id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.074 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200528.12 Arrest- Rolnummer: 74/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-03 Raadplegingen: 505 - laatst gezien 2026-06-29 06:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : In zoverre het de adressaat van een beslissing van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer inzake toegang tot het Rijksregister niet de mogelijkheid biedt om bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een beroep tot nietigverklaring van een weigeringsbeslissing in te stellen, schendt artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, gesteld door de Raad van State. Administratief recht - Raad van State - Bevoegdheid - Beroep tot nietigverklaring - Beroep tegen een beslissing van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer - Uitsluiting. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-01-1973 - 14,§1,L1,2° - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 7130 Arrest nr. 74/2020 van 28 mei 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, R. Leysen, M. Pâques en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 243.695 van 15 februari 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 februari 2019, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, in zoverre het andere beroepen ingesteld tegen de beslissingen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer dan die met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van haar personeel uitsluit, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het daardoor de adressaten van die beslissingen het recht ontzegt om bij de Raad van State de nietigverklaring ervan te vorderen, terwijl de adressaten van de beslissingen van de overheden bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, bij de Raad een beroep kunnen instellen tegen de beslissingen van die administratieve overheden ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « Derby », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Joassart, advocaat bij de balie te Brussel; - de Gegevensbeschermingsautoriteit (vertegenwoordigd door haar directiecomité), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Levert, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. M. Lambert de Rouvroit, advocaten bij de balie te Brussel. De nv « Derby » heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 18 maart 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 22 april 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 22 april 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De nv « Derby », die kantoren voor spelen en weddenschappen exploiteert onder de handelsnaam « Ladbrokes », dient op 8 juni 2016 bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer een verzoek in om toegang te krijgen tot het Rijksregister. Het doel van het verzoek is de leeftijd van een speler te kunnen controleren alvorens hem toegang te verlenen tot de onlinespeldiensten die worden aangeboden door de nv « Derby ». De aanvraag wordt behandeld door het sectoraal comité van het Rijksregister, dat deel uitmaakt van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, en wordt geweigerd bij een beslissing van 7 december
- Het motief voor de weigering van de toegang tot het Rijksregister is dat er onvoldoende elementen voorhanden zijn om een beslissing te nemen. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer erkent dat de verzoeker in aanmerking komt voor een machtiging krachtens de wet van 8 augustus 1983 « tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen » (hierna : de wet van 8 augustus 1983), en het doeleinde is welbepaald en uitdrukkelijk omschreven. De modaliteiten voor de toepassing van de wet van 8 augustus 1983 op de inrichtingen die onlinekansspelen exploiteren, moeten echter nog worden vastgesteld. De bepalingen die daarop betrekking hebben, namelijk de artikelen 43/8, § 2, 2°, en 62, vijfde lid, van de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers », stellen dat er uitvoeringsbesluiten moeten worden goedgekeurd, hetgeen op de datum van de beslissing van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer nog niet was gebeurd. De beslissing tot weigering wordt bestreden voor de Raad van State op 16 juni
- De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die vaststelt dat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer geen administratieve overheid is, maar een collateraal orgaan van de Kamer van volksvertegenwoordigers, waardoor, met toepassing van artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, een beslissing inzake de toegang tot het Rijksregister niet behoort tot de handelingen die vatbaar zijn voor vernietiging, stelt de hiervoor weergegeven vraag aan het Hof. III. In rechte -A- A.1.
- De nv « Derby », verzoekende partij voor de Raad van State, is van mening dat er een verschil in behandeling bestaat tussen twee vergelijkbare categorieën, namelijk, enerzijds, de beslissingen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer die niet behoren tot de bestuurshandelingen met betrekking tot overheidsopdrachten, de leden van hun personeel, de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen, en, anderzijds, de bestuurshandelingen van de administratieve overheden in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, in zoverre alleen de tweede categorie kan worden bestreden voor de afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State. A.1.
- Volgens de nv « Derby » blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het doel bestaande in het waarborgen van de scheiding der machten en van de onafhankelijkheid van de niet-administratieve autoriteiten, een legitiem doel is. Dat doel verantwoordt het verschil in behandeling. A.1.3.
- Zij is daarentegen van mening dat de maatregel niet redelijk verantwoord is. Enerzijds, hoewel bepaalde opdrachten die zijn toevertrouwd aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kunnen worden gekoppeld aan politieke of wetgevende activiteiten, geldt dat niet voor de beslissingen met betrekking tot het Rijksregister, die geen politiek of wetgevend karakter hebben. Anderzijds ontzegt het feit dat die beslissing niet kan worden aangevochten voor de Raad van State, de rechtzoekenden op discriminerende wijze een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep. A.1.3.
- Bovendien ziet de nv « Derby » niet in in welk opzicht de invoering van een beroep tegen een weigering van toegang tot het Rijksregister, afbreuk zou doen aan de scheiding der machten. 4 A.1.3.
- De nv « Derby » concludeert dat de ontstentenis van beroep niet evenredig is met het door de wetgever nagestreefde legitieme doel, gelet op de mogelijkheid van beroep die bestaat voor andere verzoeken om toegang te krijgen tot administratieve documenten. Die onevenredigheid is des te duidelijker daar de beslissingen van het orgaan dat in 2018 de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft opgevolgd, namelijk de Gegevensbeschermingsautoriteit - die een administratieve autoriteit is geworden - gepaard gaan met de mogelijkheid om een jurisdictioneel beroep in te stellen. Hetzelfde geldt voor de beslissingen met betrekking tot de raadpleging van het Rijksregister, die nu zijn toevertrouwd aan de minister van Binnenlandse Zaken en voor de Raad van State kunnen worden bestreden. A.1.
- Als de ongrondwettigheid voortkomt uit een lacune in de wetgeving, verzoekt de nv « Derby » in ondergeschikte orde het Hof om vast te stellen dat die lacune discriminerend is en in voldoende duidelijke bewoordingen is uitgedrukt, zodat de Raad van State die onmiddellijk kan verhelpen. A.2.
- De Ministerraad erkent dat de door de nv « Derby » genoemde categorieën wel degelijk vergelijkbaar zijn en dat er een verschil in behandeling bestaat dat zijn oorsprong vindt in de ontstentenis van een beroep bij de Raad van State tegen de beslissingen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer die geen betrekking hebben op de overheidsopdrachten of op de leden van haar personeel. A.2.
- De Ministerraad stelt vervolgens vast dat dat verschil in behandeling een legitiem doel nastreeft. De ontstentenis van beroep moet worden beschouwd in een ruimere context dan die van de machtigingen verleend door de sectorale comités die zijn opgericht binnen de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De noodzaak om de onafhankelijkheid en de autonomie te beschermen en te waarborgen van de overheden, organen en rechtsinstanties die geen administratieve overheden zijn, rechtvaardigt de beperking van de bevoegdheid van de Raad van State. Die beperking heeft ook tot doel « te vermijden dat de Raad van State zich na verloop van tijd bevoegd zou verklaren in aangelegenheden waarvan de wetgever meent dat ze een strikt politiek karakter hebben ». De Ministerraad voegt eraan toe dat dat legitiem doel al erkend werd door het Hof. A.2.3.
- Volgens de Ministerraad is dat verschil in behandeling evenredig met het beoogde doel. De rechtzoekenden beschikken over twee alternatieve oplossingen voor de ontstentenis van een beroep voor de Raad van State tegen de beslissing van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Enerzijds kan de beslissing worden herzien door diezelfde Commissie met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 17 december 2003 « tot vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de samenstelling en de werking van bepaalde sectorale comités opgericht binnen de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer » (hierna : het koninklijk besluit van 17 december 2003), als de voorzitter van het sectoraal comité daartoe beslist. Anderzijds beschikt de rechtzoekende hoe dan ook over de mogelijkheid zijn rechten te doen gelden voor de justitiële gerechten. A.2.3.
- De nv « Derby » antwoordt dat die twee alternatieve oplossingen niet relevant zijn. De eerste, betreffende het koninklijk besluit van 17 december 2003, is slechts toegankelijk op initiatief van de voorzitter van het sectoraal comité en vormt derhalve voor de adressaat van de beslissing geen daadwerkelijk beroep. Het tweede, voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde, is in werkelijkheid onbestaande, aangezien de Ministerraad niet duidelijk aangeeft welke rechtsinstantie ter zake bevoegd zou zijn. Daaruit volgt dat de adressaat van de beslissing van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de toegang tot Rijksregister, over geen enkel beroep beschikt. A.2.
- De Ministerraad besluit dat, met het oog op de bescherming van de onafhankelijkheid van de collaterale organen van de Kamer van volksvertegenwoordigers, alle beslissingen, wat de aard ervan ook is, op dezelfde manier behandeld moeten worden. Bijgevolg dient de prejudiciële vraag ontkennend beantwoord te worden. A.2.
- In ondergeschikte orde, indien het Hof zou besluiten tot een ongrondwettigheid, zou die laatste het gevolg zijn van een lacune in de wetgeving. De Ministerraad verzoekt het Hof in dat geval vast te stellen dat die lacune niet voortkomt uit artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, maar uit het ontbreken van een specifieke wettelijke regeling. A.
- De Gegevensbeschermingsautoriteit, de tussenkomende partij, is van mening dat de rechtspleging voor het Hof zonder voorwerp is geworden ingevolge de regeling die is ingevoerd bij wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens » en de opheffing van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Voor het overige gedraagt zij zich naar de wijsheid van het Hof. 5 -B- B.1.
- Artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals ingevoegd bij de wet van 25 mei 1999 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State, alsook van het Gerechtelijk Wetboek », en achtereenvolgens gewijzigd bij de wet van 15 mei 2007 « tot wijziging van artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 » en de wet van 20 januari 2014 « houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State », bepaalt : « Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, doet de afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen : 1° van de onderscheiden administratieve overheden; 2° van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie, met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen. De in het eerste lid bedoelde onregelmatigheden geven slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden. Artikel 159 van de Grondwet is eveneens van toepassing op de in het eerste lid, 2°, bedoelde akten en reglementen ». 6 B.1.
- Artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, werd herhaaldelijk gewijzigd, meer bepaald ingevolge verschillende arresten van het Hof (arresten nrs. 33/94 van 26 april 1994, 31/96 van 15 mei 1996, 54/2002 van 13 maart 2002, 89/2004 van 19 mei 2004, 93/2004 van 26 mei 2004, 79/2010 van 1 juli 2010, 36/2011 van 10 maart 2011 en 161/2011 van 20 oktober 2011). De wetgever heeft, zonder aan het begrip « administratieve overheid » zelf te raken, de bevoegdheid van de Raad van State geleidelijk uitgebreid tot administratieve akten die uitgaan van overheden die geen deel uitmaken van de uitvoerende macht en de organen die daarvan afhangen. Die uitbreiding betreft onder meer de akten en reglementen van de Kamer van volksvertegenwoordigers, voor zover die betrekking hebben op overheidsopdrachten en leden van haar personeel. B.2.
- Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de voor de Raad van State bestreden akte betrekking heeft op een beslissing van het Sectoraal Comité van het Rijksregister. Dat Sectoraal Comité werd binnen de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ingesteld, in het kader van een aanvraagprocedure voor toegang tot het Rijksregister waarin wordt voorzien voor de « openbare en private instellingen van Belgisch recht voor de informatie die zij nodig hebben voor het vervullen van taken van algemeen belang die hen zijn toevertrouwd door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie of voor taken die uitdrukkelijk als zodanig erkend worden door de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken » (artikel 5, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 8 augustus 1983 « tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen » (hierna : de wet van 8 augustus 1983)). De bestreden beslissing bestaat uit een weigering tot toekenning van een machtiging om het Rijksregister te raadplegen. B.2.
- De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer werd bij het ministerie van Justitie ingesteld door de wet van 8 december 1992 « tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens » (hierna : de wet van 8 december 1992), en vervolgens overgedragen naar de Kamer van volksvertegenwoordigers bij de wet van 26 februari 2003 « tot wijziging van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en tot uitbreiding van haar bevoegdheden ». Die Commissie is afgeschaft bij de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens », die op 5 september 2018 in werking is getreden. 7 Binnen de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer werd een sectoraal comité van het Rijksregister opgericht (artikel 15 van de wet van 8 augustus 1983, ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 25 maart 2003 « tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen »). Zoals de andere sectorale comités is het bevoegd « om aanvragen met betrekking tot de verwerking of de mededeling van gegevens waarvoor bijzondere wetgevingen gelden te onderzoeken en er uitspraak over te doen binnen de door de wet vastgestelde perken » (artikel 31bis, § 1, van de wet van 8 december 1992), te dezen over aanvragen met betrekking tot de toegang tot het Rijksregister. B.2.
- Er dient te worden onderstreept dat de wetgever de wettelijke regeling die het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag heeft gewijzigd. Voortaan worden de beslissingen inzake toegang tot het Rijksregister toevertrouwd aan de minister van Binnenlandse Zaken (artikel 15 van de wet van 8 augustus 1983, zoals vervangen bij artikel 18 van de wet van 25 november 2018 « houdende diverse bepalingen met betrekking tot het Rijksregister en de bevolkingsregisters »). De beslissingen die ter zake door de minister van Binnenlandse Zaken worden genomen, kunnen met een beroep voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden bestreden (artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973). B.3.
- Uit de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, in zoverre het de adressaten van de andere beslissingen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer dan die met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van haar personeel elk beroep tegen die beslissingen ontzegt. B.3.
- De voor de verwijzende rechter bestreden beslissing heeft enkel betrekking op de weigering van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer om een derde toegang te verlenen tot de gegevens van het Rijksregister. Het Hof beperkt dan ook zijn onderzoek tot die situatie. 8 B.4.
- In de verwijzingsbeslissing wordt vermeld : « Men mag ervan uitgaan dat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer een collateraal orgaan van de Kamer van volksvertegenwoordigers was. Die omschrijving van orgaan van een wetgevende vergadering volstaat echter niet om te besluiten tot de bevoegdheid van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Volgens artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, vermag de afdeling bestuursrechtspraak immers alleen kennis te nemen van de beroepen tegen de akten van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ‘ met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van [haar] personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen ’. De bestreden akte, die kan worden beschouwd als een weigering van toegang tot het Rijksregister, valt niet binnen die categorie van akten, zodat de afdeling bestuursrechtspraak onbevoegd is om uitspraak te doen over het voorliggende beroep. De noodzaak om over zulk een beroep te beschikken, mag niet tot gevolg hebben dat de afdeling bestuursrechtspraak bevoegd wordt verklaard met betrekking tot akten die de wetgever aan haar toezicht heeft onttrokken ». B.4.
- De verwijzende rechter is van mening dat artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, in die zin moet worden geïnterpreteerd dat de Raad niet bevoegd zou zijn om kennis te nemen van een annulatieberoep ingesteld door de adressaat van een beslissing van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de toegang tot het Rijksregister. Het is in die interpretatie dat het Hof onderzoekt of de in het geding zijnde bepaling al dan niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- Krachtens artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zijn de akten van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, collateraal orgaan van de Kamer van volksvertegenwoordigers, vatbaar voor een annulatieberoep bij de Raad van State op voorwaarde dat zij een welbepaald voorwerp hebben. Alleen de beslissingen met betrekking tot overheidsopdrachten, leden van haar personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen, worden immers beoogd. Het Hof wordt ertoe gebracht zich uit te spreken over het bestaan van een verschil in behandeling tussen die voor beroep vatbare akten en de beslissingen die door hetzelfde orgaan worden genomen inzake toegang tot het Rijksregister. 9 B.
- In tegenstelling tot de adressaten van een beslissing van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot overheidsopdrachten, leden van haar personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen, beschikken de adressaten van een beslissing tot weigering van toegang tot het Rijksregister over geen enkel dienstig beroep. Er bestaat voor hen immers geen enkel middel tot betwisting van zulk een beslissing. Enerzijds hebben zij niet de hoedanigheid om een vordering tot herziening in te stellen zoals bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 17 december 2003 « tot vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de samenstelling en de werking van bepaalde sectorale comités opgericht binnen de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer », die de enige wettelijke mogelijkheid vormt om de beslissing van de Commissie te herzien. Anderzijds staat hun geen enkel beroep voor een justitiële rechter open. B.
- De beperking van het beroep tot de akten met een specifiek voorwerp beoogt de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State niet uit te breiden tot alle bestuurshandelingen en « zo veel mogelijk de onafhankelijkheid van de niet-administratieve overheden […] te eerbiedigen » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2277/1, p. 10). B.8.
- Tot de basisbeginselen van de democratische opbouw van de Staat behoort de regel dat de wetgevende vergaderingen bij de uitoefening van hun opdracht over de ruimste onafhankelijkheid beschikken. Daaruit volgt dat een wetgevende vergadering de haar toevertrouwde aangelegenheden zelf dient te kunnen regelen en haar bevoegdheden op autonome wijze dient te kunnen uitoefenen. Dat beginsel brengt met zich mee dat, wanneer wetgevende vergaderingen of een van hun organen handelingen verrichten die verbonden zijn met hun politiek of wetgevend optreden, die handelingen aan het rechterlijk toezicht van de Raad van State kunnen worden onttrokken. 10 B.8.
- De noodzaak om die onafhankelijkheid te vrijwaren, rechtvaardigt evenwel niet dat elk beroep wordt ontzegd aan de adressaten van een beslissing tot weigering van toegang tot het Rijksregister, genomen door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, aangezien die Commissie te dezen een bevoegdheid uitoefent die niet verbonden is met het politiek of wetgevend optreden van de Kamer van volksvertegenwoordigers. B.8.
- De ontstentenis van een beroep tegen die beslissing is strijdig met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Die ontstentenis is niet relevant ten aanzien van de legitieme bekommernis om de onafhankelijkheid van de Kamer van volksvertegenwoordigers te vrijwaren. Het door het invoeren van een beroep tot nietigverklaring beschermde belang is even reëel en even wettig voor de adressaten van een beslissing van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer inzake toegang tot het Rijksregister als voor de adressaten van een beslissing van dezelfde Commissie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van haar personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen. B.
- De in het geding zijnde bepaling is onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij het de adressaten van een beslissing van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer inzake de toegang tot het Rijksregister niet mogelijk maakt om bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een beroep tot nietigverklaring van een weigeringsbeslissing in te stellen. B.
- Aangezien de in B.9 gedane vaststelling van de lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, staat het aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de schending van die normen. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre het de adressaat van een beslissing van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer inzake toegang tot het Rijksregister niet de mogelijkheid biedt om bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een beroep tot nietigverklaring van een weigeringsbeslissing in te stellen, schendt artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.074 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.005 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.916 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div