← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.069

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.069 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200514.7 Arrest- Rolnummer: 69/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-03 Raadplegingen: 279 - laatst gezien 2026-06-28 21:20 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 3 van de wet van 11 juli 2018 « tot wijziging van het Strafwetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft », ingesteld door de « Parti libertarien » en Baudoin Collard. Strafrecht - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid van publiekrechtelijke rechtspersonen - Strafsancties - Eenvoudige schuldigverklaring - Opgesomde publiekrechtelijke rechtspersonen. Tekst van de beslissing Rolnummer 7099 Arrest nr. 69/2020 van 14 mei 2020 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 3 van de wet van 11 juli 2018 « tot wijziging van het Strafwetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft », ingesteld door de « Parti libertarien » en Baudoin Collard. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en J. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 januari 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 januari 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 3 van de wet van 11 juli 2018 « tot wijziging van het Strafwetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 juli 2018, tweede editie) door de « Parti libertarien » en Baudoin Collard, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. Fonteyn, advocaat bij de balie te Brussel. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré, Mr. E. de Lophem en Mr. C. Nennen, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 4 maart 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 18 maart 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 18 maart 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1.

  1. De « Parti libertarien », eerste verzoekende partij, legt uit dat zij een Belgische politieke vereniging is die zich inzet voor de verspreiding van de libertarische idealen en de verwezenlijking van een volledig vrije maatschappij gegrond op de inachtneming van de natuurlijke, onvervreemdbare en onschendbare rechten van het individu. Ze stelt dat haar programma erop gericht is de omvang van het overheidsapparaat te verkleinen en de voorrechten van ambtenaren af te schaffen. A.1.
  2. Baudoin Collard, tweede verzoekende partij, is informatiebeveiligingsingenieur. Hij voert aan dat hij op elk moment het slachtoffer kan worden van een strafrechtelijke inbreuk gepleegd door een publiekrechtelijke rechtspersoon bedoeld in artikel 3, 2°, van de wet van 11 juli 2018 « tot wijziging van het Strafwetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft » en dat hij in voorkomend geval recht heeft op effectieve bestraffing van dat eventuele misdrijf. 3 A.2.
  3. De Ministerraad bestrijdt de ontvankelijkheid van het beroep. Om te beginnen stelt hij vast dat de « Parti libertarien » een feitelijke vereniging is die in beginsel niet de vereiste hoedanigheid heeft om in rechte te treden voor het Hof en dat het te dezen niet gaat om een aangelegenheid waarvoor het optreden van een dergelijke vereniging wettelijk erkend is (zie het arrest van het Hof nr. 72/2016 van 25 mei 2016). Vervolgens voert hij aan dat de « Parti libertarien » niet aantoont dat de bestreden bepaling haar rechtstreeks, persoonlijk en ongunstig zou raken. A.2.
  4. Wat Baudoin Collard betreft, is de Ministerraad van mening dat hij slechts kan worden beschouwd als een mogelijk subject van de strafwet, wat niet volstaat om een belang om in rechte te treden, aan te tonen. Hij stelt vast dat het belang dat wordt ontleend aan het feit dat hij op elk moment het slachtoffer kan worden van een strafrechtelijke inbreuk, uiterst hypothetisch en zeer onpersoonlijk is, en zich niet onderscheidt van het belang dat iedere persoon erbij heeft dat de wet in alle aangelegenheden in acht wordt genomen. A.
  5. De verzoekende partijen vechten het argument van de Ministerraad aan en verwijzen naar de arresten van het Hof nrs. 86/2002 van 8 mei 2002, 157/2004 van 6 oktober 2004 en 145/2012 van 6 december 2012 om te betogen dat elke natuurlijke persoon er belang bij heeft een wet die de fundamentele vrijheden en rechten aantast, te bestrijden. Zij stellen dat dat te dezen het geval is, aangezien de tweede verzoekende partij het risico loopt niet de schadevergoeding te ontvangen die zij effectief en gerechtvaardigd acht. A.
  6. Op dat argument antwoordt de Ministerraad dat de arresten van het Hof die worden aangehaald ter staving van het belang van de tweede verzoekende partij, te dezen niet ter zake doen, aangezien ze betrekking hebben op andere contexten. Het beroep beoogt te dezen niet de waarborging van het individuele grondrecht op een eerlijk proces, maar wel het verkrijgen van een verzwaring van de straf die zou worden opgelegd aan de hypothetische dader van een misdrijf waarvan zij het slachtoffer zou zijn. Ten gronde A.5.
  7. De verzoekende partijen voeren aan dat er een verschil in behandeling bestaat tussen de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7bis, derde lid, van het Strafwetboek, zoals gewijzigd bij de bestreden wet - namelijk de federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (« politieke » publiekrechtelijke rechtspersonen genoemd) - en de andere publiekrechtelijke rechtspersonen, terwijl die categorieën van personen voortaan beide strafrechtelijk verantwoordelijk zijn zonder uitzondering. A.5.
  8. Tegen de publiekrechtelijke rechtspersonen van de eerste categorie kan enkel een eenvoudige schuldigverklaring, met uitsluiting van elke andere straf, worden uitgesproken, terwijl aan die van de tweede categorie een geldboete kan worden opgelegd. A.5.
  9. Daaruit vloeit voort dat er geen andere straffen dan de geldboete, waarin artikel 7bis, eerste en tweede lid, van het Strafwetboek voorziet, van toepassing zijn op de « politieke » publiekrechtelijke rechtspersonen. Het gaat om de bijzondere verbeurdverklaring, de ontbinding, het verbod een werkzaamheid die deel uitmaakt van het maatschappelijk doel te verrichten, en de sluiting van een inrichting. De « politieke » publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen evenmin onderworpen worden aan de straf bestaande in « bekendmaking of verspreiding van de beslissing ». De verzoekende partijen zijn van mening dat dat verschil in behandeling onverantwoord is. Zij begrijpen niet waarom die openbare rechtspersonen vrijgesteld zouden zijn van een dergelijke transparantieplicht, terwijl die net sneller op hen van toepassing zou moeten zijn. A.6.
  10. De verzoekende partijen benadrukken, grotendeels steunend op het advies van de Raad van State van 22 september 2015 (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0816/002), dat het verschil in behandeling noch objectief, noch redelijk en evenredig is. A.6.
  11. De verzoekende partijen voeren aan dat de geldboete een symbolische en ontradende functie heeft, die de eenvoudige schuldigverklaring niet heeft. Het valt niet redelijk te verantwoorden dat die functie, die eigen is aan de aard van het strafrecht, niet van toepassing is op de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van « politieke » publiekrechtelijke rechtspersonen. 4 A.
  12. Met betrekking tot de proportionaliteit en het door de wetgever nagestreefde doel bestrijden de verzoekende partijen de argumenten die in de parlementaire voorbereiding naar voren zijn gebracht om het ontbreken van enige andere straf dan de eenvoudige schuldigverklaring te rechtvaardigen, zijnde het feit dat de bestrafte publiekrechtelijke rechtspersoon een geldboete aan zichzelf zou moeten betalen en dat dit het risico inhoudt van ernstige gevolgen voor de begroting, ten nadele van de burger. Enerzijds is een boete aan zichzelf betalen een louter theoretische hypothese die slechts voor een deel van de « politieke » publiekrechtelijke rechtspersonen opgaat. Anderzijds kunnen de budgettaire gevolgen niet ernstig zijn, aangezien die middelen niet zouden verdwijnen uit de openbare macht en er hoe dan ook gepaste begrotingsmechanismen zijn die het mogelijk maken de geldboete en de potentiële nadelige gevolgen ervan glad te strijken. A.
  13. De Ministerraad merkt om te beginnen op dat het advies van de Raad van State dat verzoekende partijen uitvoerig aanhalen, geenszins betrekking heeft op het voorstel tot wijziging van artikel 7bis van het Strafwetboek, die werd doorgevoerd bij een later amendement, zodanig dat zij er zich niet zinvol op kunnen beroepen. A.
  14. De Ministerraad benadrukt vervolgens dat het onderscheid tussen de twee categorieën publiekrechtelijke rechtspersonen wat betreft de straf niet zo groot is als verzoekende partijen beweren. Ten eerste kunnen de « niet-politieke » publiekrechtelijke rechtspersonen niet worden veroordeeld tot een straf van verbeurdverklaring, aangezien krachtens artikel 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek geen van hun goederen vatbaar is voor beslag. Ten tweede kunnen ze, gezien hun aard, niet worden ontbonden. Ten derde zijn het verbod op het uitoefenen van een activiteit en de sluiting van een inrichting evenmin op hen van toepassing, aangezien al die publiekrechtelijke rechtspersonen een opdracht van openbare dienst vervullen. Bijgevolg concludeert de Ministerraad dat er voor die drie straffen geen verschil in behandeling is tussen de « politieke » en de andere publiekrechtelijke rechtspersonen. Het verschil in behandeling moet derhalve beperkt zijn tot de geldboete en de verspreiding en publicatie van het besluit. A.
  15. De « politieke » publiekrechtelijke rechtspersonen die strafrechtelijk verantwoordelijk bevonden zijn, kunnen krachtens artikel 7bis van het Strafwetboek slechts worden veroordeeld tot een eenvoudige schuldigverklaring, terwijl de andere publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen worden veroordeeld tot andere straffen, waaronder met name de geldboete. Dat verschil in behandeling berust volgens de Ministerraad op een objectief criterium, namelijk het feit dat de bedoelde rechtspersonen beschikken over een orgaan dat rechtstreeks verkozen wordt op basis van democratische regels, dat ze uitsluitend opdrachten van algemeen belang vervullen en dat hun personeel hoofdzakelijk bestaat uit ambtenaren en democratisch verkozenen. A.11.
  16. De Ministerraad is van mening dat dat verschil in behandeling een legitiem doel nastreeft. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de keuze om voor « politieke » publiekrechtelijke rechtspersonen slechts te voorzien in een eenvoudige schuldigverklaring, wordt gerechtvaardigd door de bekommernis ernstige budgettaire gevolgen te voorkomen. Die bekommernis is niet nieuw aangezien artikel 7bis van het Strafwetboek al rekening hield met gevallen waarin een bepaalde openbare dienstverlening in het gedrang zou kunnen komen door een aan een publiekrechtelijke rechtspersoon opgelegde sanctie. Bovendien is de eenvoudige schuldigverklaring in het strafrecht al als straf opgenomen in artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering inzake de overschrijding van de redelijke termijn, en behoort ze tot de oplossingen die door een deel van de rechtsleer worden aanbevolen in geval van afschaffing van de strafrechtelijke immuniteit van de « politieke » publiekrechtelijke rechtspersonen. A.11.
  17. De Ministerraad bestrijdt het argument van de verzoekende partijen dat er gepaste begrotingsmechanismen zijn om een geldboete en de gevolgen ervan glad te strijken. Aangezien de begroting een akte is waarin de verwachte en toegelaten jaarlijkse ontvangsten en uitgaven van de publiekrechtelijke rechtspersoon zijn opgenomen, zouden die verwachtingen noodzakelijkerwijs worden ondermijnd indien er een onvoorzienbare geldboete wordt opgelegd. A.
  18. De Ministerraad herinnert eraan dat de eenvoudige schuldigverklaring in de parlementaire voorbereiding beschouwd wordt als een echte straf, die de veroordeelde publiekrechtelijke rechtspersoon verplicht tot het betalen van de gerechtskosten. Die bijzondere straf wordt overigens niet uitgebreid tot de eventuele mededaders of medeplichtigen van het misdrijf, die onderworpen blijven aan de normale strafrechtelijke straffen. Het verschil in behandeling is derhalve proportioneel met het nagestreefde doel. 5 A.
  19. Wat betreft de « bekendmaking of verspreiding van de beslissing » merkt de Ministerraad op dat de filosofie achter die bijkomende straf gekant is tegen de toepassing ervan op « politieke » publiekrechtelijke rechtspersonen, aangezien dat die rechtspersonen zou blootstellen aan de minachting van de burgers, terwijl de burgers toch enig vertrouwen moeten bewaren in hun politieke organen. Bovendien zou de toepassing van die bijkomende straf tot gevolg hebben dat de Staat zelf de kosten daarvan zou moeten dragen, wat de wetgever uitdrukkelijk heeft willen voorkomen. -B- B.1.
  20. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 3 van de wet van 11 juli 2018 « tot wijziging van het Strafwetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft » (hierna : de wet van 11 juli 2018). De bestreden bepaling past in het ruimere kader van de hervorming van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van publiekrechtelijke rechtspersonen die de strafrechtelijke immuniteit van sommige van die rechtspersonen opheft. De bestreden bepaling heeft betrekking op de strafrechtelijke sancties die verbonden zijn aan de nieuwe verantwoordelijkheid van de publiekrechtelijke rechtspersonen. Zij bepaalt : « In artikel 7bis van [het Strafwetboek], ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt de inleidende zin vervangen als volgt : ‘ De straffen toepasselijk op misdrijven gepleegd door rechtspersonen, met uitsluiting van publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in het derde lid, zijn : ’; 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende : ‘ Ten aanzien van de Federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kan enkel, met uitsluiting van elke andere straf, de eenvoudige schuldigverklaring worden uitgesproken. ’ ». Artikel 7bis van het Strafwetboek, zoals gewijzigd, bepaalt voortaan : « De straffen toepasselijk op misdrijven gepleegd door rechtspersonen, met uitsluiting van publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in het derde lid, zijn : 6 in criminele zaken, in correctionele zaken en in politiezaken : 1° geldboete; 2° bijzondere verbeurdverklaring; de bijzondere verbeurdverklaring, bepaald in artikel 42, 1°, uitgesproken ten aanzien van publiekrechtelijke rechtspersonen kan enkel betrekking hebben op goederen die vatbaar zijn voor burgerlijk beslag; in criminele en correctionele zaken : 1° ontbinding; deze kan niet worden uitgesproken ten aanzien van de publiekrechtelijke rechtspersoon; 2° verbod een werkzaamheid die deel uitmaakt van het maatschappelijk doel te verrichten, met uitzondering van werkzaamheden die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening; 3° sluiting van een of meer inrichtingen, met uitzondering van de inrichtingen waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening; 4° bekendmaking of verspreiding van de beslissing. Ten aanzien van de Federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kan enkel, met uitsluiting van elke andere straf, de eenvoudige schuldigverklaring worden uitgesproken ». B.1.
  21. Het amendement dat aan de bestreden bepaling ten grondslag ligt, wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « Dit amendement wenst tegemoet te komen aan de opmerkingen geformuleerd tijdens de hoorzittingen over de wetsvoorstellen DOC 54816/001 en DOC 54 1031/
  22. Tijdens deze hoorzittingen werd de nodige steun geuit voor de oplossing van de simpele opheffing van het vierde lid van artikel 5 Strafwetboek. Ook de Raad van State had zich hierover in haar advies van 22 september 2015 reeds gunstig uitgedrukt. Toch werd er door diverse sprekers ook terecht op een aantal risico’s gewezen. De wetsvoorstellen hadden voornamelijk tot doel om de lokale mandatarissen meer zekerheid te geven dat, in gevallen waarin zíjzelf in feite geen strafrechtelijke inbreuk hadden begaan, niet zíj maar eerder de gemeente zou worden vervolgd. De zuivere opheffing van de immuniteit, en een daaruit volgende veroordeling van de gemeente, kan echter voor lokale overheden tot ernstige budgettaire gevolgen leiden. Zo dreigt er een gevaar voor instrumentalisering van het strafrecht, als wapen in gevallen van voornamelijk politiek geïnspireerde strijd. 7 Daarom wordt naast de opheffing van het huidige artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek inzake de strafrechtelijke immuniteit van ‘ politieke ’ publiekrechtelijke rechtspersonen wordt geopteerd voor het moduleren van de sancties. De sancties voor rechtspersonen, bepaald in artikel 7bis Strafwetboek, houden nu reeds rekening met gevallen waarin een bepaalde openbare dienstverlening in het gedrang zou kunnen komen door een aan een publiekrechtelijke rechtspersoon opgelegde sanctie. Zo worden er onder meer beperkingen gesteld aan de gevallen van bijzondere verbeurdverklaring als bedoeld in artikel 42, 1° Strafwetboek, de ontbinding, het verbod om een werkzaamheid uit te oefenen en de sluiting van een inrichting. Deze uitzonderingen bieden alvast enige bescherming voor de publiekrechtelijke rechtspersonen die tot nu toe konden genieten van immuniteit. Toch rijzen er nog vragen met betrekking tot het opleggen van de geldboete. Door de opheffing van de immuniteit zou men immers kunnen komen tot situaties waarbij de staat een boete aan zichzelf moet betalen, wat onlogisch lijkt. Ook is er, zoals gezegd, een aanzienlijk risico op ernstige budgettaire gevolgen voor lokale overheden wanneer zij zouden worden veroordeeld tot de betaling van een geldboete. Deze gevolgen zouden worden vermeden wanneer men de geldboete simpelweg zou uitsluiten in geval van deze welbepaalde publiekrechtelijke rechtspersonen die voorheen van immuniteit genoten. In de plaats daarvan wordt ervoor geopteerd om voor de ‘ politieke ’ publiekrechtelijke rechtspersonen als straf de ‘ eenvoudige schuldigverklaring ’ te voorzien. Hierdoor worden deze publiekrechtelijke rechtspersonen alleszins alsnog op gelijke voet geplaatst met andere rechtspersonen en natuurlijke personen voor wat betreft de verantwoordelijkheid die hen strafrechtelijk gezien kan worden verweten, zonder dat dit noodzakelijk moet leiden tot een vermindering van de publieke middelen. In die mate is deze wetswijziging een belangrijk symbool. Hiermee kan ook het slachtoffer gemakkelijker een burgerrechtelijke vergoeding bekomen van de geleden schade. Deze optie vond ook steun tijdens de hoorzittingen, onder andere in het betoog van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie. Aangezien de Raad van State destijds bij het invoeren van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen geen fundamentele bezwaren heeft geuit tegen de invoering van de strafrechtelijke immuniteit voor de publiekrechtelijke rechtspersonen die worden opgesomd in het vierde lid van huidig artikel 5 van het Strafwetboek, en de voornoemde strafrechtelijke immuniteit ook zonder problemen de grondwettelijkheidstoets van het Grondwettelijk Hof heeft doorstaan, zijn er geen fundamentele bezwaren tegen door dit amendement voorgestelde aanpassing van het straffenarsenaal in artikel 7bis Strafwetboek ten overstaan van deze publiekrechtelijke rechtspersonen wiens strafrechtelijke immuniteit wordt opgeheven » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-0816/003, pp. 19-21). B.2.
  23. De eerste verzoekende partij is de « Parti libertarien ». De Ministerraad gaat ervan uit dat die partij niet over de bekwaamheid beschikt om voor het Hof een beroep tot vernietiging in te stellen, aangezien niet wordt betwist dat het om een feitelijke vereniging gaat. 8 B.2.
  24. Naar luid van artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient de verzoekende partij voor het Hof een natuurlijke persoon of een rechtspersoon te zijn die doet blijken van een belang. De politieke partijen die feitelijke verenigingen zijn, hebben in beginsel niet de vereiste bekwaamheid om voor het Hof een beroep in te stellen. Anders is het slechts wanneer zij optreden in aangelegenheden waarvoor zij wettelijk als afzonderlijke entiteiten worden erkend en wanneer, terwijl hun optreden bij de wet is erkend, sommige aspecten daarvan in het geding zijn. B.2.
  25. Zulks is te dezen niet het geval. Het beroep is onontvankelijk in zoverre het is ingesteld door de « Parti libertarien ». B.3.
  26. Ter staving van haar belang voert de tweede verzoekende partij aan dat zij, zoals elke burger, het slachtoffer kan worden van een misdrijf dat is gepleegd door een van de rechtspersonen vermeld in artikel 7bis, derde lid, van het Strafwetboek. In zoverre de bestreden bepaling tot gevolg zou hebben dat minder waarborgen worden geboden aan de slachtoffers van een misdrijf dat is gepleegd door een publiekrechtelijke rechtspersoon bedoeld in artikel 7bis, derde lid, van het Strafwetboek, dan aan de slachtoffers van een misdrijf dat is gepleegd door een andere publiekrechtelijke rechtspersoon, zou de tweede verzoekende partij doen blijken van een belang. B.3.
  27. Het door de tweede verzoekende partij aangevoerde belang verschilt niet van het belang dat iedere persoon erbij heeft dat de wettigheid in alle aangelegenheden in acht wordt genomen. De tweede verzoekende partij is op dit ogenblik geen partij in een strafprocedure waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon betrokken zou zijn, zodat de aangevoerde situatie louter hypothetisch is. De hoedanigheid van potentieel slachtoffer volstaat te dezen niet om het rechtens vereiste belang op te leveren. Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt overigens dat de bestreden bepaling betrekking heeft op de straf, en niet op de vergoeding van de schade die door het strafrechtelijk misdrijf is veroorzaakt en die op burgerrechtelijk vlak aan het slachtoffer kan worden toegekend. Het slachtoffer heeft echter er in de regel geen rechtstreeks belang erbij dat de dader van een misdrijf tot een bepaalde straf veeleer dan tot een andere wordt veroordeeld, noch dat een grotere strengheid wordt geëist met betrekking tot de toepasselijke straf. 9 B.3.
  28. De tweede verzoekende partij toont niet aan hoe zij rechtstreeks en ongunstig in haar situatie zou kunnen worden geraakt door artikel 3 van de wet van 11 juli
  29. Het erkennen van het door de tweede verzoekende partij aangevoerde belang zou dan ook neerkomen op het aanvaarden van de actio popularis, hetgeen de Grondwetgever niet heeft gewild. B.
  30. Het beroep is niet ontvankelijk. 10 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 mei
  31. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.069 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.