
- Indien de overgang van de leerkrachten naar de cursus filosofie en burgerzin niet zou plaatsvinden, zou het aantal lestijden die noodzakelijk zijn om de tewerkstelling te behouden, toenemen en het saldo bezwaren. De Franse Gemeenschapsregering maakt evenwel voorbehoud bij de meegedeelde gegevens, wegens het gebrek aan voldoende afstand. 13 A.12.
- In haar aanvullende memorie zet de verzoekende partij uiteen dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord en dat het die blijvende situatie is die haar beroep heeft verantwoord. Wat de tweede en de derde vraag betreft, beschikt de verzoekende partij niet over cijfermateriaal. Zij legt evenwel prognoses van het Planbureau over de demografische evolutie voor waarbij zij opmerkt dat de toename van de schoolbevolking minder groot zal zijn dan verwacht op het ogenblik van het aannemen van het bestreden decreet. Zij leidt daaruit af dat de behoeften inzake begeleiding zullen afnemen ten opzichte van hetgeen voorspelbaar was in 2018, hetgeen haar stelling versterkt. Zij doet voorts gelden dat andere evoluties mogelijk zijn. Zij besluit « dat de bewering volgens welke het verschil tussen het RLMOA en het RLMOD op korte, middellange of zelfs lange termijn zal worden weggewerkt, onjuist is ». -B- B.1.
- De vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone » (hierna : het SeGEC) vordert de vernietiging van de artikelen 1, 16, 41, 42 en 44 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2017 « betreffende de invoering van een cursus filosofie en burgerzin in het secundair onderwijs en houdende verschillende aanpassingen in het basisonderwijs ». B.1.
- Bij artikel 1 van het voormelde decreet wordt in het decreet van 29 juli 1992 « houdende organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan » een artikel 7/1 ingevoegd, waarvan de paragrafen 2, 3, 4 en 5, die in het verzoekschrift worden beoogd, bepalen : « §
- Voor de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, het officieel gesubsidieerd onderwijs en het niet-confessioneel vrij onderwijs die de keuze bieden tussen de verschillende cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer, worden lestijden boven het RLMOD automatisch toegekend voor het personeelslid dat aangeworven of aangesteld wordt als leraar voor de cursus filosofie en burgerzin in het kader van de maatregelen die bepaald zijn in afdeling VII van hoofdstuk II van titel III van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs, en in de overgangsbepalingen van hoofdstuk XIquater van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, en van hoofdstuk Xter van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdienst van de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, met het oog op het behalen van het getuigschrift didactiek voor de cursus filosofie en burgerzin. 14 Die lestijden worden in elk schooljaar tot 30 juni 2021 toegekend, met twee lestijden voor elk personeelslid. Wanneer het personeelslid tegelijk het ambt van leraar filosofie en burgerzin en het ambt van leraar niet-confessionele zedenleer of godsdienst uitoefent, worden die twee lestijden prioritair op zijn bevoegdheden als leraar niet-confessionele zedenleer of godsdienst binnen de betrokken inrichtende macht uitgetrokken. Indien de lestijden niet op die bevoegdheden worden uitgetrokken, moet het personeelslid op 1 september van het lopende schooljaar minstens voor drie lestijden aangeworven of aangesteld zijn als leraar filosofie en burgerzin, in de lagere of hogere graad. In die beide gevallen, presteert het personeelslid als leraar filosofie en burgerzin binnen de betrokken inrichtende macht minstens 1 lestijd voort, behalve als het afwezig is wegens moederschapsrust, ziekte, door een arbeidsongeval veroorzaakte arbeidsongeschiktheid, en wegens de volgende verloven : verlof wegens de volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan bij de geboorte of de adoptie van een kind, in het kader van het ouderschapsverlof; verlof wegens de volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan om palliatieve zorg te verlenen; verlof wegens de volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan om aanwezig te zijn bij een lid van het gezin of van de familie dat zwaar ziek is, of om hem zorg te verlenen. Het inrichtingshoofd, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of de inrichtende macht, voor het officieel gesubsidieerd onderwijs en voor het niet-confessioneel vrij onderwijs, dient bij het bestuur een document in dat het gebruik van die bijkomende lestijden verantwoordt voor de vervanging van het betrokken personeelslid. Die lestijden worden, naar gelang van het geval, toegekend aan de inrichting of de inrichtende macht waarin het betrokken personeelslid de belangrijkste opdracht uitoefent. Als de opdracht van het personeelslid in elk van de betrokken inrichtende machten gelijk is, komt de keuze van de betrekking voor die vervanging aan het personeelslid toe. In afwijking van het vorige lid, kunnen die lestijden worden toegekend aan een andere inrichting of inrichtende macht, wanneer de toekenning van die lestijden kan leiden tot de vermindering van het aantal vestigingen waarin het personeelslid zijn ambt werkelijk uitoefent. §
- Wanneer de lestijden die met toepassing van de §§ 1 en 2 worden toegekend, het bovendien niet mogelijk maken om binnen de inrichting, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of binnen de inrichtende macht, voor het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs, aan de vastbenoemde en prioritair tijdelijke [...] personeelsleden of stagiairs een volume lestijden toe te kennen dat overeenstemt met het volume dat op 30 juni 2017 toegekend was, overeenkomstig de prioriteiten die werden vastgesteld bij afdeling VII van hoofdstuk II van Titel III van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs en bij de overgangsbepalingen vermeld in hoofdstuk XIquater van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van 15 de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, en van hoofdstuk Xter van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdienst van de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, en, bij ontstentenis daarvan, overeenkomstig de regels van het administratief statuut dat toepasselijk is op het personeelslid, dient het inrichtingshoofd, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of de inrichtende macht, voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en voor het niet-confessioneel vrij onderwijs, bij het bestuur een document in dat bewijst dat hij daartoe een bepaald aantal bijkomende lestijden moet gebruiken waarvan hij de bestemming voor elke vestiging zal bepalen overeenkomstig de hierna vermelde bepalingen. De in het vorige lid bedoelde lestijden worden uitsluitend gebruikt voor : 1) het organiseren van activiteiten, in het kader van de cursus filosofie en burgerzin, binnen één zelfde inrichting, waarvan de invoering een breder publiek dan de klasgroep betreft. Die lestijden worden toegekend in verhouding tot hoogstens 1 lestijd per volume van 6 lestijden filosofie en burgerzin die binnen dezelfde inrichting worden georganiseerd; 2) het organiseren van activiteiten voor de pedagogische coördinatie of het overleg tussen personeelsleden belast met de cursus filosofie en burgerzin in hetzelfde studiejaar of verschillende studiejaren, in het kader van de cursus filosofie en burgerzin; 3) het splitsen in tweeën van een klasgroep met meer dan 10 leerlingen die een cursus godsdienst, niet-confessionele zedenleer of filosofie en burgerzin volgen, voor de leerlingen die vrijgesteld zijn van de cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer; 4) het aanwijzen van twee leerkrachten voor een klasgroep van minstens 10 leerlingen die een cursus godsdienst, niet-confessionele zedenleer of filosofie en burgerzin volgen, voor de leerlingen die vrijgesteld zijn van de cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer, of die de cursus filosofie en burgerzin volgen. Er worden eveneens bijkomende lestijden toegekend aan het vastbenoemde, tijdelijk prioritaire personeelslid of stagiair, dat, ondanks de voorafgaandelijke toepassing van de hierboven opgesomde bepalingen, een uuropdracht die overeenstemt met de hem op 31 juni 2017 toegekende lestijden, niet heeft teruggevonden, of dat prestaties zou moeten verrichten in meer dan 6 vestigingen, alle inrichtende machten inbegrepen. Die lestijden worden toegekend aan de inrichting of aan de inrichtende macht, naar gelang van het geval, waar het volume van de uuropdracht van het betrokken personeelslid op 30 juni 2017 het belangrijkst is. Het inrichtingshoofd, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of de inrichtende macht, voor het officieel gesubsidieerd onderwijs en het niet-confessioneel vrij onderwijs, moet bij het bestuur een document indienen dat bewijst dat hij daartoe een bepaald aantal bijkomende lestijden moet gebruiken waarvan hij de bestemming voor elke vestiging zal bepalen overeenkomstig de hierna vermelde bepalingen. Het betrokken personeelslid voert de volgende taken uit : 1° organisatie en toezicht betreffende activiteiten binnen de mediatheek van de school of betreffende een remediëringsactiviteit; 16 2° toezicht op vormings- en bekrachtigingsevaluaties; 3° begeleiding van leerlingengroepen bij activiteiten buiten de inrichting. Het gebruik van die bijkomende lestijden wordt toegelaten vanaf 1 september van dit jaar tot 30 juni van het volgende jaar. Dat gebruik behoort tot de bevoegdheid van de inrichtende macht, in het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs, en [van] het inrichtingshoofd, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. Het wordt onderworpen aan het voorafgaande advies, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, van het basisoverlegcomité, in het door de Franse Gemeenschap officieel gesubsidieerd onderwijs, van de plaatselijke paritaire commissie, en in het door de Franse Gemeenschap vrij gesubsidieerd onderwijs, van de ondernemingsraad of, bij ontstentenis daarvan, van de vakbondsafvaardiging, waarbij het bemiddelingsbureau het recht heeft de zaak aan zich te trekken bij onenigheid. De diensten die in het kader van de in deze paragraaf bedoelde bijkomende lestijden worden gepresteerd, worden volledig gelijkgesteld met de diensten die worden gepresteerd in het kader van de personeelsformatie. De aldus gecreëerde betrekkingen kunnen aanleiding geven tot benoemingen of wervingen in vast verband. §
- Het totaal aantal lestijden godsdienst en niet-confessionele zedenleer die op 1 oktober 2014, voor elke in de §§ 2 en 3 bedoelde inrichting, worden toegekend, vermenigvuldigd met een demografische factor, maakt het RLMOA van die inrichting uit, bepaald met de wiskundige afronding. Die demografische factor is gelijk aan het aantal leerlingen van het secundair onderwijs die op 1 oktober 2016 regelmatig ingeschreven zijn, gedeeld door het aantal leerlingen van het secundair onderwijs die op 1 oktober 2014 regelmatig ingeschreven waren. Het verschil tussen het RLMOA van de inrichting en haar RLMOD bepaalt het aantal lestijden. Dat - positieve of negatieve - aantal wordt geglobaliseerd bij de diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap. De inrichtingen die op 1 oktober 2014 geen secundair onderwijs organiseerden, creëren geen lestijd die te globaliseren is. Op dat in het vorige lid aantal geglobaliseerde lestijden worden automatisch de in de §§ 2 en 3 bedoelde lestijden uitgetrokken. Het aantal overblijvende lestijden maken het overschot uit. §
- Voor zover het saldo positief is, wordt het in § 4, vierde lid, gekregen saldo aan de in § 2 bedoelde inrichtingen toegekend, om de invoering van de cursus filosofie en burgerzin te vergemakkelijken en te coördineren. Alleen de inrichtingen die positief bijdragen tot het geglobaliseerde aantal lestijden krijgen lestijden met toepassing van het eerste lid. Dat aantal lestijden is gelijk aan het in het vorige lid bedoelde overschot, gewogen met een coëfficiënt die gelijk is aan de verhouding tussen hun positieve bijdrage tot het geglobaliseerde aantal lestijden en het geglobaliseerde aantal lestijden. Het resultaat wordt tot de lagere eenheid afgerond. 17 Het gebruik van de in het vorige lid bedoelde lestijden wordt toegelaten zodra het aantal ervan door de diensten van de Regering wordt meegedeeld en tot 30 september [lees : juni] eerstkomende. Dat gebruik behoort tot de bevoegdheid van de inrichtende macht, in het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs, en van het inrichtingshoofd, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, na het advies van de plaatselijke overlegorganen te hebben ingewonnen. Alleen wervingsambten van de categorie van het onderwijzend personeel kunnen in aanmerking worden genomen in het kader van die lestijden ». Bij artikel 16 van het bestreden decreet wordt in het decreet van 3 maart 2004 « houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs » een artikel 94bis ingevoegd, waarvan paragraaf 5, die in het verzoekschrift wordt beoogd, bepaalt : « §
- Boven de lestijden die noodzakelijk zijn voor de organisatie van de verschillende cursussen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en filosofie en burgerzin, kunnen alleen op het maximumaantal lestijden alleen de lestijden worden uitgetrokken die noodzakelijk zijn voor het behoud van het opdrachtvolume dat overeenstemt met de lestijden die op 30 juni 2017 toegekend zijn, van de vastbenoemde of [prioritair] tijdelijke leermeesters godsdienst en niet-confessionele zedenleer, overeenkomstig de prioriteitsvolgorde bepaald in titel II van dit decreet, en zo niet, overeenkomstig de regels van het administratief statuut waaronder het personeelslid ressorteert. Het in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde [maximumaantal] lestijden kan alleen worden gebruikt voor de omkadering van de cursus godsdienst, niet-confessionele zedenleer en filosofie en burgerzin. De overblijvende lestijden kunnen geenszins worden overgedragen naar het onderwijzend personeel of naar andere personeelscategorieën. Voor de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, het officieel gesubsidieerd onderwijs en het niet-confessioneel vrij onderwijs die de keuze bieden tussen de verschillende cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer, worden bijkomende lestijden automatisch toegekend voor elk personeelslid dat wordt aangeworven of aangesteld als leraar van de cursus filosofie en burgerzin in het kader van de maatregelen bepaald in afdeling VII van [hoofdstuk II van] titel III van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs en in de overgangsmaatregelen vermeld in hoofdstuk XIquater van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, en in hoofdstuk Xter van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdienst van de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, met het oog op het behalen van het getuigschrift didactiek voor de cursus filosofie en burgerzin. 18 Die lestijden worden in elk schooljaar tot 30 juni 2021 toegekend, met twee lestijden voor elk personeelslid. Wanneer het personeelslid tegelijk het ambt van leraar filosofie en burgerzin en het ambt van leraar niet-confessionele zedenleer of godsdienst uitoefent, worden die twee lestijden prioritair op zijn bevoegdheden als leraar niet-confessionele zedenleer of godsdienst binnen de betrokken inrichtende macht uitgetrokken. Indien de lestijden niet op die bevoegdheden worden uitgetrokken, moet het personeelslid op 1 september van het lopende schooljaar minstens voor drie lestijden aangeworven of aangesteld zijn als leraar filosofie en burgerzin. In die beide gevallen, presteert het personeelslid als leraar filosofie en burgerzin binnen de betrokken inrichtende macht minstens 1 lestijd werkelijk voort, behalve als het afwezig is wegens moederschapsrust, ziekte, door een arbeidsongeval veroorzaakte arbeidsongeschiktheid, en wegens de volgende verloven : verlof wegens de volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan bij de geboorte of de adoptie van een kind, in het kader van het ouderschapsverlof; verlof wegens de volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan om palliatieve zorg te verlenen; verlof wegens de volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan om aanwezig te zijn bij een lid van het gezin of van de familie dat zwaar ziek is, of om hem zorg te verlenen. Het inrichtingshoofd, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of de inrichtende macht, voor het officieel gesubsidieerd onderwijs en voor het niet-confessioneel vrij onderwijs, dient bij het bestuur een document in dat het gebruik van die bijkomende lestijden verantwoordt voor de vervanging van het betrokken personeelslid. Die lestijden worden, naar gelang van het geval, toegekend aan de inrichting of de inrichtende macht waarin het betrokken personeelslid de belangrijkste opdracht uitoefent. Als de opdracht van het personeelslid in elk van de betrokken inrichtende machten gelijk is, komt de keuze van de betrekking voor die vervanging aan het personeelslid toe. In afwijking van het vorige lid, kunnen die lestijden worden toegekend aan een andere inrichting of inrichtende macht, wanneer de toekenning van die lestijden kan leiden tot de vermindering van het aantal vestigingen waarin het personeelslid zijn ambt werkelijk uitoefent. Wanneer de lestijden die met toepassing van de voormelde bepalingen worden toegekend, het bovendien niet mogelijk maken om binnen de inrichting, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of binnen de inrichtende macht, voor het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs, aan de vastbenoemde en prioritair tijdelijke […] personeelsleden of stagiairs[, of stagedoende tijdelijken,] een volume lestijden toe te kennen dat overeenstemt met het volume dat op 30 juni 2017 toegekend was, overeenkomstig de prioriteiten die werden vastgesteld bij afdeling VII van hoofdstuk II van Titel III van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs en bij de overgangsbepalingen vermeld in hoofdstuk XIquater van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze 19 inrichtingen, en van hoofdstuk Xter van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdienst van de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, en, bij ontstentenis daarvan, overeenkomstig de regels van het administratief statuut dat toepasselijk is op het personeelslid, dient het inrichtingshoofd, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of de inrichtende macht, voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en voor het niet-confessioneel vrij onderwijs, bij het bestuur een document in dat bewijst dat hij daartoe een bepaald aantal bijkomende lestijden moet gebruiken waarvan hij de bestemming voor elke vestiging zal bepalen overeenkomstig de hierna vermelde bepalingen. De in het vorige lid bedoelde lestijden worden uitsluitend gebruikt voor : 1) het organiseren van activiteiten, in het kader van de cursus filosofie en burgerzin, binnen één zelfde inrichting; 2) het organiseren van activiteiten voor de pedagogische coördinatie of het overleg. Er worden eveneens bijkomende lestijden toegekend aan het vastbenoemde, tijdelijk prioritaire personeelslid of stagiair, dat, ondanks de voorafgaandelijke toepassing van de hierboven opgesomde bepalingen, een uuropdracht die overeenstemt met de hem op 30 juni 2017 toegekende lestijden, niet heeft teruggevonden, of dat prestaties zou moeten verrichten in meer dan 6 vestigingen, alle inrichtende machten inbegrepen. Die lestijden worden toegekend aan de inrichting of aan de inrichtende macht, naar gelang van het geval, waar het volume van de uuropdracht van het betrokken personeelslid op 30 juni 2017 het belangrijkst is. Het inrichtingshoofd, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of de inrichtende macht, voor het officieel gesubsidieerd onderwijs en het niet-confessioneel vrij onderwijs, moet bij het bestuur een document indienen dat bewijst dat hij daartoe een bepaald aantal bijkomende lestijden moet gebruiken waarvan hij de bestemming voor elke vestiging zal bepalen overeenkomstig de hierna vermelde bepalingen. Het betrokken personeelslid voert de volgende taken uit : 1° organisatie en toezicht betreffende activiteiten binnen de mediatheek; 2° begeleiding van de cursussen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en filosofie en burgerzin; 3° organisatie van activiteiten voor pedagogische coördinatie of overleg; 4° begeleiding van activiteiten van leerlingengroepen buiten de inrichting. 20 Het gebruik van die bijkomende lestijden wordt toegelaten vanaf 1 september van dit jaar tot 30 juni van het volgende jaar. Dat gebruik behoort tot de bevoegdheid van de inrichtende macht, in het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs, en van het inrichtingshoofd, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. Het wordt onderworpen aan het voorafgaande advies, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, van het basisoverlegcomité, in het door de Franse Gemeenschap officieel gesubsidieerd onderwijs, van de plaatselijke paritaire commissie, en in het door de Franse Gemeenschap vrij gesubsidieerd onderwijs, van de ondernemingsraad of, bij ontstentenis daarvan, van de vakbondsafvaardiging, waarbij het bemiddelingsbureau het recht heeft de zaak aan zich te trekken bij onenigheid. De diensten die in het kader van de in deze paragraaf bedoelde bijkomende lestijden worden gepresteerd, worden volledig gelijkgesteld met de diensten die worden gepresteerd in het kader van de personeelsformatie. De aldus gecreëerde betrekkingen kunnen aanleiding geven tot benoemingen of wervingen in vast verband ». Bij artikel 41 van het bestreden decreet wordt in artikel 39 van het decreet van 13 juli 1998 « betreffende de organisatie van het gewoon kleuteronderwijs en lager onderwijs en de wijziging van de onderwijswetgeving » een paragraaf 2bis ingevoegd die bepaalt : « Voor de inrichtingen bedoeld in § 1 worden de aanvullende lestijden automatisch toegekend voor de vervanging van elk personeelslid dat aangeworven of aangesteld wordt in de hoedanigheid van leraar cursus filosofie en burgerzin in het kader van de maatregelen bepaald in de afdeling VI van het hoofdstuk II van de titel III van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs, zodat het betrokken personeelslid de cursus kan volgen voor het behalen van het getuigschrift van didactiek van de cursus filosofie en burgerzin. Deze lestijden zullen toegekend worden bij elk schooljaar tot 30 juni 2021, naar rata van 2 lestijden per personeelslid. Wanneer het personeelslid tegelijkertijd het ambt van leermeester filosofie en burgerzin en het ambt leermeester niet-confessionele zedenleer of godsdienst uitoefent, vallen deze beide lestijden bij voorkeur onder zijn bevoegdheden als leermeester niet-confessionele zedenleer of godsdienst binnen de betrokken inrichtende macht. Indien de lestijden niet onder de betrokken bevoegdheden vallen, moet het personeelslid [ten minste] voor 3 lestijden in de inrichtende macht op 1 oktober van het lopende schooljaar als leermeester filosofie en burgerzin aangeworven of aangesteld worden. In beide gevallen blijft het personeelslid ten minste 1 lestijd als leermeester filosofie en burgerzin binnen de betrokken inrichtende macht werkelijk presteren, behalve bij afwezigheid wegens moederschap, ziekte, arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door een arbeidsongeval en voor de volgende verlofdagen : verlof voor volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan bij de geboorte of de adoptie van een kind, in het kader van het ouderschapsverlof; verlof voor volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan om palliatieve zorg te verlenen; verlof voor volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan om een lid van het gezin of de familie dat ernstig ziek is bij te staan of om hem zorg te verlenen. 21 Het inrichtingshoofd, voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, of de inrichtende macht, voor het officieel gesubsidieerd onderwijs en voor het niet-confessioneel vrij onderwijs, dient bij de administratie een document in waarbij het gebruik van deze aanvullende lestijden bewezen wordt voor de vervanging van het betrokken personeelslid. Deze lestijden zullen worden toegekend, naargelang het geval, aan de inrichting of de inrichtende macht, bij wie het betrokken personeelslid de belangrijkste opdracht heeft. Ingeval de opdracht van het personeelslid gelijk is in elke betrokken inrichtende macht, behoort de keuze van de betrekking betrokken bij deze vervanging tot het personeelslid. In afwijking van het vorige lid kunnen deze lestijden toegekend worden aan een andere inrichting of inrichtende macht, wanneer de toekenning van deze lestijden het aantal vestigingen kan verminderen waarin het effectief zijn ambten uitoefent ». Bij artikel 42 van het bestreden decreet worden in paragraaf 3 van artikel 39 van het voormelde decreet van 13 juli 1998 de volgende wijzigingen aangebracht : « 1° in het eerste lid worden de woorden ‘ de prioriteitsvolgorde bepaald in titel II van het decreet van 13 juli 2016 betreffende de invoering van een cursus filosofie en burgerzin in het basisonderwijs en betreffende het behoud van de alternatieve pedagogische begeleiding in het secundair onderwijs ’ vervangen door de woorden ‘ de maatregelen bepaald bij de afdeling VI van hoofdstuk II van titel III van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs ’; 2° het vijfde lid wordt vervangen als volgt : ‘ Op dat aantal in het vorige lid bedoelde geglobaliseerde lestijden wordt een aantal lestijden automatisch uitgetrokken voor de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en voor de inrichtende machten van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs waarvan het RLMOD en de aanvullende lestijden toegekend voor het behalen van het getuigschrift van didactiek van de cursus filosofie en burgerzin overeenkomstig § 2bis het niet mogelijk maken om aan de vast benoemde, prioritair tijdelijke of stagedoende tijdelijke leermeesters godsdienst en niet-confessionele zedenleer, een opdrachtenvolume toe te kennen dat gelijk is aan hun bevoegdheden op 30 juni 2016, overeenkomstig de prioriteitsvolgorde bepaald in de afdeling VI van het hoofdstuk II van de Titel III van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs, en, bij gebreke hieraan, overeenkomstig de regels van het administratief statuut waaronder het personeelslid ressorteert. ’; 3° er wordt een nieuw zesde lid ingevoegd, luidend als volgt : 22 ‘ De aanvullende lestijden die bestemd zijn om een opdrachtenvolume te dekken dat gelijk is aan hun bevoegdheden op 30 juni 2016, worden ook uitgetrokken voor het vast benoemde, prioritair tijdelijke of stagedoende tijdelijke personeelslid dat prestaties in meer dan 6 vestigingen zou moeten uitvoeren, ongeacht alle inrichtende machten. Het inrichtingshoofd, voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, of de inrichtende macht, voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en voor het niet-confessioneel vrij onderwijs, moet bij de administratie een document indienen waarbij het gebruik van deze aanvullende lestijden bewezen wordt. ’; 4° er wordt een nieuw zevende lid ingevoegd, luidend als volgt : ‘ De lestijden bedoeld in het vijfde en zesde lid zullen uitsluitend gebruikt worden voor de betrokken leermeesters godsdienst en niet-confessionele zedenleer en om : 1° ofwel de cursussen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en filosofie en burgerzin te verstrekken. Ze verhogen, in voorkomend geval, de aantallen groepen bepaald overeenkomstig § 1; 2° ofwel de organisatie van activiteiten van pedagogische coördinatie of overleg; 3° ofwel de begeleiding van activiteiten van groepen leerlingen buiten de inrichting. ’; 5° er wordt een nieuw achtste lid ingevoegd, luidend als volgt : ‘ Het gebruik van deze lestijden wordt toegelaten van 1 oktober tot volgende 30 september. Dit gebruik valt onder de bevoegdheid van de inrichtende macht in het onderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap bedoeld in § 1, en van het inrichtingshoofd in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, na het advies van de overlegorganen bedoeld in artikel 25 te hebben ingewonnen. ’; 6° de huidige 6 tot 8 leden worden de 9 tot 11 leden; 7° in het nieuwe negende lid worden de woorden ‘ bedoeld in het vorige lid ’ vervangen door de woorden ‘ de aantallen lestijden bedoeld in § 2bis en in het vijfde en zesde lid van deze paragraaf ’; 8° er wordt een nieuw en laatste twaalfde lid ingevoegd, luidend als volgt : ‘ De diensten die gepresteerd worden in het kader van de aanvullende lestijden ingesteld in deze paragraaf worden in alle opzichten gelijkgesteld met de diensten die in het kader van de personeelsformatie gepresteerd worden. De aldus opgerichte betrekkingen kunnen aanleiding geven tot benoemingen of wervingen in vast verband. ’ ». 23 Ten slotte wordt bij artikel 44 van het bestreden decreet paragraaf 5 van artikel 43bis van het decreet van 3 maart 2004 « houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs » vervangen : « §
- Naast de lestijden die noodzakelijk zijn voor de organisatie van de verschillende cursussen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en filosofie en burgerzin, kunnen op het maximumaantal lestijden alleen de lestijden worden uitgetrokken die noodzakelijk zijn voor het behoud van het volume van de opdracht dat gelijkwaardig is met de toekenningen op 30 juni 2016 van de vast benoemde of tijdelijk prioritaire leermeesters godsdienst en niet-confessionele zedenleer, overeenkomstig de prioritaire volgorde bepaald in titel II van dit decreet en, bij gebreke hieraan, overeenkomstig de regels van het administratief statuut waaronder het personeelslid ressorteert. Het maximumaantal lestijden bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, kan alleen worden gebruikt voor de begeleiding van de cursussen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en filosofie en burgerzin. De overblijvende lestijden van een cursus kunnen geenszins worden overgedragen naar het onderwijzend personeel of naar andere personeelscategorieën. Voor de inrichtingen voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het niet-confessioneel onderwijs die de keuze bieden tussen de verschillende cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer worden aanvullende lestijden automatisch toegekend voor elk personeelslid dat aangeworven of aangesteld wordt als leraar cursus filosofie en burgerzin in het kader van de maatregelen bepaald in de afdeling VI van het hoofdstuk II van de titel III van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs, voor het behalen van het getuigschrift van didactiek van de cursus filosofie en burgerzin. Deze lestijden zullen worden toegekend bij elk schooljaar tot 30 juni 2021, naar rata van 2 lestijden per personeelslid. Wanneer het personeelslid tegelijkertijd het ambt van leermeester filosofie en burgerzin en het ambt leermeester niet-confessionele zedenleer of godsdienst uitoefent, vallen deze beide lestijden bij voorkeur onder zijn bevoegdheden als leermeester niet-confessionele zedenleer of godsdienst binnen de betrokken inrichtende macht. Indien de lestijden niet onder de betrokken bevoegdheden vallen, moet het personeelslid [ten minste] voor 3 lestijden in de inrichtende macht op 1 september van het lopende schooljaar als leermeester filosofie en burgerzin aangeworven of aangesteld worden. 24 In beide gevallen blijft het personeelslid ten minste 1 lestijd als leermeester filosofie en burgerzin binnen de betrokken inrichtende macht effectief presteren, behalve bij afwezigheid wegens moederschap, ziekte, arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door een arbeidsongeval en voor de volgende verlofdagen : verlof voor volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan bij de geboorte of de adoptie van een kind, in het kader van het ouderschapsverlof; verlof voor volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan om palliatieve zorg te verstrekken; verlof voor volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan om een lid van het gezin of de familie dat ernstig ziek is bij te staan of om hem zorg te verstrekken. Het inrichtingshoofd, voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, of de inrichtende macht, voor het officieel gesubsidieerd onderwijs en voor het niet-confessioneel vrij onderwijs, dient bij de administratie een document in waarbij het gebruik van deze aanvullende lestijden bewezen wordt voor de vervanging van het betrokken personeelslid. Deze lestijden zullen worden toegekend, naargelang het geval, aan de inrichting of de inrichtende macht, bij wie het betrokken personeelslid de belangrijkste opdracht heeft. Ingeval de opdracht van het personeelslid gelijk is in elke betrokken inrichtende macht, behoort de keuze van de betrekking betrokken bij deze vervanging tot het personeelslid. In afwijking van het vorige lid kunnen deze lestijden toegekend worden aan een andere inrichting of inrichtende macht, wanneer de toekenning van deze lestijden het aantal vestigingen kan verminderen waarin het personeelslid effectief zijn ambten uitoefent. Bovendien, wanneer de lestijden die toegekend worden met toepassing van de bovenvermelde bepalingen het niet mogelijk maken om, binnen de inrichting voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap of binnen de inrichtende macht voor het onderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, aan de vast benoemde, prioritair tijdelijke of stagedoende tijdelijke personeelsleden, een opdrachtenvolume toe te kennen dat gelijk is met de toekenning ervan op 30 juni 2016, overeenkomstig de prioriteitsvolgorde bepaald in de afdeling VI van het hoofdstuk II van de Titel III van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs, en, bij gebreke hieraan, overeenkomstig de regels van het administratief statuut waaronder het personeelslid ressorteert, dient het inrichtingshoofd voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap of de inrichtende macht voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en voor het niet-confessioneel vrij onderwijs, bij de Administratie, een document in waarbij bewezen wordt dat hij daarom een bepaald aantal aanvullende lestijden gebruikt waarvan hij de bestemming ervan overeenkomstig de hierna bedoelde bepalingen zal nader bepalen. De lestijden bedoeld in het vorige lid zullen uitsluitend gebruikt worden voor :
- de organisatie van activiteiten, in het kader van de cursus filosofie en burgerzin, binnen eenzelfde inrichting;
- de organisatie van activiteiten voor de pedagogische coördinatie of het overleg. 25 De aanvullende lestijden worden ook toegekend aan het vast benoemde, prioritair tijdelijke of stagedoende personeelslid dat, ondanks de voorafgaandelijke toepassing van de hierboven opgesomde bepalingen, geen opdrachtenvolume teruggevonden heeft dat gelijk was aan zijn toekenning ervan op 30 juni 2016 of dat prestaties in meer dan 6 vestigingen zou moeten verlenen, ongeacht alle inrichtende machten. Deze lestijden worden toegekend aan de inrichting of de inrichtende macht, naargelang het geval, bij wie het opdrachtenvolume van het betrokken personeelslid het belangrijkste is op 30 juni
- Het inrichtingshoofd, voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, of de inrichtende macht, voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en voor het niet-confessioneel vrij onderwijs, moet bij de administratie een document indienen waarbij het gebruik van deze aanvullende lestijden waarvan hij de bestemming per vestiging zal nader bepalen overeenkomstig de hierna bedoelde bepalingen, bewezen wordt. Het betrokken personeelslid wordt voor de volgende taken toegewezen : a. de organisatie en begeleiding van activiteiten binnen de mediatheek; b. de begeleiding van de cursussen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en filosofie en burgerzin; c. de organisatie van activiteiten van pedagogische coördinatie of overleg; d. de begeleiding van activiteiten van groepen leerlingen buiten de inrichting. Het gebruik van deze lestijden wordt toegelaten vanaf 1 september tot volgende 30 juni. Dit gebruik valt onder de bevoegdheid van de inrichtende macht in het onderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap en van het inrichtingshoofd in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap. Het wordt onderworpen aan het voorafgaandelijke advies, in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, van het basisoverlegcomité, in het officieel onderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, van de plaatselijke paritaire commissie en in het vrij onderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, van de ondernemingsraad of, bij gebreke hieraan, van de vakbondsdelegatie met evocatierecht van het verzoeningsbureau bij afkeuring. De diensten die gepresteerd worden in het kader van de aanvullende lestijden bedoeld in deze paragraaf, worden in alle opzichten gelijkgesteld met de diensten die gepresteerd worden in het kader van de personeelsformatie. De aldus opgerichte betrekkingen kunnen aanleiding geven tot benoemingen of de wervingen in vast verband ». B.1.
- De bestreden bepalingen zijn in werking getreden in het begin van het schooljaar 2017-2018, met uitzondering van artikel 42, 8°, dat in werking is getreden in het begin van het schooljaar 2016-2017 (artikel 67 van het voormelde decreet van 19 juli 2017). 26 Ten aanzien van het belang van het SeGEC B.2.
- Terwijl zij het belang van de verzoekende partij om in rechte te treden, betwistte in haar verzoekschrift, gedraagt de Franse Gemeenschapsregering zich thans naar de wijsheid van het Hof, « rekening houdend met het arrest nr. 114/2018 van 19 juli 2018 ». Bij dat arrest heeft het Hof het beroep dat door dezelfde verzoekende partij is ingesteld tegen de artikelen 5 en 14 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 juli 2016 « betreffende de invoering van een cursus filosofie en burgerzin in het basisonderwijs en betreffende het behoud van de alternatieve pedagogische begeleiding in het secundair onderwijs », ontvankelijk verklaard om de volgende redenen : « B.7.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2015-2016, nr. 312/1, pp. 7 en 58; ibid., nr. 312/3, p. 6) alsook uit het proces-verbaal en het protocol die op 18 mei 2016 door het ‘ comité voor de onderhandeling tussen de Regering van de Franse Gemeenschap en de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van de inrichtende machten van het onderwijs en van de gesubsidieerde P.M.S.-centra die door de Regering erkend worden ’ werden opgesteld en door de verzoekende vereniging werden voorgelegd, blijkt dat het voorontwerp van decreet dat aan de oorsprong ligt van het decreet van 13 juli 2016, aan dat comité is voorgelegd. Dat comité is onder meer samengesteld uit een ‘ delegatie van de vertegenwoordigingsorganen ’ die leden kan tellen die het ‘ Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique ’ vertegenwoordigen (artikel 5, §§ 1 en 3, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 20 juli 2006 ‘ betreffende de onderhandeling met de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van de Inrichtende Machten van het onderwijs en van de gesubsidieerde P.M.S.-centra ’, gewijzigd bij artikel 36, 3), van het programmadecreet van 15 december 2010). Uit de door de verzoekende vereniging voorgelegde documenten blijkt dat zij vertegenwoordigd was op de vergadering van 18 mei 2016 die dat comité heeft gewijd aan de bespreking van het voormelde voorontwerp van decreet. B.7.
- Die deelname aan de procedure van aanneming van de bestreden bepalingen toont aan dat die het maatschappelijk doel van de verzoekende vereniging rechtstreeks en ongunstig kunnen raken ». 27 B.2.
- Uit een bij het verzoekschrift gevoegd proces-verbaal blijkt dat het voorontwerp van decreet dat aan de oorsprong van het bestreden decreet ligt, op 4 mei 2017 is voorgelegd aan het comité voor de onderhandeling tussen de Regering van de Franse Gemeenschap en de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van de inrichtende machten van het onderwijs en van de gesubsidieerde P.M.S.-centra die door de Regering erkend worden, en dat de verzoekende partij vertegenwoordigd was op de vergadering van 4 mei 2017 die dat comité aan de bespreking van het voormelde voorontwerp van decreet heeft gewijd. Die deelname aan de procedure van aanneming van de bestreden bepalingen toont aan dat die het statutair doel van de verzoekende vereniging rechtstreeks en ongunstig kunnen raken. Het beroep tot vernietiging is ontvankelijk. Ten aanzien van het middel met betrekking tot artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2017 B.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 4, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, van de Grondwet, door artikel 7/1, §§ 2 tot 5, van het decreet van 29 juli 1992, zoals ingevoegd bij artikel 1 van het decreet van 19 juli 2017, in zoverre die bepaling een discriminerend verschil in behandeling zou invoeren tussen twee categorieën van inrichtingen van het gewoon secundair onderwijs : enerzijds, de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerd onderwijs, de inrichtingen van het door die Gemeenschap gesubsidieerd officieel onderwijs en de inrichtingen van het niet-confessioneel vrij onderwijs die de keuze bieden tussen de cursus niet-confessionele zedenleer en de cursussen godsdienst en, anderzijds, de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd confessioneel vrij onderwijs die enkel de cursus katholieke godsdienst aanbieden. B.4.
- Het door de decreetgever in aanmerking genomen berekeningsmechanisme zou tot gevolg hebben dat ten gunste van de eerste categorie van inrichtingen « lestijden voor begeleiding » worden gecreëerd die verder gaan dan hetgeen noodzakelijk is om het door de decreetgever nagestreefde doel te bereiken, namelijk het behoud van de tewerkstelling van de personeelsleden die op 30 juni 2017 in functie waren, terwijl de tweede categorie van inrichtingen geen bijkomende lestijden voor begeleiding kan genieten. 28 B.4.
- Er wordt eveneens aangeklaagd dat de bestreden bepaling die bijkomende lestijden voor begeleiding vaststelt zonder beperking in de tijd, terwijl zij, om het beoogde doel te bereiken, zonder het te overschrijden, als tijdelijk hadden moeten worden opgevat. B.
- Artikel 24, § 1, van de Grondwet bepaalt : « Het onderwijs is vrij; elke preventieve maatregel is verboden; de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet of het decreet geregeld. De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders. De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen. De scholen ingericht door openbare besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer ». Artikel 24, § 4, van de Grondwet bepaalt : « Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden ». B.6.
- Het decreet van 19 juli 2017 « betreffende de invoering van een cursus filosofie en burgerzin in het secundair onderwijs en houdende verschillende aanpassingen in het basisonderwijs », waarvan artikel 1 in het eerste middel wordt bestreden, wordt in de parlementaire voorbereiding voorgesteld als « het resultaat van een complex evenwicht tussen soms erg verschillende benaderingen van die aangelegenheid » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2016-2017, nr. 494/2, p. 4) of als « het resultaat van een complex evenwicht tussen belangen die op het terrein soms erg verschillend zijn » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2016-2017, CRI nr. 20, p. 19; in dezelfde zin p. 30). 29 Dat decreet past in een uitgebreidere hervorming die met name bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 22 oktober 2015 « betreffende de organisatie van een cursus filosofie en burgerzin en een opvoeding tot filosofie en burgerzin » en bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 juli 2016 « betreffende de invoering van een cursus filosofie en burgerzin in het basisonderwijs en betreffende het behoud van de alternatieve pedagogische begeleiding in het secundair onderwijs », dat gedeeltelijk is vernietigd bij het arrest nr. 114/2018 van 19 juli 2018, ten uitvoer is gelegd. Tal van bepalingen die bij die decreten in de gemeenschapswetgeving zijn ingevoegd, zijn vervangen bij het decreet van 3 mei 2019 « houdende de boeken 1 en 2 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, en tot instelling van de gemeenschappelijke kern », dat in werking treedt op 1 september 2020 (artikel 19). B.6.
- De beginselen van die hervorming zijn met name de volgende : 1° - Het inrichten van twee nieuwe cursussen en, over het geheel genomen, de organisatie van vier categorieën van cursussen De inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerd en gesubsidieerd officieel onderwijs en de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd niet-confessioneel vrij onderwijs die de keuze bieden tussen de verschillende cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer, organiseren gedurende één wekelijkse lestijd een verplichte cursus filosofie en burgerzin in plaats van een van de twee lestijden niet-confessionele zedenleer of godsdienst; zij organiseren ook de cursussen erkende godsdiensten en niet-confessionele zedenleer gedurende één wekelijkse lestijd; zij organiseren ten slotte een tweede cursus filosofie en burgerzin voor de leerlingen die zijn vrijgesteld van de cursus niet-confessionele zedenleer of godsdienst (artikel 60bis van het decreet van 24 juli 1997 « dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren », ingevoegd bij artikel 3 van het voormelde decreet van 22 oktober 2015; die tekst is vervangen bij artikel 1.7.5-1 van het decreet van 3 mei 2019 « houdende de boeken 1 en 2 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, en tot instelling van de gemeenschappelijke kern », dat in werking treedt op 1 september 2020). 2° - Het opstellen van referentiesystemen die gemeenschappelijk zijn voor alle netten 30 Er wordt voorzien in het opstellen van unieke netoverschrijdende referentiesystemen betreffende filosofie en burgerzin (voormeld decreet van 22 oktober 2015); het is de bedoeling te waarborgen dat « dezelfde doelstellingen inzake opvoeding, competentie en kennis worden bereikt, ongeacht het net van de inrichting » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2015-2016, nr. 171/3, p. 6). 3° - De ontstentenis van de verplichting om een cursus gewijd aan filosofie en burgerzin in het vrij onderwijs in te richten De invoering van een verplichte lestijd die in het bijzonder gewijd is aan filosofie en burgerzin, wordt niet opgelegd aan de inrichtingen van het confessioneel vrij onderwijs en aan de inrichtingen van het niet-confessioneel vrij onderwijs die uitsluitend twee wekelijkse uren niet-confessionele zedenleer aanbieden; voor die inrichtingen, waaronder die welke de verzoekende partij vertegenwoordigt, worden de referentiesystemen uitgevoerd via de cursusprogramma’s van het uurrooster, zijnde, voor de inrichtingen die de verzoekende partij vertegenwoordigt, de twee uren godsdienst en alle andere cursussen (artikel 60quater, § 3, van het decreet van 24 juli 1997 « dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren », ingevoegd bij artikel 3 van het voormelde decreet van 22 oktober 2015; die tekst is vervangen bij artikel 1.7.6-4 van het decreet van 3 mei 2019 « houdende de boeken 1 en 2 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, en tot instelling van de gemeenschappelijke kern », dat in werking treedt op 1 september 2020). De keuze voor die « gedifferentieerde behandeling » bij de uitvoering van het gemeenschappelijk referentiesysteem werd tijdens de parlementaire voorbereiding verantwoord door een verwijzing naar « een objectief verschil in verband met het confessioneel engagement in het confessioneel vrij onderwijs ten opzichte van de andere onderwijstypes » en « een objectief verschil tussen de netten » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2015-2016, nr. 171/3, pp. 6 en 12). 4° - De heroriëntering van de leraars zedenleer en godsdienst naar de cursussen filosofie en burgerzin 31 In de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerd en gesubsidieerd officieel onderwijs en in de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd niet-confessioneel vrij onderwijs die de keuze bieden tussen de verschillende cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer, zullen leraars zedenleer en godsdienst, bij wijze van overgangsregeling en onder bepaalde voorwaarden, leraar filosofie en burgerzin kunnen worden (zie met name het niet-bestreden artikel 19 van het voormelde decreet van 19 juli 2017, waarvan de vernietiging van andere bepalingen in de onderhavige zaak wordt gevorderd). 5° - De invoering van onverenigbaarheden in de inrichtingen die verschillende categorieën van cursussen organiseren In diezelfde inrichtingen worden onverenigbaarheden ingevoerd, binnen dezelfde vestiging, om te vermijden dat dezelfde leraar lesgeeft aan dezelfde leerling als leraar zedenleer of godsdienst en vervolgens als leraar filosofie en burgerzin. Afwijkingen zijn mogelijk wat het gespecialiseerd onderwijs betreft (artikel 169terdecies van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 « tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen », ingevoegd bij het niet-bestreden artikel 19 van het voormelde decreet van 19 juli 2017, waarvan de vernietiging van andere bepalingen in de onderhavige zaak wordt gevorderd). 6° - De financiering van de hervorming door de hervorming zelf In diezelfde inrichtingen, rekening houdend met de vervanging van een van de twee verplichte lestijden godsdienst of niet-confessionele zedenleer (RLMO) door een gemeenschappelijke lestijd filosofie en burgerzin, « zou er geen overschrijding mogen zijn ten opzichte van hetgeen de cursussen RLMO zonder hervorming zouden hebben gekost » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2016-2017, nr. 494/2, p. 4). 7° - Het behoud van de tewerkstelling van de in functie zijnde leraars 32 De hervorming vereist een reorganisatie van het onderwijs in de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerd en gesubsidieerd officieel onderwijs en in de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd niet-confessioneel vrij onderwijs die de keuze bieden tussen de verschillende cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer. Die reorganisatie geschiedt zonder « verlies van tewerkstelling voor de betrokken leerkrachten in functie » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2016-2017, nr. 494/1, p. 6). 8° - Het behoud van het totale volume van de tewerkstelling in het secundair onderwijs met volledig leerplan en de hulp bij de invoering van de cursus filosofie en burgerzin In het secundair onderwijs met volledig leerplan, wat betreft de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerd en gesubsidieerd officieel onderwijs en de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd niet-confessioneel vrij onderwijs die de keuze bieden tussen de verschillende cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer, wil de decreetgever voor al die inrichtingen ook « het totale volume van de tewerkstelling » behouden, met andere woorden « de begeleiding die zou zijn toegekend zonder hervorming (noch vrijstelling, noch invoering van een gemeenschappelijk uur filosofie en burgerzin) » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2016-2017, nr. 494/1, p. 11), om middelen - « het saldo » - toe te wijzen aan het vergemakkelijken en coördineren van het onderricht in filosofie en burgerzin. Daartoe wordt het aantal lestijden die noodzakelijk zijn om de leraars die in functie waren op 30 juni 2017, na de invoering van de nieuwe regeling van de vier categorieën van cursussen, aan het werk te houden, vergeleken met het aantal lestijden die op 1 oktober 2014 waren bestemd voor de twee categorieën niet-confessionele zedenleer en erkende godsdiensten. Dat laatste aantal wordt vermenigvuldigd met een vaste demografische factor die is vastgesteld op 1 oktober
- Indien het saldo van de vergelijking positief is, wordt het toegekend aan de beoogde inrichtingen teneinde de invoering van de cursus filosofie en burgerzin te vergemakkelijken en te coördineren (artikel 7/1, § 5, van het decreet van 29 juli 1992 « houdende organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan », ingevoegd bij artikel 1 van het voormelde bestreden decreet van 19 juli 2017). 33 B.
- Paragraaf 2 van het bestreden artikel 7/1 voorziet allereerst erin dat gedurende elk schooljaar tot 30 juni 2021 twee lestijden automatisch worden toegekend per personeelslid dat wordt aangeworven of aangesteld als leraar voor de cursus filosofie en burgerzin, met het oog op het behalen van het getuigschrift van didactiek van de cursus filosofie en burgerzin. Vervolgens, indien de lestijden die met toepassing van de eerste twee paragrafen van artikel 7/1 worden toegekend, het niet mogelijk maken om aan de betrokken personeelsleden een lestijdenvolume toe te kennen dat overeenstemt met hun toekenningen op 30 juni 2017, kunnen bijkomende lestijden nog worden gebruikt met toepassing van artikel 7/1, §
- Er wordt erin voorzien dat die « uitsluitend gebruikt [worden] » voor de vier in het tweede lid van dezelfde bepaling beschreven doeleinden : het organiseren van activiteiten in het kader van de cursus filosofie en burgerzin, het organiseren van activiteiten voor de pedagogische coördinatie of het overleg tussen personeelsleden belast met de cursus filosofie en burgerzin, het splitsen in tweeën van een klasgroep met meer dan tien leerlingen die de cursus godsdienst, zedenleer of filosofie en burgerzin voor de leerlingen die zijn vrijgesteld van de eerste twee aangehaalde cursussen, volgen, en het aanwijzen van twee leerkrachten voor een klasgroep van minstens tien leerlingen die de voormelde cursussen volgen of die de cursus filosofie en burgerzin volgen. Ten slotte, indien de toepassing van de voorafgaande bepalingen het de betrokken personeelsleden niet mogelijk maakt om een volume van de uuropdracht terug te vinden die overeenstemt met hun toekenningen op 30 juni 2017 of indien de betrokken personeelsleden prestaties moeten verrichten in meer dan zes vestigingen, alle inrichtende machten samen, zullen hun bijkomende lestijden worden toegekend krachtens artikel 7/1, § 3, derde lid. Die bieden het betrokken personeelslid de mogelijkheid om de in het vierde lid beschreven taken uit te voeren : de organisatie en het toezicht betreffende activiteiten binnen de mediatheek van de school of betreffende een remediëringsactiviteit, het toezicht op vormings- en bekrachtigingsevaluaties, en de begeleiding van leerlingengroepen bij activiteiten buiten de inrichting. B.
- Bij de paragrafen 2 en 3 van het bestreden artikel 7/1 worden de doelstellingen van de hervorming uitgevoerd die erin bestaan de heroriëntering van de in functie zijnde leraars zedenleer en godsdienst naar de cursussen filosofie en burgerzin mogelijk te maken en de tewerkstelling van de in functie zijnde leraars te behouden. 34 Die doelstellingen zijn legitiem. De specifieke begeleidingsregeling die bestemd is om die doelstellingen uit te voeren, moet adequaat en evenredig zijn. B.9.
- Wat betreft de twee bijkomende lestijden die aan de beoogde schoolinrichtingen worden toegekend, met toepassing van het bestreden artikel 7/1, § 2, voor elk personeelslid dat wordt aangeworven of aangesteld als leraar voor de cursus filosofie en burgerzin met het oog op het behalen van het getuigschrift van didactiek van de voormelde cursus, is het niet kennelijk onredelijk om aan de betrokken leraars een bepaalde termijn te laten voor het behalen van het getuigschrift, aangezien dat getuigschrift voortaan wordt vereist bij de artikelen 17 en 18 van het decreet van 11 april 2014 « tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs ». Het is immers mogelijk dat zij, door omstandigheden buiten hun wil, niet in staat zijn de vereiste opleiding te volgen tijdens het eerste jaar vanaf de inwerkingtreding van het bestreden decreet. B.9.
- Niets verantwoordt daarentegen dat die bijkomende lestijden automatisch worden toegekend aan de betrokken schoolinrichtingen, zelfs wanneer zij niet daadwerkelijk worden gebruikt door de leraars, hetzij omdat zij het getuigschrift hebben behaald, hetzij omdat zij hun opleiding hebben moeten uitstellen om redenen onafhankelijk van hun wil, of wanneer zij niet worden gebruikt om de leraars te vervangen tijdens het jaar van hun opleiding, zoals het vijfde lid van het bestreden artikel 7/1, § 2, erin voorziet. Daaruit volgt dat artikel 7/1, § 2, moet worden vernietigd. 35 B.10.
- De in het bestreden artikel 7/1, § 3, bedoelde bijkomende lestijden kunnen enkel worden toegekend wanneer de vastbenoemde, prioritair tijdelijke of stagedoende tijdelijke personeelsleden geen lestijdenvolume hebben kunnen terugvinden dat gelijkwaardig is met hun toekenningen op 30 juni 2017, met toepassing van de eerste twee paragrafen van dezelfde bepaling. Artikel 7/1, § 3, beoogt aldus tegemoet te komen aan het door de decreetgever nagestreefde doel dat erin bestaat de leerkrachten die op 30 juni 2017 in functie waren, aan het werk te houden. In dat verband vormen de bestemmingen van die bijkomende lestijden zoals zij in paragraaf 3 worden beschreven, een middel dat adequaat en evenredig met het beoogde doel is. B.10.
- Het bestreden artikel 7/1, § 3, zou niet op zodanige wijze kunnen worden geïnterpreteerd dat het de toekenning van bijkomende lestijden aan de in het decreet beoogde schoolinrichtingen mogelijk zou maken terwijl zij niet strikt noodzakelijk zijn voor het behoud van het opdrachtenvolume van de betrokken leraars. B.11.
- Bij de paragrafen 4 en 5 van artikel 7/1 wordt de wijze vastgesteld waarop het aantal lestijden die noodzakelijk zijn voor het organiseren van het onderricht in de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer vóór de uitvoering van de hervorming (dat aantal is het RLMOA) en het aantal lestijden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de hervorming (dat aantal is het RLMOD), met elkaar in verband worden gebracht. Zij zijn bedoeld om het eventuele positieve saldo te doen ontstaan dat zal worden bestemd voor het vergemakkelijken en coördineren van de invoering van de cursus filosofie en burgerzin. B.11.
- Door dat eventuele saldo te creëren en door het te bestemmen voor het vergemakkelijken en het coördineren van de invoering van de cursus filosofie en burgerzin, beoogt de decreetgever een ander doel dan het behoud van de tewerkstelling van de leraars die op 30 juni 2017 in functie waren. Zijn doel bestaat in dat geval erin de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerd onderwijs, de inrichtingen van het door die Gemeenschap gesubsidieerd officieel onderwijs en de inrichtingen van het niet-confessioneel vrij onderwijs die de keuze bieden tussen de verschillende cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer, te helpen om het onderricht in filosofie en burgerzin te organiseren. 36 B.11.
- Dat doel past in het geheel van een hervorming van het onderwijs in de Franse Gemeenschap die betrekking heeft op godsdienst, niet-confessionele zedenleer en filosofie en burgerzin in alle netten. In het kader van die hervorming heeft de decreetgever gepoogd om rekening te houden met de specificiteiten van eenieder. Dat doel is legitiem. B.11.
- De verplichting om de twee vormen van onderricht in filosofie en burgerzin - het ene verplicht voor alle leerlingen, het andere voor de leerlingen die zijn vrijgesteld van de cursussen godsdienst en niet-confessionele zedenleer - te organiseren in de vorm van nieuwe cursussen die zich onderscheiden van de andere, door tevens de verplichting op zich te blijven nemen om de cursussen erkende godsdiensten en niet-confessionele zedenleer te organiseren, heeft enkel betrekking op de door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijsinrichtingen, op de inrichtingen van het door die Gemeenschap gesubsidieerd officieel onderwijs en op de inrichtingen van het gesubsidieerd niet-confessioneel vrij onderwijs die de keuze bieden tussen de verschillende cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer, en niet op de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd confessioneel vrij onderwijs die aan hun leerlingen enkel de cursus katholieke godsdienst aanbieden. Zodoende hanteert de decreetgever een objectief en relevant criterium van onderscheid. B.11.
- De toekenning van het saldo voor het vergemakkelijken en coördineren van de invoering van de cursus filosofie en burgerzin maakt het ook mogelijk om een verschil in te voeren ten opzichte van de bestemming van het saldo die is geregeld bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 juli 2016 « betreffende de invoering van een cursus filosofie en burgerzin in het basisonderwijs en betreffende het behoud van de alternatieve pedagogische begeleiding in het secundair onderwijs », dat het Hof bij zijn arrest nr. 114/2018 van 19 juli 2018 heeft afgekeurd. Dat decreet voorzag immers in het gebruik van het saldo « om te zorgen voor aanpassing en pedagogische ondersteuning met het oog op het uitvoeren, coördineren en ondersteunen van opvoedingsactiviteiten die uitsluitend tot doel hebben artikel 15, eerste lid, van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, toe te passen ». Het Hof, waarbij een beroep tot vernietiging was ingesteld, heeft vastgesteld dat « de in artikel 15, eerste lid, van [het voormelde decreet van 24 juli 1997] uitgedrukte verplichting het 37 de leerling mogelijk te maken aan zijn eigen ritme vooruit te gaan, waarbij de vormende evaluatie en de gedifferentieerde pedagogie worden beoefend, […] zowel voor de inrichtingen bedoeld in artikel 39, § 1, eerste lid, van het decreet van 13 juli 1998 [met andere woorden de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd officieel gewoon onderwijs en de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd niet-confessioneel vrij onderwijs die de keuze bieden tussen de verschillende cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer] als voor de inrichtingen van het door die gemeenschap gesubsidieerd confessioneel vrij lager onderwijs die hun leerlingen enkel de cursus katholieke godsdienst aanbieden[, geldt] » (B.13.3). Het heeft besloten dat het verschil in behandeling tussen de beoogde inrichtingen en de inrichtingen van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd confessioneel vrij onderwi
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.