id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.058 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200507.10 Arrest- Rolnummer: 58/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-26 Raadplegingen: 951 - laatst gezien 2026-06-28 21:24 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt artikel 330/2, vijfde en zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoerd bij artikel 10 van de wet van 19 september 2017 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het Consulair Wetboek met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenning en houdende diverse bepalingen inzake het onderzoek naar het vaderschap, moederschap en meemoederschap, alsook inzake het schijnhuwelijk en de schijnwettelijke samenwoning »; - onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.18, verwerpt het beroep voor het overige. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de wet van 19 september 2017 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het Consulair Wetboek met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenning en houdende diverse bepalingen inzake het onderzoek naar het vaderschap, moederschap en meemoederschap, alsook inzake het schijnhuwelijk en de schijnwettelijke samenwoning », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en anderen. Vreemdelingen - Erkenning van een kind - Frauduleuze erkenning met het oog op het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel - Weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand - Belang van het kind - Recht van toegang tot de rechter. Tekst van de beslissing Rolnummer 6876 Arrest nr. 58/2020 van 7 mei 2020 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 19 september 2017 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het Consulair Wetboek met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenning en houdende diverse bepalingen inzake het onderzoek naar het vaderschap, moederschap en meemoederschap, alsook inzake het schijnhuwelijk en de schijnwettelijke samenwoning », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 maart 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 maart 2018, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 19 september 2017 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het Consulair Wetboek met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenning en houdende diverse bepalingen inzake het onderzoek naar het vaderschap, moederschap en meemoederschap, alsook inzake het schijnhuwelijk en de schijnwettelijke samenwoning » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 oktober 2017) door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », de vzw « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et Etrangers », de vzw « Point d’appui. Service d’aide aux personnes sans papiers », de vzw « Bureau d’Accueil et de Défense des Jeunes », de vzw « Ligue des Droits de l’Homme », de vzw « Kinderrechtencoalitie Vlaanderen », de vzw « Association pour le droit des Etrangers », de vzw « Défense des Enfants - International - Belgique - Branche francophone (D.E.I. Belgique) », de vzw « Medimmigrant », de vzw « Coordination des Organisations non gouvernementales pour les droits de l’enfant » en de stichting van openbaar nut « Belgisch Comité voor UNICEF », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. de Bouyalski, Mr. M. Kaiser, Mr. C. Verbrouck en Mr. M. Verdussen, advocaten bij de balie te Brussel. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - Myria (het Federaal Migratiecentrum), vertegenwoordigd door F. De Smet, directeur; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 6 november 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 november 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 20 november 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 18 december
- Op de openbare terechtzitting van 18 december 2019 : - zijn verschenen : . Mr. C. de Bouyalski en Mr. M. Verdussen, tevens loco Mr. M. Kaiser en Mr. C. Verbrouck, voor de verzoekende partijen; 3 . Mr. E. de Lophem en Mr. C. Nennen, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. S. Depré, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
- De verzoekende partijen bekritiseren meerdere bepalingen van de wet van 19 september 2017 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het Consulair Wetboek met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenning en houdende diverse bepalingen inzake het onderzoek naar het vaderschap, moederschap en meemoederschap, alsook inzake het schijnhuwelijk en de schijnwettelijke samenwoning ». Aangezien de bepalingen van de bestreden wet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, vorderen de verzoekende partijen de vernietiging van de wet in haar geheel. A.
- De Ministerraad stelt vast dat in het verzoekschrift slechts een gedeelte van de bestreden wet wordt bekritiseerd. Hij verzoekt het Hof derhalve, mocht het een of ander middel gegrond achten, enkel de betrokken bepalingen te vernietigen, en niet het geheel van de bestreden wet. Ten aanzien van het belang bij het beroep A.
- De eerste verzoekende partij is een publiekrechtelijke rechtspersoon die de belangen van de advocaten en de rechtzoekenden verdedigt en waarvan het bestaan als essentiële deelnemer aan de openbare dienst van het gerecht is verankerd in artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij verantwoordt haar belang om in rechte te treden door het feit dat de bestreden wet afbreuk doet aan de toegang tot het gerecht en aan de grondrechten van de rechtzoekenden, inzonderheid van de kinderen. De tweede tot de tiende verzoekende partij zijn verenigingen zonder winstoogmerk die tot doel hebben de grondrechten te verdedigen van, respectievelijk, de vreemdelingen, inzonderheid de vreemdelingen met illegaal of precair verblijf, de kinderen en de gezinnen. De elfde verzoekende partij is een stichting van openbaar nut die tot doel heeft de inwerkingstelling van het Verdrag inzake de rechten van het kind te bevorderen. De verzoekende partijen verantwoorden hun belang om in rechte te treden door het feit dat de bestreden wet de rechten schendt die zij volgens hun doelstelling dienen te vrijwaren, waarbij het Hof de ontvankelijkheid van de beroepen die door sommige van hen werden ingesteld, reeds heeft erkend. A.
- Ook al betwist de Ministerraad het belang om in rechte te treden van sommige verzoekende partijen, in het bijzonder van de eerste verzoekende partij, is hij van mening dat het beroep ontvankelijk lijkt, aangezien ten minste een van de verzoekende partijen doet blijken van een belang bij het beroep. 4 Ten aanzien van het eerste middel A.5.
- De verzoekende partijen zijn van mening dat door de ambtenaar van de burgerlijke stand de mogelijkheid te bieden te weigeren een erkenning van het vaderschap te akteren, zelfs bij een biologische afstammingsband, en door het openbaar ministerie de mogelijkheid te bieden de vaststelling van die afstamming te weigeren, zonder dat op enig ogenblik aan die overheden de verplichting wordt opgelegd om het belang van het kind in overweging te nemen, het af te wegen tegen de andere aanwezige belangen, en een bijzonder gewicht eraan toe te kennen, rekening houdend met de kwetsbaarheid van het kind, de bestreden wet klaarblijkelijk artikel 22bis van de Grondwet schendt, gelezen in het licht van de artikelen 3, lid 1, en 7, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. In geval van weigering van erkenning zal het kind niet worden ingeschreven, zal het kind de mogelijkheid worden ontzegd de naam en de nationaliteit te verkrijgen van de ouder van wie de erkenning niet wordt geakteerd - en zal het zelfs staatloos kunnen worden - en zal het kind het recht worden ontzegd door die ouder te worden verzorgd indien de weigeringsbeslissing een weerslag heeft op het verblijfsrecht van zijn verwekker doordat die laatste de mogelijkheid wordt ontzegd wettig op het Belgisch grondgebied te blijven samen met zijn kind. Gelet op die ernstige gevolgen voor het recht van het kind op identiteit, zal de bestreden wet, ook al wordt daarbij een wettige doelstelling van strijd tegen frauduleuze erkenningen nagestreefd, erin moeten voorzien dat het hoger belang van het kind op doorslaggevende en geïndividualiseerde wijze wordt onderzocht door de ambtenaar van de burgerlijke stand in het stadium van de indiening van de aanvraag, en door het openbaar ministerie in het stadium van het onderzoek, en niet alleen door de rechter in het kader van een beroepsprocedure. A.5.
- In die inmenging in de rechten van het kind wordt niet voorzien bij een voldoende nauwkeurige bepaling, aangezien de wet niet, al was het maar bij wijze van voorbeeld, de elementen definieert die ten grondslag kunnen liggen aan een « ernstig vermoeden » van fraude, hetgeen de deur openzet voor misbruiken. De bestreden wet preciseert evenmin de beroepsmogelijkheden in geval van weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand, aangezien zij zich ertoe beperkt te verwijzen naar de procedure van onderzoek naar het vaderschap, zonder de bepaling van het Burgerlijk Wetboek aan te wijzen waarbij dat soort van procedure wordt geregeld. In de veronderstelling dat het gaat om artikel 332quinquies van het Burgerlijk Wetboek, voorziet die bepaling erin dat de vordering hoe dan ook wordt afgewezen indien de ontstentenis van biologische afstamming wordt bewezen, hetgeen erop neerkomt een ouder zonder biologische band met het kind elk beroep en elke mogelijkheid tot vaststelling van de afstammingsband te ontzeggen. A.5.
- De bestreden wet beantwoordt niet aan een dwingende maatschappelijke behoefte. Hoewel, zoals de parlementaire voorbereiding aangeeft, de bestreden wet ertoe strekt het toenemend fenomeen van de frauduleuze erkenningen te bestrijden, berust die vaststelling echter niet op enig cijfer, noch op enige studie die het mogelijk maakt dat aan te tonen. In antwoord op een parlementaire vraag erkende de staatssecretaris voor Asiel en Migratie in 2014 trouwens dat de exacte omvang van het fenomeen niet correct kon worden ingeschat. A.5.
- Tot slot komt de bestreden wet voort uit een verkeerde analogie tussen schijnhuwelijken en frauduleuze erkenningen, aangezien de weigering de afstamming te erkennen kennelijk onevenredige gevolgen heeft ten opzichte van de nagestreefde doelstelling die erin bestaat fraude inzake verblijf te bestrijden, in zoverre zij ertoe leidt het kind niet alleen een afstammingsband te ontzeggen, maar ook alle grondrechten die met die afstamming verbonden zijn, zoals het recht op bescherming van de gezondheid, het recht op niet-discriminatie, het recht op leven, op overleven en op ontwikkeling en het recht om te worden gehoord. De doelstelling die erin bestaat fraude inzake verblijf te bestrijden, had trouwens kunnen worden bereikt met de minder dwingende middelen die reeds bestaan - de weigering of de intrekking van de verblijfsaanvraag (artikel 74/20 van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ») of de vordering tot nietigverklaring van de akte van erkenning (artikel 329bis van het Burgerlijk Wetboek) - of met de invoering van nieuwe beperkingen zoals een controle van de duurzame relatie met het kind. 5 De gevolgen zijn des te onevenrediger aangezien, terwijl de doelstelling erin bestaat het frauduleuze voordeel te bestrijden dat een ouder uit een afstammingsband zou kunnen halen, het uiteindelijk de kinderen zijn die de wetgever bestraft, terwijl zij voor die fraude niet verantwoordelijk zijn, waarbij het Hof dat gevolg in herinnering heeft gebracht in zijn arrest nr. 103/2012 van 9 augustus
- Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is trouwens van oordeel dat, om de evenredigheid van een algemene maatregel te beoordelen, de rechter de wetgevende keuzes die daaraan ten grondslag liggen moet bestuderen en de kwaliteit van het parlementair onderzoek van de noodzaak van de maatregel moet beoordelen. A.6.
- De Ministerraad wijst erop dat de bestreden wet beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte, aangezien zij ertoe strekt frauduleuze erkenningen te bestrijden, namelijk erkenningen die worden verricht met als enig doel de wettelijke bepalingen inzake verblijf te omzeilen. Dergelijke erkenningen beogen dus niet, zelfs niet gedeeltelijk, de juridische vaststelling van een socioaffectieve werkelijkheid, zodat, indien er een socioaffectieve werkelijkheid bestaat, de erkenning niet onder de toepassing van de bestreden wet zal ressorteren. Het College van procureurs-generaal en de ambtenaren van de burgerlijke stand hebben een geleidelijke toename vastgesteld van de frauduleuze erkenningen en de ontoereikendheid van de bestaande middelen, die pas a posteriori konden worden aangewend, dat wil zeggen nadat de erkenning is geakteerd. Het is echter in het belang van het kind om een preventieve controle van het niet-frauduleuze karakter van de erkenning te organiseren, aangezien het in zijn belang is dat geen juridische band wordt erkend met een volwassene die geen enkel ouderschapsproject heeft. Voor het overige wordt in de rechtspraak niet vereist dat de wetgever de omvang van het fenomeen van de frauduleuze erkenningen nauwkeurig, of aan de hand van cijfers afkomstig uit voorafgaande studies, bepaalt. Het Hof is trouwens niet bevoegd om het proces van aanneming van een wet te controleren. A.6.
- Volgens de Ministerraad dient het belang van het kind, ook al is het in de bestreden wet niet uitdrukkelijk vermeld, krachtens de Grondwet bij elke beslissing die het kind betreft, rechtstreeks in acht te worden genomen. De wetgever heeft met het belang van het kind trouwens rekening gehouden, aangezien de doelstelling zelf van de wet erin bestaat dat kind te beschermen tegen een erkenning die in werkelijkheid enkel gericht is op een verblijfsrechtelijk voordeel. De wet kan trouwens in die zin worden geïnterpreteerd dat zij de ambtenaar van de burgerlijke stand niet verbiedt het belang van het kind in overweging te nemen, waarmee hij onvermijdelijk rekening zal houden wanneer hij een frauduleuze erkenning weigert. Tot slot zal de rechter de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand controleren op grond van het belang van het kind. A.6.
- Het begrip « ernstig vermoeden » van frauduleuze erkenning is trouwens niet onnauwkeurig, aangezien de omzendbrief van 21 maart 2018 dienaangaande aanvullende inlichtingen geeft en bevestigt dat de wet nauwkeurig is, aangezien, zoals voor de schijnhuwelijken, de ambtenaar van de burgerlijke stand de mogelijkheid wordt geboden rekening te houden met elk feitelijk element om een ernstig vermoeden van fraude te beoordelen. A.6.
- Indien de bestreden wet aanzienlijke gevolgen heeft ten aanzien van het kind, komen die meer voort uit de fraude dan uit de weigering van erkenning als zodanig. De bestreden wet blijkt evenredig, aangezien zij een grote voorzichtigheid vanwege de wetgever tot uiting brengt om het belang van het kind te beschermen, door een nieuwe wijze in het leven te roepen om te vermijden dat het wordt geïnstrumentaliseerd. A.7.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de socioaffectieve werkelijkheid, die, volgens de Ministerraad, de toepassing van de bestreden wet zou moeten beletten, in het stadium waarin het kind pas is geboren of in het stadium waarin het nog niet zou zijn geboren, redelijkerwijs niet kan worden nagegaan. De wet bepaalt geen enkel criterium om de « frauduleuze » intentie te beoordelen die aan de akte van erkenning ten grondslag zou liggen, waarbij alleen de omzendbrief van 21 maart 2018 die criteria bevat, zoals de omstandigheid dat de ouders niet op hetzelfde adres verblijven, de kwetsbare sociale situatie van een van de ouders of het vroegere uitreiken van een bevel om het grondgebied te verlaten. Dergelijke criteria maken het echter niet mogelijk te stellen dat er tussen de ouder en het kind geen socioaffectieve relatie bestaat. 6 Daarenboven kunnen de talrijke documenten die voor elke, zelfs niet-frauduleuze, erkenning vereist zijn, bijzonder moeilijk te verzamelen zijn, hetgeen de vaststelling van de afstamming en van de daaraan verbonden rechten belet tijdens een onderzoek dat tot vijf maanden kan duren. De verzoekende partijen verwijzen in dat opzicht naar de uiteenzetting van de tussenkomende partij. A.7.
- De verzoekende partijen preciseren dat zij het Hof niet verzoeken het wetgevend proces van aanneming van de bestreden wet te controleren. Indien de doelstelling erin bestaat de geleidelijke toename van de frauduleuze erkenningen te bestrijden, zou de wetgever echter, zo niet dat fenomeen moeten becijferen, dan toch op zijn minst die stelling moeten onderbouwen, teneinde de evenredigheid van de maatregel aan te tonen. Te dezen maakt geen enkel element het mogelijk een toename van de frauduleuze erkenningen, noch de ondoeltreffendheid aan te tonen van de bestaande mechanismen die a posteriori aan een rechter zijn toevertrouwd wegens de gewichtigheid van de op het spel staande belangen. A.7.
- De verzoekende partijen antwoorden dat zij niet de ontstentenis van vermelding van het belang van het kind in de bestreden wet bekritiseren, maar het feit dat die wet belet dat belang in overweging te nemen en het concreet af te wegen tegen de andere belangen, waarbij op onweerlegbare wijze wordt vermoed dat, indien het enige doel van de erkenning een verblijfsrechtelijk voordeel is, het nooit in het belang van het kind zal zijn die afstamming vast te stellen. Zowel de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet als de omzendbrief van 21 maart 2018 sluiten immers uitdrukkelijk de mogelijkheid voor de ambtenaar van de burgerlijke stand om rekening te houden met het belang van het kind uit, hetgeen niet kan worden gecompenseerd door het in aanmerking nemen van het belang van het kind in het stadium van een eventuele latere gerechtelijke procedure. Bovendien is de omzendbrief van 21 maart 2018 - die trouwens het voorwerp heeft uitmaakt van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State - geen « wet » in de zin van artikel 8, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en kan hij de leemten van de bestreden wet niet opvullen. A.7.
- De verzoekende partijen antwoorden dat, wat de evenredigheid van de maatregel betreft, de bestreden wet ab initio voorziet in een procedure die verscheidene maanden kan duren vooraleer een beslissing wordt genomen over de erkenning, waarbij aldus de vaststelling wordt belet van de afstamming en van de rechten die eruit voortvloeien. Die gevolgen - die niet voortkomen uit de vermeende fraude, maar uit de toepassing van de wet op elke persoon die een kind wenst te erkennen - zijn onevenredig ten opzichte van de zorg om een zeer beperkte categorie van fraudeurs te beogen. A.8.
- De Ministerraad repliceert dat het belang van het kind de ratio legis van de bestreden wet vormt en dat ermee rekening wordt gehouden in het kader van de bestreden wet. Bovendien heeft de wetgever het begrip « ernstig vermoeden » niet gedefinieerd, opdat de wet een zekere mate van algemeenheid en doeltreffendheid bewaart. Het is trouwens enkel de combinatie van de criteria waarin is voorzien in de omzendbrief van 21 maart 2018 - die een eenvormige toepassing van de wet mogelijk maakt - die de ambtenaar van de burgerlijke stand kan overtuigen ten aanzien van het bestaan van fraude. Tot slot, hoewel die omzendbrief de ambtenaren van de burgerlijke stand verbiedt rekening te houden met het belang van het kind, betreft die kritiek de bestreden wet niet. A.8.
- Door het bestaan van maatregelen die het mogelijk maken a posteriori te handelen, wordt de noodzaak van een wetgevend optreden niet ter discussie gesteld, waarvoor argumenten worden geleverd door het College van procureurs-generaal en door de ambtenaren van de burgerlijke stand, en die door de grote kwetsbaarheid van het kind wordt verantwoord. A.8.
- De documenten die van elke ouder - en niet alleen van een ouder met onregelmatig of precair verblijf - worden geëist, zijn net bedoeld om de ambtenaar van de burgerlijke stand de mogelijkheid te bieden te onderzoeken of de voorwaarden voor de erkenning zijn vervuld, door de vereisten van de verschillende gemeenten eenvormig te maken. Wanneer het onmogelijk is een geboorteakte te verkrijgen in het land van herkomst, is het daarenboven mogelijk andere akten te verkrijgen (artikelen 70 tot 72ter van het Burgerlijk Wetboek). De eventuele wachttermijnen die eruit voortvloeien zijn identiek aan de termijnen waarin is voorzien in het kader van de huwelijksaangiften en zijn evenredig met de doelstelling die erin bestaat het kind te beschermen door ten aanzien van een erkenning de grootste voorzichtigheid aan de dag te leggen. 7 Ten aanzien van het tweede middel A.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 22bis van de Grondwet en met de artikelen 3, lid 1, en 7, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat de bestreden wet een verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, de kinderen geboren uit wettig in België verblijvende of Belgische ouders, aan wie nooit de vaststelling van hun afstammingsband via een akte van erkenning kan worden geweigerd, en, anderzijds, de kinderen geboren uit ten minste één ouder met onregelmatig of precair verblijf in België, aan wie een dergelijke afstammingsband kan worden ontzegd. Om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet wat het eerste middel betreft, kan dat verschil in behandeling niet objectief en redelijk worden verantwoord. A.
- De Ministerraad stelt vast dat de doelstelling van de wetgever erin bestaat kinderen te beschermen tegen het risico dat zij als instrument worden beschouwd teneinde een verblijfsrechtelijk voordeel te verkrijgen. Een dergelijk risico is uiteraard niet denkbaar wanneer beide ouders met wettig en onbeperkt verblijf zijn. De twee in het middel bedoelde categorieën van personen bevinden zich dus niet in vergelijkbare situaties. Zelfs in de veronderstelling dat het Hof die situaties vergelijkbaar acht, is het verschil in behandeling verantwoord door de inachtneming van de wetten van openbare orde inzake verblijf en is het niet onevenredig. Terwijl aan een volwassene met wettig en onbeperkt verblijf geen erkenning zou kunnen worden geweigerd wegens de bestreden wet, zou hem immers de erkenning van een biologisch kind kunnen worden geweigerd, bijvoorbeeld wanneer de moeder haar toestemming weigert, zodat het verkeerd is te stellen dat aan kinderen geboren uit wettig in België verblijvende of Belgische ouders nooit de vaststelling van een afstammingsband via een akte van erkenning zal worden geweigerd. A.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de vergeleken categorieën van kinderen zich in vergelijkbare situaties bevinden, aangezien die kinderen betrokken zijn bij een verzoek tot erkenning van de afstammingsband, met dezelfde inzet en dezelfde situatie van kwetsbaarheid. A.
- De Ministerraad repliceert dat de bestreden wet net is aangenomen omdat kinderen geboren uit ten minste één ouder met illegaal of precair verblijf een grotere bescherming vergden teneinde te vermijden een frauduleuze erkenning te akteren. In de veronderstelling dat de vergeleken categorieën van kinderen vergelijkbaar zijn, quod non, verantwoordt die vaststelling dus het bekritiseerde verschil in behandeling. Ten aanzien van het derde middel A.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, gelezen in het licht van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen herinneren eraan dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Grondwettelijk Hof erkennen dat, aangezien de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat, de procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming het privéleven raken. Door de ambtenaar van de burgerlijke stand en het openbaar ministerie de mogelijkheid te bieden de vaststelling van een afstamming door erkenning te weigeren, zelfs bij een aangetoonde biologische afstammingsband, schendt de bestreden wet het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven zowel van de geboren en ongeboren kinderen als van de erkenner en van zijn meeouder. De verzoekende partijen verwijzen naar de motivering die is uiteengezet wat het eerste middel betreft. A.
- De Ministerraad wijst erop dat het bestaan van een biologische band in beginsel geen weerslag heeft op de beslissingen van de ambtenaar van de burgerlijke stand of van het openbaar ministerie : het bestaan van een dergelijke band verplicht niet ertoe de erkenning te akteren, net zoals het niet bestaan van die band niet ertoe verplicht de erkenning te weigeren. Voor het overige wordt verwezen naar de uiteenzetting met betrekking tot het eerste middel. 8 A.
- De verzoekende partijen antwoorden dat het bestaan van een biologische band het mogelijk maakt te vermoeden dat het enige doel van de erkenning niet het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel is. Trouwens, zowel in de rechtsleer als bij de afdeling wetgeving van de Raad van State wordt ervan uitgegaan dat het kind die afstammingsband ontzeggen, zelfs indien de biologische werkelijkheid vaststaat, het recht op eerbiediging van het gezinsleven van dat kind schendt. A.
- De Ministerraad repliceert dat de biologische werkelijkheid niet belet dat de persoon die een erkenning aanvraagt een kind heeft kunnen verwekken waarbij hij de andere ouder heeft misleid over zijn werkelijke bedoelingen. Er wordt een analogie gemaakt met de huwelijken die de ambtenaren van de burgerlijke stand weigeren te voltrekken en die heel vaak geen schijnhuwelijken zijn, maar « grijze huwelijken ». Ten aanzien van het vierde middel A.17.
- Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 13 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.17.
- In het eerste onderdeel van het middel zijn de verzoekende partijen van mening dat de bestreden wet, in zoverre zij niet in een specifiek beroep tegen de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand tot weigering van erkenning voorziet, het recht op toegang tot een rechter schendt, dat van toepassing is op de erkenning van het vaderschap. In artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet wordt eveneens het recht op juridische bijstand vastgelegd. De wetgever heeft zelfs elk specifiek beroep tegen een beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand tot weigering van erkenning willen uitsluiten, aangezien de personen die een dergelijke weigering tegengeworpen zouden krijgen, enkel de mogelijkheid zouden hebben om een vordering tot onderzoek naar het vaderschap, moederschap of meemoederschap in te stellen. Die nieuwe vordering - en geen beroep tegen de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand - wordt evenwel onderworpen aan een procedure waarvan de voorwaarden verschillen en strikter kunnen blijken dan in het kader van de erkenning van het vaderschap. Aldus, terwijl zowel de wet als de rechtspraak het mogelijk maken dat een afstamming wordt vastgesteld buiten een biologische band om, wordt die afstamming de facto onmogelijk gemaakt, in het kader van de bestreden wet, ten aanzien van een weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand, aangezien een beroep aan een ouder zonder biologische band zal worden ontzegd, omdat zijn vordering automatisch ongegrond zal worden verklaard, krachtens artikel 332quinquies van het Burgerlijk Wetboek. De uitsluiting, door de wetgever, van elk beroep tegen de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om een erkenning te akteren is zonder verantwoording en bijgevolg ongrondwettig. En, gesteld dat met die maatregel een legitiem doel zou worden nagestreefd - quod non -, zou hij toch onevenredig zijn, aangezien hij afbreuk zou doen aan de essentie zelf van het recht op toegang tot de rechter, door bepaalde personen van dat recht uit te sluiten. A.17.
- In het tweede onderdeel van het middel zijn de verzoekende partijen van mening dat de bestreden wet een discriminatie in het leven roept tussen de personen voor wie het mogelijk is om een rechtsvordering tot onderzoek naar de afstamming in te stellen voor de Belgische rechtscolleges en de personen voor wie een dergelijke vordering onmogelijk is, wegens de in het Burgerlijk Wetboek bedoelde specifieke voorwaarden of wegens de regels van internationaal privaatrecht ter zake. Zulks zou het geval zijn voor de Belgische vader die in het buitenland verblijft, aan wie het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen de weigeringsbeslissing zou worden ontzegd. A.18.
- Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, stelt de Ministerraad vast dat de bestreden wet, hoewel het juist is dat zij geen specifiek beroep tegen de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand regelt, erin voorziet dat de erkenner een vordering tot onderzoek naar het vaderschap, moederschap of meemoederschap voor de familierechtbank kan instellen. Aan de betrokken persoon wordt niet het recht op toegang tot de rechter ontzegd, dat daarenboven niet absoluut is, aangezien het Hof, in zijn arrest nr. 48/2014 van 20 maart 2014, reeds heeft geoordeeld dat artikel 332quinquies de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet niet schond. 9 Voor het overige kunnen de kwaliteit en de doeltreffendheid van dat rechtsmiddel niet worden betwist, aangezien de familierechtbank onafhankelijk en onpartijdig is en aangezien zij de geldigheid van de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand ten volle zal kunnen beoordelen, door met name met het belang van het kind rekening te houden. De verzoekende partijen tonen trouwens niet aan in welk opzicht de voorwaarden van de vordering tot onderzoek strikter zouden zijn dan in het kader van de erkenning. A.18.
- Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, is de Ministerraad van mening dat niet wordt uitgelegd in welk opzicht aan een persoon die in het buitenland verblijft, hoe dan ook de toegang tot een rechter zou worden ontzegd in geval van weigering van erkenning. Gesteld dat zulks het geval zou zijn - hetgeen de Ministerraad betwijfelt ten aanzien van de alternatieve bevoegdheidscriteria die in artikel 61 van het Wetboek van internationaal privaatrecht zijn bedoeld -, zou het bekritiseerde verschil in behandeling niet zijn oorsprong in de bestreden wet maar in de regels van het internationaal privaatrecht vinden. A.19.
- Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, antwoorden de verzoekende partijen dat in het in het verzoekschrift aangehaalde advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State de strikte voorwaarden van de vordering tot onderzoek naar het vaderschap worden uiteengezet. De beperking van het recht op toegang tot de rechter is des te onevenrediger daar de ambtenaar van de burgerlijke stand geen rekening kan houden met het belang van het kind in het stadium van de erkenning. Daarenboven werd het arrest nr. 48/2014 gewezen in een volledig andere context dan die van een erkenning, zodat de Ministerraad niet op geldige wijze argumenten eruit kan putten. Ten slotte maakt geen enkele gemeenrechtelijke procedure het mogelijk om de ontstentenis van een specifiek beroep voor de personen aan wie een erkenning zou worden geweigerd, te verhelpen, en, zelfs indien die procedure zou bestaan, zou zij de termijnen voor het bepalen van de afstamming van het kind verlengen. A.19.
- Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, antwoorden de verzoekende partijen dat artikel 61 van het Wetboek van internationaal privaatrecht, dat de vorderingen tot betwisting van of tot onderzoek naar het vaderschap beoogt, tot gevolg heeft dat een Belg die in het buitenland verblijft, de weigering om zijn erkenning te akteren niet zal kunnen betwisten voor een Belgische rechter. Daarentegen zou die bepaling niet van toepassing zijn op een specifiek beroep dat zou zijn ingesteld tegen een dergelijke weigering. De aangeklaagde discriminatie vindt dus wel degelijk haar oorsprong in de ontstentenis van een specifiek beroep, bedoeld in de bestreden wet, tegen de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand. A.20.
- Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, repliceert de Ministerraad dat de ambtenaar van de burgerlijke stand niet over een discretionaire bevoegdheid beschikt en dat er wel degelijk een subjectief recht op het akteren van de erkenning bestaat, behoudens een ernstig vermoeden van frauduleuze erkenning. De aanvrager aan wie de erkenning wordt geweigerd, zal dus in rechte kunnen treden voor de hoven en rechtbanken. De termijn om die rechtsvordering uit te oefenen zou de rechten van de betrokkenen enkel schenden indien hij onredelijk is. A.20.
- Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, repliceert de Ministerraad dat artikel 61 van het Wetboek van internationaal privaatrecht, volgens de parlementaire voorbereiding ervan, alle vorderingen beoogt die ertoe strekken een biologische afstammingsband vast te stellen of te betwisten. Indien een Belg een erkenning aanvraagt, zal zij hem niet kunnen worden geweigerd met toepassing van de bestreden wet, aangezien zij hem geen verblijfsrechtelijk voordeel kan opleveren. Ten aanzien van de tussenkomst A.
- Het Federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen en de strijd tegen de mensenhandel (Myria) verantwoordt zijn belang om tussen te komen door zijn hoedanigheid van onafhankelijke Belgische openbare instelling die met name tot opdracht heeft te waken over de inachtneming van de grondrechten van de vreemdelingen. Het belang van Myria wordt versterkt door het feit dat zijn medewerkers tal van klachten behandelen van personen wier rechten sterk worden beperkt door de bestreden wet. A.
- De tussenkomende partij is van mening dat de artikelen 6 en 7 van de bestreden wet de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet schenden, in zoverre zij een onevenredige inmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven uitmaken en een schending van het hoger belang van het kind om zijn afstamming zo snel mogelijk vastgesteld te zien. 10 Volgens de tussenkomende partij zijn de zeven soorten van documenten die bij artikel 7 van de bestreden wet worden vereist vóór elke erkenning, zelfs bij gebrek aan een vermoeden van fraude, onevenredig. In de praktijk zal het voor sommige vreemdelingen immers moeilijk zijn om ze te verzamelen, tenzij zij naar hun land van herkomst terugkeren. Wanneer een van die verplichte documenten ontbreekt, zelfs om een legitieme reden, zal de aangifte niet kunnen worden geakteerd zonder dat wordt aangetoond dat elk van die documenten noodzakelijk is ten opzichte van de situatie van de betrokken personen. De wet zou het bijgevolg mogelijk moeten maken om rekening te houden met de onmogelijkheid om zich bepaalde buitenlandse documenten te verschaffen en om het hoger belang van het kind te doen primeren. Die vereiste inzake documenten is des te onevenrediger daar de niet-inachtneming ervan wordt bestraft door de ontstentenis van een bericht van ontvangst en door het uitstel of de weigering om een aangifte van erkenning te akteren, zodat maanden en zelfs jaren van gerechtelijke procedure zullen verstrijken vooraleer de afstamming van het kind kan worden vastgesteld, hetgeen het kind en zijn ouder in een uiterst moeilijke situatie zal plaatsen. A.
- De tussenkomende partij is bijgevolg van mening dat
(1)de in artikel 9 van de bestreden wet bedoelde definitie van de frauduleuze erkenning,
(2)de in de artikelen 6 en 10 van de bestreden wet bedoelde procedure en
(3)de ontstentenis van enige bepaling die de buitenlandse ouder met onregelmatig verblijf tijdens de erkenningsprocedure beschermt tegen een uitzetting, de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet schenden. Bij de bestreden wet wordt op onweerlegbare wijze vermoed dat het nooit in het belang van het kind is om zijn afstamming vastgesteld te zien indien de erkenning enkel geschiedt om een verblijfsrechtelijk voordeel te verkrijgen. Die zienswijze wordt betwist door de afdeling wetgeving van de Raad van State, op zijn minst wanneer het een biologische afstamming betreft. Sommige situaties kunnen eraan in de weg staan dat een afstamming wordt erkend, maar zij dienen per geval te worden beoordeeld en steeds door rekening te houden met het belang van het kind in alle maatregelen die op het kind betrekking hebben, ongeacht de overheid die ze neemt, waarbij de duur van de procedure een belangrijke rol speelt met betrekking tot de inachtneming van de rechten van het kind. Te dezen kan de duur van de administratieve procedure, die acht maanden in beslag kan nemen, waaraan de tijd moet worden toegevoegd die nodig is om de vereiste voorafgaande documenten te verkrijgen, ertoe leiden dat de ouder wordt verwijderd, hetgeen afbreuk doet aan het gezinsleven en aan andere grondrechten van het kind, maar hij maakt het instellen van een gerechtelijke procedure bovendien erg moeilijk en verhindert de vaststelling van een dubbele afstamming. Volgens Myria zou het belang van het kind om zijn afstamming vastgesteld te zien, vanaf het ogenblik waarop er een biologische afstamming of een bezit van staat bestaat, de overhand moeten krijgen over de intentie van de erkenner, zodat de definitie van fraude in geval van huwelijk of samenwoning niet de plano van toepassing kan zijn op de vaststelling van de afstamming, die in de eerste plaats een kind betreft. A.
- De tussenkomende partij is van mening dat de artikelen 6 en 10 van de bestreden wet de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet schenden in zoverre zij aan de ambtenaar van de burgerlijke stand de buitensporige bevoegdheid toevertrouwen om een erkenning te weigeren, terwijl een dergelijke bevoegdheid enkel onder de rechter van de familierechtbank zou moeten ressorteren, en in zoverre de voorwaarden voor het openen van een onderzoek, voor het uitstellen of weigeren van een erkenning niet voldoende duidelijk en voorspelbaar in de wet worden omschreven. De tussenkomende partij brengt in herinnering dat de betwisting van een frauduleus vastgestelde afstammingsband, vóór het aannemen van de bestreden wet, noodzakelijkerwijs het optreden van een rechter inhield. Door aan de ambtenaar van de burgerlijke stand een administratieve controle a priori toe te vertrouwen van de intentie waarop een erkenning is gebaseerd, die is overgenomen van de regelgeving inzake schijnhuwelijk en schijnsamenwoning, voorziet artikel 10 van de bestreden wet in een onevenredige maatregel. Zodoende zijn het de betrokkenen zelf, ouders en kinderen, die de zaak op hun kosten bij het gerecht aanhangig dienen te maken, om te proberen die erkenning te doen vaststellen. Die omkering van de last van het proces maakt het mogelijk de familierechtbank, de natuurlijke rechter van de afstamming, te weren, zonder te vergeten dat de ontstentenis van een geregeld beroep de toegang tot de rechter zeer sterk beperkt en zelfs onmogelijk maakt in geval van een niet-biologische afstamming. De onmogelijkheid om een afstammingsband vast te stellen wegens het onregelmatig verblijf van een ouder vormt evenwel een schending van het recht op het privé- en gezinsleven. 11 De tussenkomende partij herinnert aan het fundamentele beginsel volgens hetwelk kwade trouw niet wordt vermoed, aangezien de overheid fraude moet aantonen. De discretionaire beoordeling die aan de ambtenaar van de burgerlijke stand wordt gelaten, zonder rechterlijke controle, op grond van een « geheel van omstandigheden » dat niet in de wet wordt omschreven, kan echter onrechtmatige inmengingen in het privéleven van personen met zich meebrengen, enkel wegens het illegaal verblijf van een van de ouders. Het begrip « ernstig vermoeden » van frauduleuze erkenning dat het mogelijk maakt een onderzoek te starten, wordt trouwens geenszins gedefinieerd in de wet, en de omzendbrief van 21 maart 2018 waarborgt geen voldoende uniforme toepassing van de bestreden wet. Ten slotte kan een doeltreffende strijd tegen frauduleuze erkenningen worden gevoerd via een gerechtelijke procedure waarbij de grondrechten in acht worden genomen, zoals de rechterlijke nietigverklaring ex tunc van de frauduleuze erkenning (artikel 330/3 van het Burgerlijk Wetboek) of de intrekking van het verblijf ex tunc in geval van fraude (artikelen 74/20 en 74/21 van de wet van 15 december 1980). De nietigverklaring van een frauduleuze erkenning door de rechter vormt een doeltreffende maatregel, aangezien zij het verlies van het verblijf voor de ouder en het verlies van de Belgische nationaliteit voor het kind in geval van nietigverklaring van de erkenning met zich mee zal brengen (artikel 8 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit). A.25.
- In haar memorie van wederantwoord vermeldt de tussenkomende partij de concrete situatie, die uit de toepassing van de bestreden wet voortvloeit, van Belgische ouders of ouders met onregelmatig verblijf wier erkenning wordt geweigerd omdat de geboorteakte van een van beide ouders ontbreekt of niet eensluidend is verklaard. In een van de gevallen werd het vaderschapsverlof niet bezoldigd en is het voor de vader niet mogelijk geweest om verlof te nemen voor de ziekenhuisopname van het kind. In een ander geval kan het overlijden van de Belgische vader tijdens de procedure elke vaststelling van de afstamming verhinderen. Die vereiste inzake documenten, die geen verband houdt met de bestrijding van fraude, verlamt de vaststelling van de biologische afstamming. Die vereiste vormt daarenboven een onrechtstreekse discriminatie op grond van de herkomst van personen, aangezien de voor een aangifte van erkenning vereiste documenten de facto veel moeilijker te verkrijgen zijn voor vreemdelingen en voor Belgen die in het buitenland zijn geboren dan voor Belgen die in België zijn geboren. A.25.
- Die voorbeelden tonen daarenboven aan dat de gemeenten de bestreden wet op mechanische wijze toepassen, zonder enige bezorgdheid voor het belang van het kind en voor het privé- en gezinsleven van de betrokken personen. Die grondrechten leggen de wetgever evenwel de positieve verplichting op om de inachtneming ervan in de wettekst te waarborgen. Het aantal klachten dat de tussenkomende partij nauwelijks enkele maanden na de inwerkingtreding van de bestreden wet heeft ontvangen, is trouwens een indicator voor het onevenredige karakter van het ingevoerde mechanisme. -B- Ten aanzien van de omvang van het beroep tot vernietiging B.1.
- Bij het Hof wordt een beroep tot vernietiging ingesteld dat is gericht tegen de wet van 19 september 2017 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het Consulair Wetboek met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenning en houdende diverse bepalingen inzake het onderzoek naar het vaderschap, moederschap en meemoederschap, alsook inzake het 12 schijnhuwelijk en de schijnwettelijke samenwoning » (hierna : de wet van 19 september 2017). B.1.
- De voormelde wet biedt de ambtenaar van de burgerlijke stand de mogelijkheid om het akteren van een erkenning uit te stellen, met het oog op bijkomend onderzoek, en het akteren van de erkenning te weigeren wanneer er aanwijzingen zijn dat het gaat om een frauduleuze erkenning, opgevat als een erkenning die « kennelijk enkel gericht is op het […] bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat verbonden is aan de vaststelling van een afstammingsband » (artikel 330/1 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 september 2017). B.2.
- De verzoekende partijen vorderen de gehele vernietiging van de wet van 19 september
- B.2.
- Volgens de Ministerraad zou uit de uiteenzetting van de middelen echter blijken dat de kritiek van de verzoekende partijen slechts op enkele bepalingen van de bestreden wet betrekking heeft. B.2.
- Het Hof dient de omvang van het beroep tot vernietiging te bepalen op grond van de inhoud van het verzoekschrift. Het Hof kan slechts uitdrukkelijk bestreden wetskrachtige bepalingen vernietigen waartegen middelen worden aangevoerd en, in voorkomend geval, bepalingen die niet worden bestreden maar die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd. B.2.
- Hoewel de verzoekende partijen de vernietiging van de gehele wet van 19 september 2017 vorderen, blijkt uit de uiteenzetting van de middelen dat hun grieven enkel gericht zijn tegen de definitie van het begrip « frauduleuze erkenning » en de bevoegdheden van de ambtenaar van de burgerlijke stand en van het openbaar ministerie ten aanzien van frauduleuze erkenningen, ingevoerd bij de artikelen 9 tot 11 van de wet van 19 september 2017, waarbij de artikelen 330/1 tot 330/3 in het Burgerlijk Wetboek worden ingevoegd. Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot die bepalingen. 13 B.3.
- De artikelen 9 tot 11 van de wet van 19 september 2017 bepalen : « Art.
- In boek I, titel VII, hoofdstuk III, afdeling 2, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 330/1 ingevoegd, luidende : ‘ Art. 330/
- Er is, ingeval van aangifte van erkenning, geen afstammingsband tussen het kind en de erkenner wanneer uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van de erkenner, kennelijk enkel gericht is op het voor zichzelf, voor het kind of voor de persoon die zijn voorafgaande toestemming voor de erkenning moet geven, bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat verbonden is aan de vaststelling van een afstammingsband. ’. Art.
- In boek I, titel VII, hoofdstuk III, afdeling 2, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 330/2 ingevoegd, luidende : ‘ Art. 330/
- De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert de erkenning te akteren indien hij vaststelt dat de erkenning betrekking heeft op een in artikel 330/1 bedoelde situatie. Indien er een ernstig vermoeden bestaat dat de verklaring betrekking heeft op een in artikel 330/1 bedoelde situatie, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand het akteren van de erkenning uitstellen, na eventueel het advies van de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de persoon die het kind wil erkennen voornemens is het kind te erkennen, te hebben ingewonnen, gedurende ten hoogste twee maanden vanaf de opmaak van de akte van aangifte teneinde bijkomend onderzoek te verrichten. De procureur des Konings kan deze termijn verlengen met hoogstens drie maanden. In dat geval, geeft hij van zijn beslissing kennis aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die op zijn beurt de belanghebbende partijen ervan in kennis stelt. Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de in het tweede lid bepaalde termijn geen definitieve beslissing heeft genomen, dient hij onverwijld de erkenning te akteren. In geval van een in het eerste lid bedoelde weigering, brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand, zijn met redenen omklede beslissing onverwijld ter kennis van de belanghebbende partijen. Terzelfdertijd wordt een afschrift hiervan, samen met een afschrift van alle nuttige documenten, verzonden naar de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de beslissing tot weigering genomen werd en naar de Dienst Vreemdelingenzaken. In geval van weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om de erkenning te akteren, kan de persoon die de afstammingsband wil laten vaststellen een vordering tot onderzoek naar het moederschap, vaderschap of meemoederschap instellen bij de familierechtbank van de plaats van de aangifte van de erkenning. In het in het vijfde lid bedoelde geval vermeldt het exploot van dagvaarding of het verzoekschrift, op straffe van nietigheid, de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand. ’. 14 Art.
- In boek I, titel VII, hoofdstuk III, afdeling 2, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 330/3 ingevoegd, luidende : ‘ Art. 330/
- §
- De procureur des Konings vordert de nietigheid van de erkenning in het geval bedoeld in artikel 330/
- §
- Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest dat een erkenning nietig verklaart, wordt door de optredende gerechtsdeurwaarder onmiddellijk in afschrift meegedeeld aan het openbaar ministerie en de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken. Wanneer de nietigheid van de erkenning is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, stuurt de griffier, onverwijld, een uittreksel bevattende het beschikkende gedeelte en de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden van het vonnis of arrest aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de akte van erkenning werd opgemaakt, of wanneer de akte van erkenning niet in België werd opgemaakt, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van Brussel, en aan de Dienst Vreemdelingenzaken. De griffier brengt de partijen hiervan in kennis. De ambtenaar van de burgerlijke stand schrijft het beschikkende gedeelte onverwijld over in zijn registers; melding daarvan wordt gemaakt op de kant van de akte van erkenning en van de akte van geboorte van het kind, indien deze in België zijn opgemaakt of overgeschreven. ’ ». B.3.
- De wet van 18 juni 2018 « houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing » (hierna : de wet van 18 juni 2018) wijzigt verschillende van de bij de wet van 19 september 2017 ingevoegde bepalingen. Bij artikel 38 van de wet van 18 juni 2018 worden, in artikel 330/2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 10 van de wet van 19 september 2017, de woorden « opmaak van de akte van aangifte » vervangen door de woorden « ondertekening van de aangifte ». Bij artikel 39 van de wet van 18 juni 2018 worden, in artikel 330/3, § 2, zoals ingevoegd bij artikel 11 van de wet van 19 september 2017, het tweede tot het vierde lid vervangen als volgt : 15 « Wanneer de nietigheid van de erkenning is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens van de rechterlijke beslissing door naar de DABS, met de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden ervan. De DABS maakt op basis hiervan een melding op en verbindt deze met de akte van erkenning en de akte van geboorte van het kind. De griffier brengt de partijen hiervan onmiddellijk in kennis. Indien het gaat om de nietigverklaring van een erkenning die is gedaan met overtreding van artikel 330/1 notificeert de DABS de rechterlijke beslissing, met vermelding van de datum van het in kracht van gewijsde treden, onmiddellijk aan de Dienst Vreemdelingenzaken ». B.3.
- Overeenkomstig artikel 118 van de wet van 18 juni 2018 zijn die wijzigingen op 31 maart 2019 in werking getreden. B.3.
- Het Hof zal met de weerslag van die wijzigingen rekening houden bij het onderzoek van de zaak ten gronde. B.3.
- In de omzendbrief van 21 maart 2018 « bij de wet van 19 september 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het Consulair Wetboek met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenning en houdende diverse bepalingen inzake het onderzoek naar het vaderschap, moederschap en meemoederschap, alsook inzake het schijnhuwelijk en de schijnwettelijke samenwoning » (hierna : de omzendbrief van 21 maart 2018), die in het Belgisch Staatsblad van 26 maart 2018 is bekendgemaakt, wordt de draagwijdte van de wet van 19 september 2017 geëxpliciteerd. Tegen die omzendbrief is door de verzoekende partijen een beroep tot nietigverklaring ingesteld voor de Raad van State, die dat beroep bij zijn arrest nr. 244.846 van 19 juni 2019 heeft verworpen, wegens gebrek aan een reglementair karakter van de bestreden omzendbrief. 16 Ten aanzien van het belang bij het beroep B.4.
- De eerste verzoekende partij is de « Ordre des barreaux francophones et germanophone ». De tweede tot de tiende verzoekende partij zijn verenigingen zonder winstoogmerk die tot doel hebben de grondrechten van respectievelijk vreemdelingen, met name met illegaal of precair verblijf, kinderen en gezinnen te verdedigen. De elfde verzoekende partij is een stichting van openbaar nut die tot doel heeft de toepassing van het Verdrag inzake de rechten van het kind te bevorderen. B.4.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.4.
- Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.4.
- De tweede tot de tiende verzoekende partij, die verenigingen zonder winstoogmerk zijn wier statutair doel erin bestaat de grondrechten van vreemdelingen of van kinderen en gezinnen te verdedigen, doen blijken van het belang om de vernietiging te vorderen van de wet van 19 september 2017, die afbreuk kan doen aan de rechten van die categorieën van personen, door een mechanisme in te voeren dat de vaststelling van een afstammingsband via erkenning kan verhinderen wanneer uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de erkenner enkel het « frauduleus » verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel beoogt. B.4.
- Aangezien het beroep ontvankelijk is met betrekking tot de tweede tot de tiende verzoekende partij, dient het Hof niet te onderzoeken of de andere verzoekende partijen ook doen blijken van het vereiste belang. 17 B.
- Het beroep is ontvankelijk. Ten aanzien van de tussenkomst B.6.
- Het Federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen en de strijd tegen de mensenhandel (Myria) heeft een memorie van tussenkomst en een memorie van wederantwoord ingediend. Het verantwoordt zijn belang om in rechte te treden door zijn hoedanigheid van onafhankelijke Belgische openbare instelling, die met name tot opdracht heeft te waken over de inachtneming van de grondrechten van de vreemdelingen, en die trouwens tal van klachten behandelt van personen wier rechten sterk worden beperkt door de bestreden wet. Het steunt het beroep tot vernietiging van de verzoekende partijen. B.6.
- De tussenkomende partij formuleert in het bijzonder kritiek ten aanzien van de artikelen 6 en 7 van de wet van 19 september 2017, die betrekking hebben op de procedure om een aanvraag tot erkenning in te dienen, op de territoriale bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand en op de documenten die aan de ambtenaar van de burgerlijke stand moeten worden overhandigd bij een aangifte van erkenning. B.6.
- Het Hof moet zijn onderzoek beperken tot de bepalingen waarvan de vernietiging in het verzoekschrift is gevorderd. Uit B.2.4 blijkt dat het beroep tot vernietiging geen betrekking heeft op de artikelen 6 en 7 van de wet van 19 september 2017, die niet onlosmakelijk verbonden zijn met de bestreden artikelen 9 tot 11 van dezelfde wet. Een tussenkomende partij kan het oorspronkelijke beroep niet wijzigen of uitbreiden. B.
- Aangezien de tussenkomende partij voor het overige geen wezenlijke argumenten toevoegt aan de grieven van de verzoekende partijen, bestaat er geen aanleiding om te onderzoeken of haar tussenkomst ontvankelijk is. 18 Ten gronde B.8.
- De wet van 19 september 2017 heeft tot doel frauduleuze erkenningen te bestrijden, namelijk erkenningen « die tot stand komen louter en alleen om de verblijfswetgeving te omzeilen » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2529/001, p. 5). De wetgever heeft een systeem gekozen waarin « de frauduleuze erkenning […] in de mate van het mogelijke behandeld [zal] worden zoals het schijnhuwelijk » (ibid., p. 8), ook al « zijn er meerdere partijen betrokken bij een erkenning en moet er in het bijzonder rekening worden gehouden met het belang van het kind en het internationaal privaatrecht » (ibid.). Met betrekking tot de nagestreefde doelstelling vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Als gevolg van de opvoering van de strijd tegen schijnhuwelijken en de schijnwettelijke samenwoning de laatste jaren, heeft de problematiek zich immers verplaatst naar de erkenning van kinderen. De voorwaarden om een kind te erkennen zijn minimaal en zodra er een afstammingsband ontstaat wordt een recht op gezinshereniging geopend. In de meest flagrante gevallen worden door één persoon verschillende kinderen, soms meer dan 10, erkend. Het gaat zelfs zover dat er effectief kinderen verwekt worden enkel met het oog op een verblijfsrechtelijk voordeel. Er is in dat geval een biologische band, maar eenmaal het verblijfsrechtelijk voordeel is bekomen, worden het kind en de andere ouder in de steek gelaten. Het College van procureurs-generaal heeft in [zijn] ‘ verslag houdende overzicht van de wetten die toepassings- of interpretatiemoeilijkheden hebben gesteld voor de hoven en rechtbanken in de loop van het gerechtelijk jaar 2010-2011 ’ (DOC 53 1414/005) voor het eerst melding gemaakt van het probleem van de frauduleuze erkenning. In de verslagen 2011- 2012, 2012-2013 en 2013-2014 wordt het probleem van de frauduleuze erkenning opnieuw aangehaald maar schuift het College als mogelijke oplossing een analoge regeling als deze voor schijnhuwelijken [naar] voor. (DOC 53 1414/008 – DOC 53 1414/012 – DOC 54 0435/002). De ambtenaren van de burgerlijke stand worden meer en meer geconfronteerd met personen die een kind willen erkennen met het oog op het bekomen of verlenen van een verblijfsrechtelijk voordeel maar ze hebben op dit ogenblik echter geen wettelijke middelen om op te treden » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2529/001, pp. 5-6). 19 B.8.
- Volgens artikel 330/1 van het Burgerlijk Wetboek is er sprake van een frauduleuze erkenning « wanneer uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van de erkenner, kennelijk enkel gericht is op het voor zichzelf, voor het kind of voor de persoon die zijn voorafgaande toestemming voor de erkenning moet geven, bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat verbonden is aan de vaststelling van een afstammingsband ». B.8.
- Artikel 330/2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand weigert de erkenning te akteren indien hij vaststelt dat die betrekking heeft op de in artikel 330/1 bedoelde situatie. Hij kan het akteren van de erkenning ook uitstellen indien er een « ernstig vermoeden » van een frauduleuze erkenning bestaat, in welk geval hij eventueel het advies van de procureur des Konings kan inwinnen teneinde bijkomend onderzoek te verrichten. B.8.
- Naast die controle a priori van de erkenning, door de ambtenaar van de burgerlijke stand en in voorkomend geval door de procureur des Konings, is bij de wet ook bepaald dat de procureur des Konings de nietigheid van een frauduleuze erkenning in de zin van artikel 330/1 van het Burgerlijk Wetboek vordert (artikel 330/3 van het Burgerlijk Wetboek). Wat het eerste, het derde en het vierde middel betreft B.9.
- De grieven van de verzoekende partijen zijn in de eerste plaats gericht tegen het feit dat aan de ambtenaar van de burgerlijke stand de mogelijkheid wordt gegeven om, zelfs bij het bestaan van een biologische afstammingsband, de erkenning te weigeren en tegen het feit dat de procureur des Konings de vaststelling van de afstamming zou kunnen weigeren, zonder dat die overheden daarbij het belang van het kind in overweging moeten nemen of dat belang moeten afwegen tegenover andere belangen. Aldus zouden de bestreden bepalingen een schending inhouden van artikel 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3, lid 1, en 7, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (eerste middel). 20 De mogelijkheid om de erkenning of de vaststelling van de afstamming te weigeren zou ook het recht op de eerbiediging van het privé- en gezinsleven aantasten van de betrokken personen en derhalve een schending inhouden van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (derde middel). In zoverre in die middelen wordt aangevoerd dat de procureur des Konings de vaststelling van de afstamming zou kunnen weigeren, falen ze in rechte. Enerzijds, wordt aan de procureur des Konings een adviesbevoegdheid verleend, wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand beslist zijn advies in te winnen (artikel 330/2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). Anderzijds, kan de procureur des Konings, onder de voorwaarden die zijn bepaald in artikel 330/3 van het Burgerlijk Wetboek, de nietigheid vorderen van een reeds verleende erkenning. Overigens blijkt uit de uiteenzetting van het middel geenszins in welk opzicht het optreden van het openbaar ministerie wordt bekritiseerd. Het Hof onderzoekt het eerste en het derde middel derhalve in zoverre ze gericht zijn tegen het optreden van de ambtenaar van de burgerlijke stand. B.9.
- De verzoekende partijen bekritiseren voorts het feit dat tegen de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om de erkenning te akteren, geen specifiek beroep openstaat. Aldus zou het recht op toegang tot de rechter niet gewaarborgd zijn en zouden de bestreden bepalingen een schending inhouden van de artikelen 10, 11, 13 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (vierde middel). B.9.
- Aangezien die drie middelen gericht zijn tegen onlosmakelijke aspecten van het mechanisme dat bij de bestreden bepalingen is ingevoerd teneinde de frauduleuze erkenningen te bestrijden, onderzoekt het Hof die middelen samen. B.10.
- Artikel 22bis van de Grondwet bepaalt : « Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. 21 Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen. Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen. Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ». B.10.
- Artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt : « Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging ». B.10.
- Artikel 7, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt : « Het kind wordt onmiddellijk na de geboorte ingeschreven en heeft vanaf de geboorte het recht op een naam, het recht een nationaliteit te verwerven en, voor zover mogelijk, het recht zijn ouders te kennen en door hen te worden verzorgd ». Die bepaling is te dezen echter niet relevant, aangezien de akte van erkenning van de afstamming zich onderscheidt van de akte van inschrijving van het kind vanaf zijn geboorte. B.11.
- Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». B.11.
- Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 22
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.11.
- De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.12.
- Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ». B.12.
- Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het hele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of ’s lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden ». B.12.
- Artikel 13 van datzelfde Verdrag bepaalt : « Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie ». 23 B.12.
- Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt evenwel niet in welk opzicht de bestreden bepalingen een schending zouden kunnen inhouden van artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, dat het recht op juridische bijstand waarborgt, noch van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In zoverre de middelen op die normen betrekking hebben, zijn ze niet ontvankelijk. B.13.
- Zowel artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet als artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind verplichten alle instellingen die maatregelen nemen betreffende kinderen om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben. Artikel 22bis, vijfde lid, van de Grondwet geeft de bevoegde wetgever de opdracht te waarborgen dat het belang van het kind de eerste overweging is. B.13.
- Hoewel het belang van het kind de eerste overweging vormt, heeft het geen absoluut karakter. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen neemt het belang van het kind echter een bijzondere plaats in door het feit dat het de zwakke partij is in de familiale relatie. B.14.
- De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de afstamming raken het privéleven omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat (EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 33; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 30; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 102; 16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, §§ 48-49; 21 juni 2011, Krušković t. Kroatië, § 20; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 60; 12 februari 2013, Krisztián Barnabás Tóth t. Hongarije, § 28). Wanneer reeds een gezinsleven bestaat, kunnen die procedures ook raken aan de bescherming van het gezinsleven. Bij procedures met betrekking tot het vaststellen of het betwisten van de afstamming dient het belang van het kind de eerste overweging te vormen. Naar gelang van de aard en de ernst van het belang van het kind, kan het voorrang hebben op dat van de ouders (EHRM, 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 63). 24 B.14.
- Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven niet uit, maar vereisen dat zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. B.15.
- Zoals in B.8.1 is vermeld, strekt de wet van 19 september 2017 tot de bestrijding van frauduleuze erkenningen, opgevat als « erkenningen die tot stand komen louter en alleen om de verblijfswetgeving te omzeilen » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2529/001, p. 5). De bestreden bepalingen passen aldus in het kader van de immigratiepolitiek van de overheid en meer bepaald in het streven van de wetgever om fraude bij het verkrijgen van een verblijfsrecht tegen te gaan, wat een legitieme doelstelling is. Wanneer de wetgever een dergelijke doelstelling nastreeft, dient hij echter erover te waken een billijk evenwicht te waarborgen tussen de verschillende aanwezige belangen en rekening te houden met de weerslag van de bestreden maatregelen op de afstammingsband van een kind. B.15.
- Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens erkent in beginsel niet het recht van een vreemdeling om in een bepaald land te verblijven. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk geoordeeld dat « volgens een vaststaand beginsel van internationaal recht, de Staten het recht hebben om, onverminderd de verbintenissen die voor hen voorvloeien uit verdragen, de toegang op hun grondgebied van niet-onderdanen te regelen » (EHRM, 28 mei 1985, Abdulaziz, Cabales en Balkandali t. Verenigd Koninkrijk, § 67; 21 oktober 1997, Boujlifa t. Frankrijk, § 42; 18 oktober 2006, Üner t. Nederland, § 54; 31 juli 2008, Darren Omoregie e.a. t. Noorwegen, § 54; grote kamer, 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland, § 100). B.15.
- Daarmee samenhangend dienen vreemdelingen de wettelijke procedures te volgen om een verblijfsrecht te verkrijgen en dienen zij de overheid correcte informatie te verschaffen (EHRM, 28 september 2011, Nunez t. Noorwegen, § 71; grote kamer, 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland, § 100). Indien ernstige of herhaalde schendingen van het immigratierecht ongestraft blijven, zou dit het respect van het publiek voor dat recht ondermijnen (EHRM, 28 september 2011, Nunez t. Noorwegen, § 71). 25 B.15.
- Voor zover er sprake is van een gezinsleven in de zin van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de immigratiepolitiek van de Staat in het geding is, variëren de verplichtingen van de overheid om familieleden van personen die reeds op het grondgebied verblijven toe te laten, naar gelang van de specifieke belangen van die personen en van het algemeen belang. De factoren waarmee in die context rekening moet worden gehouden, zijn de mate waarin het gezinsleven daadwerkelijk wordt belemmerd, de omvang van de banden die de betrokken personen in de in het geding zijnde verdragsluitende Staat hebben, de vraag of er al dan niet onoverkomelijke hindernissen bestaan opdat het gezin in het land van herkomst van de betrokken vreemdeling woont, en de vraag of er elementen bestaan die betrekking hebben op de controle van de immigratie (bijvoorbeeld precedenten van inbreuken op de immigratiewetten) of overwegingen van openbare orde die doorwegen ten gunste van een uitsluiting. Indien de betrokken familieleden bij de totstandkoming van het gezinsleven weten dat het verblijfsrecht van één van hen precair is, zal het niet toekennen van een verblijfsrecht slechts uitzonderlijk een schending van artikel 8 van het Verdrag met zich brengen (EHRM, 28 september 2011, Nunez t. Noorwegen, § 70; 4 december 2012, Butt t. Noorwegen, § 78; 26 juni 2014, M.E. t. Zweden, §§ 93 en 97; grote kamer, 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland, §§ 107-108). Wanneer kinderen betrokken zijn, dient bij de afweging van de in het geding zijnde belangen hun hoger belang in het bijzonder in aanmerking te worden genomen. Dat belang is zeker niet alleenbepalend, maar er moet een bijzonder gewicht aan worden toegekend (EHRM, 28 september 2011, Nunez t. Noorwegen, § 78; grote kamer, 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland, §§ 109 en 118). B.16.
- Uit de combinatie van de artikelen 330/1 en 330/2 van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand het akteren van een erkenning slechts kan uitstellen of weigeren « wanneer uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van de erkenner, kennelijk enkel gericht is op het voor zichzelf, voor het kind of voor de persoon die zijn voorafgaande toestemming voor de erkenning moet geven, bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat verbonden is aan de vaststelling van een afstammingsband ». B.16.
- De beoordeling van het bestaan of van het ernstig vermoeden van een frauduleuze erkenning heeft derhalve betrekking op de intentie van de erkenner die « kennelijk enkel gericht is op het […] bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel ». 26 Aldus zijn de bestreden bepalingen enkel van toepassing wanneer de erkenner uitsluitend een verblijfsrechtelijk voordeel wil verkrijgen en hij dus niet de intentie heeft een familierechtelijke band met het kind tot stand te brengen en de bijbehorende ouderlijke verantwoordelijkheden op zich te nemen. Bovendien moet de intentie van de erkenner « kennelijk » enkel gericht zijn op de verblijfsrechtelijke gevolgen, wat vereist dat die intentie ontwijfelbaar of onmiskenbaar aanwezig is. In dat verband vermeldt de omzendbrief van 21 maart 2018 : « Wanneer men zich beroept op het frauduleus karakter van een erkenning, moet men duidelijke indicaties hebben dat de erkenning niet gericht is op het tot stand brengen van een ouder-kind relatie met de bijhorende ouderlijke verantwoordelijkheden, maar uitsluitend op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel. De interpretatie die in de rechtspraak en rechtsleer aan de termen ‘ kennelijk ’ en ‘ enkel ’ wordt gegeven in het kader de strijd tegen schijnhuwelijken (artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek) en schijnwettelijke samenwoningen (artikel 1476bis van het Burgerlijk Wetboek) zijn van overeenkomstige toepassing op de frauduleuze erkenningen ». B.16.
- Artikel 330/1 van het Burgerlijk Wetboek vereist verder dat de intentie van de erkenner blijkt uit « uit een geheel van omstandigheden ». De omzendbrief van 21 maart 2018 somt een aantal mogelijke factoren op waarvan de combinatie een ernstige aanwijzing kan vormen dat een frauduleuze erkenning wordt beoogd en die de ambtenaar van de burgerlijke stand in dat verband in aanmerking kan nemen. De bewijslast om aan te tonen dat het om een frauduleuze erkenning gaat, ligt derhalve bij de ambtenaar van de burgerlijk stand. In voorkomend geval kan hij het advies van de procureur des Konings inwinnen teneinde bijkomend onderzoek te verrichten. B.17.
- De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepalingen dat zij niet voorschrijven dat de ambtenaar van de burgerlijke stand, wanneer hij de voorgenomen erkenning weigert te akteren omdat ze op frauduleuze gronden berust, het belang van het kind in aanmerking dient te nemen. B.17.
- De erkenning is een vrijwillige rechtshandeling die uitgaat van een vrouw of een man die de bedoeling heeft om een afstammingsband te creëren ten aanzien van een kind. 27 Om tot erkenning over te gaan, dient de erkenner zijn biologische band met het kind niet aan te tonen. Het is dus mogelijk dat een man of een vrouw een kind erkent waarvan het niet de biologische ouder is. B.17.
- Een erkenning moet worden geakteerd door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Het openbaar karakter van zijn ambt verplicht die ambtenaar tot het verlenen van zijn ambt telkens als hij daartoe op wettelijke wijze wordt aangezocht. Artikel 51 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt welke gegevens de akte van erkenning moet bevatten. Artikel 327/2 van het Burgerlijk Wetboek somt de documenten op die moeten worden voorgelegd en die het voor de ambtenaar van de burgerlijke stand mogelijk moeten maken na te gaan of aan de wettelijke voorwaarden om een kind te erkennen is voldaan. Volgens artikel 16 van het Burgerlijk Wetboek vermeldt de ambtenaar van de burgerlijke stand in de akten die hij opmaakt niets anders dan wat hem door de partijen moet worden verklaard en wat hem door de wet wordt opgelegd. Het komt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand niet toe over de opportuniteit van de voorgenomen erkenning te oordelen, noch in die context rekening te houden met het belang van het kind (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2529/001, p. 22; Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2529/003, p. 13). B.17.
- De wetgever vermocht aldus de ambtenaar van de burgerlijke stand de verplichting op te leggen te weigeren een erkenning te akteren die hem ten aanzien van de aangever frauduleus voorkomt, dat wil zeggen, te dezen, een erkenning die gegrond is op de kennelijke en uitsluitende reden een verblijfsrechtelijk voordeel te verschaffen. Insgelijks vermocht de wetgever de door de ambtenaar van de burgerlijke stand uitgevoerde controle te beperken tot de aldus beschreven fraude vanwege de aangever, zodat, indien de ambtenaar van de burgerlijke stand vaststelt dat de fraude vaststaat, het hem niet toekomt rekening te houden met het hoger belang van het kind. B.17.
- Een dergelijke preventieve controle aan de ambtenaar van de burgerlijke stand toevertrouwen teneinde fraude bij het verkrijgen van een verblijfsrecht te voorkomen is bijgevolg niet strijdig met de in B.10 en B.11 vermelde grondwets- en verdragsbepalingen. 28 B.
- Zoals in B.13 is vermeld, dient echter bij elke beslissing die het kind aangaat, rekening te worden gehouden met diens hoger belang. Daaruit volgt dat de door de wetgever in artikel 330/1 gekozen formulering volgens welke « er […] geen afstammingsband [is] » enkel de administratieve fase van onderzoek, door de ambtenaar van de burgerlijke stand, van de aangifte kan beogen wanneer die vaststelt dat de fraude vaststaat. B.
- Onder voorbehoud van hetgeen in B.18 is vermeld, zijn het eerste en het derde middel niet gegrond in zoverre de bestreden bepalingen wordt verweten dat de ambtenaar van de burgerlijke stand er niet toe verplicht wordt bij de weigering van de erkenning het belang van het kind in aanmerking te nemen. B.20.
- Uit de omstandigheid dat de bestreden bepalingen de ambtenaar van de burgerlijke stand niet opdragen om bij de weigering van een frauduleuze erkenning het belang van het kind in aanmerking te nemen, kan evenwel niet worden afgeleid dat de wetgever met dat belang geen rekening houdt, noch dat de vaststelling van de afstamming onmogelijk wordt gemaakt. Bij de beoordeling van de door de verzoekende partijen aangevoerde grieven, in het licht van de in B.10 en B.11 vermelde grondwets- en verdragsbepalingen, dient immers rekening te worden gehouden met de bestreden bepalingen in hun geheel. B.20.
- Wat de erkenning betreft, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld « dat de erkenning net zoals de nietigverklaring van een afstammingsband rechtstreeks de identiteit raakt van de man of vrouw van wie de verwantschap in het geding is (zie, bijvoorbeeld, Rasmussen t. Denemarken, 28 november 1984, § 33, reeks A nr. 87, I.L.V. t. Roemenië (besl.), nr. 4901/04, § 33, 24 augustus 2010, Krušković, reeds aangehaald, § 18, en Canonne t. Frankrijk (besl.), nr. 22037/13, § 25, 2 juni 2015) » (EHRM, 14 januari 2016, Mandet t. Frankrijk, § 44). Wanneer het gaat om het recht op een identiteit, is een diepgaande belangenafweging noodzakelijk (EHRM, 13 juli 2006, Jäggi t. Zwitserland, § 37; 3 april 2014, Konstantinidis t. Griekenland, § 47). 29 B.20.
- Het fundamenteel karakter van de in het geding zijnde belangen en het evenwicht tussen die belangen vereisen dat aan de betrokkenen een recht op toegang tot de rechter wordt gewaarborgd, wanneer zij van oordeel zijn dat de ambtenaar van de burgerlijke stand ten onrechte heeft geweigerd de erkenning te akteren, omdat er sprake zou zijn van fraude teneinde een verblijfsrecht te verkrijgen. Die rechter vormt immers het onafhankelijke en onpartijdige orgaan dat over onderzoeksbevoegdheden beschikt en dat bijgevolg in staat is te beschikken over alle feitelijke en juridische elementen die het mogelijk maken rekening te houden met het belang van het kind ten opzichte van een complexe situatie waarin met de erkenning een doelstelling van verblijfsrechtelijke fraude zou worden nagestreefd. B.21.
- Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand de erkenning weigert, dient hij zijn met redenen omklede beslissing onverwijld ter kennis te brengen van de belanghebbende partijen. Tezelfdertijd wordt een afschrift hiervan, samen met een afschrift van alle nuttige documenten, verzonden naar de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de beslissing tot weigering werd genomen en naar de Dienst Vreemdelingenzaken (artikel 330/2, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek). B.21.
- De persoon die de afstammingsband wil laten vaststellen, kan dan een vordering instellen tot onderzoek naar het moederschap, vaderschap of meemoederschap bij de familierechtbank van de plaats van de aangifte van de erkenning (artikel 330/2, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek). De familierechtbank waarbij een dergelijke vordering is ingesteld, doet uitspraak, waarbij de verschillende op het spel staande belangen tegen elkaar worden afgewogen en waarbij, zoals in B.13.1 is vermeld, het belang van het kind de eerste overweging is, zelfs wanneer de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand met betrekking tot de erkenning van het kind genomen is op grond van artikel 330/1 van het Burgerlijk Wetboek. B.22.
- Een dergelijke vordering tot onderzoek van het moederschap, vaderschap of meemoederschap vormt op zich echter geen « beroep » gericht tegen de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand, maar een nieuwe en onderscheiden vordering, die wordt geregeld bij de artikelen 314, 322 tot 325, 325/8 tot 325/10 en 332quinquies van het Burgerlijk Wetboek. 30 B.22.
- De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand geen specifiek beroep openstaat. Aldus zou het recht op toegang tot de rechter niet gewaarborgd zijn of minstens niet voor de erkenner die geen biologische band heeft met het kind. Het onderzoek van de thans voorliggende grief heeft dus betrekking op de noodzaak om, in een later stadium van de procedure, een specifiek beroep te organiseren tegen de eventuele weigering van een niet-jurisdictionele overheid om een erkenning van afstamming te akteren, om de reden dat de intentie van de erkenner kennelijk enkel het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel zou zijn. B.23.
- De bevoegdheid die door de bestreden bepalingen wordt toegekend aan de ambtenaar van de burgerlijke stand ligt in het verlengde van de bevoegdheden die hem reeds werden toegekend in geval van schijnhuwelijk of schijnsamenwoning. Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand weigert een huwelijk te voltrekken omdat niet beoogd wordt een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen doch enkel een verblijfsrechtelijk voordeel wordt nagestreefd, kan tegen die beslissing, binnen de maand na de kennisgeving ervan, door de belanghebbenden beroep worden aangetekend bij de voorzitter van de familierechtbank, rechtsprekend zoals in kort geding (artikel 167, laatste lid, van het Burgerlijk Wetboek juncto artikel 1253ter/4, § 2, eerste lid, 6°, en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Overeenkomstig artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek in beginsel van toepassing op die rechtspleging. Een soortgelijk beroep staat open tegen de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om de akte van verklaring van wettelijke samenwoning op te maken omdat enkel een verblijfsrechtelijk voordeel wordt nagestreefd (artikel 1476quater van het Burgerlijk Wetboek juncto artikel 1253ter/4, eerste lid, 6°, en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). 31 B.23.
- Met betrekking tot de in B.23.1 beoogde bevoegdheid van de familierechtbank heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat die niet beperkt is tot een controle op de wettigheid van de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand maar dat de rechter daarop een controle met volle rechtsmacht uitoefent. Alles wat tot de beoordelingsbevoegdheid van de ambtenaar behoort, wordt onderworpen aan het toezicht van de rechter. De rechter dient te oordelen aan de hand van alle hem voorgelegde feitelijke gegevens en kan daarbij ook rekening houden met gegevens die dateren van na de weigeringsbeslissing of die pas na die beslissing bekend werden (Cass., 13 april 2007, C.06.0334.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070413.2). B.
- In verband met de keuze van de wetgever om in het bestreden artikel 330/2 van het Burgerlijk Wetboek niet een dergelijk beroep te organiseren tegen de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand, vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Anders dan bij het huwelijk of de wettelijke samenwoning staan er nog andere mogelijkheden voor het vaststellen van de afstamming open naast de erkenning. De persoon die de erkenning geweigerd ziet kan [een] beroep doen op de procedure tot gerechtelijke vaststelling. De afstamming kan in deze procedure op verschillende wijzen worden bewezen. De erkenner zal dus niet de kans ontzegd worden om zijn afstammingsband met het kind vastgesteld te zien, zelfs indien deze niet zou berusten op de biologische werkelijkheid maar op een socio-affectieve-volitieve realiteit. Om die reden kan de erkenner, in geval van weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om de erkenning te akteren, zijn afstamming laten vaststellen door [een] beroep te doen op de procedure van onderzoek naar het moederschap, vaderschap of meemoederschap. De rechter zal in dat geval uitspraak doen over de te vestigen afstammingsband. Hij zal uitspraak doen overeenkomstig het nationale recht dat van toepassing is krachtens het Wetboek van internationaal privaatrecht, terwijl hij ook zal moeten nagaan of de voorwaarden van artikel 330/1 als voorrangsregel (politiewet) gerespecteerd worden. De mogelijkheid om de gerechtelijke vaststelling te verzoeken zal dus dienst doen als beroepsmogelijkheid. 32 De betrokkene zal bij de inleiding van zijn vordering melding moeten maken van de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand. De rechter voor wie het verzoek wordt gebracht heeft in dat geval weet van de relevante weigeringsbeslissing, waarvan hij de gevolgen ongedaan kan maken door de gerechtelijke vaststelling. De rechter zal in feite ook overgaan tot een toetsing aangaande de uitoefening van het subjectieve recht van de betrokkene om zijn vaderschap vastgesteld te zien en dit op basis van alle hem voorgelegde elementen met inbegrip van die welke zich na de weigeringsbeslissing hebben voorgedaan, voor zover die voor hem worden gebracht » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2529/001, pp. 20-22). B.25.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht wordt eveneens gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Artikel 13 van hetzelfde Verdrag waarborgt voor personen van wie de rechten en vrijheden vermeld in dat Verdrag zijn geschonden, een recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. B.25.
- Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het « recht op een rechterlijke instantie », gewaarborgd, waarvan het recht op toegang, namelijk het recht om een zaak aanhangig te maken bij een rechterlijke instantie in burgerlijke zaken, een aspect vormt. B.25.
- Het recht op toegang tot een rechter is evenwel niet absoluut. De beperkingen van dat recht mogen geen afbreuk doen aan de inhoud van dat recht. Zij moeten bovendien redelijk evenredig zijn met het gewettigde doel dat zij nastreven (EHRM, 7 juli 2009, Stagno t. België, § 25; grote kamer, 17 januari 2012, Stanev t. Bulgarije, §§ 229-230). De reglementering inzake het recht op toegang tot een rechter moet steeds de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling nastreven en mag geen soort van belemmering vormen die de rechtzoekende belet dat de inhoud van zijn geschil wordt beslecht door het bevoegde rechtscollege (EHRM, 7 juli 2009, Stagno t. België, § 25; 29 maart 2011, RTBF t. België, § 69). De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechter wordt beoordeeld rekening houdend met de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en van het hele proces (EHRM, 29 maart 2011, RTBF t. België, § 70). 33 B.26.
- Zoals is vermeld in B.24, heeft de wetgever geen specifiek beroep georganiseerd tegen de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om de erkenning te akteren. Hij biedt de betrokkenen wel de mogelijkheid om in een dergelijk geval de gerechtelijke vaststelling van een afstammingsband te vorderen via de familierechtbank. Die procedure geldt volgens de parlementaire voorbereiding « als beroepsmogelijkheid ». De vorderingen tot onderzoek naar het moederschap, vaderschap of meemoederschap worden geregeld bij de artikelen 314, 322 tot 325, 325/8 tot 325/10 en 332quinquies van het Burgerlijk Wetboek. B.26.
- Aldus legt de bestreden bepaling aan de personen wier aanvraag om erkenning geweigerd is door de ambtenaar van de burgerlijke stand, andere, mogelijk strengere voorwaarden op om het moederschap, vaderschap of meemoederschap te laten vaststellen, terwijl, indien een onafhankelijke en onpartijdige rechter de aanvankelijke weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand onregelmatig had kunnen bevinden, zij de erkenning zouden kunnen vragen, los van de in B.26.1, tweede alinea, vermelde bepalingen (zie het advies van de afdeling wetgeving van Raad van State, Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2529/001, p. 71). B.27.
- Overeenkomstig de artikelen 314 en 322 van het Burgerlijk Wetboek zijn de vorderingen tot onderzoek naar het moederschap en naar het vaderschap onderworpen aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 332quinquies van het Burgerlijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 325/8 van het Burgerlijk Wetboek zijn de vorderingen tot onderzoek naar het meemoederschap onderworpen aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 332quinquies, §§ 1, 1/1, 2 en 4, van het Burgerlijk Wetboek. B.27.
- De vorderingen tot onderzoek naar het moederschap en het vaderschap zijn derhalve onderworpen aan artikel 332quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt : « De rechtbank wijst de vordering hoe dan ook af indien het bewijs wordt geleverd dat degene wiens afstamming wordt onderzocht niet de biologische vader of moeder van het kind is ». 34 B.27.
- In de memorie van toelichting van de bestreden wetsbepalingen wordt aangegeven dat « de wetgever […] allerminst de socio-affectieve vaders [wil] viseren die hun verantwoordelijkheid wensen op te nemen tegenover een kind waar zij geen biologische band mee hebben » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2529/001, p. 5; zie eveneens ibid., p. 20), hetgeen is bevestigd door de gemachtigde van de minister voor de afdeling wetgeving van de Raad van State (ibid., p. 71), alsook door de minister (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2529/003, pp. 6-7). B.27.
- Echter, als gevolg van de grond van afwijzing die, bij ontstentenis van een biologische band, is vervat in artikel 332quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zal aan de erkenner en het kind elke mogelijkheid worden ontzegd om een afstammingsband te hebben wanneer er geen biologische band tussen hen bestaat. In een dergelijke hypothese bestaat voor de rechter die zich uitspreekt over een vordering tot onderzoek naar het vaderschap of moederschap, geen enkele mogelijkheid om de belangen van de verschillende betrokken personen, en met name het primordiale belang van de kinderen die zijn betrokken bij een weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om de erkenning te akteren wegens een vermoeden van frauduleuze erkenning, in concreto af te wegen. B.27.
- Aldus wordt in een dergelijk geval afbreuk gedaan aan het recht op toegang tot de rechter. B.28.
- Bijgevolg volstaat de mogelijkheid om, na de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om de erkenning te akteren, een gerechtelijke procedure tot vaststelling van de afstamming in te stellen, niet om het recht op toegang tot de rechter te waarborgen. B.28.
- Het komt aan de wetgever toe een jurisdictionele procedure te organiseren die tegemoetkomt aan de hiervoor vermelde tekortkomingen. 35 Die beroepsprocedure tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand moet de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, de mogelijkheid bieden over een beroep met volle rechtsmacht te beschikken en uitspraak te doen waarbij de verschillende op het spel staande belangen tegen elkaar worden afgewogen en waarbij, overeenkomstig hetgeen in B.13.1 is vermeld, het belang van het kind de eerste overweging is. De familierechtbank kan aldus vaststellen dat uit het geheel van de omstandigheden niet kennelijk blijkt dat met de erkenning enkel het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel, maar tevens de vaststelling van een afstammingsband in het belang van het kind wordt beoogd, en dat bijgevolg aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 330/1 van het Burgerlijk Wetboek niet is voldaan, zodat die bepaling geen toepassing kan vinden en niets de erkenning in de weg staat. Bij een dergelijk beroep kan, in tegenstelling tot wat het geval is met de bestreden bepaling, artikel 332quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek niet eraan in de weg staan dat de afstamming in voorkomend geval op een socioaffectieve basis wordt vastgesteld. Teneinde, in afwachting van dat optreden van de wetgever, aan de belanghebbenden het recht op toegang tot de rechter te waarborgen, dienen zij de mogelijkheid te hebben om tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand een beroep in te stellen bij de voorzitter van de familierechtbank, overeenkomstig hetgeen in B.23 is vermeld met betrekking tot een schijnhuwelijk of een schijnsamenwoning. B.28.
- Het eerste onderdeel van het vierde middel is gegrond. Bijgevolg dient artikel 330/2, vijfde en zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 10 van de wet van 19 september 2017, te worden vernietigd. B.
- In zoverre de verzoekende partijen in het tweede onderdeel van het vierde middel een verschil in behandeling aanklagen tussen de belanghebbenden die tegen een weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand willen opkomen, naargelang zij hun woonplaats al dan niet in België hebben, vloeit dat verschil niet voort uit de bestreden bepalingen. B.
- Het tweede onderdeel van het vierde middel is niet gegrond. 36 Wat betreft het tweede middel B.31.
- De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat de bestreden wet een verschil in behandeling zou doen ontstaan tussen, enerzijds, de kinderen geboren uit wettig in België verblijvende of Belgische ouders, aan wie nooit de vaststelling van hun afstammingsband via een akte van erkenning kan worden geweigerd, en, anderzijds, de kinderen geboren uit ten minste één ouder met onregelmatig of precair verblijf in België, aan wie een dergelijke afstammingsband kan worden ontzegd. Aldus zouden de bestreden bepalingen strijdig zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 22bis van de Grondwet en met de artikelen 3, lid 1, en 7, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (tweede middel). B.31.
- De bestreden bepalingen beogen te voorkomen dat de erkenning wordt afgewend van haar doel en wordt aangewend om op frauduleuze wijze een verblijfsrecht te verkrijgen. In het licht van die doelstelling zijn de vermelde categorieën van personen niet vergelijkbaar, nu in het eerste geval het risico op een dergelijk misbruik niet bestaat. B.
- Het tweede middel is niet gegrond. 37 Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 330/2, vijfde en zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoerd bij artikel 10 van de wet van 19 september 2017 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het Consulair Wetboek met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenning en houdende diverse bepalingen inzake het onderzoek naar het vaderschap, moederschap en meemoederschap, alsook inzake het schijnhuwelijk en de schijnwettelijke samenwoning »; - onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.18, verwerpt het beroep voor het overige. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof, op 7 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.058 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070413.2 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.012 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.137 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div