← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.060

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.060 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200507.12 Arrest- Rolnummer: 60/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-26 Raadplegingen: 266 - laatst gezien 2026-06-28 21:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 17, § 1, 4°, en 20 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing in het aanslagjaar 2014, schenden de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 17, § 1, 4°, en 20 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Personenbelasting - Grondslag van de belasting - Inkomsten uit roerende goed - Lijfrente met afstand van kapitaal - Intresten. Tekst van de beslissing Rolnummer 7093 Arrest nr. 60/2020 van 7 mei 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 17, § 1, 4°, en 20 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 18 december 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 januari 2019, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is artikel 17 § 1, 4° van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, samen te lezen met artikel 20 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 verzoenbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in de interpretatie luidens dewelke deze artikelen een belasting voorzien op een forfaitaire rentecomponent van 3 %, zelfs indien het totaal bedrag van de werkelijk ontvangen lijfrente lager is dan 3 % ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Aernaudts, advocaat bij de balie te Antwerpen, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 18 december 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Moerman, ter vervanging van ererechter J.-P. Snappe, te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 15 januari 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 15 januari 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het geschil betreft een aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar

  1. Het heeft meer bepaald betrekking op de belastbare grondslag voor inkomsten uit lijfrenten. Volgens de belastingadministratie is die grondslag forfaitair vastgesteld op 3 % van het kapitaal. Volgens het belastingplichtige echtpaar moeten de werkelijke inkomsten als grondslag worden genomen. Het betrokken echtpaar sloot in 1999 een overeenkomst met een verzekeringsinstelling. Na storting van een kapitaal van 1 211 925,66 euro, ontvangt het echtpaar driemaandelijkse uitkeringen. Het bedrag van de lijfrente- uitkeringen is gekoppeld aan het rendement van beleggingsfondsen. In de loop van het inkomstenjaar 2013 bedroegen de lijfrente-uitkeringen aan het echtpaar in totaal 16 741 euro. Het echtpaar werd in het aanslagjaar 2014 evenwel belast op het forfaitair bedrag van 36 357,77 euro. Hun bezwaarschrift tegen die aanslag werd afgewezen. De Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, heeft hun daaropvolgend verzoekschrift verworpen. Alvorens uitspraak te doen over het hoger beroep tegen dat vonnis, stelt het Hof van Beroep te Antwerpen de hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.
  2. Volgens de Ministerraad is de prejudiciële vraag niet ontvankelijk omdat zij geen verschillende categorieën van belastingplichtigen vermeldt. De lijfrente-uitkeringen kunnen immers voor elke belastingplichtige in een bepaald jaar minder dan 3 % van het kapitaal bedragen. Dat resultaat is afhankelijk van het renteplan, dat verschilt van product tot product. A.
  3. Ten gronde voert de Ministerraad aan dat er geen sprake is van wezenlijk verschillende situaties die een verschillende behandeling behoeven, zodat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet geschonden is. Beide categorieën van belastingplichtigen innen roerende inkomsten die in België worden belast en hebben het kapitaal dat die inkomsten doet ontstaan, afgestaan. Voorts merkt de Ministerraad op dat individuele verschillen, als gevolg van de concrete toepassing van een wettelijke bepaling, onvermijdelijk zijn vanwege de wisselvalligheden van individuele situaties. De gelijke behandeling is evenredig ten aanzien van de nagestreefde doelstelling, die erin bestaat discussies over de afbakening van de rentecomponent en de kapitaalcomponent van de lijfrente-uitkeringen te vermijden. -B- B.
  4. Een lijfrente is een bedrag dat periodiek door de renteplichtige aan een begunstigde wordt uitbetaald. Dat bedrag wordt doorgaans betaald in het kader van een lijfrenteovereenkomst die de begunstigde heeft aangegaan door de storting van een kapitaal. De inkomsten uit lijfrenten zijn onder bepaalde voorwaarden als roerende inkomsten onderworpen aan de personenbelasting. Artikel 17, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing in het aanslagjaar 2014, bepaalt : « Inkomsten uit roerende goederen en kapitalen zijn alle opbrengsten van roerend vermogen aangewend uit welken hoofde ook, namelijk : […] 4° inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten die geen pensioenen zijn en na 1 januari 1962 onder bezwarende titel zijn aangelegd ten laste van enige rechtspersoon of onderneming. De lijfrenten die zijn aangelegd tegen storting met afstand van een kapitaal dat is gevormd, ofwel, met bijdragen of premies als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, ofwel, in het kader van een aanvullend pensioen voor zelfstandigen als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°bis, zijn geen pensioenen ». 4 B.
  5. De prejudiciële vraag heeft inzonderheid betrekking op de belastbare grondslag voor de inkomsten uit lijfrenten. Bij een lijfrente met afstand van kapitaal bestaat de lijfrente-uitkering uit twee componenten : een gedeeltelijke terugbetaling van het kapitaal (de kapitaalcomponent) en het inkomen dat door het kapitaal is opgebracht (de rentecomponent). Enkel de rentecomponent is belastbaar. Artikel 20 van hetzelfde Wetboek bepaalt : « Wanneer in artikel 17, § 1, 4°, vermelde lijfrenten of tijdelijke renten zijn aangelegd tegen storting met afstand van het kapitaal, wordt het belastbare bedrag ervan beperkt tot 3 pct. van dat kapitaal; betreft het renten die voortvloeien uit de overdracht van de eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van onroerende goederen, dan wordt de waarde van het kapitaal bepaald zoals op het stuk van registratierechten ». B.
  6. De laatstgenoemde bepaling « beperkt » het belastbare bedrag dus tot 3 % van het gestorte kapitaal. Uit de parlementaire voorbereiding leidt de verwijzende rechter af dat de wetgever daarmee de rentecomponent van de lijfrente-uitkering op forfaitaire wijze wilde vaststellen en dus niet louter de belastbare grondslag wilde begrenzen. De memorie van toelichting bij de invoering van voormeld artikel 20 vermeldt immers : « De intrest wordt bepaald op 3 % van het afgestane kapitaal » (Parl. St., Kamer, 1961- 1962, nr. 264/1, p. 57). B.
  7. De verwijzende rechter vraagt of de daaruit voortvloeiende gelijke behandeling verenigbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Hoewel in de prejudiciële vraag niet uitdrukkelijk wordt gepreciseerd welke categorieën van personen dienen te worden vergeleken, blijkt uit de motivering van de verwijzingsbeslissing dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op de gelijke behandeling van, enerzijds, belastingplichtigen die in het betrokken aanslagjaar een lijfrente hebben ontvangen waarvan de rentecomponent gelijk is aan of meer bedraagt dan 3 % van het afgestane kapitaal en, anderzijds, belastingplichtigen die in het betrokken aanslagjaar een lijfrente hebben ontvangen waarvan de rentecomponent minder is dan 3 % van het afgestane kapitaal. 5 B.
  8. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet zich overigens ertegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  9. Artikel 172, eerste lid, van de Grondwet vormt, in fiscale aangelegenheden, een bijzondere toepassing van het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.
  10. Het komt de wetgever toe de grondslag van de belasting vast te stellen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Fiscale maatregelen maken immers een wezenlijk onderdeel uit van het sociaal-economisch beleid. Zij zorgen niet alleen voor een substantieel deel van de inkomsten die de verwezenlijking van dat beleid mogelijk moeten maken, maar zij laten de wetgever ook toe om sturend en corrigerend op te treden en op die manier het sociale en economische beleid vorm te geven. De maatschappelijke keuzen die bij het inzamelen en het inzetten van middelen moeten worden gemaakt, behoren derhalve tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever. Het Hof vermag een dergelijke beleidskeuze, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij kennelijk onredelijk zouden zijn. B.
  11. De belastingwetgever kan daarenboven geen rekening houden met de bijzonderheden van elk gegeven geval. Hij vermag de diversiteit ervan benaderend en vereenvoudigend te omschrijven. 6 B.
  12. Lijfrenteverzekeringen met afstand van kapitaal komen voor in verschillende vormen, met de meest diverse modaliteiten voor de berekening van de lijfrente-uitkeringen. Bovendien kan het bedrag van de lijfrente-uitkeringen sterk fluctueren, met name wanneer het is gekoppeld aan het rendement van beleggingsfondsen, zoals in het geschil voor de verwijzende rechter het geval is. De rentecomponent van de lijfrente-uitkering kan in sommige jaren minder, in andere jaren meer dan 3 % van het afgestane kapitaal bedragen. Het is bijgevolg niet kennelijk onredelijk dat de wetgever in een forfaitaire belastbare grondslag heeft voorzien. B.
  13. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 17, § 1, 4°, en 20 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing in het aanslagjaar 2014, schenden de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 mei
  14. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.060 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.