id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.075 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200528.13 Arrest- Rolnummer: 75/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-21 Raadplegingen: 338 - laatst gezien 2026-06-28 21:17 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Verviers. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Arbeidsongevallen - Overheidssector / Privésector - Subrogatievordering van de verzekeraar - Grondslag van de vordering - Berekeningswijze. Tekst van de beslissing Rolnummer 7161 Arrest nr. 75/2020 van 28 mei 2020 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Verviers. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul, J. Moerman en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 30 januari 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 april 2019, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Verviers, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967, zo geïnterpreteerd dat het een facultatieve verzekeraar, gesubrogeerd in de rechten van een openbare werkgever, toelaat van de aansprakelijke derde de terugbetaling te vorderen van een kapitaal dat de toekomstige renten vertegenwoordigt en dat door die facultatieve verzekeraar vrij is berekend, zonder dat die berekening op objectieve wijze is gebeurd op grond van wettelijke bepalingen en zonder dat die berekening ermee rekening houdt dat, in geval van decumulatie gerechtvaardigd doordat de ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, de facultatieve verzekeraar niet langer de integrale rente maar wel een verminderde rente zal moeten uitkeren, waardoor hij zich zou kunnen verrijken door de uitoefening van het subrogatoir verhaal, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een niet te verantwoorden verschil in behandeling invoert tussen : - de voor een arbeidsongeval in de privésector aansprakelijke derde die wordt geconfronteerd met de vordering van de arbeidsongevallenverzekeraar die volgens dwingende normen (artikelen 47 en volgende van de wet van 10 april 1971) is berekend, zonder vermindering van de rente die de arbeidsongevallenverzekeraar heeft uitgekeerd wanneer de ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt; - de voor een arbeidsongeval in de openbare sector aansprakelijke derde die wordt geconfronteerd met een vordering die is berekend door de openbare werkgever of zijn facultatieve verzekeraar bij ontstentenis van dwingende normen en zonder dat de berekening ermee rekening houdt dat de uitgekeerde rente zal worden verminderd wanneer de ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « Ethias », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-F. Jeunehomme, advocaat bij de balie te Luik; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Slegers, Mr. S. Ben Messaoud en Mr. M. Kerkhofs, advocaten bij de balie te Brussel. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 18 maart 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 22 april 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 22 april 2020 in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Een politie-inspecteur, agent van politiezone 5288, is het slachtoffer geworden van een verkeersongeval toen hij met zijn motorfiets van het werk naar huis reed. De aansprakelijkheid ligt bij de automobilist, die verzekerd is bij de nv « Foyer Assurances ». De openbare werkgever van het slachtoffer heeft bij de nv « Ethias » een verzekering tot vergoeding van schade gesloten. De nv « Ethias » heeft haar contractuele verplichtingen jegens haar verzekerde vervuld en is in de rechten van haar verzekerde getreden ten belope van haar uitbetalingen. De Politierechtbank van Verviers heeft een vonnis uitgesproken waarin de vorderingen van de nv « Ethias » slechts gedeeltelijk ingewilligd worden. De nv « Ethias » heeft hoger beroep ingesteld. De nv « Foyer Assurances » heeft incidenteel beroep ingesteld. Bij de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Verviers, zitting houdend in hoger beroep, werd het hele geschil aanhangig gemaakt, behalve de kwestie van de kosten en uitgaven, die al definitief was beslecht door de Politierechtbank. Bij vonnis van 30 januari 2019 spreekt de Rechtbank van eerste aanleg zich uit over de vragen met betrekking tot de vorderingen tot terugbetaling van de bezoldigingen die werden uitgekeerd tijdens de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Met betrekking tot de blijvende arbeidsongeschiktheid stelt de Rechtbank vast dat het slachtoffer sinds 1 november 2012 (datum van consolidatie van de arbeidsongeschiktheid) een jaarlijkse rente ontvangt ter dekking van de hem toegekende blijvende arbeidsongeschiktheid van 15 %. Ze stelt ook vast dat het kapitaal en de renten ter dekking van een blijvende arbeidsongeschiktheid slechts in het kader en binnen de grenzen van het subrogatoir verhaal kunnen worden verhaald op de aansprakelijke derde. De nv « Foyer Assurances » erkent dat de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : de wet van 3 juli 1967) het de openbare werkgever mogelijk maakt een subrogatoir verhaal uit te oefenen ten belope van het kapitaal dat de toekomstige renten vertegenwoordigt, maar voert aan dat er geen wettelijke regeling bestaat om dat kapitaal objectief te berekenen. De Rechtbank stelt ten slotte vast dat de nv « Ethias » niet elk subrogatoir verhaal kan worden ontzegd. Dat is de context waarin de verwijzende rechter aan het Hof, op verzoek van de nv « Foyer Assurances », de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag stelt. III. In rechte -A- Standpunt van de nv « Ethias » A.1.1. Na eraan te hebben herinnerd dat de verwijzende rechter de kwestie van de subrogatie van de nv « Ethias » in de rechten van de openbare werkgever heeft beslecht, volgens een oplossing overeenkomstig het arrest van het Hof nr. 10/2018 van 1 februari 2018, merkt de nv « Ethias » op dat de regeling van de 4 arbeidsongevallen in de openbare sector eigen kenmerken heeft. Het slachtoffer heeft de overheid als schuldenaar en indien die overheid verzekerd is, beschikt het slachtoffer niet over een rechtstreekse vordering op de arbeidsongevallenverzekeraar. Er is dus geen rechtstreekse rechtsverhouding tussen het slachtoffer en de verzekeraar. A.1.2. Met betrekking tot de vergoeding voor blijvende arbeidsongeschiktheid kan de openbare werkgever slechts handelen in het kader van de wettelijke subrogatie geregeld bij artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967. Hij kan dus geen rechtstreeks en persoonlijk verhaal uitoefenen, terwijl hij dat wel kan wanneer hij de terugbetaling vordert van bezoldigingen die, zonder een arbeidsprestatie in ruil te hebben genoten, werden uitbetaald tijdens de periodes van arbeidsongeschiktheid ingevolge een fout van een derde. De nv « Ethias » merkt vervolgens op dat er een fundamentele regel geldt op het gebied van subrogatie : de gesubrogeerde heeft ten opzichte van de schuldenaar niet meer rechten dan de subrogant, waarbij de subrogatie is beperkt tot datgene wat de gesubrogeerde aan de subrogant moet betalen. Bepaalde rechten kan het slachtoffer echter rechtstreeks doen gelden tegen de aansprakelijke derde, omdat die rechten niet vallen onder het subrogatoir verhaal van de openbare werkgever, noch onder dat van de verzekeraar van de private dienst (blijvende huishoudelijke ongeschiktheid, esthetische schade, seksuele schade en genoegenschade…). De nv « Ethias » besluit dat de situatie van de schuldenaar van de vergoeding voor blijvende economische ongeschiktheid altijd dezelfde zal zijn, wat ook de omvang is van de subrogatie van de openbare werkgever of de arbeidsongevallenverzekeraar. A.1.3. De prejudiciële vraag dient derhalve ontkennend beantwoord te worden. De nv « Ethias » voegt eraan toe dat zij steunt op een onjuiste veronderstelling volgens welke de openbare werkgever het kapitaal dat de toekomstige renten vertegenwoordigt, vrij zou kunnen berekenen, zonder dat die berekening op een objectieve manier gebeurt, op basis van wettelijke bepalingen. Die veronderstelling is echter onjuist. Met name artikel 3, 1°, b), artikel 4 en artikel 13 van de wet van 3 juli 1967 bepalen hoe de berekening moet gebeuren : de ambtenaar ontvangt tot zijn overlijden een al dan niet geïndexeerde (jaarlijkse of maandelijkse) rente (afhankelijk van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid). Het klopt dat, voor de berekening van blijvende toekomstige schade, de ene werkgever de kapitalisatietafels van Schryvers zal gebruiken en de andere die van Jaumain, de ene 0,5 % zal hanteren en de andere van 1 %. Hieruit zou echter niet kunnen worden afgeleid dat de berekening niet objectief gebeurt, en in ieder geval minder objectief dan wanneer in de privésector de ene het heeft over het « kapitaal dat de renten vertegenwoordigt » en de andere over « schadevergoeding ». Ten slotte, zo benadrukt de nv « Ethias », controleert de rechter in elk geval de berekeningen die aan hem worden voorgelegd en oordeelt hij soeverein over de relevantie ervan. A.1.4. Wat betreft het feit dat, volgens de verwijzende rechter, in geval van decumulatie gerechtvaardigd doordat de ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, de facultatieve verzekeraar niet langer de integrale rente maar wel een verminderde rente zal moeten uitkeren, waardoor hij zich zou kunnen verrijken door de uitoefening van het subrogatoir verhaal, merkt de nv « Ethias » op dat die situatie niet aan de orde is in het geschil dat is voorgelegd aan de verwijzende rechter. Ze vloeit voort uit artikel 7 van de wet van 3 juli 1967, volgens hetwelk een slachtoffer het rustpensioen en de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid slechts mag cumuleren tot 100 % van zijn laatste bezoldiging. Ze heeft geen enkele invloed op de verplichtingen van de aansprakelijke voor het arbeidsongeval : de verplichtingen zijn, volgens het gemeen recht inzake de aansprakelijkheid, in elk geval beperkt tot de rechten van het slachtoffer. Ten slotte is het, in tegenstelling tot wat de prejudiciële vraag lijkt te veronderstellen, niet juist dat de rente van het slachtoffer noodzakelijkerwijs zal worden verminderd als dat slachtoffer de pensioenleeftijd bereikt. Daarvoor zou het slachtoffer een zeer hoge rente moeten krijgen, wat niet het geval is (de jaarlijkse rente bedraagt 3 469,81 euro), die geïndexeerd is, wat evenmin het geval is. Standpunt van de Ministerraad A.2. De Ministerraad voert eveneens aan dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. 5 De wet van 3 juli 1967 bepaalt dat de schuldenaar van de vergoeding de openbare werkgever is. De wet vereist daarentegen niet dat de openbare werkgever een verzekering sluit. In vergelijking met de regeling die van toepassing is in de privésector, kan de openbare werkgever gelijkgesteld worden met de arbeidsongevallenverzekeraar. Die openbare werkgever kan beslissen zich te verzekeren bij een verzekeringsonderneming, hetgeen in feite gelijkstaat met een herverzekering. Bijgevolg is het verzekerde risico, in de openbare sector, dat van de openbare werkgever om vergoedingen te moeten betalen, terwijl in de privésector het verzekerde risico dat van de werknemer is. Doordat de verzekerde risico’s verschillen, worden zij ook anders berekend. Ook de (rechts)grond van de vordering van de verzekeraar is anders naargelang het de verzekeraar van de privésector dan wel van de openbare sector is. De verzekeraar van de openbare sector wordt immers slechts indirect gesubrogeerd, gelet op de subrogatiemechanismen van het gemeen recht inzake verzekeringen, terwijl de arbeidsongevallenverzekeraar in de privésector wordt gesubrogeerd door de werking van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. Zoals al vele malen gepreciseerd door het Hof, zijn de stelsels voor de vergoeding van arbeidsongevallen die van toepassing zijn in de privésector en in de openbare sector, weliswaar vergelijkbaar, maar ze volgen elk een onderscheiden logica. Verschillen in behandeling die aan het licht komen bij een nadere vergelijking van beide stelsels zijn niet noodzakelijk discriminerend, daar ze in overeenstemming zijn met de logica van de regeling waartoe ze behoren. Te dezen, aangezien de arbeidsongevallenverzekeraar (in de privésector) het risico van de werknemer dekt, wordt de omvang van zijn rechten als gesubrogeerde noodzakelijkerwijs afgemeten aan de rechten van die werknemer. In beide gevallen is het subrogatierecht van de verzekeraar echter hetzelfde : de verzekeraar treedt in de rechten van de persoon wiens risico hij verzekert. Hij kan, op die manier, bij de aansprakelijke derde de bedragen recupereren die zijn verzekerde zelf had kunnen eisen (binnen de wettelijke grenzen). De prejudiciële vraag steunt op de hypothese en de interpretatie waarin de verzekeraar van de openbare sector de bedragen die hij uitkeert aan het slachtoffer, vrij en zonder controle kan berekenen. Dat is nochtans niet het geval : de schuldenaar van de vergoeding blijft de openbare werkgever, die zelf verzekerd kan zijn, in zoverre die mogelijkheid hem wordt geboden. Verder zijn er overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 maart 2001 « tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten » berekeningswijzen vastgelegd voor de renten en kapitalen. De subrogatie die de verzekeraar van die openbare werkgever geniet, is, overeenkomstig artikel 95 van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen », een subrogatie ten gunste van « de verzekeraar die de schadevergoeding betaald heeft » en geldt « ten belope van het bedrag van die vergoeding ». Daaruit volgt dat het verschil dat kan bestaan tussen de subrogatoire vorderingen van de verzekeraars van de privésector of de openbare sector, geen verschil in rechte is, maar uitsluitend een verschil in feite, dat intrinsiek verbonden is met het stelsel waarin die subrogatoire vorderingen passen : - de vergoeding in de openbare sector verschilt van die in de privésector; - de verzekeraar treedt in de openbare sector op in een ander stadium en om andere risico's te dekken dan in de privésector; - toch is in beide gevallen de subrogatie – aangezien het gaat om een subrogatie – beperkt tot de rechten van de persoon in wiens plaats de gesubrogeerde treedt. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 6 -B- B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : de wet van 3 juli 1967). Artikel 14 van die wet bepaalt : « § 1. Ongeacht de uit deze wet voortvloeiende rechten blijft de rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid mogelijk voor de getroffene of zijn rechthebbenden : 1° tegen de personeelsleden en de gemachtigden van de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen die het arbeidsongeval of de beroepsziekte opzettelijk hebben veroorzaakt; 2° tegen de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen voor zover het arbeidsongeval of de beroepsziekte aan de goederen van het slachtoffer schade heeft veroorzaakt; 3° tegen de personen, behalve de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen alsmede hun gemachtigden en de leden van hun personeel, die voor het ongeval aansprakelijk zijn; 4° tegen de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen tot wier personeel het slachtoffer behoort of tegen hun gemachtigden of de andere leden van dat personeel wanneer het ongeval zich op de weg naar en van het werk heeft voorgedaan; 5° tegen de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen die de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk zwaarwichtig hebben overtreden en die daardoor de personeelsleden aan het risico van arbeidsongevallen of van beroepsziekte hebben blootgesteld, terwijl de ambtenaren die zijn aangewezen om toezicht te houden op de naleving van die bepalingen, in toepassing van artikelen 43 tot 49 van het Sociaal Strafwetboek hun schriftelijk:
- a)hebben gewezen op het gevaar waaraan zij de personeelsleden blootstellen;
- b)hebben meegedeeld welke overtredingen werden vastgesteld;
- c)passende maatregelen hebben voorgeschreven;
- d)[…] 6° tegen de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen en de leden van hun personeel wanneer het ongeval een verkeersongeval is. Onder verkeersongeval wordt verstaan 7 ieder ongeval in het wegverkeer, waarbij één of meer al dan niet gemotoriseerde voertuigen zijn betrokken en dat verband houdt met het verkeer op de openbare weg. § 2. Onverminderd de bepalingen van § 1, zijn de in artikel 1 bedoelde personen of instellingen verplicht de vergoedingen en renten die voortvloeien uit deze wet te betalen. De volgens het gemeen recht toegekende schadevergoeding kan evenwel niet samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen. § 3. Toepassing van het bepaalde in deze wet brengt van rechtswege mede dat de hierboven bedoelde rechtspersonen of instellingen die de last van de rente dragen, in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen treden welke het slachtoffer of zijn rechthebbenden, overeenkomstig § 1 mochten kunnen doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het arbeidsongeval of de beroepsziekte en zulks tot het bedrag van de renten en vergoedingen door deze bepaald en van het bedrag gelijk aan het kapitaal dat die renten vertegenwoordigt. Bovendien treden de hierboven bedoelde rechtspersonen of instellingen die de last van de bezoldiging dragen van rechtswege in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen die het slachtoffer overeenkomstig § 1 mocht kunnen doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het arbeidsongeval of de beroepsziekte tot het bedrag van de bezoldiging uitgekeerd gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid. Wat de personeelsleden betreft die bedoeld zijn in artikel 1, 5°, 6° en 7°, wordt de Gemeenschap of de Gemeenschapscommissie van rechtswege in de plaats gesteld tot beloop van de weddetoelage of van het loon, dat aan het slachtoffer tijdens de periode van tijdelijke ongeschiktheid uitbetaald wordt ». B.1.2. Artikel 47 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt : « De verzekeringsonderneming en Fedris kunnen een rechtsvordering instellen tegen de voor het arbeidsongeval aansprakelijke tot beloop van de krachtens artikel 46, § 2, eerste lid, gedane uitkeringen, de ermee overeenstemmende kapitalen, alsmede de bedragen en kapitalen bedoeld bij de artikelen 51bis, 51ter en 59quinquies. Zij kunnen die burgerlijke vordering instellen op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbenden en worden gesubrogeerd in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig, artikel 46, § 2, eerste lid, krachtens het gemene recht, hadden kunnen uitoefenen ». Artikel 48bis van dezelfde wet bepaalt : « § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, is de verzekeringsonderneming verplicht de vergoedingen die voortvloeien uit deze wet te betalen binnen de in de artikelen 41 en 42 gestelde termijnen. 8 § 2. De overeenkomstig artikel 29bis van de voornoemde wet van 21 november 1989 toegekende vergoeding, die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, mag samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen ». Artikel 48ter van dezelfde wet bepaalt : « De verzekeringsonderneming en Fedris kunnen een rechtsvordering instellen tegen de verzekeringsonderneming die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of van de houder van het motorvoertuig of tegen het Gemeenschappelijk Waarborgfonds bedoeld in artikel 24, § 1, 1°, van de wet van [13] maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, tot beloop van de krachtens artikel 48bis, § 1, gedane uitkeringen, de ermee overeenstemmende kapitalen, alsmede de bedragen en kapitalen bedoeld in de artikelen 51bis, 51ter en 59quinquies. Ze kunnen die vordering instellen op dezelfde wijze als de getroffene of zijn rechthebbenden en worden gesubrogeerd in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig artikel 48bis, § 1, hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen ». Artikel 49 van dezelfde wet bepaalt : « De werkgever is verplicht een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan bij een verzekeringsonderneming, die : 1° toegelaten is tot de arbeidsongevallenverzekering of de arbeidsongevallenverzekering mag beoefenen in België door middel van een bijkantoor of in vrije dienstverrichting overeenkomstig de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen; 2° voldoet aan alle regels en voorwaarden gesteld door deze wet. De duur van de verzekeringsovereenkomst mag niet langer zijn dan één jaar; deze duur moet, indien nodig, worden verlengd met de periode die de datum van het ingaan van de overeenkomst scheidt van 1 januari van het jaar dat erop volgt. Behalve wanneer één der partijen zich er tegen verzet door een aangetekende brief die tenminste drie maanden vóór de vervaldag van de overeenkomst ter post is afgegeven, wordt deze stilzwijgend verlengd voor opeenvolgende periodes van een jaar. Deze bepaling is niet van toepassing op de verzekeringsovereenkomsten waarvan de duur korter is dan één jaar. Met wederzijds akkoord van de werkgever en de verzekeringsonderneming kan de duur van één jaar bedoeld in het tweede en derde lid, vastgesteld worden op drie jaar. De Koning bepaalt de voorwaarden, de wijze en de termijnen waarop aan de verzekeringsovereenkomst een einde wordt gemaakt. 9 In de gevallen waarin de verzekeringsonderneming zich het recht voorbehoudt de overeenkomst na het zich voordoen van een schadegeval op te zeggen, beschikt de verzekeringnemer over hetzelfde recht. Deze bepaling is niet van toepassing op de verzekeringsovereenkomsten met een duur van drie jaar gesloten met ondernemingen waarvan het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan honderd bedraagt of die een loonvolume laten verzekeren van meer dan honderd maal het maximum basisjaarloon bedoeld bij artikel 39. De verzekeringsonderneming dekt alle bij de artikelen 7 en 8 vastgestelde risico's voor alle werknemers in dienst van een werkgever en voor alle werkzaamheden waarvoor zij door die werkgever zijn tewerkgesteld. De werkgever behoudt echter de mogelijkheid om het personeel van verschillende exploitatiezetels en om al het huispersoneel in zijn dienst te verzekeren bij afzonderlijke verzekeringsondernemingen. De werkgever die tevens arbeidsongevallen verzekert, dient de verplichte ongevallenverzekering voor zijn werknemers af te sluiten bij een verzekeringsonderneming met wie hij juridisch of commercieel geen enkele binding heeft ». B.2. De aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten hebben betrekking op een verzekeraar die is gesubrogeerd in de rechten van een openbare werkgever. De in het geding zijnde bepaling biedt die verzekeraar de mogelijkheid om van de voor een arbeidsongeval aansprakelijke derde de terugbetaling te vorderen van de geplande renten die zijn bedoeld om de blijvende arbeidsongeschiktheid van het slachtoffer te vergoeden. De berekening van die renten gebeurt volgens de verwijzende rechter evenwel niet op objectieve wijze. Zij houdt ook geen rekening met de decumulatie die wordt verantwoord doordat de ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De facultatieve verzekeraar zal in dat geval nog slechts een verminderde rente moeten uitkeren, waardoor hij zich zou kunnen verrijken. Daaruit zou een verschil in behandeling volgen dat onverantwoord is ten opzichte van de situatie van de arbeidsongevallenverzekeraar die, in het kader van een arbeidsongeval in de privésector, aan het slachtoffer van een arbeidsongeval een rente moet uitkeren die is berekend volgens de dwingende normen van de artikelen 47 en volgende van de wet van 10 april 1971. B.3.1. Het stelsel van de arbeidsongevallen in de overheidssector heeft eigen kenmerken. Zo heeft het slachtoffer van een arbeidsongeval in het stelsel van de wet van 3 juli 1967 als schuldenaar de overheid die hem tewerkstelde op het ogenblik van het ongeval. Die overheid kan zich verzekeren om dat risico te dekken, maar zelfs in dat geval heeft het slachtoffer geen 10 rechtstreekse vordering op de arbeidsongevallenverzekeraar van de overheid waarvan hij afhangt. Dat de overheid de schuldenaar van de arbeidsongevallenvergoedingen is, blijkt niet alleen uit artikel 14bis, § 1, maar ook uit artikel 16 van de wet van 3 juli 1967, dat, sinds de vervanging ervan bij artikel 17 van de wet van 17 mei 2007 « tot wijziging van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector en van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 », bepaalt : « De renten, bijslagen en vergoedingen toegekend aan de personeelsleden van de besturen, diensten of instellingen vermeld in artikel 1, 1°, 3° tot 7° en 10°, alsook aan de in artikel 1bis, 1° en 2°, bedoelde personen vallen ten laste van de Schatkist. Dit geldt eveneens voor de procedurekosten, behalve wanneer het gaat om een tergende en roekeloze eis. De rechtspersonen vermeld in artikel 1, 2°, 8° en 9°, de korpsen van de lokale politie vermeld in artikel 1, 11°, alsook de instellingen vermeld in artikel 1bis, 3°, dragen de last van de renten, bijslagen en vergoedingen, toegekend aan hun personeelsleden met toepassing van deze wet. Dit geldt eveneens voor de procedurekosten, behalve wanneer het gaat om een tergende en roekeloze eis. De Koning legt daartoe, indien nodig, de verplichting op een verzekering aan te gaan. In dat geval kunnen zowel het slachtoffer als de herverzekeraar geen rechtsvordering tegen elkaar instellen ». In tegenstelling tot de overheid is de arbeidsongevallenverzekeraar niet de schuldenaar van het slachtoffer van een arbeidsongeval in de overheidssector. Tussen het slachtoffer en de arbeidsongevallenverzekeraar bestaat geen rechtstreekse rechtsverhouding, terwijl zulks wel het geval is tussen het slachtoffer en de overheid die hem tewerkstelt. B.3.2. In de voor de privésector geldende arbeidsongevallenregeling, vervat in de wet van 10 april 1971, is de werkgever verplicht een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan bij een verzekeringsonderneming die aan bepaalde voorwaarden voldoet (artikel 49) en heeft het slachtoffer van een arbeidsongeval in beginsel die verzekeringsonderneming als schuldenaar (artikelen 46, § 2, en 73). In tegenstelling tot het in de overheidssector tewerkgestelde personeelslid heeft het in de privésector tewerkgestelde personeelslid bijgevolg een rechtstreekse vordering op de arbeidsongevallenverzekeraar van zijn werkgever. 11 B.4.1.1. Een door de overheid gesloten arbeidsongevallenverzekering is een verzekering tot vergoeding van schade, in de zin van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen ». Op grond van artikel 95 van die wet wordt de verzekeraar door de betaling aan de verzekerde, te dezen het overheidsbestuur, gesubrogeerd in diens verhaalsrechten tegen de aansprakelijke derde, maar niet in diens verhaalsrechten tegen degene die gehouden is op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 « betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen » (hierna : de wet van 21 november 1989). Daar het overheidsbestuur, op grond van artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967, wordt gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer ten aanzien van de verantwoordelijke voor het ongeval, wordt de arbeidsongevallenverzekeraar van het overheidsbestuur, ofschoon er tussen hem en het slachtoffer geen rechtstreekse rechtsverhouding bestaat, gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer of diens rechthebbenden ten aanzien van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval. B.4.1.2. Ingevolge het arrest van het Hof nr. 190/2009 van 26 november 2009 werd bij artikel 53 van de wet van 29 maart 2012 « houdende diverse bepalingen (I) » artikel 14bis, § 3, van de wet van 3 juli 1967 gewijzigd, zodat de overheid en haar verzekeraar thans beschikken over een subrogatie in de verhaalsrechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989. B.4.2. Krachtens de artikelen 47 en 48ter van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 wordt ook de arbeidsongevallenverzekeraar in de privésector gesubrogeerd in de in die bepalingen vermelde rechten die het slachtoffer kon doen gelden tegen de derde die aansprakelijk is voor het ongeval. B.5.1. De overheid die als werkgever ertoe is gehouden de gewone wedde en de erop betrekking hebbende lasten en belastingen te betalen gedurende de periode van arbeidsongeschiktheid van een ambtenaar die het slachtoffer is van een ongeval waarvoor een derde aansprakelijk is, kan tegen de laatstgenoemde verhaal uitoefenen. Zij beschikt daartoe over een subrogatoire vordering - van wetgevende of contractuele oorsprong - die het haar mogelijk maakt in de plaats van het slachtoffer te handelen. 12 B.5.2. De omstandigheid dat de overheid zich - hoewel zij daartoe niet verplicht is - verzekert voor de eigen schade die zij kan lijden als gevolg van het ongeval op de weg naar en van het werk van een ambtenaar, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat zij ruimere verplichtingen heeft dan de werkgever in de privésector. Die verzekering tot vergoeding van schade heeft immers betrekking op de verplichting voor de overheid om het loon van de ambtenaar door te betalen, hoewel zij daar geen arbeidsprestaties voor in de plaats ontvangt. Daarentegen dient de werkgever in de privésector, na het verstrijken van de periode van het gewaarborgd loon, niet langer in te staan voor de doorbetaling van het loon van de werknemer die het slachtoffer van een dergelijk ongeval is geworden. B.5.3. Ook al is het verzekerde risico verschillend, het subrogatierecht van de facultatieve verzekeraar en dat van de arbeidsongevallenverzekeraar zijn identiek : in beide gevallen wordt de verzekeraar gesubrogeerd in de rechten van de persoon van wie hij het risico verzekert. Hij kan bijgevolg, binnen de bij de wet bepaalde grenzen, van de aansprakelijke derde de sommen terugvorderen die zijn verzekerde zelf had kunnen vorderen. B.6.1. De prejudiciële vraag berust op de hypothese en de interpretatie, door de verwijzende rechter, van de in het geding zijnde bepaling volgens welke, in de overheidssector, de facultatieve verzekeraar de sommen die hij aan het slachtoffer uitkeert, vrij en ongecontroleerd zou kunnen berekenen, zodat hij van de voor het ongeval aansprakelijke derde terugbetalingen zou kunnen vorderen die diezelfde derde niet zou moeten terugbetalen indien het slachtoffer van het ongeval in de privésector was tewerkgesteld. B.6.2. Of de subrogatie nu wettelijk, zoals in het aan de verwijzende rechter voorgelegde geval, dan wel contractueel is, de gesubrogeerde heeft, ten aanzien van de schuldenaar, niet meer rechten dan de subrogant. Er zijn dus twee grenzen aan de subrogatie : de grondslag van het verhaal en het voorwerp ervan. Aldus kan de schuldenaar van een schadeloosstelling voor een economische ongeschiktheid, volgens het gemeen aansprakelijkheidsrecht, niet tot meer worden verplicht dan tot de vergoeding van het integrale nadeel van het slachtoffer. De schuld die wordt gedragen door de derde die het ongeval heeft veroorzaakt, is een constante, zonder dat het bedrag ervan 13 varieert naargelang de werkgever van het slachtoffer een werkgever van de overheidssector dan wel een werkgever van de privésector is. B.6.3. De vergoeding van de blijvende ongeschiktheid van een werknemer in de overheidssector volgt de berekeningsregels die zijn vastgesteld bij het voormelde artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967. Zij maakt bovendien het voorwerp uit van een beslissing van de openbare werkgever en, in geval van beroep van de ambtenaar, van de arbeidsrechtbank of van het arbeidshof. De grondslagen van de toekomstige schadeloosstelling van de ambtenaar zijn ook in de wet gepreciseerd : hij zal tot zijn overlijden een jaarlijkse of maandelijkse, al dan niet geïndexeerde, rente ontvangen, naar gelang van het percentage blijvende ongeschiktheid. B.6.4. Tot slot regelt artikel 7 van de wet van 3 juli 1967 het geval waarin het slachtoffer zijn ambt neerlegt en een rustpensioen verkrijgt terwijl het een rente wegens blijvende ongeschiktheid geniet. Het slachtoffer kan het rustpensioen en de rente wegens blijvende ongeschiktheid immers slechts cumuleren tot 100 % van de laatste bezoldiging. Ook al bevinden de partijen en de rechter bij wie de vordering van de facultatieve verzekeraar is ingesteld, zich in de onmogelijkheid om die bepaling in werking te stellen, die meestal twee onbekenden zal omvatten (het bedrag van de laatste bezoldiging en het bedrag van het rustpensioen), heeft die situatie geen enkele weerslag op de verplichtingen van diegene die voor het arbeidsongeval aansprakelijk is : zoals is vermeld in B.6.2, zijn die verplichtingen, volgens het gemeen aansprakelijkheidsrecht, in alle gevallen beperkt tot de rechten van het slachtoffer. B.6.5. Tot slot lijkt in de prejudiciële vraag te worden uitgegaan van de veronderstelling dat de rente noodzakelijkerwijs zal worden verminderd wanneer het slachtoffer de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken. Zulks is echter niet het geval, met name wanneer de jaarlijkse rente niet geïndexeerd wordt en wanneer het ontvangen rustpensioen lager is dan de bezoldigingen die aan het einde van de loopbaan worden ontvangen. B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 mei 2020. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.075 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div