id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.056 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200423.6 Arrest- Rolnummer: 56/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-27 Raadplegingen: 328 - laatst gezien 2026-06-28 21:24 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - In zoverre zij de sanctionerend ambtenaar of, in beroep, de politierechtbank niet de mogelijkheid bieden de geldboete waarin zij voorzien, gepaard te laten gaan met uitstel, schenden de artikelen 3, 3°, en 31 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties », in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 29 van dezelfde wet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In zoverre zij de sanctionerend ambtenaar of, in beroep, de politierechtbank niet de mogelijkheid bieden een maatregel tot opschorting van de uitspraak te verlenen, schenden dezelfde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 3, 3°, en 31 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties », gesteld door het Hof van Cassatie. Wegverkeer - Gemeentelijke administratieve sancties - 'Gemengde' inbreuken - Administratieve geldboete - Uitstel / Opschorting van de uitspraak. Tekst van de beslissing Rolnummer 7331 Arrest nr. 56/2020 van 23 april 2020 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 3, 3°, en 31 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties », gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 18 november 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 december 2019, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Voeren de artikelen 3, 3°, en 31 van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, in zoverre zij niet bepalen, voor de ʽ gemengde ʼ inbreuken, dat wil zeggen strafrechtelijke misdrijven die met een administratieve boete kunnen worden bestraft, dat de sanctionerend ambtenaar en, op beroep tegen de beslissing van die laatste, de politierechtbank de overtreder het voordeel van uitstel of opschorting van de uitspraak van de veroordeling kunnen toekennen, een bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet verboden discriminatie in aangezien die overtreder, indien hij voor de politierechtbank zou worden gedagvaard, wel om zulke gunstmaatregelen zou kunnen verzoeken ? ». Op 15 januari 2020 hebben de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Renson, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In zijn cassatieberoep gericht tegen het vonnis van de Franstalige Politierechtbank te Brussel van 20 april 2018, gewezen in laatste aanleg, voert de eiser in cassatie een enig middel aan, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het bestreden vonnis zijn verzoek tot uitstel of tot opschorting van de uitspraak verwerpt en weigert aan het Hof een vraag te stellen over de bestaanbaarheid van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties » met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In het middel wordt aangevoerd dat dit leidt tot een ongelijkheid van behandeling, in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, tussen, enerzijds, een overtreder tegen wie een strafvordering wordt ingesteld, die het voordeel van die maatregelen kan genieten, en, anderzijds, een overtreder aan wie voor dezelfde feiten een administratieve geldboete wordt opgelegd, die ervan is uitgesloten. Het Hof van Cassatie herinnert eraan dat de gemeenteraad kan voorzien in de mogelijkheid een administratieve geldboete op te leggen voor bepaalde overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren, met uitzondering van overtredingen die worden begaan op autosnelwegen. Het Hof van Cassatie stelt vast dat er voor soortgelijke inbreuken die aanleiding kunnen geven tot een administratieve geldboete, geen bepaling bestaat die de sanctionerend ambtenaar of, in beroep tegen diens beslissing, de politierechtbank ertoe machtigt het voordeel van uitstel of opschorting van de uitspraak van de veroordeling toe te kennen aan de overtreder. Derhalve beslist het Hof van Cassatie de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. 3 III. In rechte -A- A.
- In hun conclusies opgesteld met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof hebben de rechters-verslaggevers vastgesteld dat het Hof zich reeds heeft uitgesproken over de aspecten die aan bod komen in de prejudiciële vraag en stellen ze derhalve voor dat het Hof het onderzoek van de prejudiciële vraag afdoet met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. A.
- In zijn memorie met verantwoording betwist de Ministerraad de conclusies van de rechters- verslaggevers en vraagt hij dat de zaak zou worden voortgezet overeenkomstig de gewone rechtspleging. De Ministerraad verwijst allereerst naar het arrest van het Hof nr. 8/2019 van 23 januari 2019 betreffende de in het geding zijnde bepalingen en de mogelijkheid verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen, waaruit hij afleidt dat de politierechtbank beschikt over mogelijkheden om de sanctie te individualiseren, waaronder de mogelijkheid uitstel te verlenen. De Ministerraad verzoekt het Hof derhalve te oordelen dat, in de interpretatie dat de politierechtbank waarbij een beroep is ingesteld tegen een door de sanctionerend ambtenaar opgelegde geldboete, beschikt over de mogelijkheid uitstel te verlenen, de in het geding zijnde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden. De Ministerraad is overigens van mening dat niet kan worden besloten tot de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de in het geding zijnde bepalingen de sanctionerend ambtenaar niet de mogelijkheid bieden uitstel te verlenen voor de geldboete die hij oplegt, want dat zou neerkomen op een ontkenning van de bijzonderheden van de bestuurlijke procedure, terwijl de wetgever die bewust heeft onderscheiden van de strafrechtelijke procedure. Te dezen heeft de wetgever de gemeenten de mogelijkheid willen bieden hun eigen parkeerbeleid te bepalen en de procedure bedoeld in artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties » geregeld. In dat kader beschikt de sanctionerend ambtenaar over geen enkele beoordelingsvrijheid, aangezien de geldboeten forfaitair zijn bepaald : ofwel acht hij de overtreding vastgesteld en legt hij de geldboete op, ofwel acht hij de overtreding niet vastgesteld en legt hij geen geldboete op. Als hij de geldboete oplegt, kan hij geen rekening houden met bijzondere of verzachtende omstandigheden. Het bedrag van de geldboeten die de sanctionerend ambtenaar kan opleggen, is overigens lager dan de minimumbedragen van de strafrechtelijke geldboeten verhoogd met de opdeciemen voor dezelfde inbreuken. De politierechtbank waarbij een beroep is ingesteld tegen de geldboete die de sanctionerend ambtenaar heeft opgelegd, kan die geldboete vervolgens individualiseren, aangezien hij over de proportionaliteit en de wettigheid van de opgelegde sanctie kan oordelen. Gelet op de procedure in haar geheel is het niet onevenredig dat de sanctionerend ambtenaar niet beschikt over de mogelijkheid uitstel te verlenen, en de lering van het arrest van het Hof nr. 25/2016 van 18 februari 2016 is volgens de Ministerraad te dezen niet van toepassing. Om de bestraffing van parkeerovertredingen te verbeteren, heeft de wetgever trouwens andere procedures ingevoerd, zoals de onmiddellijke inning en het bevel tot betaling, binnen het kader waarvan de overtreder evenmin, in dat stadium, een maatregel tot individualisering van de straf kan genieten. -B- B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 3, 3°, en 31 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties » (hierna : de wet van 24 juni 2013). 4 B.1.
- Artikel 3, 3°, van de wet van 24 juni 2013, zoals gewijzigd bij artikel 132 van de wet van 21 december 2013 « houdende diverse bepalingen Binnenlandse Zaken », bepaalt : « In afwijking van artikel 2, § 1, kan de gemeenteraad bovendien in zijn reglementen of verordeningen een administratieve sanctie voorzien zoals bedoeld in artikel 4, § 1, 1° : […] 3° voor de volgende inbreuken die worden bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op basis van de algemene reglementen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer en met uitzondering van de overtredingen op autosnelwegen, meer in het bijzonder : - de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren; - de overtredingen van de bepalingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, uitsluitend vastgesteld door automatisch werkende toestellen, bedoeld in artikel 62 van dezelfde wet; […] ». Artikel 31 van dezelfde wet bepaalt : « §
- De gemeente of de overtreder, in geval van een administratieve geldboete, kan een beroep instellen bij geschreven verzoekschrift bij de politierechtbank, volgens de burgerlijke procedure, binnen een maand na kennisgeving van de beslissing. Wanneer de beslissing van de sanctionerend ambtenaar betrekking heeft op minderjarigen, wordt het beroep ingediend via kosteloos verzoekschrift bij de jeugdrechtbank. In dat geval kan het beroep eveneens worden ingesteld door de vader en moeder, voogden of personen die er de hoede over hebben. De jeugdrechtbank blijft bevoegd indien de overtreder meerderjarig is geworden op het moment van de uitspraak. De politierechtbank of de jeugdrechtbank beslissen in het kader van een tegensprekelijk en openbaar debat, over het beroep ingesteld tegen de administratieve sanctie zoals bedoeld in artikel 4, § 1, 1°. Zij oordelen over de wettelijkheid en de proportionaliteit van de opgelegde geldboete. Zij kunnen de beslissing van de sanctionerend ambtenaar ofwel bevestigen ofwel herzien. De jeugdrechtbank kan, wanneer hij gevat wordt door een beroep tegen de administratieve geldboete, in de plaats hiervan een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding opleggen, bepaald bij artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. In dit geval is artikel 60 van dezelfde wet van toepassing. 5 De beslissing van de politierechtbank of van de jeugdrechtbank is niet vatbaar voor hoger beroep. Wanneer de jeugdrechtbank echter beslist om de administratieve sanctie te vervangen door een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding zoals bedoeld in artikel 37 van de voormelde wet, is zijn beslissing wel vatbaar voor hoger beroep. In dit geval zijn de procedures bedoeld in de voormelde wet van toepassing. Onverminderd het eerste tot het zevende lid en de voormelde wet van 8 april 1965, zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het beroep bij de politierechtbank en de jeugdrechtbank. §
- Wanneer een beroep wordt ingesteld tegen de beslissing van de sanctionerend ambtenaar kan deze laatste of zijn afgevaardigde de gemeente vertegenwoordigen in het kader van de procedure voor de politierechtbank of de jeugdrechtbank ». B.2.
- Met de invoering van een systeem van gemeentelijke administratieve sancties heeft de wetgever bewust een procedure ingevoerd die zich onderscheidt van de strafprocedure. De wetgever wilde het bestraffen van ongewenst gedrag en van kleinere vormen van overlast vergemakkelijken en versnellen, waardoor de werklast van de strafgerechten zou worden verminderd (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 2031/1, pp. 2-3). Terwijl de gemeentelijke administratieve sancties oorspronkelijk werden geregeld in artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet, heeft de wetgever bij de wet van 24 juni 2013 een op zichzelf staande regeling ingevoerd. Krachtens artikel 2, § 1, van die wet kan de gemeenteraad straffen of administratieve sancties bepalen voor de inbreuken op zijn reglementen of verordeningen, tenzij voor dezelfde inbreuken door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie, straffen of administratieve sancties worden bepaald. In afwijking daarvan kan de gemeenteraad in zijn reglementen of verordeningen ook in een administratieve sanctie voorzien voor bepaalde inbreuken vermeld in het Strafwetboek (artikel 3, 1° en 2°) en voor bepaalde inbreuken op de verkeerswetgeving (artikel 3, 3°). 6 B.2.
- Artikel 4, § 4, eerste lid, van de wet van 24 juni 2013, in samenhang gelezen met artikel 3, 3°, van dezelfde wet en met het ter uitvoering van die bepalingen genomen koninklijk besluit van 9 maart 2014 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen » (hierna : het koninklijk besluit van 9 maart 2014), laat toe dat onder voorwaarden administratieve geldboeten worden opgelegd voor, enerzijds, inbreuken op de bepalingen inzake het stilstaan en parkeren en, anderzijds, inbreuken op de bepalingen inzake de verkeersborden C3 en F103, uitsluitend vastgesteld door automatisch werkende toestellen, bedoeld in artikel 62 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968 (hierna : de Wegverkeerswet). Specifiek wat de in artikel 3, 3°, van de wet van 24 juni 2013 bedoelde verkeersinbreuken betreft, heeft de wetgever de gemeenten de mogelijkheid willen bieden om een eigen en meer efficiënt verkeersbeleid te voeren (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2712/001, pp. 5-6, en DOC 53-2712/006, p. 12) en heeft hij in de wet van 24 juni 2013 een aangepaste procedure georganiseerd. De in het geding zijnde bepaling is van toepassing op die procedure. Indien de gemeente gebruik wil maken van die machtiging om administratieve geldboeten op te leggen, dient zij daarin bij verordening of bij reglement te voorzien (artikel 4, § 1, van de wet van 24 juni 2013) en moet daarover verplicht een protocolakkoord worden afgesloten tussen de bevoegde procureur des Konings en het college van burgemeester en schepenen (artikel 23, § 1, vijfde lid, van de wet van 24 juni 2013). Het betreft aldus « gemengde » inbreuken die weliswaar strafrechtelijk blijven, maar kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete. B.2.
- Wat het bedrag van die gemeentelijke administratieve geldboeten betreft, volgt uit artikel 4, § 4, tweede lid, van de wet van 24 juni 2013 dat dit afhankelijk is van de categorie waarin de in het geding zijnde inbreuken zijn ingedeeld. De Koning wordt ertoe gemachtigd die inbreuken in te delen in vier categorieën en het bedrag van de daaraan verbonden administratieve geldboeten te bepalen op grond van de ernst van de bedreiging die zij betekenen voor de verkeersveiligheid en de mobiliteit naar analogie met de bestaande indeling van de verkeersinbreuken. 7 Specifiek wat de in artikel 4, § 4, tweede lid, van de wet van 24 juni 2013 bedoelde indeling van de overtredingen in vier categorieën en de vaststelling van de bedragen van de daaraan verbonden administratieve geldboeten betreft, streefde de wetgever naar uniformiteit en transparantie (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2712/001, p. 6) door « een parallellisme tussen de strafrechtelijke boetes en de administratieve geldboetes te behouden » (ibid., p. 9). Daarbij beoogde hij uit te sluiten dat gemeenten zelf administratieve geldboeten voor de beoogde overtredingen zouden kunnen bepalen en wenste hij de sanctionerend ambtenaar ertoe te verplichten de door de Koning bepaalde vaste geldboeten toe te passen (ibid., p. 9). Bij koninklijk besluit van 9 maart 2014 zijn de voormelde verkeersinbreuken in twee categorieën ingedeeld en is het bedrag van de daaraan verbonden administratieve geldboete vastgesteld. De niet-moduleerbare, vaste bedragen waren respectievelijk 55 euro (categorie 1) en 110 euro (categorie 2). Vanaf 1 september 2018 gelden de bedragen van respectievelijk 58 euro en 116 euro. B.2.
- Voor inbreuken betreffende het stilstaan en parkeren en de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103 worden de administratieve procedure inzake het opleggen van een gemeentelijke administratieve geldboete en het administratief bezwaar tegen die boete in artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 geregeld. De sanctionerend ambtenaar past in het kader van die procedure de bij het koninklijk besluit van 9 maart 2014 vastgestelde boete toe. Overeenkomstig artikel 29, § 1, tweede lid, van de wet van 24 juni 2013 betaalt de overtreder de administratieve boete binnen dertig dagen na de kennisgeving ervan, tenzij hij binnen die termijn zijn verweermiddelen bij gewone zending laat geworden aan de sanctionerend ambtenaar. De overtreder kan binnen die termijn op zijn verzoek worden gehoord als het bedrag van de administratieve geldboete hoger is dan 70 euro. 8 B.3.
- De verwijzende rechter vraagt het Hof of de artikelen 3, 3°, en 31 van de wet van 24 juni 2013 bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre ze de sanctionerend ambtenaar en, in beroep, de politierechtbank niet de mogelijkheid bieden uitstel of een maatregel tot opschorting van de uitspraak te verlenen voor de administratieve geldboete voor de bedoelde « gemengde » inbreuken, te dezen de inbreuken betreffende het stilstaan en het parkeren, terwijl die overtreder dat voordeel wel zou kunnen genieten indien hij voor dezelfde feiten strafrechtelijk vervolgd werd. B.3.
- Zoals is vermeld in B.2.2, biedt artikel 3, 3°, van de wet van 24 juni 2013 de gemeenteraad de mogelijkheid administratieve sancties op te leggen voor bepaalde inbreuken. Artikel 31 van de wet van 24 juni 2013 regelt de beroepsprocedure voor de politierechtbank, die de beslissing van de sanctionerend ambtenaar ofwel bevestigt ofwel herziet. Aangezien het beroep de politierechtbank in staat stelt de beslissing van de sanctionerend ambtenaar te bevestigen of te vernietigen, wil de prejudiciële vraag, in zoverre ze betrekking heeft op artikel 31 van de wet van 24 juni 2013, dat rekening wordt gehouden met de procedure die de sanctionerend ambtenaar volgt, zoals geregeld bij artikel 29 van de wet van 24 juni
- B.4.
- Wanneer, zoals te dezen, de dader voor eenzelfde feit op een alternatieve wijze kan worden gestraft, dat wil zeggen wanneer hij, voor dezelfde feiten, ofwel voor de strafrechter moet verschijnen, ofwel een administratieve geldboete opgelegd krijgt waartegen hem een beroep wordt geboden voor een rechtbank, heeft het Hof reeds geoordeeld dat er in beginsel een parallellisme moet bestaan tussen de maatregelen tot individualisering van de sanctie : wanneer, voor dezelfde feiten, de strafrechter een geldboete kan opleggen die minder bedraagt dan het wettelijke minimum indien er verzachtende omstandigheden zijn (artikel 85 van Strafwetboek) of uitstel kan toekennen (wet van 29 juni 1964), moet de rechtbank waarbij het beroep tegen de beslissing om een administratieve geldboete op te leggen, aanhangig is gemaakt, in beginsel beschikken over dezelfde mogelijkheden om de straf te individualiseren. 9 B.4.
- Het Hof heeft met name geoordeeld dat bepalingen die een fiscale geldboete (arresten nrs. 157/2008 van 6 november 2008 en 13/2013 van 21 februari 2013), een belastingverhoging (arrest nr. 55/2014 van 27 maart 2014), een forfaitaire vergoeding (arrest nr. 112/2014 van 17 juli 2014) of een verdubbeling van het kijk- en luistergeld (arrest nr. 138/2018 van 11 oktober 2018) opleggen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden in zoverre ze de rechtbank niet de mogelijkheid bieden uitstel toe te kennen voor de sanctie die ze opleggen. Het Hof heeft daarentegen geoordeeld dat het redelijkerwijs verantwoord is dat de persoon die het voorwerp uitmaakt van een alternatieve administratieve sanctie, geen maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling kan genieten, aangezien een dergelijke maatregel moeilijk verzoenbaar is met een rechtspleging die niet voor een strafgerecht wordt gevoerd (arresten nrs. 105/2004 van 16 juni 2004, 42/2009 van 11 maart 2009, 13/2013 van 21 februari 2013, 112/2014 van 17 juli 2014, 25/2016 van 18 februari 2016). B.5.
- De administratieve boete bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 24 juni 2013 heeft tot doel overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren te voorkomen en te bestraffen. Ze heeft derhalve een repressief karakter en is strafrechtelijk in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.5.
- In tegenstelling tot de persoon die wordt gedagvaard om voor de correctionele rechtbank te verschijnen, kan een persoon die voor de politierechtbank opkomt tegen de beslissing waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, geen uitstel, dat krachtens de wet van 29 juni 1964 enkel door een strafgerecht kan worden bevolen, genieten. B.5.
- Onder voorbehoud dat hij geen maatregel mag nemen die kennelijk onredelijk is, vermag de democratisch gekozen wetgever het repressief beleid zelf vast te stellen en aldus de beoordelingsvrijheid van de rechter te beperken. De wetgever heeft nochtans meermaals geopteerd voor de individualisering van straffen, met name door de rechter toe te staan maatregelen tot uitstel toe te kennen. 10 B.5.
- Het staat aan de wetgever te oordelen of het wenselijk is de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer een inbreuk inzonderheid het algemeen belang schaadt. Die gestrengheid kan met name betrekking hebben op de maatregelen tot uitstel. Het Hof zou een dergelijke keuze alleen kunnen afkeuren indien die kennelijk onredelijk zou zijn of indien de in het geding zijnde bepaling ertoe zou leiden aan een categorie van rechtsonderhorigen het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, zoals gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, te ontzeggen. B.6.
- Het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen heeft tot doel de nadelen die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van de straffen, te beperken en de re-integratie van de veroordeelde niet in het gedrang te brengen. Het kan worden bevolen met betrekking tot geldboeten. Bovendien blijkt uit artikel 157, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, vervangen bij artikel 2 van de wet van 19 december 2008 « tot wijziging van artikel 157 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 » en gewijzigd bij artikel 5, 1°, van de wet van 29 maart 2012 « houdende diverse bepalingen (II) », dat het uitstel door de wetgever niet onverenigbaar wordt geacht met een geldboete die wordt opgelegd door een andere overheid dan een strafgerecht. De in het geding zijnde regeling van de administratieve boete kan allicht in diverse bestanddelen verschillen van de regeling van de strafrechtelijke sancties waarin de algemene reglementen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » voorzien, of van de regeling van de in andere aangelegenheden voorgeschreven administratieve sancties, ongeacht of het gaat om de verschillende formulering van de vereiste van het morele bestanddeel, de mogelijkheid administratieve geldboeten samen te voegen, de wijze van vaststelling van de straffen of de toepassing van opdeciemen. Dergelijke verschillen kunnen weliswaar relevant zijn om de toepassing van 11 specifieke regels op bepaalde gebieden te verantwoorden, maar ze zijn dat niet op het gebied dat het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag : ongeacht of het uitstel wordt verleend door de correctionele rechtbank of door een ander rechtscollege, of zelfs een administratieve overheid, te dezen de sanctionerend ambtenaar, kan het de veroordeelde ertoe aanzetten zijn gedrag te wijzigen, door de dreiging om, indien hij zou recidiveren, de veroordeling tot de betaling van een geldboete uit te voeren. Indien de wet van 29 juni 1964 niet van toepassing is, komt het aan de wetgever toe ter zake te bepalen onder welke voorwaarden uitstel, net zoals eventueel probatie-uitstel, kan worden verleend en de voorwaarden en de rechtspleging volgens welke dat uitstel kan worden ingetrokken, vast te stellen. B.6.
- Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de in het geding zijnde bepalingen, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 29 van de wet van 24 juni 2013, niet bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij de sanctionerend ambtenaar en, in beroep, de politierechtbank niet de mogelijkheid bieden het voordeel van uitstel toe te kennen aan de overtreder bedoeld in B.3.
- B.6.
- Die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid heeft echter niet tot gevolg dat die bepalingen, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zouden kunnen worden toegepast door de sanctionerend ambtenaar of de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen indien de wet in die maatregel had voorzien. B.7.
- De prejudiciële vraag heeft eveneens betrekking op de onmogelijkheid voor de sanctionerend ambtenaar of, in beroep, voor de politierechtbank om een maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling toe te kennen. B.7.
- Een dergelijke maatregel is niet verzoenbaar met een rechtspleging die niet voor een strafgerecht wordt gevoerd. 12 B.7.
- Hieruit volgt dat de in het geding zijnde bepalingen, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 29 van de wet van 24 juni 2013, in zoverre zij de sanctionerend ambtenaar of, in beroep, de politierechtbank niet de mogelijkheid bieden een maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling toe te kennen, niet onbestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In zoverre zij de sanctionerend ambtenaar of, in beroep, de politierechtbank niet de mogelijkheid bieden de geldboete waarin zij voorzien, gepaard te laten gaan met uitstel, schenden de artikelen 3, 3°, en 31 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties », in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 29 van dezelfde wet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In zoverre zij de sanctionerend ambtenaar of, in beroep, de politierechtbank niet de mogelijkheid bieden een maatregel tot opschorting van de uitspraak te verlenen, schenden dezelfde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 april
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.056 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div