id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.073 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200528.11 Arrest- Rolnummer: 73/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-03 Raadplegingen: 279 - laatst gezien 2026-06-28 21:19 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », geïnterpreteerd in die zin dat het de toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve voorafgaande administratieve geldboete, die met andere woorden niet langer het voorwerp uitmaakt van een beroep of daarvoor niet meer vatbaar is, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », gesteld door de Raad van State. Leefmilieu - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Misdrijven - Sancties - Administratieve geldboete - Verhoging - Parallellisme met de beoordeling door de strafrechter. Wettelijke bepalingen: Ordonnantie (Brussel) - 25-03-1999 - 42 - 53 ELI link Pub nr 1999031155 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 6943 Arrest nr. 73/2020 van 28 mei 2020 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, M. Pâques en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 241.596 van 24 mei 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 juni 2018, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt de ordonnantie van 25 maart 1999, en inzonderheid artikel 42 ervan, zo geïnterpreteerd dat het de toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve voorafgaande veroordeling, die met andere woorden niet langer het voorwerp uitmaakt van een beroep of daarvoor niet meer vatbaar is, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling invoert tussen : - de vermoedelijke daders van de in de artikelen 32 en 33 van de ordonnantie van 25 maart 1999 beoogde misdrijven, die het voorwerp uitmaken van strafrechtelijke vervolgingen, wier straf wegens de staat van herhaling alleen kan worden verzwaard in geval van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling vóór de in het geding zijnde misdrijven; en - de vermoedelijke daders van de in de artikelen 32 en 33 van de ordonnantie van 25 maart 1999 beoogde misdrijven, die het voorwerp uitmaken van de bij de ordonnantie van 25 maart 1999 geregelde administratieve procedure, wier straf wegens de staat van herhaling kan worden verzwaard zelfs bij ontstentenis van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling vóór de in het geding zijnde misdrijven ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de vennootschap naar Singaporees recht « Singapore Airlines Cargo », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Leidgens, advocaat bij de balie te Brussel; - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Tulkens en Mr. R. Vanderbeck, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 14 november 2018 heeft het Hof beslist : - de vennootschap naar Singaporees recht « Singapore Airlines Cargo » toe te staan een aanvullende memorie in te dienen, enkel wat betreft de kwestie van de eventuele handhaving van de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling, binnen een termijn van vijftien dagen na ontvangst van de kennisgeving van de voormelde beschikking, - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de mogelijkheid te bieden een aanvullende memorie van antwoord op de aanvullende memorie van de vennootschap naar Singaporees recht « Singapore Airlines Cargo » in te dienen, binnen een termijn van vijftien dagen na ontvangst van de kennisgeving van die aanvullende memorie, aanvullende memorie van antwoord die zij binnen dezelfde termijn aan de andere partij zal meedelen. De vennootschap naar Singaporees recht « Singapore Airlines Cargo » heeft een aanvullende memorie ingediend. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering heeft een aanvullende memorie van antwoord ingediend. 3 Bij beschikking van 18 maart 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 22 april 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 22 april 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij de Raad van State is door de vennootschap naar Singaporees recht « Singapore Airlines Cargo » een verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend van het besluit van het Milieucollege van 25 februari 2013 dat het besluit van het Brussels Instituut voor Milieubeheer van 30 oktober 2012 bevestigt waarin haar een administratieve geldboete van 28 874 euro wordt opgelegd voor inbreuken op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 mei 1999 « betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer ». Het twaalfde middel van het verzoekschrift is afgeleid uit de schending van de algemene beginselen van het strafrecht met betrekking tot de herhaling. De verzoekende partij voor de Raad van State merkt op dat geen van de veroordelingen waarvan zij het voorwerp heeft uitgemaakt, voorafgaand aan de feiten waarvoor de bestreden geldboete werd opgelegd, definitief en onherroepelijk waren, aangezien zij die veroordelingen had aangevochten voor de Raad van State. Ze stelt echter vast dat de handeling waarvan ze de nietigverklaring vordert, gebaseerd is op haar vermeende staat van herhaling. Ze stelt dat er pas herhaling is ingeval er een veroordeling is die in kracht van gewijsde is gegaan vóór er nieuwe feiten worden gepleegd. Ze vraagt derhalve dat er een prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Hof. De Raad van State willigt dat verzoek in na te hebben vastgesteld dat artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu » een regel vaststelt die verschilt van de regels in verband met de herhaling in de zin van het strafrecht. 4 III. In rechte -A- A.1.
- De vennootschap naar Singaporees recht « Singapore Airlines Limited », die in de rechten treedt van de vennootschap naar Singaporees recht « Singapore Airlines Cargo Pte Ltd », verzoekende partij voor de Raad van State, voert aan dat de ordonnantiegever, als hij een bijzondere herhaling invoert, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in acht moet nemen. Uit de arresten van het Hof nrs. 44/2011 en 25/2016 leidt zij af dat, wanneer de dader voor eenzelfde feit ofwel kan worden verwezen naar de correctionele rechtbank, ofwel een administratieve geldboete opgelegd kan krijgen waartegen hem een beroep wordt geboden voor een andere rechtbank dan een strafrechtbank, een parallellisme moet bestaan tussen de maatregelen tot individualisering van de straf. De verzwaring van de straf wegens herhaling is een dergelijke maatregel. Ze merkt op dat het verschil in behandeling dat wordt aangeklaagd met de prejudiciële vraag, voortvloeit uit het verband tussen artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu » (hierna : de ordonnantie van 25 maart 1999), zo geïnterpreteerd dat het de toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve voorafgaande veroordeling, en artikel 23 van dezelfde ordonnantie, aangezien die twee bepalingen verschillende regelingen inzake herhaling invoeren al naargelang de vermoedelijke daders van een in de artikelen 32 en 33 van dezelfde ordonnantie beoogd misdrijf, strafrechtelijk vervolgd worden dan wel een administratieve sanctie opgelegd krijgen. Die partij herinnert eraan dat het Hof van mening is dat de verzwaring van de straf wegens herhaling in geval van een definitieve voorafgaande veroordeling verzoenbaar is met een administratieve procedure en vermeldt in dat verband het arrest nr. 44/
- A.1.
- In ondergeschikte orde merkt de vennootschap naar Singaporees recht « Singapore Airlines Limited » op dat de parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van 25 maart 1999 geen enkele objectieve en redelijke rechtvaardiging aanvoert voor het bekritiseerde verschil in behandeling. Ze suggereert dat het misschien gaat om een vergissing van de Brusselse wetgever. Ze merkt op dat die oplossing in elk geval in strijd is met het doel van de herhaling, dat veronderstelt dat het misdrijf dat eraan ten grondslag ligt daadwerkelijk werd begaan en is vastgesteld door een definitieve veroordeling en dat eveneens veronderstelt dat er een eerste straf is opgelegd. Ten slotte voert ze aan dat de oplossing van de in het geding zijnde bepaling duidelijk in strijd is met het beginsel van het vermoeden van onschuld, aangezien de verzwaring van de sanctie wegens herhaling kan worden toegepast zonder dat definitief vaststaat dat het eraan ten grondslag liggende misdrijf effectief werd gepleegd. A.2.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt op dat artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 geen automatische en systematische verdubbeling van het bedrag van de opgelegde geldboete invoert, maar wel de vork vergroot van de administratieve geldboete die kan worden uitgesproken. Daaruit volgt, volgens haar, dat het verkeerd is te stellen dat die bepaling een situatie van « herhaling » regelt en dat het eerder gaat om een bepaling « in se » die het mogelijk maakt de sanctie aan te passen aan de ernst van het misdrijf. A.2.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt dat de ordonnantiegever ervan is kunnen uitgaan dat het ontradend karakter van de sanctie kon verantwoorden dat de sanctie zwaarder is indien het misdrijf plaatsvindt nadat er al één of meer processen-verbaal zijn opgemaakt die hetzelfde misdrijf vaststellen. Ze voert aan dat, aangezien de administratieve geldboete niet automatisch verhoogd wordt, het evenredigheidsprincipe niet wordt geschonden en voegt eraan toe dat de strafvork redelijk is. Ze merkt op dat de invoering van een systeem van administratieve sancties niet de verplichting inhoudt om te voorzien in een systeem dat soortgelijk is aan het systeem van de strafrechtelijke herhaling, dat wil zeggen een systeem dat een in kracht van gewijsde gegane veroordeling vereist. Ze is van mening dat de administratieve procedure niet verenigbaar is met de vereiste van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, hetgeen een begrip is dat eigen is aan de strafrechtelijke procedure. 5 A.2.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de regeling die is ingevoerd bij de bepalingen van de ordonnantie van 25 maart 1999 met betrekking tot de administratieve geldboeten, waaronder het in het geding zijnde artikel 42, gunstiger is voor de overtreder dan de regels in verband met de strafrechtelijke herhaling. Ze merkt op, enerzijds, dat wanneer er een administratieve geldboete wordt uitgesproken, er geen mogelijkheid is om een verbod tot het uitoefenen van een beroepsactiviteit uit te spreken, gelijkwaardig met hetgeen bepaald is in artikel 29 van de ordonnantie en, anderzijds, dat de in het geding zijnde bepaling slechts van toepassing is in geval van herhaling van een gelijkwaardig misdrijf en niet in geval van een misdrijf dat wordt begaan na een veroordeling voor om het even welk eerder misdrijf, in tegenstelling tot datgene waarin het gemeenrechtelijke stelsel van de algemene strafrechtelijke herhaling voorziet. Ze voegt er nog aan toe dat de administratieve sanctie verscheidene voordelen biedt voor de overtreder in vergelijking met de strafrechtelijke vervolging, inzonderheid in zoverre in geval van strafrechtelijke vervolging verscheidene bijkomende straffen kunnen worden uitgesproken naast de hoofdstraf. A.3.
- Als antwoord benadrukt de vennootschap naar Singaporees recht « Singapore Airlines Limited » dat de verwijzende rechter van mening is dat artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 betrekking heeft op de herhaling in geval van administratieve vervolging en dat hij de herhaling in geval van strafrechtelijke vervolging daartegenover stelt. Ze wijst met nadruk op het feit dat het aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling betrekking heeft op de voorwaarden voor de vaststelling van de staat van herhaling, die verschillen bij strafrechtelijke versus administratieve vervolging, en niet op een verschil in behandeling wat betreft de mate van verzwaring van de straf bij strafrechtelijke versus administratieve herhaling. Ze voegt eraan dat het Hof niet wordt ondervraagd over de redelijkheid van de strafvork waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet. A.3.
- Die partij is van mening dat de regeling inzake herhaling verenigbaar is met een procedure inzake administratieve geldboete en vermeldt in dat verband artikel 111 het Sociaal Strafwetboek en artikel 81, § 7, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 3 mei 2018 « betreffende de bouwplaatsen op de openbare weg » als voorbeeld. Ze verwijst eveneens naar het arrest nr. 44/2015 van het Hof. Ze merkt op dat het hoe dan ook van weinig belang is of de in het geding zijnde bepaling als dan niet het begrip « herhaling » gebruikt om de regeling te omschrijven, aangezien het verschil in behandeling waarop de vraag betrekking heeft, reëel is, ongeacht de juridische omschrijving van de regeling. Ze benadrukt het feit dat de in het geding zijnde bepaling de administratie de mogelijkheid biedt de straf te verzwaren wegens het bestaan van eerdere feiten waarvan de schuld van de dader niet is vastgesteld bij een of andere beslissing, aangezien een proces-verbaal volstaat, wat duidelijk in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel van het vermoeden van onschuld. Ze is van mening dat het feit dat de op te leggen geldboete niet automatisch verhoogd wordt, dat het bedrag van de geldboete redelijk blijft en dat de regeling inzake administratieve herhaling gunstiger is dan de regeling inzake strafrechtelijke herhaling, niet volstaan om het in het geding zijnde verschil in behandeling, noch de aantasting van de voormelde fundamentele beginselen te rechtvaardigen. Ten slotte voert ze aan dat de strafrechtelijke vervolging ook voordelen biedt ten opzichte van het systeem van de administratieve sancties, zoals de mogelijkheid een minnelijke schikking te treffen of opschorting van de uitspraak van de veroordeling te verkrijgen. A.4.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat het Hof stelt dat de maatregelen tot individualisering van de straf in geval van alternatieve regelingen van strafrechtelijke of administratieve sancties, parallel moeten lopen, niet dat ze identiek moeten zijn. Zij voert aan dat de Brusselse wetgever twee regelingen heeft gecreëerd, die zeker niet identiek zijn, maar wel parallel lopen en derhalve elk hun voor- en nadelen hebben. Ze merkt op dat andere wetgevingen de vork van de administratieve geldboete die kan worden uitgesproken, verbreden, zonder een voorafgaande, in kracht van gewijsde gegane veroordeling te vereisen. Ze vermeldt in dat verband artikel 31 van de wet van 27 april 2018 « op de politie van de spoorwegen ». A.4.
- In ondergeschikte orde verzoekt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering om handhaving van de gevolgen van artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 ten aanzien van de geldboeten die op de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het arrest van het Hof niet meer vatbaar zouden zijn voor een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State, of die het voorwerp zouden hebben uitgemaakt van een beroep tot nietigverklaring dat door de Raad van State is verworpen. Ze is van mening dat een dergelijke maatregel nodig is om talrijke gerechtelijke en administratieve geschillen en de rechtsonzekerheid die daaruit voortvloeit, te voorkomen gezien het grote aantal administratieve geldboeten dat is uitgesproken in de loop van de achttien jaar waarin de in het geding zijnde bepaling van kracht is geweest. 6 A.
- De vennootschap naar Singaporees recht « Singapore Airlines Limited » is van mening dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering niet aantoont in welke mate een niet-gewijzigde vaststelling van ongrondwettigheid rechtsonzekerheid zou creëren of wat de omvang is van het geschil dat daaruit zou voortvloeien. Zij is van oordeel dat de handhaving van de gevolgen van de ongrondwettig verklaarde norm de rechtszekerheid meer in gevaar zou brengen dan zou dienen en betwist het feit dat een niet-gemoduleerde ongrondwettigverklaring zou leiden tot administratieve en gerechtelijke geschillen of disproportionele gevolgen op budgettair vlak zou hebben. -B- B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu » (hierna : de ordonnantie van 25 maart 1999), dat, in de versie ervan die van toepassing is op het voor de Raad van State hangende geschil, bepaalde : « Indien binnen drie jaar na de datum van het proces-verbaal een nieuw misdrijf wordt vastgesteld, worden de bedragen vastgesteld in de artikelen 32 en 33, verdubbeld ». B.1.
- Die bepaling werd gewijzigd en hernummerd bij artikel 61 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014 « tot wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu alsook andere wetgevingen inzake milieu, en tot instelling van een Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid ». De gewijzigde bepaling is opgenomen in artikel 52 van het « Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid ». Het Hof onderzoekt de in het geding zijnde bepaling in de versie die van toepassing is op het voor de verwijzende rechter hangende geschil. B.1.
- De Raad van State interpreteert de in het geding zijnde bepaling in die zin dat zij « de toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve voorafgaande veroordeling, die met andere woorden niet langer het voorwerp uitmaakt van een beroep of daarvoor niet meer vatbaar is ». Het Hof onderzoekt de bepaling in die interpretatie. 7 B.2.
- De artikelen 32 en 33 van de ordonnantie van 25 maart 1999 bepalen dat de personen die één van de in die bepalingen opgesomde misdrijven plegen, strafbaar zijn met een administratieve geldboete van 62,50 tot 625 euro (artikel 32) of van 625 tot 62 500 euro (artikel 33). Krachtens artikel 35 van dezelfde ordonnantie kunnen die misdrijven « strafrechtelijk worden vervolgd of met administratieve geldboetes worden bestraft ». Met toepassing van de artikelen 36 en 37 van dezelfde ordonnantie worden de processen-verbaal van de in de artikelen 32 en 33 bedoelde misdrijven bezorgd aan de bevoegde ambtenaar en aan de procureur des Konings. Als die laatste beslist de dader te vervolgen, kan geen administratieve geldboete worden opgelegd. Als de procureur des Konings beslist niet te vervolgen of als een beslissing uitblijft binnen de gestelde termijn, kan een administratieve geldboete worden opgelegd. De strafvordering vervalt met de betaling van de administratieve geldboete (artikel 39). B.2.
- De Brusselse ordonnantiegever heeft te dezen dus gekozen voor een alternatief systeem. Zo kan de dader, voor eenzelfde feit, naar de correctionele rechtbank worden verwezen of kan hem een administratieve geldboete worden opgelegd. B.
- Het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het, in de door de verwijzende rechter aangenomen interpretatie, een verschil in behandeling invoert tussen de vermoedelijke daders van een inbreuk op de bepalingen van dezelfde ordonnantie, naargelang zij strafrechtelijk worden vervolgd of een administratieve geldboete opgelegd krijgen. In het eerste geval kan de aan de dader opgelegde straf worden verzwaard, met toepassing van artikel 23 van dezelfde ordonnantie, indien hij binnen een termijn van drie jaar voorafgaand aan het misdrijf veroordeeld is voor een inbreuk op dezelfde bepalingen. In het tweede geval kan het bedrag van de aan de dader opgelegde administratieve sanctie worden verhoogd indien al eerder één of meer inbreuken op dezelfde bepalingen te zijnen laste zijn vastgesteld, zelfs indien die inbreuken niet zijn bestraft bij een definitieve administratieve of rechterlijke beslissing. 8 B.
- Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het criterium van de te volgen strafrechtelijke of administratiefrechtelijke procedure. Wanneer de dader strafrechtelijk wordt bestraft, kan de voor het tweede misdrijf opgelopen straf alleen worden verzwaard indien het eerste misdrijf is bestraft bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. Wanneer hij het voorwerp uitmaakt van een administratieve geldboete, kan het bedrag van die boete worden verhoogd indien al eerder een proces-verbaal te zijnen laste werd opgesteld, zelfs indien die vaststelling niet door een sanctie werd gevolgd of indien de administratieve sanctie het voorwerp uitmaakt van een beroep dat nog steeds hangende is. B.
- Zonder dat het nodig is te oordelen over de vraag of de in het geding zijnde bepaling moet worden gekwalificeerd als een regel die een « recidive » vastlegt, volstaat het vast te stellen dat zij in een verhoging voorziet van het bedrag van de opgelopen administratieve geldboete, verhoging die verbonden is aan het gedrag van de dader. Zij vormt bijgevolg een maatregel van individualisering van de administratieve sanctie, die vergelijkbaar is met een verzwaring van de strafrechtelijke sanctie in geval van recidive, zoals geregeld bij artikel 23 van de in het geding zijnde ordonnantie. B.6.
- Wanneer de dader van eenzelfde feit op een alternatieve wijze kan worden gestraft, dat wil zeggen wanneer hij, voor dezelfde feiten, ofwel naar de correctionele rechtbank kan worden verwezen, ofwel een administratieve geldboete kan opgelegd krijgen waartegen hem een beroep wordt geboden voor een andere rechtbank dan een strafrechtbank, dient er een parallellisme te bestaan tussen de maatregelen tot individualisering van de straf. B.6.
- De eigen kenmerken van de procedure van de administratieve sanctie staan niet eraan in de weg dat alleen de misdrijven waarvan de vaststelling niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een beroep of die, in geval van beroep, zijn bevestigd bij een rechterlijke beslissing, in aanmerking worden genomen als grondslag voor een verhoging van de opgelopen administratieve geldboete wanneer het bestrafte misdrijf een herhaling is van een vroeger soortgelijk gedrag van de dader. B.
- Uit het voorgaande volgt dat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet redelijk is verantwoord. 9 B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. De in het geding zijnde bepaling, zo geïnterpreteerd dat zij de toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve voorafgaande administratieve geldboete, die met andere woorden niet langer het voorwerp uitmaakt van een beroep of daarvoor niet meer vatbaar is, is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.9.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verzoekt het Hof, indien het een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de in het geding zijnde bepaling zou vaststellen, de gevolgen ervan te handhaven voor de administratieve geldboetes die niet meer het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State en voor die welke het voorwerp hebben uitgemaakt van een beroep dat door de Raad van State is verworpen, op de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad. B.9.
- De handhaving van de gevolgen dient als een uitzondering op de declaratoire aard van het in het prejudiciële contentieux gewezen arrest te worden beschouwd. Alvorens te beslissen de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling te handhaven, moet het Hof vaststellen dat het voordeel dat uit de niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid voortvloeit, buiten verhouding staat tot de verstoring die zij voor de rechtsorde met zich zou meebrengen. B.
- Te dezen wordt niet aangetoond dat de niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid verstoringen met zich meebrengt voor de rechtsorde. Indien een beroep tot vernietiging zou worden ingesteld op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, zou het Hof, eventueel, op dat ogenblik kunnen beslissen om de gevolgen van de vernietigde norm te handhaven. Wanneer zulk een beroep zou worden ingesteld en het Hof de bepaling waarvan de ongrondwettigheid bij dit arrest wordt vastgesteld zou vernietigen zonder de gevolgen ervan te handhaven, zijn administratieve beroepen mogelijk tegen beslissingen waarbij administratieve geldboetes zijn opgelegd waarvan het bedrag zou zijn verhoogd op grond van de in het geding zijnde bepaling. Eveneens kunnen verzoekschriften tot intrekking van arresten van de Raad van State waarbij beroepen tegen zulke beslissingen zijn verworpen, worden ingesteld op grond van de artikelen 17 en 18 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Die mogelijke beroepen vormen geen risico op verstoring van de rechtsorde dat een handhaving van de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling in het prejudiciële contentieux rechtvaardigt. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », geïnterpreteerd in die zin dat het de toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve voorafgaande administratieve geldboete, die met andere woorden niet langer het voorwerp uitmaakt van een beroep of daarvoor niet meer vatbaar is, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.073 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div