← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.057

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 mei 2020 ECLI nr: EC

§ 1

, op de bepalingen van deze wet en die begaan zijn in het gebied van het Verdrag inzake Antarctica, wordt zo snel mogelijk ter kennis gebracht van een speciaal daartoe door de minister aangewezen persoon. De inbreuk kan door elke bevoegde overheid van een Staat, adviserende partij bij het Verdrag inzake Antarctica, of door zijn vertegenwoordiger, worden vastgesteld. Het verslag dat door deze overheid wordt opgesteld, geldt als proces-verbaal. Art. 24. § 1. Onverminderd artikel 23, valt elke officiële handeling en elk geschil betreffende :

  1. a)een infrastructuur of een voertuig bedoeld in artikel 21, of
  2. b)een activiteit bedoeld in artikel 5, § 1, (b), onder de bevoegdheid van de ministeriële ambtenaren en de Belgische hoven en rechtbanken. § 2. Om de territoriale bevoegdheid vast te leggen die van toepassing is op de in § 1 bedoelde handelingen en geschillen, worden de infrastructuren en voertuigen waarop die handelingen en geschillen betrekking hebben, geacht te zijn gesitueerd op de zetel van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu of van iedere overheid die de vervanger daarvan zou zijn voor de uitoefening van de federale bevoegdheden op het gebied van leefmilieu. HOOFDSTUK 2. — Sancties Afdeling 1. — Administratieve sancties Art. 25. § 1. In het geval bedoeld in artikel 14, § 2, eerste lid, wanneer de verantwoordelijke voor de activiteit niet de vereiste doeltreffende en nuttige maatregelen heeft genomen teneinde de situatie te verhelpen of zich niet in regel heeft gesteld met de injuncties van de minister, kan laatstgenoemde na onderzoek en een hoorzitting van de verantwoordelijke voor de activiteit, het recht van deze persoon om een vergunningsaanvraag in te dienen voor een maximale duur van vijf jaar opschorten volgend op de periode tijdens dewelke de minister de verantwoordelijke voor de activiteit van zijn beslissing in kennis stelt. 22 § 2. In het geval bedoeld in artikel 17, § 1, derde lid, waarbij de verantwoordelijke voor de activiteit zich niet in regel stelt met de injuncties van de minister en behalve wanneer deze instructies worden ingetrokken, kan de minister, na onderzoek en een hoorzitting van de verantwoordelijke voor de activiteit, het recht van deze persoon om een vergunningsaanvraag in te dienen voor een maximale duur van vijf jaar opschorten volgend op de periode tijdens dewelke de minister de verantwoordelijke voor de activiteit van zijn beslissing in kennis stelt. § 3. In het geval bedoeld in artikel 17, § 3, mag de verantwoordelijke voor de activiteit geen vergunningsaanvraag meer indienen tijdens de zeven jaar volgend op de periode tijdens dewelke een einde is gesteld aan de desbetreffende activiteit. Behoudens met redenen omklede afwijking door de minister, is het eerste lid ook van toepassing op elke persoon die activiteiten, die opgenomen zijn in de wet van een Staat die partij is bij het Protocol, zonder een vergunning of zonder elke andere geldige toestemming van deze Staat [heeft] ondernomen of uitgevoerd. § 4. Ingeval de gegevens of inlichtingen meegedeeld door de verantwoordelijke voor de activiteit uit hoofde van artikel 22, § 2, vierde, vijfde of zesde lid, onjuist of wezenlijk onvolledig zijn, kan de minister, na onderzoek en een hoorzitting van de verantwoordelijke voor de activiteit, het recht van deze persoon om een vergunningsaanvraag in te dienen voor een maximale duur van vijf jaar opschorten volgend op de periode tijdens dewelke de minister de verantwoordelijke voor de activiteit van zijn beslissing in kennis stelt. Afdeling 2. — Strafsancties Art. 26. § 1. Is strafbaar met een gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en een boete gaande van 25 000 tot 250 000 euro, of met één van deze straffen alleen, de schending van het in artikel 4, §§ 1 en 2, bedoelde verbod. § 2. Is strafbaar met een gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en een boete gaande van 250 tot 25 000 euro of met één van deze straffen alleen, de uitvoering van activiteiten zonder vergunning of die in overtreding zijn met de voorschriften van de door de minister afgeleverde vergunning, bedoeld in artikel 17, § 3. § 3. Is strafbaar met een gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en een boete gaande van 25 tot 2 500 euro, of met één van deze straffen alleen, het feit dat men zich niet in regel stelt met de injuncties van de minister, bedoeld in artikel 14, § 2, eerste lid, of in artikel 17, § 1, derde lid. § 4. Is strafbaar met een gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en een boete gaande van 25 tot 2 500 euro, of met één van deze straffen alleen, het feit dat men niet de vereiste doeltreffende en nuttige maatregelen heeft genomen om de situatie te verhelpen, bedoeld in artikel 14, § 2, eerste lid. § 5. Is strafbaar met een boete gaande van 25 tot 2 500 euro, het niet-meedelen, door de verantwoordelijke voor de activiteit, van de gegevens en inlichtingen vereist met toepassing van artikel 22, § 2, vijfde lid, aan de beheerder van het register, en het niet-meedelen, door de eigenaar van het goed, van de gegevens en inlichtingen vereist met toepassing van artikel 22, § 2, zesde lid. 23 § 6. De vaststelling van de inbreuken bedoeld in respectievelijk §§ 3 en 4 is onderworpen aan de conclusies van de onderzoeken bedoeld in respectievelijk §§ 2 en 1 van artikel 25. Afdeling 3. — Diverse en overgangsbepalingen Art. 27. De wet van 7 april 2005 houdende uitvoering van het Protocol betreffende milieubescherming bij het Verdrag inzake Antarctica, het Aanhangsel en de Bijlagen I, II, III en IV, ondertekend te Madrid, op 4 oktober 1991, en Bijlage V, aangenomen te Bonn op 7 tot 18 oktober 1991 wordt opgeheven. Art. 28. § 1. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. § 2. Deze wet is van toepassing op de bestaande infrastructuren en voertuigen die momenteel gebouwd of geassembleerd worden op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan ». B.7. Het onderzoek van de overeenstemming van een wetskrachtige bepaling met de bevoegdheidverdelende regels moet in de regel dat van de bestaanbaarheid ervan met de bepalingen van titel II en met de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet voorafgaan. Wat het eerste middel betreft B.8. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de wet van 21 juli 2017, van de artikelen 39 en 134 van de Grondwet en van de bevoegdheidverdelende regels, met name van artikel 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De wet van 21 juli 2017 zou afbreuk doen aan de bevoegdheid van de gewesten inzake leefmilieu, die wordt beoogd in artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1°, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980. Voorts zou de aanneming van de wet van 21 juli 2017 zonder dat vooraf een samenwerkingsakkoord werd gesloten en zonder voorafgaand overleg met de gemeenschappen en de gewesten, strijdig zijn met artikel 6bis van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980. B.9. In zoverre de verzoekende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat de aanneming van de wet van 21 juli 2017 zonder voorafgaand overleg met de gemeenschappen en de gewesten het beginsel van de federale loyauteit, zoals gewaarborgd bij artikel 143, § 1, van de Grondwet, schendt, voert zij een nieuw middel aan dat bijgevolg niet ontvankelijk is. 24 B.10. De wet van 21 juli 2017 heeft betrekking op de uitvoering, in het Belgische recht, van de bepalingen van de internationale verdragen waarbij België partij is en die betrekking hebben op Antarctica, de bescherming van het Antarctisch milieu en de begeleiding van de activiteiten die daar worden uitgevoerd (artikel 2, eerste lid, van de wet van 21 juli 2017). Zij heeft tot doel bij te dragen tot een alomvattende bescherming van het Antarctisch milieu en de daarvan afhankelijke en daarmee samenhangende ecosystemen, alsook tot de instandhouding van Antarctica als natuurreservaat, ten dienste van de vrede en de wetenschap (artikel 2, tweede lid, van de wet van 21 juli 2017), overeenkomstig artikel 2 van het Protocol. B.11.1. Titel 1 van de wet van 21 juli 2017 definieert de doelstelling van de wet (artikel 2) en bevat een reeks definities van begrippen die voor de toepassing van de wet relevant zijn (artikel 3). B.11.2. Titel 2 heeft betrekking op de bescherming van het milieu (artikelen 4 tot 18) en bevat in de eerste plaats een verbod voor de ontginning van natuurlijke rijkdommen op Antarctica (artikel 4). Voorts worden bepaalde activiteiten in het gebied van Antarctica aan een vergunning onderworpen (artikelen 5 tot 9). Een « activiteit » wordt in artikel 3, 4°, van de wet omschreven als volgt : « Elke menselijke activiteit verricht in het gebied van het Verdrag inzake Antarctica, ongeacht het doeleinde of de aard ervan, of die nu ondernomen wordt door personen die aanwezig zijn op de plaats van de activiteit dan wel op afstand aangestuurd wordt ». Volgens artikel 5 dient een dergelijke activiteit het voorwerp uit te maken van een voorafgaande vergunning, wanneer zij
  3. a)hetzij wordt georganiseerd in of vanuit België,
  4. b)hetzij wordt uitgevoerd in of aan boord van of door middel van een infrastructuur of een voertuig gebouwd of geplaatst in het kader van een activiteit bedoeld onder punt a). De artikelen 6 tot 9 bepalen de verplichtingen van de verantwoordelijke voor de activiteit in het kader van de vergunningsprocedure. 25 De overige bepalingen van titel 2 hebben betrekking op andere aspecten van de bescherming van het milieu op Antarctica, namelijk de instandhouding van de fauna en de flora (artikel 10), de afvalverwijdering en het afvalbeheer (artikel 11), de voorkoming van mariene verontreiniging (artikel 12), de toegang tot speciaal beschermde gebieden (artikel 13), het optreden bij een milieubedreigende noodsituatie (artikel 14) en de aansprakelijkheid van de verantwoordelijke voor de activiteiten op Antarctica (artikel 15). B.11.3. Titel 3 heeft betrekking op de infrastructuren, uitrusting en voertuigen op Antarctica. Die titel onderwerpt die aan een registratieplicht, voorziet in de oprichting van een nationaal register en legt in dat verband bepaalde verplichtingen op aan de verantwoordelijke voor activiteiten op Antarctica. B.11.4. Titel 4 ten slotte regelt hoofdzakelijk de sancties die verbonden zijn aan de niet- naleving van de verplichtingen die worden opgelegd in de eraan voorafgaande titels 2 en 3. B.12. Volgens de verzoekende partij zou de wet van 21 juli 2017 afbreuk doen aan de bevoegdheid van de gewesten inzake leefmilieu en aan de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten inzake wetenschappelijk onderzoek. B.13.1. Artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt, wat de bevoegdheden van de gewesten betreft : « De aangelegenheden bedoeld in artikel 39 van de Grondwet zijn : […] II. Wat het leefmilieu en het waterbeleid betreft : 1° De bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen verontreiniging en aantasting, alsmede de strijd tegen de geluidshinder; 2° Het afvalstoffenbeleid; […] ». 26 B.13.2. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. B.13.3. Op grond van het voormelde artikel 6, § 1, II, zijn de gewesten bevoegd voor de voorkoming en bestrijding van de verschillende vormen van milieuverontreiniging; de gewestwetgever vindt in het 1° van die bepaling de algemene bevoegdheid die hem in staat stelt hetgeen betrekking heeft op de bescherming van het leefmilieu tegen verontreiniging en aantasting, te regelen. B.14.1. Het Protocol betreffende milieubescherming bij het Verdrag inzake Antarctica bevat bepalingen waarvoor in de interne rechtsorde zowel de federale overheid als de gewesten en de gemeenschappen bevoegd zijn, en moet derhalve worden beschouwd als een « gemengd verdrag », dat is goedgekeurd zoals is vermeld in B.1. B.14.2. In zoverre de wet van 21 juli 2017 betrekking heeft op de bescherming van het milieu op Antarctica en de daarvan afhangende en daarmee samenhangende ecosystemen raakt zij onder meer aan de bevoegdheid inzake de bescherming van het leefmilieu, het afvalstoffenbeleid en het natuurbehoud. B.15. Bij de uitvoering van wetenschappelijk onderzoek op Antarctica moeten de bepalingen van de wet van 21 juli 2017, die de voorwaarden bepalen inzake de bescherming van het leefmilieu en de natuur, in acht worden genomen. De wet van 21 juli 2017 regelt als zodanig evenwel niet het wetenschappelijk onderzoek in de zin van artikel 6bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. In zoverre het eerste middel is afgeleid uit de schending van de voormelde bepaling is het niet gegrond. 27 B.16.1. Uit artikel 167, § 1, eerste lid, van de Grondwet vloeit voort dat de federale overheid, de gewesten en de gemeenschappen bevoegd zijn om de internationale samenwerking te regelen, met inbegrip van het sluiten van verdragen, « voor de aangelegenheden waarvoor zij door of krachtens de Grondwet bevoegd zijn ». Uit die grondwetsbepaling blijkt dat de Grondwetgever heeft gewild dat de materiële bevoegdheidsverdeling bepalend is voor de bevoegdheid van de federale Staat, de gewesten en de gemeenschappen op internationaal vlak (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-16/1°, p. 1). B.16.2. Artikel 16, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt dat de instemming met een verdrag door het bevoegde parlement wordt gegeven in een aangelegenheid waarvoor het bevoegd is. B.16.3. Bij de uitoefening van hun materiële bevoegdheden in het interne recht zijn de gewesten evenwel gehouden tot naleving van de artikelen 5, 39 en 134 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 19, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en met de artikelen 2, § 1, en 7 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. De gemeenschappen zijn gehouden tot naleving van de territoriale bevoegdheidsregels die zijn vervat in de artikelen 127 tot en met 130 van de Grondwet. Die bepalingen hebben een exclusieve territoriale bevoegdheidsverdeling tot stand gebracht. Een zodanig stelsel veronderstelt dat het onderwerp van iedere norm die een gewestwetgever of een gemeenschapswetgever uitvaardigt, moet kunnen worden gelokaliseerd binnen het gebied waarvoor hij bevoegd is, zodat iedere concrete verhouding of situatie slechts door een enkele wetgever wordt geregeld. Bij de uitvoering in het interne recht van de internationale verdragen waarbij zij partij zijn, dienen de gewesten en de gemeenschappen bijgevolg de bovenvermelde territoriale bevoegdheidsverdeling in acht te nemen. 28 B.17.1. De wet van 21 juli 2017 heeft betrekking op de bescherming van het Antarcticagebied. Bepaalde activiteiten die in dat gebied uitgevoerd worden, zijn verboden of aan een vergunningsplicht onderworpen en kunnen worden gesanctioneerd (titels 2 en 4). Tevens wordt een registratieverplichting opgelegd voor alle infrastructuren, uitrusting en voertuigen op Antarctica, waarvan de niet-naleving eveneens kan worden gesanctioneerd (titels 3 en 4). B.17.2. Daar niet blijkt dat voor een dergelijke regeling een lokalisatiecriterium voorhanden is dat de regeling op pertinente wijze binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van een bepaald gewest of van een bepaalde gemeenschap situeert, behoort zij op zich tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid (zie in die zin, Raad van State, afdeling wetgeving, advies nr. 28.043/VR/3, Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1332/001, p. 24). B.17.3. Zoals is vermeld in B.14.1, is het Protocol betreffende milieubescherming bij het Verdrag inzake Antarctica een gemengd verdrag. De federale overheid heeft daar rekening mee te houden bij haar bevoegdheidsuitoefening, die in overeenstemming moet zijn met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de federale loyauteit. B.17.4. Te dezen blijkt niet dat de federale wetgever met de wet van 21 juli 2017 het voor de gemeenschappen of gewesten onmogelijk of overdreven moeilijk heeft gemaakt om de hun toevertrouwde bevoegdheid uit te oefenen. B.18. Het eerste middel is bijgevolg niet gegrond. Wat het tweede middel betreft B.19. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 3, 4°, 5, § 1, en 26 van de wet van 21 juli 2017, van de artikelen 10 tot 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het Verdrag inzake Antarctica, meer bepaald artikel VIII ervan, met bijlage VI van het Protocol, met de artikelen 3 en 4 van het Strafwetboek, met de artikelen 6 tot 14 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering en met het beginsel van de dubbele incriminatie. 29 B.20.1. Uit het verzoekschrift en uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat het Hof niet wordt verzocht rechtstreeks te toetsen aan de voormelde toetsingsnormen, maar aan de artikelen 10 tot 12 van de Grondwet, in samenhang gelezen met die bepalingen. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de artikelen 3, 4°, en 5, § 1, van de wet van 21 juli 2017 een verschil in behandeling creëren dat onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het Verdrag inzake Antarctica, tussen de Belgische onderdanen die aan de vergunningsplicht onderworpen zijn en diegenen die dat niet zijn, in zoverre die twee categorieën van Belgische onderdanen activiteiten kunnen uitoefenen die dezelfde milieueffecten hebben. In een tweede onderdeel doet zij gelden dat de regeling van strafsancties waarin artikel 26 van de wet van 21 juli 2017 voorziet, strijdig is met de artikelen 10 tot 12 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het Verdrag inzake Antarctica, met de artikelen 3 en 4 van het Strafwetboek en met de artikelen 6 tot 14 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. B.20.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door die bepalingen zouden zijn geschonden. De verzoekende partij zet niet uiteen in welk opzicht de bestreden bepalingen artikel 12 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 4 van het Strafwetboek, met de artikelen 6 tot 14 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering en met het beginsel van de dubbele incriminatie, zouden schenden. In zoverre het is afgeleid uit de schending van die bepalingen en van dat beginsel, is het middel niet ontvankelijk. B.20.3. Daar Bijlage VI bij het Protocol niet werd geratificeerd door België, is het middel niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van die Bijlage. B.20.4. Bijgevolg is het tweede middel alleen ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het Verdrag inzake Antarctica. 30 B.20.5. Daar de toetsing van het Hof het onderzoek van de inhoud van het Verdrag inzake Antarctica omvat, moet het Hof ermee rekening houden dat het niet gaat om een eenzijdige soevereiniteitsakte, maar om een verdragsnorm waarmee België zich ten aanzien van andere Staten volkenrechtelijk heeft verbonden. Het toepassingsgebied van de vergunningsplicht (artikel 5, § 1, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 3, 4°, 5° en 10° tot 13°) B.21. Artikel 5, § 1, eerste lid, van de wet van 21 juli 2017, in samenhang gelezen met artikel 3, 4°, van dezelfde wet, voert een verplichting tot voorafgaande vergunning in voor elke menselijke activiteit in het gebied van het Verdrag inzake Antarctica die (
  5. a)hetzij wordt georganiseerd in België of vanuit België, (
  6. b)hetzij wordt uitgevoerd in of aan boord van of door middel van een infrastructuur of een voertuig gebouwd of geplaatst in het kader van een in België of vanuit België georganiseerde activiteit. Die infrastructuren en voertuigen zijn bovendien onderworpen aan een registratieplicht (artikel 20), met als gevolg dat zij onderworpen zijn aan de toepassing van de Belgische wet (artikel 21) en dat zij vallen onder de bevoegdheid van de Belgische rechtsinstanties (artikel 24). De vergunningsaanvraag wordt door de verantwoordelijke voor de activiteit ingediend bij de federale minister van Leefmilieu (artikel 5, § 1, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 3, 14°). Die laatste beslist over de vergunningsaanvraag op basis van de gegevens die de verantwoordelijke voor de activiteit heeft verstrekt in de vergunningsaanvraag, met name wat het milieueffect van de voorgenomen activiteiten betreft en rekening houdend met het voorzorgsbeginsel (artikel 6, §§ 1 en 2). Wanneer de impact van de activiteiten als minder dan gering of tijdelijk wordt beschouwd, geeft de minister de vergunning af binnen een termijn van 60 dagen vanaf de indiening van de vergunningsaanvraag (artikel 7, § 1). Wanneer de impact als gering of tijdelijk, of als meer dan gering of tijdelijk wordt beschouwd, beslist de minister over de vergunningsaanvraag op basis van een van de milieueffectevaluaties (eerste of uitgebreide) bedoeld in Bijlage I bij het Protocol, binnen een termijn van 120 dagen vanaf de mededeling, door de aanvrager, van die milieueffectrapportage (artikel 7, § 2, in samenhang gelezen met artikel 3, 6°). 31 De minister van Leefmilieu ziet toe op de naleving van de voorwaarden van de vergunning (artikel 16). Wanneer die niet worden nageleefd, gelast hij de verantwoordelijke voor de activiteit om tegemoet te komen aan de voorwaarden van de vergunning (artikel 17, § 1). Hij neemt nuttige maatregelen om risico’s en/of een negatieve milieu-impact van de activiteit die het voorwerp van een vergunning uitmaakt, te beperken (artikel 17, § 2), en om de in artikel 5, § 1, eerste lid, bedoelde activiteit die zonder vergunning wordt uitgevoerd of die in overtreding is met de voorschriften van de toegekende vergunning te doen stopzetten (artikel 17, § 3). Het in artikel 17, § 1, derde lid, bedoelde feit dat niet wordt voldaan aan de injuncties van de minister, kan worden bestraft met een administratieve sanctie (artikel 25, § 2) en met een strafsanctie (artikel 26, § 3). Hetzelfde geldt voor het in artikel 17, § 3, bedoelde feit dat men activiteiten uitvoert zonder vergunning of die in overtreding zijn met de voorschriften van de door de minister toegekende vergunning (artikelen 25, § 3, en 26, § 2). B.22. De verzoekende partij doet gelden dat artikel 5, § 1, eerste lid, van de wet van 21 juli 2017 een verschil in behandeling creëert waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat tussen, enerzijds, de Belgische onderdanen die een in B.21 vermelde activiteit verrichten en, anderzijds, de Belgische onderdanen die op Antarctica een activiteit verrichten die niet is georganiseerd in België of vanuit België en die niet wordt uitgevoerd in of aan boord van of door middel van een infrastructuur of een voertuig gebouwd of geplaatst in het kader van een activiteit die wordt georganiseerd in België of vanuit België, in zoverre de tweede categorie van Belgische onderdanen niet aan de vergunningsplicht onderworpen is. B.23.1. Volgens de parlementaire voorbereiding is een van de belangrijkste doelstellingen van de wet van 21 juli 2017 roerende of onroerende goederen (infrastructuren en voertuigen) op Antarctica die objectief aan België zijn gelinkt doordat zij op Antarctica gebouwd of geplaatst worden in het kader van activiteiten waarvoor de federale minister van Leefmilieu een vergunning heeft afgegeven, aan een registratieplicht en, via die weg, aan de toepassing van de Belgische wet te onderwerpen (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2276/001, p. 6). 32 B.23.2. Het toepassingsgebied van de vergunningsplicht bedoeld in artikel 5, § 1, eerste lid, van de wet van 21 juli 2017 wordt bepaald door twee alternatieve aanknopingspunten die losstaan van de nationaliteit van de verantwoordelijke voor de op Antarctica uit te voeren activiteit : « Het aanknopingspunt met de Belgische rechtsbevoegdheid, dat voor de vergunningsplicht het toepassingsgebied van de wet in ontwerp definieert, is alternatief : (
  7. a)enerzijds het criterium van de plaats (in dit geval het Belgisch grondgebied) van waaruit de activiteit wordt georganiseerd of van waaruit ze wordt gevoerd; (
  8. b)anderzijds, het criterium van de plaats waar de activiteit gebeurt, wordt uitgevoerd, te weten een infrastructuur of een voertuig dat volgens [de] wet in ontwerp is ingeschreven. Er dient op gewezen dat [het] aanknopingspunt bedoeld in punt (
  9. a)een substantiële en objectieve link met België vereist. Dit impliceert dat ingeval van een activiteit die in België wordt georganiseerd, het mogelijk moet zijn aan te tonen dat de belangrijkste beslissingen en de autoriteit met betrekking tot de uitvoering ervan respectievelijk worden genomen en uitgeoefend op Belgisch grondgebied. Als het gaat om activiteiten die vanuit België worden gevoerd, dan moet het bewijs kunnen worden geleverd dat de belangrijkste expeditie die is belast met de betreffende activiteiten op Antarctica wel degelijk van Belgische oorsprong is en vanuit België vertrekt. Bijvoorbeeld, de bevrachting van een schip of een vliegtuig dat is bestemd om het personeel en de vracht of het grootste gedeelte daarvan naar Antarctica te vervoeren. Het is echter niet vereist dat de eindbestemming van de scheeps- of vliegreis vanuit België Antarctica is, maar dat moet wel degelijk de eindbestemming van de passagiers en de vracht zijn. Omgekeerd volstaat het feit dat België als tussenstop dient voor het personeel en/of de vracht van een missie naar Antarctica niet om te voldoen aan het criterium bedoeld in punt (a). Dit geldt evenzeer indien de leden of goederen van een in het buitenland georganiseerde expeditie vanop Belgisch grondgebied vertrekken om deze expeditie, op Antarctica of elders, te vervoegen. Wat het onder punt (
  10. b)bedoelde aanknopingspunt betreft, volstaat het de inschrijving van de gebruikte infrastructuur of het gebruikte voertuig om de activiteit te verrichten, aan te tonen. Wanneer een activiteit op Antarctica wordt gevoerd onder een buitenlandse vergunning of onder een gelijkwaardige toelating vanwege een andere Staat, dan slaat de door België uitgereikte vergunning enkel op het gebruik van de infrastructuur, van de uitrusting of van het voertuig dat overeenkomstig de wet in ontwerp is ingeschreven, onafhankelijk van de rest van de activiteit die onderworpen blijft aan de buitenlandse vergunning. Ook dient te worden opgemerkt dat de nationaliteit van de (natuurlijke of rechts)persoon bedoeld in de eerste paragraaf niet van belang is, aangezien de vergunningsplicht vereist is omwille van het alternatieve criterium ratione loci, ongeacht de nationaliteit van diegene die de activiteit onderneemt. De aanvrager en houder van de vergunning moet diegene zijn die effectief de beslissingsmacht uitoefent over de ondernomen activiteiten en over hun uitvoering, met andere woorden de persoon die verantwoordelijk is voor de activiteit in de zin van artikel 3, 5°. 33 Afgezien van het geval voorzien in § 4 en dat voorzien in artikel 9 is het dus verboden om op Antarctica activiteiten uit te oefenen zonder voorafgaandelijke toelating. Het toepassingsgebied van deze bepaling omvat elke activiteit die in, aan boord van of aan de hand van een infrastructuur of een voertuig bedoeld in artikel 21 van de wet wordt verricht. De afgifte van de toelating dient door de verantwoordelijke voor de activiteit aan de Minister voor Leefmilieu gevraagd te worden » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2276/001, pp. 9-10). Zulke criteria zijn objectief. B.24. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij voorhoudt, is het toepassingsgebied van de bestreden maatregel voldoende duidelijk omschreven, rekening houdend met de definities vermeld in artikel 3, 4°, 5°, 10° tot 13°, van de wet van 21 juli 2017. Daaromtrent werd in de parlementaire voorbereiding gepreciseerd : « De definiëring van de term ‘ activiteit ’ werd ingevoerd op aanbeveling van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Er dient te worden opgemerkt dat deze term in het Protocol niet gedefinieerd is. De wettelijke definitie wil dan ook zo ruim mogelijk zijn, teneinde - gezien de internationale verplichtingen van België - de reikwijdte van de wet niet te beperken, en wil tegelijk het begrip activiteit verduidelijken. In dat opzicht sluit de definitie de effecten in het Antarctisch gebied van activiteiten die buiten dat Antarctische gebied verricht worden (zee- of luchtvervuiling, klimaatveranderingen van antropogene oorsprong enz.) uit. […] De term ‘ infrastructuur ’ dekt alle installaties, los van hun statuut van onroerend of roerend goed (van nature of door bestemming). Er dient immers rekening te worden gehouden met de diverse technische oplossingen die gekozen worden voor de ontwikkeling en de installatie van stations op Antarctica (mobiele stations of vaste stations, permanente stations of tijdelijke stations). De mobiele stations verschillen van de voertuigen, aangezien ze voornamelijk bestemd zijn om de bemanning en hun activiteiten te huisvesten en niet om regelmatige verplaatsingen te doen, onder meer voor het transport van personen of goederen. De term ‘ infrastructuur ’ is dus ook van toepassing op flexibele en/of voorlopige structuren (bv. : tenten, prefabconstructies) die bestemd zijn om een overdekte ruimte te bieden waarin de activiteiten verricht kunnen worden. De term ‘ voertuigen ’ wijst alle mechanische vervoermiddelen over land aan die onder meer worden gebruikt om alle infrastructuur te bereiken, zoals rupsvoertuigen, sneeuwscooters, kranen of tractors. 34 Er werden enkele definities ingevoerd om rechtstreeks of onrechtstreeks een antwoord te bieden op de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Zo maken de definities van ‘ constructie ’ en ‘ installatie ’ het mogelijk om het toepassingsgebied van de wet beter af te bakenen. Er dient te worden opgemerkt dat de door de Raad van State geopperde suggestie tot verbetering, die erin bestond om te spreken van ‘ gebruik ’ in plaats van ‘ installatie ’, niet in aanmerking kon worden genomen. Reden daarvoor is dat de wet niet tot doel heeft om de registratie - met de effecten die ze teweegbrengt - van goederen die gebruikt worden onder bescherming van een door de Belgische overheid afgeleverde vergunning, op te leggen. Dergelijke goederen zouden immers eigendom van een andere Staat of van zijn onderdanen kunnen zijn; in een dergelijk geval zou het gebruik geen voldoende relevante link met het Belgische rechtsgebied vormen » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2276/001, pp. 7-8). Aangezien zeeschepen en luchtvaartuigen worden uitgesloten van het begrip « voertuig » bedoeld in artikel 3, 11°, van de wet van 21 juli 2017, zijn zij niet onderworpen aan de vergunningsplicht bedoeld in artikel 5, § 1, eerste lid, (b), van dezelfde wet. B.25.1. Door activiteiten op Antarctica die worden georganiseerd in België of vanuit België en die welke worden uitgevoerd door middel van goederen die in dat kader gebouwd of geplaatst zijn, te onderwerpen aan een verplichte voorafgaande vergunning, heeft de wetgever een maatregel genomen die pertinent is in het licht van de nagestreefde doelstellingen. De bestreden maatregel maakt het immers mogelijk de goederen te identificeren die objectief aan België zijn gelinkt, teneinde ze te onderwerpen aan een registratieplicht, aan de toepassing van het Belgische recht en aan de uitbreiding van de bevoegdheid van de Belgische rechtsinstanties zoals bepaald bij de artikelen 20, 21 en 24 van de wet van 21 juli 2017. De bestreden maatregel stelt België overigens in staat zich te conformeren aan zijn internationale verplichtingen bedoeld in de artikelen 3 en 8 van het Protocol en in Bijlage I ervan (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2276/001, p. 9). Het tussen Belgische onderdanen gecreëerde verschil in behandeling naargelang zij al dan niet aan die maatregel onderworpen zijn, is bijgevolg niet zonder redelijke verantwoording. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij aanvoert, doet de bestreden maatregel geen afbreuk aan de internationale samenwerking. Artikel 5, § 4, van de wet van 21 juli 2017 voorziet in de mogelijkheid om een activiteit die reeds gedekt is door een buitenlandse vergunning vrij te stellen van een Belgische vergunning « en met name wetenschappelijke activiteiten voortvloeiende uit samenwerkingsverbanden die in het kader van gouvernementele onderzoeksprogramma’s werden aangegaan ». Zoals werd verklaard tijdens 35 de in B.23.2 vermelde parlementaire voorbereiding, « wanneer een activiteit op Antarctica wordt gevoerd onder een buitenlandse vergunning of onder een gelijkwaardige toelating vanwege een andere Staat, dan slaat de door België uitgereikte vergunning enkel op het gebruik van de infrastructuur, van de uitrusting of van het voertuig dat overeenkomstig de wet in ontwerp is ingeschreven, onafhankelijk van de rest van de activiteit die onderworpen blijft aan de buitenlandse vergunning » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2276/001, p. 10). Daarnaast voorziet artikel 9 van de wet van 21 juli 2017 in een uitzondering op de vergunningsplicht, voor noodgevallen in de zin van artikel 7 van Bijlage 1 bij het Protocol. Ten slotte bepaalt artikel 19 van de wet van 21 juli 2017 dat de bestreden wet geen afbreuk doet aan de intergouvernementele akkoorden betreffende de bouw, de plaatsing, de werking, het onderhoud of het gebruik van infrastructuur of voertuigen op Antarctica. Volgens de parlementaire voorbereiding « [heeft] de uitbreiding van het Belgische rechtsgebied naar de infrastructuren, de uitrusting en de voertuigen krachtens het wetsontwerp […] een aanvullend karakter ten aanzien van de voormelde akkoorden, aangezien deze akkoorden voorzien in ad- hocregels die het rechtsgebied aanwijzen dat van toepassing is op de activiteiten die er het voorwerp van uitmaken » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2276/001, p. 16). Artikel VIII van het Verdrag inzake Antarctica bepaalt : « 1. Teneinde de uitoefening van hun krachtens dit Verdrag opgedragen functies te vergemakkelijken en zonder afbreuk te doen aan het standpunt ingenomen door de Verdragsluitende Partijen wat de rechtsmacht over alle andere personen in het Zuidpoolgebied betreft, zijn de overeenkomstig de bepalingen van lid 1, Artikel VII aangeduide waarnemers en het overeenkomstig de bewoordingen van alinea 1, b, Artikel III van het Verdrag uitgewisselde wetenschappelijk personeel, alsmede de personen die aan dit personeel zijn toegevoegd of het vergezellen, uitsluitend onderworpen aan de jurisdictie van de Verdragsluitende Partij waarvan zij onderdanen zijn, voor handelingen of verzuimen die zij plegen terwijl zij ter vervulling van hun opdracht in het Zuidpoolgebied verblijven. 2. Onverminderd de bepalingen van lid 1 van dit Artikel en in afwachting dat de in Artikel IX, lid 1,
  11. e)voorziene maatregelen worden genomen, dienen de Verdragsluitende Partijen die in enig geschil betreffende de uitoefening van rechtsmacht in het Zuidpoolgebied betrokken zijn, onmiddellijk met elkaar overleg te plegen teneinde een wederzijds aanvaardbare oplossing te bereiken ». 36 Artikel IX, lid 1, e), van hetzelfde Verdrag bepaalt : « De […] vertegenwoordigers der Verdragsluitende Partijen zullen […] bijeenkomen om gegevens uit te wisselen, elkaar te raadplegen over vraagstukken van gemeenschappelijk belang betreffende het Zuidpoolgebied, maatregelen te bestuderen, te formuleren en aan hun Regeringen aan te bevelen, welke ten doel hebben respectievelijk de naleving en de verwezenlijking van de in dit Verdrag omschreven beginselen en doeleinden te verzekeren, welke maatregelen inzonderheid zullen betrekking hebben op : […]
  12. e)het vergemakkelijken der uitoefening van rechtsmacht in het Zuidpoolgebied; […] ». Artikel VIII, lid 1, van het Verdrag inzake Antarctica bepaalt dat de rechtsmacht van de Staat van de nationaliteit van toepassing is op de krachtens het Verdrag aangewezen waarnemers, op het in het Verdrag bedoelde uitgewisselde wetenschappelijk personeel en op de personen die hen vergezellen. Artikel VIII, lid 2, van het Verdrag bepaalt dat de Partijen elk geschil betreffende de uitoefening van de rechtsmacht op Antarctica regelen volgens een samenwerkingsbeginsel. In afwachting van maatregelen die worden aangenomen ter uitvoering van artikel IX, lid 1, e), van het Verdrag, regelt dat Verdrag niet de kwestie van de uitoefening van de rechtsmacht over andere personen die activiteiten uitvoeren op Antarctica noch over goederen die er zich bevinden. De bestreden maatregel, die op Antarctica uitgevoerde activiteiten onderwerpt aan een voorafgaande vergunning naar Belgisch recht wegens de plaats waar die activiteiten worden georganiseerd in België of vanuit België, en niet wegens de nationaliteit van de personen die eraan deelnemen, is derhalve bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met dat Verdrag. B.25.2. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat sommige Staten aan hun onderdanen geen vergunning afgeven om naar Antarctica te gaan, vloeit het in het middel aangeklaagde verschil in behandeling voort uit het feit dat krachtens de wet van 21 juli 2017 en krachtens het recht van andere Staten andere rechtsregels zullen worden toegepast. Een dergelijk verschil in behandeling is vreemd aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.26. Het tweede middel, in het eerste onderdeel ervan, is niet gegrond. 37 De strafsancties (artikel 26, §§ 2 en 3, van de wet van 21 juli 2017, in samenhang gelezen met artikel 5, § 1, eerste lid, en met artikel 17, § 1, derde lid, en § 3, van dezelfde wet) B.27. Volgens de verzoekende partij schendt de regeling van strafsancties waarin artikel 26 van de wet van 21 juli 2017 voorziet, de in het middel beoogde referentienormen in zoverre zij strijdig is met artikel 13, lid 1, van het Protocol, voor zover zij niet van toepassing is op de Belgische onderdanen die niet onder het toepassingsgebied van de voormelde wet vallen en zij op dezelfde manier van toepassing is op alle personen die op Antarctica een activiteit verrichten, zonder hun nationaliteit en de aard van hun concrete activiteit in aanmerking te nemen. Uit de uiteenzetting van het middel volgt dat de grieven alleen betrekking hebben op de strafsancties die toepasselijk zijn op het feit, bedoeld in artikel 17, § 1, derde lid, van de wet van 21 juli 2017, niet te voldoen aan de injuncties van de minister (artikel 26, § 3) en op het feit, bedoeld in artikel 17, § 3, van dezelfde wet, activiteiten uit te voeren zonder vergunning of in overtreding met de voorschriften van de door de minister afgegeven vergunning (artikel 26, § 2). B.28.1. Artikel X van het Verdrag inzake Antarctica bepaalt : « Ieder van de Verdragsluitende Partijen gaat de verbintenis aan de gepaste en met het Handvest van de Verenigde Naties verenigbare maatregelen te nemen om te beletten dat iemand in het Zuidpoolgebied een activiteit zou ondernemen die in strijd is met de principes of met de doeleinden van onderhavig Verdrag ». Artikel 13, leden 1 en 2, van het Protocol bepaalt : « 1. Elke Partij neemt de binnen haar bevoegdheid vallende passende maatregelen, met inbegrip van het aannemen van wetten en regelingen, bestuursmaatregelen en handhavingsmaatregelen, om naleving van dit Protocol te verzekeren. 2. In overeenstemming met het Handvest der Verenigde Naties doet elke Partij passende inspanningen om te voorkomen dat activiteiten worden ontplooid die in strijd zijn met dit Protocol ». 38 Die bepalingen gelasten de Staten die partij zijn bij het Verdrag inzake Antarctica en het Protocol ervan om passende maatregelen, eventueel van strafrechtelijke aard, aan te nemen teneinde de naleving van het Verdrag en van het Protocol te verzekeren. B.28.2. Het feit dat de strafsancties bepaald bij artikel 26, §§ 2 en 3, van de wet van 21 juli 2017 niet van toepassing zijn op de Belgische onderdanen die niet vallen onder het toepassingsgebied van de vergunningsplicht die wordt beoogd in artikel 5, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, vloeit voort uit het toepassingsgebied van die laatste bepaling, die zoals in B.22 tot B.26 is vermeld niet strijdig is met de in het middel beoogde referentienormen. De bestreden maatregel is pertinent ten opzichte van de nagestreefde doelstellingen in zoverre hij bepaalt dat dezelfde strafsancties gelden ongeacht de aard van de uitgeoefende activiteit of de nationaliteit van de verantwoordelijke voor de activiteit, gelet op de keuze van de wetgever voor een vergunningsplicht die gegrond is op de rechtsmacht van de Staat van de plaats van waaruit de activiteit wordt georganiseerd, en niet op de nationaliteit van de verantwoordelijke. De Belgische onderdanen die een activiteit uitvoeren die niet onderworpen is aan de vergunningsplicht bedoeld in artikel 5, § 1, eerste lid, van de wet van 21 juli 2017, kunnen strafrechtelijk worden bestraft in geval van niet-naleving van het Protocol in voorkomend geval krachtens het recht van de Staat van waaruit hun activiteit wordt georganiseerd. B.29. Artikel 26, §§ 2 en 3, van de wet van 21 juli 2017 schendt derhalve niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het Verdrag inzake Antarctica en met het Protocol. Het tweede middel, in het tweede onderdeel ervan, is niet gegrond. 39 Wat het derde middel betreft B.30. Het derde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 23 van de wet van 21 juli 2017, van de artikelen 10, 11 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de bepalingen van boek I van het Wetboek van strafvordering. De verzoekende partij oefent kritiek uit op het feit dat artikel 23 van de wet van 21 juli 2017 niets zegt over de onderzoeksbevoegdheden van de personen die ertoe gemachtigd zijn inbreuken op de wet van 21 juli 2017 vast te stellen, noch over de vorm en de voorwaarden die die personen in acht moeten nemen bij het vervullen van hun opdracht. B.31. Het Hof is niet bevoegd om de bestreden bepalingen te toetsen aan wetskrachtige normen. In zoverre het is afgeleid uit de schending van de bepalingen van boek I van het Wetboek van strafvordering, is het middel niet ontvankelijk. B.32.1. Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». Artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ». B.32.2. In zoverre het het wettigheidsbeginsel in strafzaken waarborgt, heeft artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een draagwijdte die analoog is aan die van de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet. 40 B.32.3. Uit die bepalingen vloeit voort dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is en de mogelijkerwijs op te lopen straf kan kennen. De beginselen van wettigheid en voorzienbaarheid zijn van toepassing op de hele strafrechtspleging. De voormelde bepalingen willen aldus elk risico van willekeurig optreden vanwege de uitvoerende of de rechterlijke macht uitsluiten bij het vaststellen en toepassen van de straffen. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat niet zover dat het de wetgever ertoe verplicht elk aspect van de strafbaarstelling, van de straf of van de strafrechtspleging zelf te regelen. Meer bepaald staat het niet eraan in de weg dat de wetgever aan de rechter of aan het openbaar ministerie een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wettelijke bepalingen, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. B.32.4. Te dezen is niet de wettigheid van de strafbaarstelling of van de straf in het geding, maar die van de strafrechtspleging. Een delegatie aan de uitvoerende macht is niet in strijd met dat beginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. De vereiste van voorzienbaarheid van de strafrechtspleging waarborgt elke rechtsonderhorige dat tegen hem enkel een opsporingsonderzoek, een gerechtelijk onderzoek en een vervolging kunnen worden ingesteld volgens een procedure waarvan hij vóór de aanwending ervan kennis kan nemen. B.33. Artikel 23, § 1, van de wet van 21 juli 2017 bepaalt dat de verantwoordelijke voor de activiteit of iedere andere persoon - onmiddellijk of uiterlijk na zijn terugkeer in België - bij de procureur des Konings verslag uitbrengt over de door hem vastgestelde inbreuken op de wet van 21 juli 2017 of op elke andere toepasselijke wet. 41 De parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling vermeldt : « Elke vaststelling van een inbreuk tegen het wetsontwerp begaan op Antarctica, wordt meegedeeld aan de Belgische gerechtelijke overheden. De inbreuk kan vastgesteld worden door middel van een aangifte door een gekwalificeerde buitenlandse overheid » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2276/001, p. 18). Artikel 23, § 1, van de wet van 21 juli 2017 brengt enkel de regel in herinnering volgens welke eenieder aangifte doet van het misdrijf waarvan hij kennis heeft bij de procureur des Konings, die vervolgens een dossier kan openen in het kader van zijn opsporingsopdracht. De aangifte van een misdrijf kan de gerechtelijke overheden op het spoor brengen van een strafbaar feit, maar de aangifte op zich biedt geen bewijs van een strafbaar feit. B.34.1. Artikel 23, § 2, eerste lid, van de wet van 21 juli 2017 bepaalt dat een Belgische of buitenlandse persoon de vaststelling van een inbreuk, «

§ 1

», op de bepalingen van de wet van 21 juli 2017 en die begaan is in het gebied van het Verdrag inzake Antarctica, zo snel mogelijk ter kennis brengt van een speciaal daartoe door de minister aangewezen persoon. Artikel 23, § 2, tweede lid, van de wet van 21 juli 2017 preciseert dat die inbreuk kan worden vastgesteld door elke bevoegde overheid van een Staat, adviserende partij bij het Verdrag inzake Antarctica, of door haar vertegenwoordiger, waarvan het verslag als proces-verbaal geldt. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd vermeld : « [De volksvertegenwoordiger] merkt op dat in artikel 23, § 1, sprake is van inbreuken ‘ op deze wet of welke andere van toepassing zijnde wet ’. Alle inbreuken worden dus beoogd. Paragraaf 2 heeft het daarentegen over ‘ [e]lke vaststelling (…) van een inbreuk,

§ 1’. Hoe verhouden die twee paragrafen zich tot elkaar ?

De minister antwoordt dat § 1 inbreuken betreft die worden vastgesteld ‘ door de verantwoordelijke voor de activiteiten of iedere andere persoon ’; in § 2 gaat het over de vaststelling ‘ door elke bevoegde overheid van een Staat, adviserende partij bij het Verdrag inzake Antarctica, of door zijn vertegenwoordiger ’. De bedoeling van de twee aldus samengebrachte paragrafen bestaat erin dat elke inbreuk kan worden vastgesteld, om snel en doeltreffend te kunnen optreden » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2276/004, pp. 27-28). 42 B.34.

  1. Daaruit volgt dat de termen « Belgische of buitenlandse personen » vermeld in artikel 23, § 2, eerste lid, van de wet van 21 juli 2017 moeten worden begrepen in het licht van het tweede lid van dezelfde bepaling, als aanwijzing van « elke bevoegde overheid van een Staat, adviserende partij bij het Verdrag inzake Antarctica, of [van] zijn vertegenwoordiger ». Bijgevolg moet artikel 23, § 2, eerste lid, van de wet van 21 juli 2017 in die zin worden gelezen dat elke bevoegde overheid van een Staat, adviserende partij bij het Verdrag inzake Antarctica, of haar vertegenwoordiger, van Belgische of buitenlandse nationaliteit, verplicht is de speciaal daartoe door de minister aangewezen persoon in kennis te stellen van elke door haar vastgestelde inbreuk op de bepalingen van de wet van 21 juli 2017, die begaan is in het gebied van het Verdrag inzake Antarctica. B.34.
  2. De persoon die verantwoordelijk is voor het ontvangen van de vaststelling van zulke inbreuken is thans aangewezen bij het ministerieel besluit van 5 februari 2019 « tot benoeming van de persoon die verantwoordelijk is voor het ontvangen [van] de vaststellingen van de inbreuken in het gebied van het Verdrag inzake Antarctica bedoeld in artikel 23, § 2, van de wet van 21 juli 2017 betreffende de milieubescherming en de regulering van de activiteiten op Antarctica onder de rechtsbevoegdheid van België ». Bijgevolg is de persoon aan wie een inbreuk moet worden gerapporteerd, voldoende nauwkeurig bepaald. Overigens is de persoon die wordt aangewezen krachtens artikel 23, § 2, van de wet van 21 juli 2017, alleen verantwoordelijk voor het ontvangen van de vaststelling van de inbreuken. De gerechtelijke vervolging ervan valt onder het monopolie van de procureur des Konings, bij wie, overeenkomstig artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, die persoon aangifte moet doen van de inbreuken waarvan hij kennis heeft via de procedure tot vaststelling van de inbreuken zoals bepaald in artikel 23, § 2, van de wet van 21 juli
  3. De wet van 21 juli 2017 verleent geen bijzondere bewijskracht aan het proces-verbaal waarmee de inbreuken worden vastgesteld. De in artikel 23 van de wet van 21 juli 2017 bedoelde personen beschikken niet over bijzondere opsporingsbevoegdheden en zij mogen ook geen dwangmiddelen gebruiken. B.
  4. De in artikel 23 van de wet van 21 juli 2017 bedoelde procedure voor het vaststellen van de inbreuken beantwoordt aan de in B.32.4 vermelde vereiste van voorzienbaarheid en zij is bijgevolg bestaanbaar met het wettigheidsbeginsel in strafzaken. 43 Het derde middel is niet gegrond. Wat het vierde middel betreft B.
  5. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van artikel 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Strafwetboek, met het beginsel non bis in idem, met de beginselen van behoorlijk bestuur en met het evenredigheidsbeginsel. Volgens de verzoekende partij zou de cumulatie van de burgerrechtelijke, administratieve en strafrechtelijke sancties waarin artikel 14, § 2, vierde lid, en de artikelen 15, 25 en 26 van de wet van 21 juli 2017 voorzien, te verregaand zijn. B.
  6. De verzoekende partij zet niet uiteen in welk opzicht de bestreden bepalingen het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten in strafzaken, zoals met name uitgedrukt in artikel 2 van het Strafwetboek, en de beginselen van behoorlijk bestuur zouden schenden. In zoverre het is afgeleid uit een schending van die beginselen, is het middel niet ontvankelij

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.