id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.059 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200507.11 Arrest- Rolnummer: 59/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-26 Raadplegingen: 293 - laatst gezien 2026-06-28 21:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 8 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 januari 1999 « betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten », vóór de vervanging ervan bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 14 maart 2019 « tot wijziging van verschillende bepalingen met betrekking tot de ambten van directeur en directrice, andere bevorderingsambten en selectieambten », en artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 « tot vaststelling van de wervings- en selectieambten waarvan de personeelsleden van het rijksonderwijs titularis moeten zijn om benoemd te kunnen worden in het bevorderingsambt in de categorie van het opvoedend hulppersoneel der rijksonderwijsinrichtingen », zoals gewijzigd bij artikel 16 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 april 2009 « betreffende de comptabiliteit van de scholen en de toegang tot sommige selectieambten en bevorderingsambten » en vóór de opheffing ervan bij het voormelde decreet van 14 maart 2019, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre die bepalingen het de titularis van het ambt van boekhouder niet mogelijk maakten om in het ambt van bestuurder in een onderwijsinstelling van de Franse Gemeenschap te worden benoemd. Aldus gewezen in het Frans UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 8 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 januari 1999 « betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten » en artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 « tot vaststelling van de wervings- en selectieambten waarvan de personeelsleden van het rijksonderwijs titularis moeten zijn om benoemd te kunnen worden in het bevorderingsambt in de categorie van het opvoedend hulppersoneel der rijksonderwijsinrichtingen », zoals gewijzigd bij de decreten van de Franse Gemeenschap van 25 juli 1996, 20 december 2001 en 30 april 2009, gesteld door de Raad van State. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Bevorderingsambten en selectieambten - Benoeming en bevordering - Bevordering tot het ambt van bestuurder - Benoemingsvoorwaarden - Ambt van boekhouder / Ambt van opvoeder-huismeester. Tekst van de beslissing Rolnummer 7027 Arrest nr. 59/2020 van 7 mei 2020 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 8 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 januari 1999 « betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten » en artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 « tot vaststelling van de wervings- en selectieambten waarvan de personeelsleden van het rijksonderwijs titularis moeten zijn om benoemd te kunnen worden in het bevorderingsambt in de categorie van het opvoedend hulppersoneel der rijksonderwijsinrichtingen », zoals gewijzigd bij de decreten van de Franse Gemeenschap van 25 juli 1996, 20 december 2001 en 30 april 2009, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest nr. 242.606 van 11 oktober 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 oktober 2018, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt het feit dat de wetgever in artikel 8 van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten het geheel of een deel van de leden van het administratief personeel, in het bijzonder de boekhouders wier ambt, volgens de verzoeker, vergelijkbaar zou blijken te zijn met dat van de titularissen van een ambt van opvoeder-huismeester die de bepalingen van het voormelde artikel 8 genieten, niet heeft opgenomen onder de personeelsleden die een benoeming in een selectie- of bevorderingsambt kunnen genieten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? »; « Schendt het feit dat de wetgever, in artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 tot vaststelling van de wervings- en selectieambten waarvan de personeelsleden van het rijksonderwijs titularis moeten zijn om benoemd te kunnen worden in het bevorderingsambt in de categorie van het opvoedend hulppersoneel der rijksonderwijsinrichtingen, zoals gewijzigd bij het decreet van het Parlement van de Franse Gemeenschap van 25 juli 1996 betreffende de opdrachten en betrekkingen in de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen, bij het decreet van het Parlement van de Franse Gemeenschap van 20 december 2001 tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten) en bij het decreet van het Parlement van de Franse Gemeenschap van 30 april 2009 betreffende de comptabiliteit van de scholen en de toegang tot sommige selectieambten en bevorderingsambten, de titularissen van een ambt van boekhouder niet heeft opgenomen onder de personeelsleden die in het ambt van bestuurder kunnen worden benoemd, terwijl de titularissen van een ambt van opvoeder-huismeester in het ambt van bestuurder kunnen worden benoemd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». Memories zijn ingediend door : - Pascal Eugène, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Bourtembourg en Mr. F. Belleflamme, advocaten bij de balie te Brussel; - de Franse Gemeenschap (vertegenwoordigd door haar Regering), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Uyttendaele, advocaat bij de balie te Brussel. Pascal Eugène heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 12 februari 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 4 maart 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. 3 Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 4 maart 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Voor de verwijzende rechter vordert Pascal Eugène de nietigverklaring van de beslissing waarbij zijn aanvraag tot deelname aan de opleidingen voor het brevet dat toegang verleent tot het ambt van bestuurder, werd geweigerd om reden dat zijn ambt van boekhouder hem niet de mogelijkheid biedt om als bestuurder te worden benoemd. Hij doet gelden dat die weigering tot inschrijving gebaseerd is op een discriminerende regelgeving, in zoverre het ambt van boekhouder in het leven is geroepen bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 april 2009 « betreffende de comptabiliteit van de scholen en de toegang tot sommige selectieambten en bevorderingsambten » teneinde, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, het ambt van opvoeder-huismeester geleidelijk te vervangen, ambt dat openstaat voor de benoeming als bestuurder. De verwijzende rechter stelt vast dat het bekritiseerde verschil in behandeling voortvloeit uit, enerzijds, het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 januari 1999 « betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten », krachtens hetwelk de brevetten van bestuurder worden uitgereikt na drie vormingssessies die worden afgesloten met afzonderlijke proeven, waarvoor elk personeelslid zich kan inschrijven dat voldoet aan de voorwaarden die zijn vermeld in artikel 8, eerste lid, van hetzelfde decreet, dat niet de titularissen van het ambt van boekhouder omvat, en, anderzijds, artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 « tot vaststelling van de wervings- en selectieambten waarvan de personeelsleden van het rijksonderwijs titularis moeten zijn om benoemd te kunnen worden in het bevorderingsambt in de categorie van het opvoedend hulppersoneel der rijksonderwijsinrichtingen », gewijzigd bij verschillende decreten van de Franse Gemeenschap, dat het de titularissen van het ambt van boekhouder niet mogelijk maakt om in het ambt van bestuurder te worden benoemd. Indien het feit dat de decreetgever de boekhouders niet in die bepalingen heeft opgenomen, discriminerend werd geacht door een vaststelling van een lacune die in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen is uitgedrukt, dan zou de verzoeker voor de verwijzende rechter in het ambt van bestuurder kunnen worden benoemd. De verwijzende rechter beslist dan ook om het Hof ambtshalve de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- De verzoeker voor de verwijzende rechter brengt in herinnering dat, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, het ambt van boekhouder in het leven is geroepen bij het decreet van 30 april 2009 « betreffende de comptabiliteit van de scholen en de toegang tot sommige selectieambten en bevorderingsambten » en dat dat ambt bedoeld is om het ambt van opvoeder-huismeester te vervangen, dat moet verdwijnen in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, aangezien het brevet van opvoeder- huismeester erin wordt afgeschaft. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de opvoeders-huismeesters die vóór de inwerkingtreding van het voormelde decreet in vast verband benoemd waren, in vast verband benoemd in dat ambt. 4 Verschillende regelgevingen (regels inzake planning, vereiste bekwaamheidsbewijzen) zijn voortaan op identieke wijze van toepassing op de boekhouders in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en op de opvoeders-huismeesters in het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs. Terwijl de opvoeder-huismeester titularis is van een selectieambt en de bestuurder titularis is van een bevorderingsambt, beiden in het kader van het opvoedend hulppersoneel, valt de boekhouder evenwel onder een wervingsambt van het administratief personeel. A.1.
- De verzoeker voor de verwijzende rechter is van mening dat de in het geding zijnde bepalingen, naast het verschil in behandeling tussen de personeelsleden van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en de personeelsleden van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs, een verschil in behandeling teweegbrengen tussen de titularissen van een ambt van boekhouder en de titularissen van de ambten van het opvoedend hulppersoneel die steeds toegang kunnen krijgen tot de bevorderingsambten van bestuurder. Dat verschil in behandeling is niet verantwoord, aangezien de boekhouder, net zoals de opvoeder-huismeester, de rechtstreekse medewerker van de bestuurder is. Dat verschil in behandeling heeft gevolgen die des te onevenrediger zijn daar het ambt van boekhouder, aangezien het als een administratief ambt wordt aangemerkt, zijn titularissen alle loopbaanperspectieven ontzegt : enerzijds is de boekhouder niet onderworpen aan het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 januari 1999 « betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten », dat niet van toepassing is op de leden van het administratief personeel, en anderzijds kan de boekhouder, aangezien hij niet meer tot het opvoedend hulppersoneel behoort, geen toegang krijgen tot het bevorderingsambt van bestuurder, noch tot welk bevorderingsambt dan ook. A.2.
- In hoofdorde brengt de Franse Gemeenschapsregering in herinnering dat het bevorderingsambt van bestuurder enkel openstaat voor de titularissen van wervings- of selectieambten die zelf tot het opvoedend hulppersoneel behoren. Het ambt van boekhouder is daarentegen een wervingsambt van het administratief personeel dat bedoeld is om het ambt van opvoeder-huismeester in de instellingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs te vervangen, en niet in de instellingen van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs waar het ambt van opvoeder-huismeester wordt behouden. Dat verschil wordt verklaard door het feit dat een van de specifieke kenmerken van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde net erin bestaat dat het personeel ervan instaat voor het financieel en boekhoudkundig beheer van de instelling als dienst met afzonderlijk beheer, hetgeen de rol en de verantwoordelijkheden die op de boekhouder rusten, in het kader van een professionalisering van het beroep, verklaart. A.2.
- De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat het van kracht zijnde wetgevend kader een samenhangend geheel vormt. Allereerst is het relevant om de logica te behouden volgens welke enkel de leden van het opvoedend hulppersoneel toegang kunnen krijgen tot het bevorderingsambt van bestuurder. Aangezien het opschrift van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 het opvoedend hulppersoneel beoogt, zou de decreetgever, zonder het algehele evenwicht van het toepasselijke normatieve kader te verstoren, in dat instrument geen ambt kunnen opnemen dat onder het administratief personeel valt. Daarenboven, gelet op de nood aan een grotere professionalisering van het ambt, was het relevant om het ambt van boekhouder, op het ogenblik dat het in 2009 in het leven werd geroepen, in die zin te definiëren dat het onder het administratief personeel en niet onder het opvoedend hulppersoneel viel. Ten slotte, aangezien de boekhouder, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, zware verantwoordelijkheden heeft die voortvloeien uit de regelgeving met betrekking tot de diensten met afzonderlijk beheer, die de personeelsleden van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs niet hebben, diende de decreetgever rekening te houden met dat fundamentele verschil tussen de onderwijsnetten. A.2.
- De Franse Gemeenschapsregering besluit daaruit dat het verschil in behandeling tussen de opvoeders-huismeesters en de boekhouders niet discriminerend is, aangezien, enerzijds, beide ambten niet vergelijkbaar zijn en, anderzijds, het verschil in behandeling redelijk verantwoord is, rekening houdend met de boekhoudkundige vereisten die in sterk verschillende mate op beiden rusten naar gelang van het betrokken net. 5 A.3.
- In ondergeschikte orde stelt de Franse Gemeenschapsregering vast dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op een vermeend verzuim van de decreetgever. Rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid van de decreetgever bij het bepalen van de rechtsregeling die op het ambt van boekhouder van toepassing is, zou een eventuele vaststelling van een lacune evenwel zonder belang blijven voor de oplossing van het geschil, aangezien zij het de verwijzende rechter niet mogelijk zou maken de lacune rechtstreeks weg te werken, gelet op de beoordelingsmarge van de decreetgever te dezen. A.3.
- In nog meer ondergeschikte orde is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven. De verzoeker voor de verwijzende rechter voert immers aan dat de discriminatie waarop hij zich beroept, niet voortvloeit uit het feit dat niet wetgevend is opgetreden, maar enkel uit de toepassing van het koninklijk besluit van 31 juli
- Aangezien dat instrument van reglementaire aard is, staat het evenwel aan de verwijzende rechter om, in geval van ongrondwettigheid, de toepassing ervan te weren, overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet. A.4.
- Wat de grond betreft, antwoordt de verzoeker voor de verwijzende rechter dat de opvoeder- huismeester die in een instelling van het vrij onderwijs werkt, aan dezelfde verplichtingen en controles moet beantwoorden als een boekhouder die in een door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijsinstelling werkt. In beide netten wordt de boekhouder onderworpen aan het gezag van een directeur en aan een inrichtende macht. Er bestaat dan ook geen verschil tussen de situatie van de opvoeder-huismeester en die van de boekhouder, waarbij hun functieprofielen trouwens dezelfde zijn. Gesteld dat de verschillen tussen de netten een grotere « professionalisering » van het ambt van boekhouder in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs verantwoorden, ziet de verzoeker voor de verwijzende rechter niet in - en wordt in de memorie van de Franse Gemeenschapsregering niet uitgelegd - in welk opzicht dat doel het te dezen bekritiseerde verschil in behandeling met betrekking tot de mogelijkheid om in het ambt van bestuurder te worden benoemd, zou verantwoorden. Daarenboven is de ordening of het opschrift van juridische teksten geen voldoende reden om een discriminatie te verantwoorden. A.4.
- Wat de formulering van de prejudiciële vragen betreft, antwoordt de verzoeker voor de verwijzende rechter dat het Hof de ontvankelijkheid van een prejudiciële vraag waarbij een lacune in de wetgeving wordt bekritiseerd, nooit heeft verworpen. Wanneer het Hof een dergelijke lacune vaststelt, staat het aan de verwijzende rechter om de ongrondwettigheid in de mate van het mogelijke te verhelpen. Te dezen zou het wegwerken van de lacune niet vereisen dat de decreetgever zijn beoordelingsbevoegdheid gebruikt, zodat een vaststelling van een lacune het de verwijzende rechter mogelijk zou maken om de verzoeker tot het ambt van bestuurder toe te laten. -B- B.1.
- Artikel 8 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 januari 1999 « betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten » (hierna : het decreet van 4 januari 1999), zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij artikel 72 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 14 maart 2019 « tot wijziging van verschillende bepalingen met betrekking tot de ambten van directeur en directrice, andere bevorderingsambten en selectieambten » (hierna : het decreet van 14 maart 2019), bepaalde : 6 « Ieder lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het opvoedend bestuurs- en hulppersoneel en van het paramedisch personeel dat vast benoemd is in het onderwijs van de Franse Gemeenschap in een ambt dat toegang geeft tot een selectieambt of een bevorderingsambt, houder van een bekwaamheidsbewijs vereist voor de uitoefening van een ambt dat toegang verschaft tot het betrokken bevorderingsambt of selectieambt alsook van het specifieke bekwaamheidsbewijs wanneer dit vereist is voor het selectieambt of het bevorderingsambt waarvan sprake, kan in dat ambt benoemd worden onder de volgende voorwaarden : 1° een ambt uitoefenen waarin ten minste de helft van het minimum aantal uren zijn begrepen vereist om een ambt met volledige dagtaak te vormen; 2° de volgende dienstanciënniteit en ambtsanciënniteit tellen : - voor de toegang tot een selectieambt, respectievelijk zes jaar en twee jaar; - voor de toegang tot een bevorderingsambt, respectievelijk acht jaar en zes jaar. 3° geen tuchtstraf of intrekking van een hoger ambt opgelopen hebben tijdens de vorige vijf jaar. Er wordt echter geen rekening gehouden met deze bepaling, wanneer het personeelslid de vermelding ‘ gunstig ’ toegekend kreeg op het einde van het tweede stagejaar, zoals bedoeld in artikel 33, § 1, eerste lid, van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. 4° ten minste de vermelding ‘ goed ’ hebben gekregen op de laatste beoordelingsstaat; 5° […] 6° titularis zijn van het brevet dat verband houdt met het te begeven ambt; 7° niet het voorwerp […] hebben uitgemaakt, in het in aanmerking genomen ambt, gedurende de laatste twee schooljaren, van een ongunstig verslag zoals bedoeld bij de artikelen 75ter of 91duodecies van het koninklijk besluit van 22 maart
- De bepalingen bedoeld in het eerste lid zijn niet van toepassing wat betreft de toegang tot een selectieambt als hoofd van een werkplaats van een technisch en pedagogisch centrum, en tot de bevorderingsambten van directeur van een technisch en pedagogisch centrum, van directeur van een centrum voor zelfvorming en voortgezette vorming, van directeur van een openlucht- en recreatiecentrum of van een directeur van een technisch tuinbouwcentrum van het onderwijs van de Franse Gemeenschap. De voorwaarde bedoeld onder 6° van het eerste lid wordt niet vereist voor de toegang tot het selectieambt van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën ». Volgens de parlementaire voorbereiding van het decreet van 4 januari 1999 stelt die bepaling « de algemene voorwaarden voor de toegang tot de bevorderings- en selectieambten vast » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 1998-1999, nr. 274/1, p. 5). 7 Zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij artikel 65, 2°, van het decreet van 14 maart 2019, bepaalde artikel 1, § 2, 1°, van het decreet van 4 januari 1999 dat het decreet niet van toepassing was op « de ambten die behoren tot een van de volgende categorieën : sociaal, medisch, psychologisch, administratief personeel, meesters-, vak- en dienstpersoneel ». B.1.
- Krachtens artikel 19, eerste lid, van het decreet van 4 januari 1999 worden de brevetten van bestuurder uitgereikt na drie vormingssessies die elk worden afgesloten met een afzonderlijke proef. Die vormingssessies worden georganiseerd overeenkomstig artikel 23 van het decreet van 4 januari
- Artikel 23, vierde lid, van het decreet van 4 januari 1999, zoals vervangen bij artikel 52, q), van het decreet van 2 februari 2007 « tot vaststelling van het statuut van de directeurs », bepaalt : « Ieder personeelslid wordt toegelaten tot de opleiding waarvoor het wenst zich in te schrijven, behalve als de betrokkene, op de datum van de indiening van zijn aanvraag om deelneming, niet of niet meer voldoet aan alle voorwaarden opgesomd in artikel 8, eerste lid, met uitzondering van punt 6°, of in het tweede lid, 1° en 2° van hetzelfde artikel. De in artikel 8, eerste lid, 2° bedoelde dienstanciënniteit vereist voor de toelating tot de opleiding is vier jaar voor de opleidingen die toegang verschaffen tot een selectieambt en 6 jaar voor de opleidingen die toegang verschaffen tot een bevorderingsambt ». B.1.
- Artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 « tot vaststelling van de wervings- en selectieambten waarvan de personeelsleden van het rijksonderwijs titularis moeten zijn om benoemd te kunnen worden in het bevorderingsambt in de categorie van het opvoedend hulppersoneel der rijksonderwijsinrichtingen » (hierna : het koninklijk besluit van 31 juli 1969), zoals gewijzigd bij artikel 16 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 april 2009 « betreffende de comptabiliteit van de scholen en de toegang tot sommige selectieambten en bevorderingsambten » (hierna : het decreet van 30 april 2009), vóór de opheffing ervan bij artikel 144 van het decreet van 14 maart 2019, bepaalde : « Om benoemd te kunnen worden in het ambt van [bestuurder], moeten de personeelsleden titularis zijn van een van de hierna vermelde wervings- of selectieambten : studiemeester-opvoeder, studiemeester-opvoeder in een internaat, secretaris-bibliothecaris, directiesecretaris, opvoeder-huismeester. 8 Tot het ambt van bestuurder kunnen ook worden toegelaten, de provisoren of onderdirecteurs en de onderdirecteurs van het lager secundair onderwijs die in vast verband benoemd zijn en die toegang hebben gekregen tot één van die ambten vanuit een ambt van opvoedend hulppersoneel ». B.1.
- Uit de voormelde bepalingen vloeit voort dat het betrokken personeelslid, om zich te kunnen inschrijven voor de opleidingen die worden georganiseerd met het oog op het behalen van het brevet van bestuurder dat het mogelijk maakt om in die hoedanigheid te worden benoemd in een onderwijsinstelling van de Franse Gemeenschap, diende te voldoen aan de in artikel 8, eerste lid, van het decreet van 4 januari 1999 vermelde benoemingsvoorwaarden en met name vastbenoemd diende te zijn in het onderwijs van de Franse Gemeenschap in een van de ambten die toegang geven tot het ambt van bestuurder. Ten aanzien van de prejudiciële vragen B.2.
- Bij het Hof worden twee prejudiciële vragen aanhangig gemaakt die zijn gesteld door de Raad van State. Met de eerste prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof om de bestaanbaarheid na te gaan, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van « het feit dat de wetgever in artikel 8 van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten het geheel of een deel van de leden van het administratief personeel, in het bijzonder de boekhouders wier ambt, volgens de verzoeker, vergelijkbaar zou […] zijn met dat van de titularissen van een ambt van opvoeder-huismeester […], niet heeft opgenomen onder de personeelsleden die een benoeming in een selectie- of bevorderingsambt kunnen genieten ». Met de tweede prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof om de bestaanbaarheid na te gaan, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van « het feit dat de wetgever, in artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 tot vaststelling van de wervings- en selectieambten waarvan de personeelsleden van het rijksonderwijs titularis moeten zijn om benoemd te kunnen worden in het bevorderingsambt in de categorie van het opvoedend hulppersoneel der rijksonderwijsinrichtingen, zoals gewijzigd bij het decreet van het Parlement van de Franse Gemeenschap van 25 juli 1996 betreffende de opdrachten en 9 betrekkingen in de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen, bij het decreet van het Parlement van de Franse Gemeenschap van 20 december 2001 tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten) en bij het decreet van het Parlement van de Franse Gemeenschap van 30 april 2009 betreffende de comptabiliteit van de scholen en de toegang tot sommige selectieambten en bevorderingsambten, de titularissen van een ambt van boekhouder niet heeft opgenomen onder de personeelsleden die in het ambt van bestuurder kunnen worden benoemd, terwijl de titularissen van een ambt van opvoeder-huismeester in het ambt van bestuurder kunnen worden benoemd ». B.2.
- Het voor de verwijzende rechter hangende geschil heeft betrekking op de beslissing van 7 december 2016 waarbij wordt geweigerd om de verzoeker voor de verwijzende rechter in te schrijven voor de opleidingen die worden georganiseerd voor het brevet dat toegang verleent tot het ambt van bestuurder, om reden dat het ambt van boekhouder van de betrokkene hem niet de mogelijkheid bood om als bestuurder in een onderwijsinstelling van de Franse Gemeenschap te worden benoemd. Die weigeringsbeslissing was gebaseerd op artikel 8 van het decreet van 4 januari 1999 en op artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969, zoals zij op het ogenblik van die beslissing van toepassing waren. De wijzigingen die in de bepalingen tot regeling van de voorwaarden voor de benoeming in het ambt van bestuurder, zijn aangebracht bij het decreet van 14 maart 2019, dat van kracht is voor het schooljaar 2019-2020 overeenkomstig artikel 155, eerste lid, van dat decreet, hebben bijgevolg geen weerslag op het onderzoek van de voorliggende prejudiciële vragen. B.2.
- Uit de feiten van de zaak en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de prejudiciële vragen in die zin moeten worden begrepen dat zij betrekking hebben op artikel 8 van het decreet van 4 januari 1999, vóór de vervanging ervan bij artikel 72 van het decreet van 14 maart 2019 (eerste prejudiciële vraag), en op artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969, zoals gewijzigd bij artikel 16 van het decreet van 30 april 2009, vóór de opheffing ervan bij artikel 144 van het decreet van 14 maart 2019 (tweede prejudiciële vraag), in zoverre die bepalingen het de titularis van het ambt van boekhouder niet mogelijk maakten om in het ambt van bestuurder in een onderwijsinstelling van de Franse 10 Gemeenschap te worden benoemd, terwijl zij het de titularis van het ambt van opvoeder- huismeester wel mogelijk maakten om in dat ambt van bestuurder te worden benoemd. Het Hof onderzoekt beide prejudiciële vragen samen. B.3.
- Volgens de Franse Gemeenschapsregering zouden de prejudiciële vragen niet relevant zijn voor de oplossing van het geschil omdat zij betrekking zouden hebben op het feit dat niet wetgevend is opgetreden in een aangelegenheid die een beoordelingsbevoegdheid inhoudt, zodat de rechter, in geval van een eventuele vaststelling van een ongrondwettige lacune, die lacune niet zou kunnen wegwerken. B.3.
- In de regel komt het de verwijzende rechter toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.3.
- De verwijzende rechter dient zich uit te spreken over een beroep tot nietigverklaring van een beslissing waarbij een inschrijving wordt geweigerd voor de opleidingen met het oog op het behalen van het brevet dat het mogelijk maakt om te worden benoemd in het ambt van bestuurder in een onderwijsinstelling van de Franse Gemeenschap, gelet op de voorwaarden voor de benoeming in dat ambt, zoals zij op het ogenblik van die weigeringsbeslissing van toepassing waren. Dat ambt was niet toegankelijk voor de titularis van het ambt van boekhouder, terwijl het wel toegankelijk was voor de titularis van het ambt van opvoeder-huismeester. Op vraag van de verzoekende partij stelt de verwijzende rechter prejudiciële vragen over de bestaanbaarheid van die benoemingsvoorwaarden met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het gevolg van een eventuele vaststelling van een ongrondwettige lacune, naargelang een dergelijke lacune al dan niet kan worden weggewerkt door de verwijzende rechter, is niet van dien aard dat zij de relevantie van de gestelde prejudiciële vragen in het geding brengt. De prejudiciële vragen zijn niet klaarblijkelijk nutteloos voor de oplossing van het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil. 11 B.4.
- Volgens de Franse Gemeenschapsregering zouden de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven omdat de door de verzoeker voor de verwijzende rechter uiteengezette kritiek in werkelijkheid geen betrekking zou hebben op een gebrek aan wetgevend optreden, maar enkel op de toepassing van het koninklijk besluit van 31 juli 1969, zijnde een reglementaire norm die de verwijzende rechter zou kunnen weren in geval van ongrondwettigheid, overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet. B.4.
- In de regel komt het de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil. Wanneer evenwel aan het Hof bepalingen worden voorgelegd die klaarblijkelijk niet op dat geschil kunnen worden toegepast, onderzoekt het Hof de grondwettigheid van zulke bepalingen niet. B.4.
- De verwijzende rechter stelt prejudiciële vragen over, enerzijds, artikel 8 van het decreet van 4 januari 1999 en, anderzijds, artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969, zoals gewijzigd bij artikel 16 van het decreet van 30 april 2009, zoals zij op het ogenblik van de bestreden weigeringsbeslissing van toepassing waren, in zoverre het toepassingsgebied van die bepalingen niet voldoende ruim zou zijn, aangezien het aan de titularis van het ambt van boekhouder niet de mogelijkheid biedt om in het ambt van bestuurder in een onderwijsinstelling van de Franse Gemeenschap te worden benoemd. B.4.
- De omstandigheid dat artikel 8 van het decreet van 4 januari 1999 niet van toepassing zou zijn op de situatie van de verzoeker voor de verwijzende rechter of dat die laatste die bepaling in werkelijkheid niet zou bekritiseren voor de verwijzende rechter, maakt het niet mogelijk te oordelen dat de eerste prejudiciële vraag die erop betrekking heeft, geen antwoord zou behoeven. B.4.
- Voor het overige werd artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969, vóór de opheffing ervan bij het decreet van 14 maart 2019, gewijzigd bij een wetsbepaling, namelijk artikel 16 van het decreet van 30 april 2009, waarbij het ambt van boekhouder in het leven is geroepen. De in de tweede prejudiciële vraag vervatte kritiek met betrekking tot de eventuele discriminatie tussen de titularissen van het ambt van boekhouder en de titularissen van het ambt van opvoeder-huismeester valt dus onder de bevoegdheid van het Hof. 12 Ten gronde B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- Teneinde na te gaan of de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, dient het Hof te onderzoeken of de titularissen van het ambt van boekhouder zich, met betrekking tot de voorwaarden voor de benoeming in het ambt van bestuurder, in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van de titularissen van het ambt van opvoeder-huismeester. B.7.
- Artikel 7 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 « tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen », zoals gewijzigd bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 11 april 2014, bepaalt : « De ambten die de leden van het opvoedend hulppersoneel van de rijksinrichtingen voor lager, secundair en niet-universitair hoger onderwijs mogen uitoefenen, worden gerangschikt in wervingsambten, selectieambten en bevorderingsambten. De wervingsambten die de leden van het opvoedend hulppersoneel van de instellingen van het niet-universitair hoger onderwijs mogen uitoefenen zijn de volgende : 13 a) wervingsambten
- studiemeester-opvoeder;
- studiemeester-opvoeder in een internaat;
- secretaris-bibliothecaris;
- bibliothecaris;
- adjunct-conservator van het instrumentenmuseum;
- conservator van het instrumentenmuseum;
- dienstchef. De selectie- en bevorderingsambten die de leden van het opvoedend hulppersoneel van de inrichtingen van het lager, secundair en niet-universitair hoger onderwijs van de Staat mogen uitoefenen, zijn de volgende : b) selectieambten
- directiesecretaris;
- opvoeder-huismeester;
- eerstaanwezend bibliothecaris; c) bevorderingsambten
- bestuurder;
- directeur van een recreatie- en openluchtcentrum ». De titularis van het ambt van opvoeder-huismeester en de titularis van het ambt van bestuurder behoren beiden tot het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen van de Franse Gemeenschap. Binnen het opvoedend hulppersoneel is de opvoeder-huismeester de titularis van een selectieambt en is de bestuurder de titularis van een bevorderingsambt. B.7.
- Artikel 4, 2°, van het decreet van 6 juni 1994 « tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs », zoals gewijzigd bij artikel 34 van het decreet van 30 april 2009, bepaalt : « […] de door de in artikel 1 bedoelde personeelsleden uitgeoefende ambten [worden] ingedeeld bij de wervings-, selectie- of bevorderingsambten, bepaald voor dezelfde categorieën van het onderwijspersoneel van de Gemeenschap, behalve de selectieambten van de leerkrachten middelbaar en middelbaar technisch normaalonderwijs, die ingedeeld worden bij de wervingsambten. 14 In afwijking van het eerste lid, wordt het ambt van opvoeder-huismeester gerangschikt als selectieambt van de categorie van het opvoedend hulppersoneel. […] ». Artikel 3, § 2, van het decreet van 1 februari 1993 « houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs », zoals gewijzigd bij artikel 40 van het decreet van 30 april 2009, bepaalt : « Voor de toepassing van dit decreet worden de ambten uitgeoefend door de in artikel 1 bedoelde personeelsleden ingedeeld in wervings-, selectie- en bevorderingsambten overeenkomstig de in het gemeenschapsonderwijs geldende indeling […]. In afwijking van het eerste lid, wordt het ambt van opvoeder-huismeester gerangschikt als selectieambt van de categorie van het opvoedend hulppersoneel ». Uit de voormelde bepalingen vloeit voort dat de opvoeder-huismeester, in het gesubsidieerd officieel onderwijs en in het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd vrij onderwijs, eveneens de titularis van een selectieambt van de categorie van het opvoedend hulppersoneel is. B.7.
- In bijlage 8 bij het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 4 juli 2002 « tot bepaling van de bevoegdheden en ambtsprofielen van de titularissen van een bevorderings- en selectieambt bij toepassing van artikel 18 van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten » (hierna : het besluit van 4 juli 2002), in de versie ervan die van toepassing is tot het definitieve vertrek van de laatste fungerende opvoeder-huismeester, overeenkomstig artikel 23 van het decreet van 30 april 2009, en vóór de opheffing van het besluit van 4 juli 2002 bij artikel 145 van het decreet van 14 maart 2019, werd het ambt van opvoeder-huismeester als volgt beschreven : « Ambt : Hij is de rechtstreekse medewerker van het inrichtingshoofd-ordonnateur en van de bestuurder op het gebied van het materieel en boekhoudkundig beheer. Onder het gezag van de bestuurder voert hij de opdrachten uit die hem door die bestuurder worden toevertrouwd. Daar waar het ambt van bestuurder niet bestaat, is hij de boekhouder van de instelling. 15 Op pedagogisch en educatief vlak onderhoudt hij regelmatige contacten met de studiemeesters-opvoeders, de leraars en de leerlingen. De opvoeder-huismeester onderhoudt ook betrekkingen met de onderwijsgemeenschap, de besturen en de externe partners van de instelling ». De opvoeder-huismeester nam dus opdrachten waar die onder het boekhoudkundig en materieel beheer van de onderwijsinstelling vallen, maar ook pedagogische en educatieve opdrachten, door regelmatige contacten met de studiemeesters-opvoeders, de leraars en de leerlingen. B.8.1.
- Bij het decreet van 30 april 2009 is het ambt van boekhouder in de onderwijsinstellingen van de Franse Gemeenschap in het leven geroepen. Het betreft « een nieuw ambt binnen de categorie van de leden van het administratief personeel » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2008-2009, nr. 703/1, p. 5). De decreetgever beoogde te voorzien in de « behoefte aan een grotere professionalisering van het ambt van de personen die met het financieel en boekhoudkundig beheer van onze scholen zijn belast », « door tevens rekening te houden met de specifieke kenmerken en noden van elk onderwijsnet » (ibid., p. 4). In de parlementaire voorbereiding van het decreet van 30 april 2009 werd vastgesteld dat « de instellingen van de verschillende onderwijsnetten in dat opzicht met sterk verschillende werkelijkheden worden geconfronteerd » : « Dienst met afzonderlijk beheer voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijsnet, waarvan het inrichtingshoofd en zijn personeel instaan voor het financieel en boekhoudkundig beheer; verantwoordelijkheid van de inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs die echter ook het optreden van schoolbeheerders inhoudt » (ibid.). B.8.1.
- Terwijl de boekhouder specifiek wordt belast met het financieel en boekhoudkundig beheer van de onderwijsinstellingen, worden de pedagogische en educatieve opdrachten die onder het ambt van opvoeder-huismeester vielen, waargenomen door de provisoren en onderdirecteurs, van wie het ambt wordt opengesteld voor de studiemeesters-opvoeders : 16 « Een toegang tot het ambt van provisor of onderdirecteur voor de studiemeesters-opvoeders in de plaats van het vroegere ambt van opvoeder-huismeester lijkt vandaag ook meer opportuun ten aanzien van de menselijke vaardigheden die vereist zijn om die ambten uit te oefenen die bestemd zijn om onder meer de coördinatie van de goede begeleiding van de leerlingen te verzekeren. Al die maatregelen gaan ten slotte gepaard met mechanismen die ertoe strekken de tewerkstelling en de statutaire situatie van de thans in functie zijnde personen te vrijwaren. Die zullen hun loopbaan kunnen voortzetten dankzij de in het voorliggend decreet bedoelde geleidelijk uitdovende personeelsformatie, en toegang kunnen hebben tot de benoeming. Het is pas bij het vertrek van de personeelsleden die op grond van de vroegere bepalingen zijn aangeworven dat het nieuwe systeem immers geleidelijk zal worden ingevoerd, overeenkomstig de overgangsbepalingen van die tekst. Via het geheel van de hier voorgestelde maatregelen beoogt de voorliggende tekst bijgevolg een modern en aangepast antwoord te bieden op de noden inzake boekhoudkundig en financieel beheer van de schoolinstellingen, door tevens de plaats van het opvoedend hulppersoneel binnen onze scholen naar juiste waarde te schatten » (ibid.). B.8.
- Artikel 17, § 1, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 mei 2004 « tot bepaling van het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap » (hierna : het decreet van 12 mei 2004), zoals gewijzigd bij artikel 1 van het decreet van 30 april 2009, bepaalt : « De functies van de leden van het administratief personeel worden als volgt geklasseerd : 1° Wervingsambten : a) Administratief medewerker; b) Klerk; c) Opsteller; d) Correspondent-boekhouder; e) Secretaris-boekhouder; f) Boekhouder. 2° Bevorderingsambten : a) eerste hoofdstudiemeester; b) eerste hoofdklerk; c) assistent-bibliothecaris; d) directiesecretaris ». 17 Artikel 18 van het decreet van 12 mei 2004, zoals gewijzigd bij artikel 2 van het decreet van 30 april 2009, bepaalt : « De kwalificaties die vereist zijn voor de wervingsambten van de leden van het administratief personeel hieronder vermeld, worden als volgt vastgelegd : […]
- Voor het ambt van boekhouder : ten minste een bekwaamheidsbewijs van het hogere niveau van de eerste graad, met de volgende studierichtingen : economie, handel, comptabiliteit of beheer. De Regering stelt de lijst vast van de bekwaamheidsbewijzen die in dat kader passen ». In bijlage 1 bij het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 14 mei 2009 « tot vaststelling van de lijst van vereiste bekwaamheidsbewijzen voor de ambten van opvoeder-huismeester en directiesecretaris in de inrichtingen van het vrij gesubsidieerd onderwijs en van het officieel gesubsidieerd onderwijs en van boekhouder in de door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijsinrichtingen » wordt die lijst van bekwaamheidsbewijzen vastgesteld. B.8.3.
- Artikel 7, § 1, eerste lid, van het decreet van 30 april 2009, zoals vervangen bij artikel 112 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 februari 2013, bepaalt : « Elke definitieve of tijdelijke vervanging van een correspondent-boekhouder, een opvoeder-huismeester of een opvoeder belast met de comptabiliteit wordt in principe prioritair in vast verband uitgevoerd, door toelating tot de stage, of tijdelijk in het kader van het ambt van boekhouder in de zin van artikel 17, § 1, 1°, f) van het decreet van 12 mei 2004 ». Bij artikel 15 van het decreet van 30 april 2009 wordt het brevet van opvoeder-huismeester afgeschaft. Bij artikel 24 van hetzelfde decreet wordt de rubriek « Opvoeder-huismeester » afgeschaft in artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 juli 1969 « tot vaststelling van de wervingsambten waarvan de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel en het paramedisch personeel van de rijksonderwijsinrichtingen titularis moeten zijn om in een selectieambt te kunnen worden benoemd ». 18 Artikel 31, § 1, van het decreet van 30 april 2009 bepaalt : « De opvoeders-huismeesters die vóór de inwerkingtreding van dit decreet in vast verband benoemd waren, blijven in dat ambt in vast verband benoemd en zetten hun loopbaan voort als lid van het opvoedend hulppersoneel overeenkomstig de vroegere bepalingen ». B.8.3.
- Bij artikel 17 van het decreet van 30 april 2009 worden, in het opschrift van het koninklijk besluit van 15 juli 1969 « tot vaststelling van de bevoegdheden van de [bestuurders], de opvoeders-huismeesters en de directiesecretarissen in de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch en normaalonderwijs » (hierna : het koninklijk besluit van 15 juli 1969), de woorden « opvoeders-huismeesters » vervangen door « boekhouders ». Artikel 2 van het koninklijk besluit van 15 juli 1969, zoals gewijzigd bij de artikelen 18 en 19 van het decreet van 30 april 2009, bepaalt : « De boekhouder staat onder het gezag van de bestuurder en voert de opdrachten uit inzake materieel beheer en boekhoudkundig beheer, die hem door de bestuurder worden toevertrouwd. Waar er geen ambt van bestuurder bestaat, staat de boekhouder onder het gezag van het inrichtingshoofd en is hij in het bijzonder belast met het materieel beheer en boekhoudkundig beheer van de inrichting waaraan hij is verbonden. Hij voert de boekhouding van de inrichting overeenkomstig de wettelijke en reglementaire voorschriften tot inrichting van de rijkscomptabiliteit. Hij is verantwoordelijk voor de rekening ontvangsten en uitgaven van de inrichting. Hij maakt de doorlopende inventaris op van al de voorwerpen waarover de inrichting beschikt. Deze inventaris wordt ieder jaar nagegaan overeenkomstig de wet op de rijkscomptabiliteit. Bij wijze van overgangsmaatregel, onder ‘ boekhouder ’ dient ‘ opvoeder-huismeester ’ te worden verstaan, zolang leden van het opvoedend hulppersoneel dit ambt tijdelijk of in vast verband blijven uitoefenen krachtens de statutaire bepalingen bedoeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de comptabiliteit van de scholen en de toegang tot sommige selectieambten en bevorderingsambten ». B.8.3.
- Het ambt van boekhouder is bijgevolg bedoeld om, in het onderwijs van de Franse Gemeenschap, het ambt van opvoeder-huismeester te vervangen dat, zolang leden van het opvoedend hulppersoneel dat ambt nog tijdelijk of definitief uitoefenen, de opdrachten inzake materieel en boekhoudkundig beheer waarneemt die onder de boekhouder vallen. 19 B.8.
- Artikel 16 van het decreet van 30 april 2009 heeft artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 aangevuld met het volgende lid : « Tot het ambt van bestuurder kunnen ook worden toegelaten, de provisoren of onderdirecteurs en de onderdirecteurs van het lager secundair onderwijs die in vast verband benoemd zijn en die toegang hebben gekregen tot één van die ambten vanuit een ambt van opvoedend hulppersoneel ». Die bepaling maakte het de personen die oorspronkelijk titularis waren van een ambt dat tot het opvoedend hulppersoneel behoort, mogelijk om toegang te hebben tot het ambt van bestuurder. Die maatregel paste in het kader van het openen, voor de studiemeesters-opvoeders, van de toegang tot het ambt van provisor en onderdirecteur in de plaats van het ambt van opvoeder-huismeester, dat in de in B.8.1.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding is vermeld. Die maatregel wijzigde evenwel niet het feit dat de toegang tot het bevorderingsambt van bestuurder enkel openstond voor personen die een ambt van het opvoedend hulppersoneel uitoefenen of hebben uitgeoefend, met uitsluiting van de personen die tot het administratief personeel behoren. B.9.
- Uit het voorgaande vloeit voort dat het ambt van boekhouder en dat van opvoeder-huismeester wezenlijk verschillen in zoverre, enerzijds, het eerste een wervingsambt van het administratief personeel is, terwijl het laatste een selectieambt van het opvoedend hulppersoneel is, en in zoverre, anderzijds, de opvoeder-huismeester, in tegenstelling tot de boekhouder die enkel met het financieel en boekhoudkundig beheer is belast, ook opdrachten van pedagogische en educatieve aard waarneemt. B.9.
- Hoewel zij allen ertoe worden gebracht contact te hebben met de leerlingen in de onderwijsinrichtingen waar zij hun ambten uitoefenen, vervullen de leden van het opvoedend hulppersoneel en de leden van het administratief personeel taken en opdrachten die fundamenteel van elkaar verschillen. De leden van het opvoedend hulppersoneel moeten taken met een relationele, pedagogische en opvoedende dimensie vervullen, hetgeen in beginsel niet het geval is voor de leden van het administratief personeel. Hieruit vloeit voort 20 dat de ervaring die de leden van het opvoedend hulppersoneel hebben verworven bij de uitoefening van hun beroep, waardoor zij rechtstreeks in contact staan met de leerlingen en hun ouders, hen in staat stelt hun pedagogische bekwaamheden te ontwikkelen. De taken die worden toevertrouwd aan de leden van het administratief personeel, zelfs als boekhouder, brengen hen daarentegen in beginsel niet ertoe dezelfde pedagogische bekwaamheden te ontwikkelen. B.9.
- In die context was het niet zonder redelijke verantwoording om aan de titularissen van een ambt van opvoeder-huismeester, dat onder het opvoedend hulppersoneel valt, de mogelijkheid te bieden om toegang te hebben tot de benoeming in het ambt van bestuurder, dat een bevorderingsambt is dat onder het opvoedend hulppersoneel valt, maar die toegang niet mogelijk te maken voor de leden van het administratief personeel, met inbegrip van de titularissen van het ambt van boekhouder. B.
- De omstandigheid dat het ambt van boekhouder bedoeld is om het ambt van opvoeder-huismeester te vervangen in de onderwijsinstellingen van de Franse Gemeenschap, wijzigt die vaststelling niet, aangezien met het creëren van het ambt van boekhouder, zoals in de in B.8.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding is vermeld, een doel van professionalisering en van specialisering van de ambten werd nagestreefd, waarbij de boekhouder niet de educatieve opdrachten waarneemt die onder het ambt van opvoeder-huismeester vallen. B.
- De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. 21 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 8 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 januari 1999 « betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten », vóór de vervanging ervan bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 14 maart 2019 « tot wijziging van verschillende bepalingen met betrekking tot de ambten van directeur en directrice, andere bevorderingsambten en selectieambten », en artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 « tot vaststelling van de wervings- en selectieambten waarvan de personeelsleden van het rijksonderwijs titularis moeten zijn om benoemd te kunnen worden in het bevorderingsambt in de categorie van het opvoedend hulppersoneel der rijksonderwijsinrichtingen », zoals gewijzigd bij artikel 16 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 april 2009 « betreffende de comptabiliteit van de scholen en de toegang tot sommige selectieambten en bevorderingsambten » en vóór de opheffing ervan bij het voormelde decreet van 14 maart 2019, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre die bepalingen het de titularis van het ambt van boekhouder niet mogelijk maakten om in het ambt van bestuurder in een onderwijsinstelling van de Franse Gemeenschap te worden benoemd. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.059 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div